woensdag 21 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 1, levensloop en publicaties.

door Marlies Jongejan

Hendrik de Korte (1880-1948)
 
Hendrik de Korte was een zoon van de Middelharnisse schipper Johannes de Korte, die tot en met 1896-97 schipper was van de MD 13 Adriana Lumina. Hendrik heeft zijn leerschool gehad op de Middelharnisse sloepen. Hij voer onder andere rond 1893 twee jaar op de MD 28 Vertrouwen. Het gezin is op 26 juni 1899 naar IJmuiden vertrokken.

Nadat Hendrik de Korte zijn werkzaamheden als visser beëindigde werd hij leraar aan de Gemeentelijke Visserijschool in IJmuiden, die in 1916 werd gesticht. In 1924 schreef hij samen met A. Bakker een leerboek over knopen, touwwerk, blokken, takels etc. voor de zee- en binnenvaart (1). In 1926 volgde zijn boek over het breien, samenstellen en boeten van trawlnetten. Beide leerboeken zijn vele malen herdrukt (2).

In deze jaren verdiepte hij zich ook in de geschiedenis van de Middelharnisse visserij. In 1921 verscheen een artikel in twee delen van zijn hand in het Tijdschrift De Visscherij onder de titel: 'Over de vroege visserij van Middelharnis. Iets uit de geschiedenis van Middelharnis en deszelfs visscherij' (3). Hij baseerde zich voor dit overzicht voornamelijk op het boek van Ulbo J. Mijs uit 1896 over de visafslag.

In een schrift noteerde hij de namen van de Middelharnisse schepen die voorkomen in de jaarlijkse  Naamlijst der haringschepen in Zuid- en Noord-Holland uitgerust’. Voor de jaren 1834-1871 zijn hierin de Middelharnisse schepen die aan de haringvisserij deelnamen terug te vinden.


Pas in 1887 werden in deze lijst de bunsloepen opgenomen die niet aan de haringvisserij deelnamen. De Korte gaf zijn schrift de titel ‘Sloepen van Middelharnis’ mee en niet ‘De sloepen van Middelharnis’. Dit duidt er mogelijk op dat hij besefte dat het overzicht verre van volledig was voor de jaren tot 1886. Hij maakte twee exemplaren van het overzicht die in de collecties van het Streekarchief Goeree-Overflakkee en het Maritiem Museum Rotterdam zijn opgenomen (4).

Door een ongeval werd hij invalide. Hij besteedde zijn tijd aan het beschrijven en tekenen van alles wat hij zich van de Middelharnisse visserij herinnerde en uit diverse bronnen te weten kon komen.  Voor de ontwikkelingsgeschiedenis van de vissersvaartuigen van Middelharnis zijn de tekeningen die hij in 1940 maakte van grote waarde. Zij berusten in Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam.  De reeks bestaat uit twaalf tekeningen op een vel van 50 bij 64 cm. Elke tekening is door De Korte voorzien van een toelichting. De dertiende tekening stelt de in 1882 gebouwde MD 11 Hendrika Adriana voor met tuigplan, dekplan, inrichting voor de zoute visvaart en inrichting voor verse visvaart. Vermoedelijk heeft De Korte ook zelf op deze sloep gevaren. De tekening is in 1939 op verzoek van C. Oud, directeur van het Staatsvisschershavenbedrijf van IJmuiden, gemaakt ten behoeve van het boek van G.L.E. Crone, Onze schepen in de Gouden Eeuw, voor het hoofdstuk Visschersvaartuigen. De Korte heeft de tekening in januari 1940 geschonken aan Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam (5).

Zoals zoveel inwoners van IJmuiden werden Hendrik de Korte en zijn vrouw Lena Koster in 1942 door de Duitse bezetter gedwongen om IJmuiden te verlaten. Ze belandden in het Gelderse dorp Nieuwaal, gemeente Gameren. Ze zouden niet meer terugkeren naar IJmuiden. De huisarts van De Korte in Nieuwaal, M.A. Kipp, was zelf modelbouwer en zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van de sloepen. De Korte heeft gedurende het jaar 1943 een gedetailleerde beschrijving van de MD 28 Vertrouwen gemaakt op basis van zijn tekeningen in een oud kasboek. Zo ontstond een uitvoerige documentatie. Kipp wist voor hem de originele bouwtekening en de tuigtekening van de werf van I.S. Figee te bemachtigen. Op basis van deze informatie is in 1979 de modelbouwtekening van de MD 28 Vertrouwen vervaardigd (5).


