vrijdag 11 november 2022

150 jaar geleden. De scheepsramp met de sloep Middelharnis (1872)

Op 12 november 1872 werd de sloep Middelharnis ter hoogte van Terschelling door een groot koopvaardijschip overvaren. De twaalf bemanningsleden kwamen hierbij om. Deze week is het 150 jaar geleden dat deze tragische gebeurtenis zich voltrok.

Het Eilanden-Nieuws van 11 november 2022 besteedde aandacht aan deze scheepsramp.

Op vrijdag 8 november 1872 vertrekt de Middelharnis vanuit de thuishaven naar de visgronden bij de Waddeneilanden, tegelijk met de Vijf Gebroeders (schipper Gerrit Langbroek). Aan de noordkant van Terschelling vissen de sloepen van Middelharnis vanaf oktober tot in december vaak met plomplijnen (handlijnen) op schelvis. De ramp voltrekt zich op de avond van dinsdag 12 november 1872. De weersomstandigheden zijn extreem slecht: een harde westenwind en sneeuwbuien. De Middelharnis wordt in het donker overzeild door een groot koopvaardijschip, een driemastbark. De bemanning van de Vijf Gebroeders zag wat er gebeurde. Hendrik de Korte (1880-1948), oud-visser en leraar aan de Visserijschool in IJmuiden, tekende de toedracht als volgt op: ‘Er kwam weer een zware sneeuwbui opzetten en men geraakte elkaar uit het oog. Plotseling kwam er een groot zeilschip recht voor de wind varende rakelings achterom. Dit schip dat een grote snelheid had, voer recht op de plaats aan waar Smit met zijn schip zich bevond. Toen de bui over was, was er van de sloep van Smit niets meer te zien. Smit is nooit meer binnengekomen en zeer waarschijnlijk door het zeilschip overvaren.’

De sloep Volharding van rederij Slis uit 1871. De Middelharnis zag er ook zo uit.
( Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam)


Bij de ramp kwamen twaalf vissers om. 
De bemanningsleden waren tussen de 14 en de 51 jaar oud. Bastiaan de Moei, Marinus Smit en Aren Jan de Waard waren ongehuwd.

Johannis Don (1844-1872)
Pieter Dubbeld (1821-1872)
Hendrik Dupré (1845-1872)
Pieter de Man (1830-1872)
Bastiaan de Moei (1858-1872)
Simon de Moeij  (1825-1872)
Adrianus van den Nieuwendijk (1837-1872)
Cornelis Smit (1821-1872)
Gerrit Smit (1849-1872)
Marinus Smit (1857-1872)
Aren Jan de Waard (1850-1872)
Arend de Waard  (1842-1872) 



Meer informatie over de scheepsrampen in: Rinus van Dam, Marlies Jongejan en Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938). Uitgegeven onder auspiciën van het Streekmuseum Goeree-Overflakkee in 2018.

Op dit weblog staan verschillende berichten over deze ramp. Zie in het blogarchief de berichten van 6 tot en met 19 december 2012.








zaterdag 29 oktober 2022

Vissers en duivenmelkers (Middelharnis 1907-1910)

In de jaren 1907 tot en met 1910 treffen we in de Maas- en Scheldebode berichten aan over postduiven die met een vissloep meegegeven werden. Meestal betrof het duiven van A. Witvliet. Ook L. van der Valk wordt een keer genoemd. Ik neem aan dat deze experimenten bedoeld waren om de duiven te trainen. De duiven namen een briefje mee terug waarin stond hoe laat en waar ze vanaf de sloep losgelaten waren.

Het was ook een manier om met de sloepen te communiceren. Een enkele keer kwam een duif terug met een briefje waarin iets over het weer stond.



Maas- en Scheldebode, 19 juni 1907





Maas- en Scheldebode, 22 juni 1907


Maas- en Scheldebode, 30 oktober 1907



Maas- en Scheldebode, 9 november 1907



Maas- en Scheldebode, 25 april 1908


Maas- en Scheldebode, 3 juli 1908

  

Maas- en Scheldebode, 10 oktober 1908




Maas- en Scheldebode, 31 oktober 1908


Maas- en Scheldebode, 23 juni 1909



Maas- en Scheldebode, 22 juni 1910


 

Maas- en Scheldebode, 21 december 1910



Maas- en Scheldebode, 14 februari 1912





zondag 23 oktober 2022

Gewelddadige en brutale vissers uit Middelharnis (1886-1913)

De arrondissementsrechtbank van Rotterdam veroordeelde in 1886 een visser van 29 jaar uit Middelharnis wegens mishandeling. De straf was 3 gulden boete of 6 dagen hechtenis.


