zaterdag 21 december 2019

De palingrederij van Middelharnis (1779-1807). Vervoer van paling naar Londen

De palinghandel op Londen is een tot nu toe onbekende episode uit de visserijgeschiedenis van Middelharnis. Op het eerste gezicht geen voor de hand liggende nering omdat de vissers van Middelharnis niet op paling visten. 
In het decembernummer 2019 van De Ouwe Waerelt een artikel waarin wordt beschreven dat enkele ventjagers en reders uit Middelharnis zich in het laatste kwart van de achttiende eeuw, naast de tarbothandel, ook op de palinghandel toelegden. Aan de orde komt de vraag wat de reden was om zich hiermee bezig te gaan houden, wie de sleutelfiguren in de palingnegotie waren, hoe de palingrederij functioneerde en welke schepen voor het vervoer ingezet werden. Aan de palinghandel kwam halverwege de Bataafs Franse periode (1795-1813) door oorlogsomstandigheden een eind. 
De laatste jaren stonden in het teken van een slepende rechtszaak van schipper Maarten Vermaas tegen boekhouder Leendert van den Tol van de ‘Paling-Rheederij van Middelharnis’.

Na een uiteenzetting over de Hollandse en Friese palinghandel op Londen in de zeventiende en achttiende eeuw volgt een beschrijving van de schepen die hiervoor gebruikt werden. Het blijkt dat de ventjagersschuiten die in Zuidwest Nederland voor handen waren door het gebruik van palingkaren ook geschikt waren om paling mee te vervoeren.


Schilderij met zes palingaken, afgemeerd aan een steiger (Dutch Mooring) in de Theems in Londen. Olieverf op doek door een anonieme kunstenaar, 19e eeuw (Fries Scheepvaartmuseum, Sneek, inv. nr. FSM G-020).


De Middelharnisse ventjagers die zich met de palinghandel bezighielden maakten gebruik van het handelsnetwerk dat ze in Londen hadden. Ze brachten namelijk ook al decennialang tarbot op de vismarkt van Billingsgate. Ze kenden de vaarroute naar Londen en waren goed geïnformeerd over de opbrengsten en over het functioneren van de Friese palinghandel. Tarbot was er niet het hele jaar. Door ook paling te vervoeren konden de schuiten alle maanden doorvaren.
De uitvalsbasis voor de palinghandel door Middelharnisse ventjagers was de vestingstad Muiden aan de Zuiderzee bij Amsterdam. Cornelis Vermaas, afkomstig uit Middelharnis, vestigde zich hier in 1784 als tussenpersoon voor de inkoop van paling en tarbot.

De schuit Jonge Johanna, omschreven als bezaanpalingschuit, is in 1779 gebouwd en heeft 27 jaar dienst gedaan voor een groep  van acht reders die gezamenlijk de ‘Paling-Rheederij van Middelharnis’ vormden.  Boekhouder was Leendert van den Tol.
Naast deze palingrederij hield ook Joost Boeter zich bezig met vervoer van paling naar Londen met een schip waar Leendert van den Tol eveneens boekhouder van was. Mogelijk was er nog een derde schuit voor dit doel in bedrijf.





Model van de Pernisse bezaanschuit Johannes Cornelis, 1804. (Maritiem Museum, Rotterdam inv. nr. M 64).

Cornelis Vermaas (1745-1807), diens broer Maarten Vermaas (1746-1826), Joost Boeter (1746-1807) en boekhouder Leendert van den Tol (1752-1808) waren de sleutelfiguren van de palinghandel op Londen. 

In het artikel wordt de loopbaan van schipper Maarten Vermaas gevolgd vanaf 1782. Hij kwam in 1803 in conflict met boekhouder Leendert van den Tol, de rijkste en machtigste man van het dorp. Het conflict leidde tot een rechtszaak, eerst voor de schepenrechtbank van Middelharnis en vervolgens voor het Hof van Holland. Met uitzondering van Maarten Vermaas overleden alle hoofdpersonen nog voor het Hof een uitspraak kon doen. Tot oktober 1809 zijn stukken in deze zaak geproduceerd. Tot een uitspraak is het nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft de inlijving van ons land bij het Franse Keizerrijk in 1810 ervoor gezorgd dat het recht niet zijn normale loop kon nemen.