MD 28 Vertrouwen, scheepsmodel vervaardigd door Anton Diks


De 22 artikelen die hij (H. de Korte Johsz.) in 1947 in het Eilanden-nieuws publiceerde onder de titel ‘Iets over de visserij van Middelharnis’ behoren tot de meest belangwekkende teksten die over de visserijgeschiedenis van Middelharnis geschreven zijn. De laatste aflevering verscheen op 22 november 1947 (6).  De Korte was van plan om nog meer artikelen te schrijven maar de reeks eindigde abrupt. Hij overleed op 4 januari 1948.


IJmuider Courant, 7 januari 1948

De afgelopen tien jaar heb ik historisch onderzoek gedaan naar de zeevisserij vanuit Middelharnis en heel veel bronnen geraadpleegd die De Korte niet tot zijn beschikking had. Dit onderzoek maakt het mogelijk om de tekeningen en de bijbehorende toelichtingen van Hendrik de Korte te koppelen aan de feiten die het bronnenonderzoek heeft opgeleverd. In de volgende blogteksten doe ik verslag van mijn bevindingen.



© Marlies Jongejan, juni 2023





1. A. Bakker en H. de Korte, Eenvoudige handleiding voor het splitsen en knopen, plattings en matten maken, kennis van touwwerk, blokken, takels enz., voor de zee- of binnenvaart. Met ca. 180 afbeeldingen. Rijswijk, Kramers, 1924

2. H. de Korte, Het breien, samenstellen en boeten van trawlnetten. IJmuiden, 1926.

3. H. de Korte, ‘Over de vroege visserij van Middelharnis. Iets uit de geschiedenis van Middelharnis en deszelfs visscherij ’, Tijdschrift De Visscherij, 3(1923)11, 123-125 en 3(1923)12, 137-139.

4.  [H. de Korte Johsz.], Sloepen van Middelharnis, 1834-1923. Handgeschreven overzicht, 64 p. Aanwezig in het Maritiem Museum Rotterdam (afkomstig van rederij Slis, geschonken in 1925)  en in het Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 2191.

5. M.A. Kipp en J. Esvelt, naar H. de Korte. De beugsloep “Vertrouwen”, de M.D. 28 uit 1886. in: De Modelbouwer 41(1979) juni, deel 1, 224-229. (Bouwbeschrijving deel 2 en 3, p. 352-353 en 392-396). 

De tekening is te koop via: https://www.modelbouwtekeningen.nl/nvm-1003016-beugsloep-vertrouwen-md28-1886.html

6. H. de Korte Johsz., ‘Iets over de visserij van Middelharnis’ Eilanden-Nieuws (1947) 24 afleveringen verschenen tussen 28 juni en 22 november 1947.

 

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 2, de gaffelschuit.

 

Tekening 1. Gaffelschuit onder volle zeilen.



'Gaffelschuit onder volle zeilen, van ongeveer 1470 tot 1829, eerst kleiner vaartuigen van 30 tot 35 voet. 35 tot 40 Amsterdamse voet lang, 16 tot 18 voet breed. Sterke platboomde vaartuigen met bun. In gebruik te Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. Veelal gebouwd te Middelharnis'

In de vroege zeventiende eeuw zien we in de archiefbronnen vaak de benamingen kromstevenschuit of kromstevenvisschuit. Rond 1680 komen de termen scholschuit, staalschuit en botschuit veel voor en ook de term visschuit. Als de algemene term visschuit werd gebruikt is het niet uit te sluiten dat het al om gaffelschuiten ging. De term gaffelschuit zien we in 1695 voor het eerst in een Middelharnisse verkoopakte. Na 1695 is een toenemend gebruik van het woord gaffelschuit in de aktes waar te nemen.

De laatste gaffelschuit was de Wilhelmina, stuurman Gerrit Bree. De romp van de schuit werd op 27 augustus 1831 publiek verkocht.