Vlaardingsche courant 22 december 1886


In 1892 kreeg een visser van 19 jaar een aanzienlijk hogere straf. Hij werd wegens mishandeling tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld.



Rotterdamsch Nieuwsblad, 27 januari 1892

In de loop van de jaren is enige verruwing in het gedrag van vissers waar te nemen.  Vaak werden de veldwachters beledigd en niet zelden was er alcohol in het spel. Hieronder een aantal incidenten.  

In 1903 werd een zeevisser van 29 jaar uit Middelharnis veroordeeld tot veertien dagen gevangenisstraf ‘ wegens wederspannigheid in Vlaardingen’.


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 21 januari 1903

Een visser van 22 jaar die in 1904 in Middelharnis een ambtenaar had beledigd werd veroordeeld tot 15 gulden boete of tien dagen gevangenisstraf.


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 1 juni  1904.

Op 6 november 1904 was het in Middelharnis 'lootjesdag'. Dit was de dag waarop de jongens moesten loten voor de nationale militie. 

'Men trok uit elk dorp gezamenlijk naar de plaats waar moest worden geloot, Op de heen- en terugreis werd veel gedronken en vooral wanneer de lotelingen van verschillende dorpen elkaar ontmoetten, vonden dikwijls vechtpartijen plaats, zodat lootjesdag lang als de beruchtste dag van het jaar heeft gegolden' (bron: Wiki ZB).

'Er was natuurlijk een vechtpartij gekomen tusschen visschers en eenige dorpelingen', aldus de krant. De vechtersbazen werden niet veroordeeld, wel een arbeider die de twee gemeenteveldwachters had beledigd. Eis: 7 dagen gevangenisstraf.


Rotterdamsch Nieuwsblad, 22 februari 1905

Tegen een visser van 17 jaar uit Middelharnis werd in 1905 een maand gevangenisstraf geëist wegens mishandeling. Hij werd vrijgesproken (Rotterdamsch Nieuwsblad, 28 juni 1905)


Rotterdamsch Nieuwsblad 22 februari 1905 


In 1909 werd een ‘diepzeevisscher’ van 26 jaar uit Middelharnis veroordeeld tot 10 gulden boete of tien dagen hechtenis wegens verzet tegen de politie.


Rotterdamsch Nieuwsblad 5 mei 1909


In 1913 werd tegen een 21-jarige diepzeevisser acht dagen gevangenisstraf  geëist wegens het in beschonken toestand beledigen van de dorpsveldwachter. De uitspraak was: 10 dagen gevangenisstraf of 15 gulden boete. (Rotterdamsch Nieuwsblad, 17 december 1913)



Rotterdamsch Nieuwsblad, 11 december 1913.

zaterdag 22 oktober 2022

Visser Beket uit Middelharnis in Vlissingen mishandeld (1876)

Op zaterdag 15 en zondag 16 januari 1876 lagen vijf sloepen uit Middelharnis bij de sluis van het Kanaal door Walcheren bij  Vlissingen:  Willem de Zwijger, UlboNoord Over, Vijf Gebroeders en Jannetje en Sara. 

Visser Beket, bemanningslid van een van deze sloepen, bezocht op zondagavond een herberg in de stad. Hij kreeg het op de terugweg naar de sloep aan de stok met drie personen. Ze eisten van hem dat hij enkele schelvissen uit de sloep zou halen. Toen hij dit weigerde werd hij mishandeld. Om aan zijn belagers te ontkomen sprong hij in de Schelde.

Volgens het bericht zou Beket bijna een uur in het water gelegen hebben. De sluiswachter heeft de visser nadien verzorgd.

De belagers werden aangeklaagd wegens poging tot moord.


Vlaardingsche Courant, 22 januari 1876



dinsdag 19 juli 2022

Twee schilderijen: de sloepen Zeemanshoop (bouwjaar 1876) en Titia Jacoba (bouwjaar 1877) uit Middelharnis

In het Maritiem Museum Rotterdam bevindt zich een schilderij van de sloep Titia Jacoba. De sloep is in 1877 voor P.L. Slis gebouwd door L.S. Figée jr. (werf 's Lands Welvaren) in Vlaardingen. Het Maritiem Museum beschikt ook over het lijnenplan (inv. nr. T871) waaruit blijkt dat de sloep ingericht was om vis in ijs te bewaren (ijshokken). Omschrijving:

Op het berghout en in het zeil is het visserijkenmerk MD6 weergegeven. Het schip is voorgesteld aan stuurboordzijde en zeilt aan de wind. Rechts, meer naar achter, is een houten vissloep afgebeeld, zeilend voor de wind. De gehele onderste strook van het vlak is een kijkje onder de zeespiegel: een beug is zichtbaar, alsmede een anker en vissen.