Van deze slepende rechtszaak zijn veel processtukken in de archieven bewaard gebleven. Dankzij het feit dat Maarten Vermaas zich tegen Leendert van den Tol keerde kon de geschiedenis van de palingrederij  aan de hand van deze stukken gereconstrueerd worden.

Publicatie:

Marlies Jongejan, 'De palingrederij van Middelharnis (1779-1807). Vervoer van paling naar Londen'. In: De Ouwe Waerelt, 19(2019)58, 24-31.

De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl
Losse nummers: € 8,95, te koop bij Van der Boom - Boeken en Muziek, Voorstraat 41, 3245 BG Middelharnis


Link naar de volledige tekst van het artikel

zondag 15 december 2019

Een arm Zeedorpken. Het verhaal van het vissersdorp Zwartewaal

Op zaterdag 14 december 2019 is in de Martinuskerk van Zwartewaal het boek van Nico de Vries over de geschiedenis van Zwartewaal vanaf het jaar 1000 tot 1945 gepresenteerd. Het Streekarchief Voorne-Putten en de Vrienden van het Streekarchief Voorne-Putten hebben de uitgave tot stand gebracht.
Nico de Vries, tijdens zijn werkzame leven journalist van beroep, begon zijn onderzoek in 2004 met een expositie in het Historisch Museum Den Briel over de visserij van Zwartewaal. Hij raadpleegde sindsdien niet alleen het Streekarchief Voorne-Putten maar ook archieven van andere voormalige vissersplaatsen in het Maasgebied (Maassluis, Middelharnis, Schiedam). In het Nationaal Archief vond hij in de archieven van de drie Visserijcolleges veel informatie over de visserij in de negentiende eeuw. Aanvullende bronnen op internet maakten het beeld completer.

Vanuit Zwartewaal  werd de beug- en kolvisserij bedreven, evenals vanuit Middelharnis en Pernis. De visserij van de drie plaatsen vertoont vele overeenkomsten maar er waren toch ook enkele verschillen. Zwartewaal is de oudste van de drie, de naam bestond al in de dertiende eeuw, terwijl het gebied rond Middelharnis pas in 1465 bedijkt werd. In het midden van de zestiende eeuw verdienden de meeste inwoners van Zwartewaal hun brood met rivier- en kustvisserij. Er waren - anders dan in Middelharnis- in de zestiende en zeventiende eeuw ook dorpelingen actief in de haringvisserij, de IJslandvaart (1676) en de koopvaardij. 
De gaffelschuit wordt voor het eerst vermeld in 1674 (blokschuit) en voor de visserij op IJsland werden hoekers gebruikt. In 1697 hadden zestien grote schepen Zwartewaal als thuishaven.

Ook in de tweede helft van de achttiende eeuw voeren gedurende enkele jaren hoekers uit Zwartewaal uit naar IJsland. In de zomermaanden voeren deze hoekers mee in de haringvloot. De belangrijkste nering in de achttiende eeuw was de verse vis, vooral tarbot, kabeljauw en schelvis. Voor de vissers van Zwartewaal was de visafslag van Middelharnis cruciaal als afzetkanaal.



Zwartewaalse gaffelaar die zijn beug uitzeilt. 

uit: Verzameling van vier en tachtig stuks Hollandsche schepen, 
door G. Groenewegen. Rotterdam, 1789.



Tijdens de negentiende eeuw domineerde de redersfamilie Kwak de visserij van het dorp. De Vries noemt deze periode daarom de 'Eeuw van Kwak'. In 1898 havenden in Zwartewaal nog acht sloepen en drie botters. De bemanning bestond uit ongeveer honderd man. In de winter van 1901-02  werden de laatste twee sloepen, verkocht met IJmuiden als nieuwe thuishaven. Zwartewaal was vissersplaats af.

Over de perioden dat er oorlog op zee was valt in het boek veel te lezen. De kapingen van schepen tijdens de tachtigjarige oorlog, taan het eind van de zeventiende eeuw en tijdens de periode 1795-1813 komen aan bod, evenals de omvlagging van schepen in 1782 en tijdens de Bataafs Franse periode. Zelfs de strijd tussen Patriotten en Prinsgezinden had in Zwartewaal zijn weerslag op de visserij. Reder Pieter Kruijf, aanhanger van de pattriotten, werd uit Zwartewaal verjaagd. Met zijn drie vishoekers en een gaffelschuit vestigde hij zich in Delfshaven.