De Korte geeft een maximum van 40 Amsterdamse voet lengte aan voor de gaffelschuiten, dat is 11,32 meter. In werkelijkheid waren de gaffelschuiten groter. Tot circa 1775 waren de schuiten 16 tot 17 meter lang. Vanaf circa 1780 werden er gaffelschuiten van 19 meter lang gebouwd.

Middelharnis had een beperkte rol in de bouw van gaffelschuiten. De meeste schepen zijn in Dordrecht en Delfshaven gebouwd. Tussen 1787 en 1795 werden op de scheepswerf ‘De Goede Hoop’ in Middelharnis maximaal tien gaffelschuiten gebouwd, waaronder de Jonge Marinus.


Model van de gaffelschuit de Jonge Marinus door W.C. Ravensbergen
naar gegevens van J. Ploeg (Museum Vlaardingen
)


Tekening 2. Gaffelschuit in de kaai (naar een oude tekening)



'Binnen zijnde, werd het grootzeil opgegeid tegen gaffel en mast. Kluifhout werd door toppenant opgetopt. Gaffel bleef staan, van daar de naam. In Zwartewaal 'gaffelaar', in Pernis 'bezaan' '.

De vissersvloot van Middelharnis bestond in februari 1782 uit dertig visschuiten: dertien bezaanvisschuiten en zeventien gaffelvisschuiten. De beide scheepstypen verschilden waarschijnlijk alleen in hun tuigage. Bij een gaffelschuit is het grootste zeil vastgemaakt aan een gaffel bevestigd boven aan de mast. Het zeil wordt strak gehouden door lijnen aan de onderkant. Bij een bezaanschuit is het grootste zeil, het bezaanzeil, gespannen tussen een boven aan de mast bevestigde top en een onderaan de mast bevestigde giek.


Tekening 3. Gaffelschuit-dekplan



'Lengte 40 voet, breedte 16 voet (3 mm. = 1 voet). Stippellijnen zijn dwarsschotten
A. Braadspil, B. Toegang kabelgat; C. Toegang volkslogies; D. Rookpijp; E. Overloopstagfok ; F. Mast en pompen; G. Toegang voordeken; H. Toegang voorbun; J. Toegang achterbun; K. Toegang achterdeken; L. Bunluiken; M. Overloopzeil; N. Achterpomp; O. Toegang bergplaats.'


Deze drie tekeningen van De Korte zijn als informatiebron gebruikt voor het standaardwerk van Jo Ploeg over de bezanen en gaffelaars van de Zuid-Hollandse eilanden (1).



1. J. Ploeg. Bezanen en gaffelaars. Schepen van ’t Overmaas, visschuiten van de Zuid-Hollandse eilanden uit de jaren 1600-1850  ( Emmen 2008) 53-55

 



dinsdag 20 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 3, de eerste sloep en de sloep met achtermast


Tekening 4. Eerste sloep (chaloup)



'Eerste sloep (chaloup) Lang Am. 67 voet, Breed 19 voet. Van 1817 tot 1880.  Van 1834 tot 1880 ook gebruikt voor  haringvisserij. A = Middelfok; B = Stagfok; C = Grootzeil; D = Groottjik; E = Schouwbak (voor turfrook); F = Tarbotsboot; G = Gangspil; H = Roer met klaverbladkop. Brede boeg, zwaar gebouwd. Vele te Middelharnis gebouwd. De eerste sloep in 1817 in gebruik.'
Als vervanger van de gaffelschuit kwam vanaf 1817 de sloep als scheepstype in gebruik. De naam sloep is erg algemeen. Om de sloep voor de visserij nader te omschrijven zien we in de negentiende eeuw termen als vischsloep, bunsloep, vischsloepbunschip, sloepschuiten en nog meer varianten. Ook de deftige woorden chaloup of visch-chaloup komen we tegen. Scheepsbouwers gebruikten in hun contracten de term ‘bunvischsloep’. Deze term dekt de lading precies: een sloep voor de visserij voorzien van een bun.