De vissloep Titia Jacoba uit Middelharnis uit 1877
Maritiem Museum Rotterdam inv. nr. P 2259.


De Titia Jacoba was de eerste sloep met een ronde overhangende spiegel, links op het schilderij te zien. 

In het Streekmuseum Goeree-Overflakkee bevindt zich onderstaand schilderij. Het is duidelijk van dezelfde schilder. Ook hier een kijkje onder de zeespiegel met de beug en de vissen. De bemanning is bezig de beug in te halen. Dit schilderij is afkomstig van de firma Wed. C. Kolff en Zoon. Op dit schilderij ontbreekt het registratienummer. Deze sloep heeft, in tegenstelling tot de Titia Jacoba, geen ronde overhangende spiegel. De achtersteven is vierkant.


Schilderij afkomstig van de rederij Wed. C. Kolff
Streekmuseum Goeree-Overflakkee


Welke sloep is op dit schilderij afgebeeld ?

Voor 1875 werden voor de vloot van Middelharnis uitsluitend sloepen met één mast gebouwd. De eerste sloep met anderhalve mast was de Willem de Zwijger (zie blog van 8 maart 2022), gebouwd op de werf van Peeman voor rekening van Peeman zelf. Daarna volgde in 1876 de Zeemanshoop, eveneens op de werf van Peeman, voor rekening van de firma Kolff. 

En vervolgens in 1877 de Titia Jacoba, in Vlaardingen gebouwd voor Slis.

Latere voor Kolff gebouwde sloepen waren de Hendrika Adriana in 1883 en de Eben Haëzer in 1884. Dit waren schepen met een ronde, overhangende spiegel (zoals bij de Titia Jacoba). Daarna volgde in 1888 de Zeemeeuw, een schoenersloep met twee even lange masten. Deze drie schepen van Kolff zijn duidelijk niet afgebeeld op het schilderij.

Conclusie: de sloep op het schilderij in het Streekmuseum moet de Zeemanshoop zijn. Vanaf 1882 met nummer MD 18. 

Argumenten:

a. het schilderij is afkomstig van rederij Kolff, er moet dus een sloep van Kolff afgebeeld zijn 

b. op het schilderij staat een sloep met anderhalve mast van na 1875  

c. de nieuw gebouwde schepen van Kolff uit 1883, 1884 en 1888 komen niet in aanmerking, want deze hadden een overhangende spiegel

d. het schilderij is van dezelfde schilder en dateert uit dezelfde tijd als het schilderij van de Titia Jacoba.

Waarschijnlijk is het kenmerk MD 6 (in 1882 toegekend) later aangebracht op het schilderij van de Titia Jacoba , wellicht ter gelegenheid van de wereldtentoonsteling in Parijs in 1900 waar het schilderij te zien was (zie blog van 20 april 2022). 

zondag 26 juni 2022

Twee visreizen van de hoeker Maria Elisabeth naar IJsland vanuit Zierikzee in 1726 en 1727

In 1726 en 1727 stuurde de Middelburgse Commercie Compagnie de koopvaardijhoeker Maria Elisabeth in de zomer naar IJsland voor de zoute kabeljauwvangst. De bemanningsleden voor de hoeker en de benodigdheden voor de visvangst haalde de handelscompagnie uit Zierikzee. Zierikzee had een omvangrijke vloot voor de zeevisserij.

De eerste helft van de achttiende eeuw is wat betreft de kabeljauwvisserij rond IJsland een vrijwel onbeschreven blad in de visserijgeschiedenis. De administratieve bescheiden van de visreizen van de Maria Elisabeth in het archief van de MCC vormen een unieke bron om de kennis van dit visserijbedrijf te verdiepen.



Scheepsmodel van een koopvaardijhoeker, vervaardigd door Pieter Ossewaarde, 
circa 1750-1770. Stadhuismuseum Zierikzee (SHM 1251)


De hoeker vertrok in 1726 en 1727 in mei en keerde in september terug. De reizen duurden 127 tot 136 dagen. De bemanning van de hoeker bestond uit dertien personen, elf volwassenen en twee jongens. Het loon was afhankelijk van de hoeveelheid gevangen vis. De bemanningsleden moesten een verklaring tekenen dat ze geen handelswaren mee zouden nemen om in IJsland te verhandelen.