'Een arm Zeedorpken' vertelt het verhaal van 
de geschiedenis van het dorp Zwartewaal. Naast de visserij komen het dorpsbestuur, het kerkbestuur, de ambachtsheerlijkheid, de armenzorg, de landbouw  en de koopvaardij ruim aan bod. Zo komen we te weten dat er in het dorp in de jaren 1560 opmerkelijk veel wederdopers woonden en dat de zoutwinning lange tijd een belangrijk bestaansmiddel was.  De Vries verbindt de kleine, lokale geschiedenis met de grote landelijke en internationale gebeurtenissen. De vissersgemeenschap was weerbaar en toonde telkens weer de veerkracht om de draad opnieuw op te pakken.

Het boek is opgezet als een doorlopend chronologisch verhaal en voorzien van een notenapparaat. Als bijlage is een overzicht van het aantal inwoners door de jaren heen opgenomen, evenals een lijst met scheepsnamen en een overzicht van de scheepsrampen

Het boek is lokaal van belang maar levert ook een bijdrage aan de geschiedschrijving van de zeevisserij vanuit de dorpen op de Zuid-Hollandse eilanden (Middelharnis, Pernis en Zwartewaal). 'Een arm Zeedorpken' is goed gedocumenteerd en verzorgd uitgegeven.






Publicatie:
Nico de Vries, Een arm Zeedorpken. Het verhaal van het vissersdorp Zwartewaal, (Brielle, 2019), 160 p.
Uitgave: Streekarchief Voorne-Putten en Vrienden van het Streekarchief Voorne-Putten 
ISBN 9789090326092
Prijs: € 14,95
Te bestellen bij het Streekarchief Voorne-Putten via E-mail  info@streekarchiefvp.nl

dinsdag 3 december 2019

Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren

Op vrijdag 29 november 2019 werd in Zierikzee de editie 2019 van de Kroniek van het Land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland ) gepresenteerd. Vanwege het tachtigjarig bestaan van de vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland is de kroniek deze keer in een speciale gebonden uitgave uitgebracht, waarin een uitgebreid artikel met de titel:
 'Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren’.

Jan van Dueren uit Middelharnis
Jan Franse van Dueren (1788-1850) is op 15 juni 1788 in Middelharnis gedoopt. De moeder van Jan overleed enkele weken na de bevalling. Zijn vader, Frans Janse van Dueren, was visser van beroep. Eind november 1791 is hij, met drie andere vissers, omgekomen bij de stranding van de gaffelvisschuit Jonge Laurens. Jan Franse van Dueren is op driejarige leeftijd wees geworden (zie ook het bericht op dit weblog van 9 januari 2014)
Dat zijn vader op zee omgekomen was weerhield Jan er niet van om ook visser te worden. Zijn naam staat op een lijst uit 1811, uit de tijd van de inlijving van ons land bij Frankrijk, te midden van 232 ‘pêcheurs’. Op 9 maart 1818 was Jan een van de twaalf bemanningsleden van de gaffelschuit de Eersteling. Hij zag aankomen dat deze schuit uit 1787 niet lang meer in de vaart zou blijven en keek uit naar iets anders. In Zierikzee werd tussen 1818 en 1820 een vloot van elf schepen voor de zeevisserij opgebouwd. Er was behoefte aan ervaren beugvissers die men uit Holland aantrok.

Marinus van den Nieuwendijk uit Middelharnis, een oom van Jan van Dueren, werd begin 1820 aangesteld als schipper voor de in aanbouw zijnde sloep de Vreede. Jan van Dueren is in het voorjaar van 1820 aangesteld als schipper op de nieuw te bouwen sloep de Hoop. Zijn oom zal hem van harte aanbevolen hebben. Het transport van schipper Van Dueren en ‘desselfs huishouden’ van Middelharnis naar Zierikzee had plaats op 4 september 1820. 