Op 2 april 1816 werd de opdracht voor de bouw van de eerste sloep voor de vloot van Middelharnis gegeven. Adrianus Quirinus Kolff te Middelharnis, boekhouder van de sloep, en Laurens Hoogendijk, scheepmaker te Vlaardingen, tekenden het bestek. De sloep kostte geheel uitgerust 14.400 gulden. In september 1817 voer de Vrouw Aplonia uit. De Vrouw Aplonia diende als voorbeeld voor de volgende sloepen.

In het bestek staat vermeldt: 62 Rijnlandse voet breed en 17 voet wijd. Dat is resp. 19,45 meter en 5,14 meter. De Korte noemt een lengte van 67 voet lang en 19 voet breed, in Amsterdamse voeten. Dat is resp. 18,98 meter en 5,38 meter. Alle sloepen van Middelharnis uit de beginjaren waren tussen de 19,50 en 20 meter lang. De Pieter en Johannes uit 1829 mat 20,14 meter. 

Bij de Vrouw Aplonia werd een tarbotboot geleverd. De specificaties: een eikenhouten tarbotboot van 5,34 meter lang, 1,60 meter breed en 1,23 meter diep. Met 'gegroeide krommers' , bootsklampen en 6 riemen. Ook werd de levering van een kompashuis, een schijnlichtkap, twee waterzeilknieën en twee ra’s voor waterzeilen overeengekomen (1).

Scheepsmodel door Rens Langbroek van de Vrouw Aplonia, 
rechts de tarbotboot (Streekmuseum Goeree-Overflakkee)

Van de zestig bunvissloepen die in Middelharnis dienst gedaan hebben tussen 1817 en 1923 zijn er 37 van dit model in bedrijf geweest. Hiervan zijn er 31 nieuw gebouwd tussen 1817  en 1871 en zes tweedehands overgenomen uit Zierikzee, Pernis en Zwartewaal. Het oude model is daarmee het iconische model voor de Middelharnisse visserij na 1817. 

Van de 31 nieuwgebouwde sloepen werden er 13 in Middelharnis gebouwd.

We kunnen binnen dit model twee generaties onderscheiden: de sloepen gebouwd tussen 1817 en 1832 en de sloepen gebouwd tussen 1857 en 1871. 



Visch Sloep de Drie Gebroeders gevoerd door Jacob Versteeg [Pernis]. 
Aquarel vermoedelijk door Arij Stolk (collectie Jan van der Schee)


Tekening 5. Sloep met achtermast.



'Sloep met achtermast. Na 1878 nummers en zijlichten. De zelfde sloep als in 4, met versmald grootzeil, en bijgeplaatste achtermast. Ook de steng is vervallen. Dit tuig was handzamer. Van 1880 tot 1905. Voormast heette nu 'vaste mast'. Platte spiegel.'


Voor reders van Pernis werden tussen 1870 en 1874 drie sloepen met anderhalve mast en kottertuig gebouwd. De prestaties van deze nieuwe sloepen werden zeer geroemd. De toegenomen vaarsnelheid en de grotere bunnen leidden tot aanzienlijk hogere besommingen dan voorheen voor de Pernisse vissers. Gelet op de recente investering van circa 272.000 gulden voor zeventien nieuwe sloepen was het voor de Middelharnisse reders niet mogelijk om grootscheeps op een nieuw model over te stappen. De bekende ‘wet van de remmende voorsprong’ deed zich voor. In plaats van nieuwe sloepen te bouwen werd in de jaren tussen 1876 en 1882 op alle sloepen van voor 1872 een korte achtermast bijgeplaatst. Het ging om vijftien sloepen (de Middelharnis is in 1872 vergaan en de Jannetje en Sara is in 1878 gesloopt). Het bewaren van vis in natuurijs vond ingang om de vis langer goed te houden. Vanaf 1877 werden de Middelharnisse sloepen voorzien van ijshokken.

We zien het verschil tussen het model van de in 1871 gebouwde Volharding met één mast en een foto van dezelfde sloep uit 1890 met anderhalve mast.

De sloep Volharding, model in 1927 gebouwd door A. de Groot naar de
tekeningen uit 1871 (Het Scheepvaartmuseum, inv. nr. A 0729)


De MD 4 Volharding in de haven in 1890. 
 (Streekarchief Goeree-Overflakkee)

De MD 5 Onbestendigheid uit 1871 was de laatste sloep van dit model. De MD 5 is in december 1902 naar Scheveningen verkocht.