Zout uit Setubal was het meest geschikt voor het zouten van de kabeljauw; er waren vier tonnen zout per last vis nodig. Tijdens de kabeljauwvisserij rond IJsland werd met kollijnen gevist. Van beide reizen bracht de hoeker ongeveer 41 last (van veertien tonnen) gezouten kabeljauw aan. Dit betekent dat de vangst elk jaar uit meer dan 17.000 kabeljauwen bestond. De reders van Zierikzee stuurden voornamelijk koopvaardijhoekers naar IJsland, deze schepen waren groter dan vishoekers. Na het visseizoen werden de schepen ingezet voor de handelsvaart op Frankijk en Spanje. In 1727 bestond de IJslandvloot van Zierikzee uit 54 hoekers.

Het zout, de tonnen, de levensmiddelen en de lonen voor de bemanning vormden de vaste kostenposten. De reis van 1726 leverde een winst op van 804 gulden, op de reis van 1727 werd 2.488 gulden verloren omdat de prijzen op de Zierikzeese afslag in 1727 extreem laag waren. De oorzaak was dat het stadsbestuur een aanvoerverplichting instelde. De vis van alle hoekers moest in Zierikzee zelf verkocht worden, waardoor de markt overvoerd werd.

Voor de MCC was het uitrusten van de Maria Elisabeth voor de IJslandvaart een van de experimenten uit de beginjaren. Na twee reizen achtte de handelscompagnie de kabeljauwvisserij niet meer voor herhaling vatbaar. Vanaf 1730 concentreerde de MCC zich op de vaart op West-Afrika en het Caribisch gebied. De compagnie ontwikkelde zich tot de belangrijkste rederij op Walcheren voor slavenreizen.


Publicatie:

Marlies Jongejan, 'Twee visreizen ‘te soute’ van de Maria Elisabeth naar IJsland. Een experiment van de Middelburgse Commercie Compagnie vanuit Zierikzee in 1726 en 1727'.

Tijdschrift voor Zeegeschiedenis, 41(2022)1, 25-47

 




zaterdag 28 mei 2022

Olie op de golven storten. De MD 3 Nijverheid in gevaar (winter 1891-92)

In de herinneringen van Beschier Faasse, geboren 9 oktober 1867,  treffen we de uitdrukking 'olie op de golven storten' aan.

Beschier voer als veertienjarige aan boord van de MD 3 Nijverheid, schipper Jacobus (Koos) van den Hoek in de winter van 1891-1892

Het was altijd zeer moeilijk en ook dikwijls, levensgevaarlijk om bij slecht weer, bij mist of donker de zeegaten binnen te lopen. Ik was een jongen van 14 jaar en voer bij Kees [Koos] v. d. Hoek, op de sloep ,,Nijverheid" van de Rederij P. L. Slis & Zonen. We kwamen met goede vangst uit zee voor Nieuwediep, vanaf benoorden Waterbank. Het regende en er stond veel wind. De wind was Noordwest, dus lager wal. De vloed viel in, we konden niet meer in 't slijkgat komen. Na scheepsraad gehouden te hebben, besloot de schipper het Westgat binnen te varen. Dit was zeer moeilijk, want hier was geen betonning en het licht was slecht. Tussen de branding van Noordhaaks en Zuiderhaaks ging het alleen op 't kompas. De olie hadden we klaar staan om op de kokende golven te storten. De uitwerking daarvan is geweldig, maar het mag alleen in de uiterste nood gebruikt worden, omdat een schip, dat e.v. achteraan komt, gewis tot ondergang is gedoemd.
Evenwel werd het zo bestuurd dat het [niet] nodig was, en kwamen we behouden in de haven aan. Bron: Eilanden-nieuws van 7 februari 1948.


Wat betekent olie op de golven gieten en waar komt deze uitdrukking vandaan?
Olie op de golven gieten (of: gooien) betekent dat iemand iets zegt of doet om anderen rustiger te maken, om een verhitte stemming wat te laten afkoelen. Olie op de golven gieten is een uitdrukking uit de scheepvaart. Vroeger gooide men weleens olie op het water, bijvoorbeeld als er een sloep van een groot schip moest worden neergelaten in een woelige zee. Die olie was speciaal daarvoor aan boord. Het was vaak walvistraan of anders vette plantaardige olie. Later werd ook afvalolie uit de machinekamer gebruikt. Olie blijft op het water drijven en vormt daarop een dun, wat stroperig laagje. De wind krijgt zo minder vat op het water en kan dus moeilijker golven maken. De golven worden door de olie op zichzelf dus niet kleiner, maar de olie vermindert wel het aantal ‘puntige’ golven en golfjes. Dankzij dit dempende effect kon de uitdrukking olie op de golven gieten ontstaan, om uit te drukken dat er iets wordt gezegd of gedaan om de golven van de emoties te dempen, om de scherpe randjes eraf te halen. 
Bron: www.onzetaal.nl/taaladvies


Advertentie voor golfstillende olie, Vlaardingsche Courant, 11 februari 1899