De eerste sloep (chaloup), tekening van Hendrik de Korte Johsz

Schipper in Zierikzee
De Hoop is gebouwd in Zierikzee door scheepstimmerman Wouter van Vliet. Het was een vissloep met één mast met als afmetingen: ruim 19 meter lang, 5,5 meter breed met een holte van 2,5 meter. In de boeken van de Nieuwe Visscherij staat de Hoop voor 18.021,71 gulden. Het was de duurste van de tien sloepen. Het schip liep in december 1820 van stapel.
Gedurende zijn loopbaan in Zierikzee verleende Van Dueren een aantal keren assistentie aan andere schepen. Dit waren riskante, maar soms goed betaalde klussen. In 1822 bracht hij een scheepje binnen. Aan deze klus hield de bemanning 30,05 gulden aan over. Op 21 november 1824 verleende de Hoop, ‘met gevaar van schip en leven’, assistentie aan een Engels brikschip dat in de stukken aangeduid wordt als de ‘3 Zusters van Shields’. Hiervoor werd 900 gulden aan loodsgeld uitbetaald. In dezelfde maand loodste de Hoop de Aurora II binnen, een smak (kustvaarder) onder Pruisische vlag. Hiermee werd 50 gulden aan loodsgeld verdiend. De bedragen die werden binnengehaald met hulp aan andere schepen kwamen deels ten goede aan de bemanning.
In 1821 en 1822 werd de sloep de Hoop uitgekozen om als haringjager te fungeren. Dit hield in dat de sloep in juni een jaagreis naar de Shetlandeilanden ondernam om de eerste haring van de Zierikzeese haringschepen over te nemen en zo snel mogelijk naar Zierikzee te brengen. Van Dueren was kennelijk een ondernemend man, die er niet voor terug schrok om een dergelijke klus op zich te nemen. Van Dueren betrok zijn bemanningsleden uit Middelharnis, Pernis, Vlaardingen, Zierikzee en Zwartewaal. Voor meer namen zie het bericht van 16 juni 2014.
De onderneming Nieuwe Visscherij werd geen succes. De schepen werden vanaf 1829 stuk voor stuk verkocht. De laatste reis van de Hoop eindigde op 16 november 1829. Het schip heeft daarna enkele jaren werkeloos in de haven van Zierikzee gelegen en is in 1835 voor 3.600 gulden verkocht aan reder Jacob Slis uit Middelharnis, evenals de Pieter Mogge die voor 3.000 gulden van de hand ging. De Hoop werd omgedoopt in Wisselvalligheid (in 1867 vergaan). Jan van Dueren keerde terug naar Middelharnis waar hij weer werk vond als visser en soms als schipper (in Middelharnis als stuurman aangeduid).

De visserij van de Hoop in 1821/22
In het artikel wordt de visserij van de sloep van december 1821 tot december 1822 uitgebreid beschreven. De vistechnieken (beug-, kol- en plompvisserij) komen aan de orde evenals de besomming op de visafslag tijdens de verschillende seizoenen, de meegenomen etenswaren en de beloning van de bemanning, het gebruik van aas etcetera. Het is duidelijk dat de schipper in Middelharnis opgeleid is. Hij brengt de vangst soms op de visafslag van Middelharnis en komt met de sloep naar het Haringvliet om op aas te vissen.

Het scheepsjournaal van de Hoop
In het archief van de Nieuwe Visscherij is een scheepsjournaal van de Hoop uit 1822 bewaard gebleven. Het journaal is geschreven door Jan van Dueren en beschrijft in 44 pagina’s een reis van elf weken en vier dagen, van donderdag 2 mei tot en met zondag 14 juli. 



Omslag van het ‘Journaal van de reis van de vischchaloup De Hoop’, 1822.

De reis in de zomer van 1822 had een tweeledig doel namelijk de visserij ter zoute en de haringjagerij. Het journaal is een interessante bron voor historisch onderzoek naar zowel de kabeljauwvisserij ter zoute als de haringvisserij met de bijbehorende haringjagerij. 

Een deel van de tekst gaat over windrichting, windkracht, koers en zeilvoering. En elke dag werd de hoeveelheid gevangen vis vermeld. De vis moest niet alleen gevangen worden maar ook gespoeld, gesneden en gezouten.