Kenmerkend voor de sloepen op de tekeningen 4 en 5 is de platte spiegel. Vissers noemden deze sloepen 'platgatters'. Scheepstimmerman Jeroen van de Rovaart Peeman van de Middelharnisse scheepswerf introduceerde in 1875 een sloep met een korte achtermast ofwel bezaansmast. Dit was de Willem de Zwijger. Deze sloep had ook een platte spiegel.

Tien jaar nadien, in 1886, werd er nog één 'platgatter' gebouwd: de MD 28 Vertrouwen. Dit schip was langer dan de andere sloepen van dit model: 22,65 meter.

De registratienummers (MD-nummers) zijn in 1882 ingevoerd. Op 6 mei 1882 kwamen de landen rond de Noordzee in Den Haag overeen dat alle vissersschepen die werkzaam waren op de Noordzee moesten worden geregistreerd in de gemeente van hun thuishaven, en worden voorzien van een uniek kenteken dat duidelijk zichtbaar moest worden gevoerd. De gemeente Middelharnis legde in 1882 een register van de ingeschreven schepen aan.


1. Johannes Ploeg, Sloepen en loggers. Nieuwe scheepstypen voor de aloude Noordzeevisserij, 1800-1875 (1990) 73.

zondag 18 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 4, de sloep met hangende spiegel.

 

Tekening 6. Nieuw model sloep met hangende spiegel.



'Nieuw model sloep met hangende spiegel van 1877 tot 1910. Bij bries werd vaak gezeild als links is getekend.
'Van een rif met de zevenkleer', dat is een zevenkledingskluiver. In stagfok één rif en in de bezaan twee voor de loefgierigheid. Hier ingevoerde steng. Lengte 77 voet.'.

Op de tekening de MD 6 Titia Jacoba van rederij SlisDeze sloep was 77 voet, 21,80 meter, lang en heeft gevaren van 1877 tot 1910. De MD 11 Hendrika Adriana (1883-1910) en de MD 32 Eben Haëzer/ Noordster (1884-1910), beiden van rederij Kolff, waren ook van dit model. Deze twee schepen waren iets groter uitgevoerd, namelijk 80 voet, 22,65 meter, lang. De overhangende spiegel was rond.



De Titia Jacoba uit 1877. Schilderij van een onbekende schilder afkomstig van rederij Slis 
(Maritiem Museum Rotterdam, inv. nr. P 2259)

Een variant op de ronde overhangende spiegel was de vierkante spiegel van de Zeemanshoop uit 1876. 

zaterdag 17 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 5, de schoenersloep.

 

Tekening 7.  Schoenersloep van hout of ijzer



'Schoenersloep van hout of ijzer. Hout 82 voet, ijzer 89 voet lang.
Men ligt op de 'visscherij te steken', d.w.z. de sloep ligt 'bij den wind', en het roer staat vast.Bij goed weer staat de gehele stagfok op, anders een 'punt' vastgemaakt aan het dek. Kluiver heet 'vijfkleer'. Eerste houten sloep in 1888, ijzeren in 1896. Bovenstaande sloep is van ijzer'.


Op de tekening de stalen sloep MD 10 Johanna Hendrika, die heeft gevaren van 1896 tot 1915.

In 1870 bracht rederij Kwak en Zoon uit Zwartewaal een nieuw model sloep in de vaart: een schoenersloep met twee lange masten, de Presto I. Pas in 1888 waren in Middelharnis de eerste schoenersloepen te zien in de haven. De MD 12 Zeemeeuw was een nieuwgebouwde houten schoenersloep van rederij Kolff van 83 voet lang, 23,50 meter. De MD 7 Toekomst en de MD 35 Pionier waren zeer grote tweedehands schoenersloepen uit Antwerpen, 31,4 meter lang.

MD 10 Johanna Hendrika was de eerste stalen schoenersloep van Middelharnis. In Pernis kwamen dergelijke sloepen al vanaf 1886 in gebruik. De sloep kwam in 1896 in de vaart en was 90 voet, 25,32 meter, lang. Het zusterschip van de MD 10 was de MD 14 Paul Kruger van Kolff, nieuwgebouwd in 1900. De tweedehands aankopen MD 7 Burgemeester Mijs, MD 2 Prinses Juliana en MD 6 Wilhelmina zagen er hetzelfde uit.


De MD 10 Johanna Hendrika
(Streekarchief Goeree-Overflakkee)


Houten en stalen schoenersloepen met twee even lange masten noemden de vissers ‘langmasters’. Ze werden uitsluitend voor de beugvisserij gebruikt. Vanaf ongeveer 1905 werden deze schoenersloepen ook wel aangeduid als ‘beugsloepen’. Deze term werd gebruikt om de schoeners te onderscheiden van de multifunctionele sloepen met anderhalve mast voor zowel de beug- als haringvisserij (zie tekening 8). De officiële naam voor alle sloepen van Middelharnis was en bleef ‘bunvischsloep’.


vrijdag 16 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 6, de ijzeren sloep voor de haringvisserij.


Tekening 8. IJzeren sloep voor haringvisserij



'IJzeren sloep voor haringvisserij, 89 voet lang, van 1902 tot 1914. Tot 1923 alleen voor beug. Sloep ligt 'aan de vleet'. Gaffel is van de mast, en om te zeilen, wordt een driehoekig zeil gebezigd. Voor uit of thuis zeilen, volledig tuig. Kluifhout ligt in een 'mik'. Achterzeil van 2 reven op, voor 'op de wind' te liggen.'

Met de ijzeren sloep voor de beug- en haringvisserij kwam de sloep met anderhalve mast weer terug in de haven. De grote voormast werd bij deze sloepen gestreken als de drijfnetten uitgezet werden. Deze sloepen werden soms ook het hele jaar voor de beugvisserij ingezet zonder op haringvangst te gaan.

De MD 13 Voorlichter, aangekocht in 1901, en de MD 3 Anna, aangekocht in 1902, waren tweedehands schepen uit Vlaardingen.  Beide schepen waren van rederij Kolff. De MD 4 Theodora Emmerentia van rederij Slis was een nieuw schip dat in 1904 aan de vloot werd toegevoegd. 


De MD 4 Theodora Emmerentia aan het Vingerling
(Streekarchief Goeree-Overflakkee)

In 1910 volgde de MD 11 Oranje Nassau van Kolff en in 1911 de MD 8 Albatros van Slis. Allebei  nieuwgebouwde schepen. De lengte was 90 voet, 25,32 meter.

In 1916 gingen de MD 13 Voorlichter en de MD 11 Oranje Nassau nog op haring vissen. Dit was het laatste jaar van de haringvisserij vanuit Middelharnis.  De MD 11 Oranje Nassau werd daarna tot september 1923 alleen voor de beugvisserij ingezet.


donderdag 15 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 7, de hoeker.

 

Tekening 9. Hoeker



'Hoeker. Van 1843 tot 1870. Alleen voor haringvisserij (naar een tekening)
In 1843 werd met drie van deze vaartuigen een proef genomen voor haringvisserij. Omstreeks 1870 uit de vaart genomen'.

 

De reders van Middelharnis hadden tussen 1829 en 1871 diverse hoeker-getuigde ofwel dwars-getuigde schepen in de vaart. De eerste schepen met hoekertuig die naar Middelharnis kwamen waren de hoekerbuis Waakzaamheid en de hoeker-getuigde sloep Zeeland. Jacob Slis kocht de beide tweedehands schepen in 1829 in Zierikzee. Ook de in 1831 gebouwde sloep Dankbaarheid  van Kolff was dwars-getuigd. 

Slis kocht in 1843 twee tweedehands hoekers aan, de Onbestendigheid en de Bedachtzaamheid. De heren Kolff kochten in 1843 in Pernis de koopvaardijhoeker ’t Dorp Pernis. Het schip werd omgedoopt tot de Middelharnis. Dit zijn de hoekers waar De Korte op doelt.

Alleen schepen met hoekertuig waren tot 1857 toegelaten voor de haringvisserij. Jacob Slis begon de haringvisserij in 1834 met de hoekerbuis Waakzaamheid


Thuisreis van de wel gebouwd hoekerbuis genaamd De Waakzaamheit
gevoert door H. Verschoor. Aquarel door Arij Stolk, ca. 1836.
Museum Vlaardingen. S 0058


In 1838 ging ook de Zeeland met de haringvloot mee. De firma Wed. C. Kolff en Zoon rustte in 1842 voor het eerst Dankbaarheid uit. De hoekers Middelharnis, Onbestendigheid en Bedachtzaamheid kwamen erbij, terwijl de Zeeland afgedankt werd.

De Middelharnis, de Onbestendigheid en de Waakzaamheid hadden geen bun en konden dus niet voor de visserij ter verse gebruikt worden. Ze werden in de winter op de kant gelegd.  

De hoeker Onbestendigheid maakte in 1870 haar laatste reis.


woensdag 14 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 8, sloepen in bedrijf.

Op tekening 10 en tekening 11 is de beugvisserij uitgebeeld. We zien de twee belangrijkste activiteiten: het uitzetten van de beug (het 'schieten') en het inhalen van de beug. De  Korte benoemt de taken van de verschillende bemanningsleden.

Op tekening 12, de laatste van deze serie, staat een sloep onder stormzeilen afgebeeld.


Tekening 10. Middelharnisse vissers de beug schietend.





'Middelharnisse vissers de beug schietend. A. Schipper aan het roer; B. Stuurman, die voelt dat de beug strak genoeg staat, roept tot; C. de 'schotter': "paai weg"; D. Jongen, de bochten van het want oplichtend voor klaar uitgooien; E.  Matroos, een nieuwe bak want aanbrengend; F. Matroos, klaar bij een boei, die aanstonds overboord moet (aan stuurboord); G. Plaats voor jongen, die 's-nachts met een lantaarn de schotter bijlicht; H. Bak want, die de schotter uitgooit.'



Tekening 11. Middelharnissche visschers de beug inhalende




'Middelharnisse vissers de beug inhalende. A. Waterspiegel; B. Zeebodem; C. Sloep voor de wind aan de beug; D. Richting van de stroom; E. Beuglijn, waaraan een kabeljauw en twee schelvissen. Derde matroos van voren af, schept met een net de kabeljauw op. Vierde matroos zal hem in het bun werpen. Schipper aan het roer, Stuurman trekt de stagfok tegen om vaart te minderen. F. Inbakker, schiet de ingehaalde beuglijnen in aasbakken op, en geeft deze naar omlaag om geaasd en gespleet te worden; G. Boei met lijn, waarvan de dreg aan de beug verbonden is.'
De handelingen die beschreven worden hebben betrekking op de versvaart. De vangst wordt namelijk in de bun geworpen en niet gesneden en gezouten.

De sloep op de tekening is de MD 1 Luctor et Emergo, in 1876 gebouwd voor Pernis en in 1897 aangekocht door Slis. De sloep is in 1910 vergaan.



Tekening 12. Middelharnissche sloep onder stormzeilen





‘Middelharnisse sloep onder stormzeilen.
Stormkluiver (driekleeds). Puntje stagfok aan het dek vastgemaakt.
Grootzeil van 3 reven. Bezaan van 3 reven. Achter het schuilkleedje staan de twee man der wacht. Het roer staat vast, en de sloep ligt 'als een meeuw op de zee’

H. de Korte Johsz. IJmuiden 1940


De sloep op de tekening is de MD 12 Zeemeeuw, een houten schoenersloep die van 1888 tot 1912 voor rederij Kolff heeft gevaren.

dinsdag 13 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 9, de inrichting van de MD 11 Hendrika Adriana.

De laatste tekening in de reeks van Hendrik de Korte bevat vijf schetsen van de inrichting van een sloep. Het betreft een sloep met hangende spiegel. De titel van deze afzonderlijke tekening luidt:

Inrichting Middelharnissche beugsloep Hendrika Adriana te Vlaardingen gebouwd, 80 voet lang, 1883.

Afbeelding I.  (zijaanzicht)

 1. Kabelgat 2. Volkslogies 3. Bergplaats steenkolen 4. Voordurk (bergplaats voor watervaten) 5. Ballastruimte 6. Voorbun 7. Middelbun 8. Achterbun 9. Bunbak 10. Voorop den deken 11. Achterop den deken 12. Achterdurk (toel.: durk is de plaats in het schip waar het vuil zich verzameld) 13. Vischhok 14. Ballastruimte 15. IJshok 16. Ballastruimte 17. Kajuit 18. Achterpiek 19. Kap volkslogies 20. Voormast 21. Ankerspil 22. Achtermast 23. Helmstok 24. Been van het spil 25. Bunschilden 26. Uitneembaar gedeelte voor het uitscheppen van de visch (zetteboorden).


Waarschijnlijk is deze tekening gebruikt voor de vervaardiging van onderstaand model. 


Opengewerkt model van de sloep MD 38 (fictief registratienummer), schaal 1:20,
door W.C. Ravensbergen naar gegevens van J. Ploeg (1982). (Museum Vlaardingen)


Afbeelding II. Dekplan


1. Betingbalk waarop de “knecht” voor kabel. 2. Luik kabelgat 3. Toegang volklogies 4. Kachelpijp 5. Luiken voordurk 6. Mast met SB en BB voorpomp 7. Luik voordeken 8. Luik achterdeken 9. Uitschep of zijluiken 10. Voorbun 11. Middelbun 12. Achterbun 13. Ankerspil 14 Achterpomp 15. Luik visch-hok 16. Luik ijshok 17. Kompashuisjes 18. Toegang kajuit 19. Achtermast 20. Helmstok 21. Doorloopende dekbalk


Afbeelding III. Dek zoute vischvaart


De kruisjes geven de standplaats der personen aan, kleine cirkels vaten gezouten visch

1. Jongen aan het “spleten 2. Bovenman aan het “spleten” (zorgt voor de stagfok) 3. Matroos aan het “spleten” (zorgt voor de stopmand) 4. 5. 6. en 7. Beug inhalers 7. Gooit een gevangen kabeljauw naar “kapper” 8. 9. Vischsnijder 10. Vischspoelder 11. Inbakker 12. Stuurman aan het roer 13. Schipper de visch inzoutend 14. Snijluik. 15. De boot 16. Groote spoelbalie 17. Manden met visch 18. Bunpomp voor spoelwater 19. Mand voor vaartregeling.

N.B. Een zeer uitvoerige beschrijving van deze handelingen tijdens de zoutvaart is te vinden in: H. de Korte Johsz. 'Iets over de visserij van Middelharnis, Eilanden-nieuws, artikel 16 ( 8 oktober 1947), 17 (11 okober 1947), 18 (18 oktober 1947), 19 (25 oktober 1947) en 20 (29 oktober 1947). Te raadplegen via www.krantenbankzeeland.nl

 

Afbeelding IIII. “Op den deeken” versche vischvaart


Het dek wegdenken. Deken is het bundek (zie 10 en 11 bij afbeelding I). 1. tot 2. Bunbak 3. Spleten 4. Spleten 5. Spleten 6.7.8. Matrozen de beug in het aas zettend 9. Afgeaasde beuglijn klaarstaande 9. Watervat 10. Biervat 11. Bergplaats kleine kabel 12. Waarloze beugtonnen 13. IJsmolen 14. Achterpomp 15. Been van het spil 16. Tonnen gezouten aas 17. Mast met twee pompen 18. Kettingbak 19. Achterdurk 20. Deur naar het vischhok 21. Schot vischhok 22. Bergplaats waarloos touwwerk
Naast deze tekening is een gaffelschuit getekend “begin” en de stalen sloep Johanna Hendrika uit 1896 “einde”.


Afbeelding V. Tuigteekening



1. Stengestag 2. Waterstag 3. Hals en thuishaler 4. Toppenant 5. Groote stag 6. Stagfokval 7. Zeilval 8. Tjikval 9. Voordurk 10. Noklijn 11. Spruiten 12. Voortjikval 13. Voorwant BB 14. Stengewant BB 15. Bakstag 16. Voorschoten 17. Achterwant 18. Toppenantje 19. Achterschoten 20. Achterdurk 21. Achterpiekval 22. Achterzeilval 23. Achtertjikval 24. Achternoklijn 25. Manteldurk 26. Windvaan 27. Bak en scherm roode zijvuur

 © Marlies Jongejan, juni 2023