Praaien
Het aanroepen van een ander schip op zee heet praaien. Het is het belangrijkste communicatiemiddel tussen de schepen. De eerste dag van de reis, vrijdag 3 mei, praait Van Dueren al een bekende uit Middelharnis, Maarten Buurveld, stuurman van de gaffelvisschuit Jonge Arentje :

Sijlden noord noord oost tot savonds ten 4 ueren. Wende suijd over, sijlden zuijd oost ten suijden tot savonds ten 8 uuren. Zagen de Goere[e] wal.suijd suijd oost van ons. Praijden Maerten Buurveld.

Hitlandse vissers in nood

Een bijzondere gebeurtenis die in het scheepsjournaal beschreven wordt is de redding van enkele vissers van Shetland, door de vissers als 'Hitland' aangeduid. De bemanning ziet op 27 juni in de ochtend twee jollen, kleine open vissersboten. Het begint zo hard te stormen dat deze boten niet aan land kunnen komen. De bemanning van de Hoop ziet kans om enkele vissers van de omgeslagen boot af te halen en aan land te brengen. Dat de sloep Hitlandse vissers heeft gered ontging de plaatselijke (Schotse) autoriteiten niet. Enkele dagen later ontving de schipper aan boord een bedankbrief. Koning Willem I kende op 12 oktober 1822 aan Jan van Dueren een koninklijke onderscheiding toe in de vorm van een medaille van de derde grootte ter waarde van dertien gulden. 


Pagina uit het scheepsjournaal van 27 juni 1822.

De route
De sloep met twaalf bemanningsleden ging vanaf Zierikzee via Texel naar de visgronden ten noorden en ten noordoosten van de Doggersbank. Aansluitend stak de sloep over naar de Schotse oostkust en viste daar eveneens op kabeljauw om aansluitend naar Shetland te zeilen. Hier zocht schipper Jan van Dueren de haringvloot op om de eerste vangst van de twee Zierikzeese haringschepen over te nemen en als haringjager zo snel mogelijk naar Zierikzee te brengen.



De route van de Hoop. 

Ingetekend op een kaart uit :O.T. Olsen, The piscatorial atlas of the 
North Sea, English and St. George’s Channels (London 1883)



Publicatie:

Marlies Jongejan, ‘Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren’,in: Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland), 44(2019) 20-50. 


ISBN 978-90-821374-7-7
prijs: € 7,50. Via Boekhandel de Vries in Zierikzee of uw plaatselijke boekhandel.



__________________________________________________________________________

Voor deze publicatie is onder andere gebruik gemaakt van de volgende bron:

Journaal van de jaagreis van de vischchaloup de Hoop van ’t jaer 1822 […] in eigendom toebehoord aan de Commissie van Toezigt over de Nieuwe Visserij van Zierikzee door schipper Jan van Dueren . Ten geleide, transcriptie en annotaties door Marlies Jongejan (2019)

Zeeuws Archief, toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee 
(1817)1818-1835, inv. nr. 294.


Te downloaden via deze link:

zondag 3 november 2019

Een Katwijkse bomschuit met een Zeeuwse bemanning (1908)

De Katwijkse vloot groeide in het begin van de twintigste eeuw hard. Het dorp had te weinig vissers om de schepen voor de haringvisserij te bevolken.  Naast het eigen volk werden daarom vissers van buiten aangetrokken.
De KW 23, schipper C. van den Oever uit Katwijk aan Zee, werd bemand met Vlissingse, Middelburgse en Terneuzense bemanningsleden. 



De bomschuit KW 23, KATWIJK IV, bouwjaar 1897
foto afkomstig van Jan van Welie





Onderstaande monsterrol, opgemaakt door J.C. Fanoy, de waterschout van Vlissingen, is gedateerd 23 mei 1908 en bevat de namen van 13 Zeeuwen met hun leeftijd en het aandeel dat ze genoten in de besomming







Een supplement van de monssterrol is opgemaakt op 21, 29 en 30 juni 1908. Hier staan vier Middelburgers en een Vlissinger op.





Gegevens van Jan van Welie, Katwijk.

De Katwijkse monsterrollen worden bewaard in het archief van Leiden (Erfgoed Leiden en omstreken).


De Zeeuwse reepschieter van de haringlogger KW 151 Vooruit
Ook in 1908 monsterde de zestienjarige Cornelis Pieter de Blaaij uit Terneuzen aan op de nieuw gebouwde haringlogger KW 151 Vooruit. Hij was geboren op 23 februari 1892 in Terneuzen, enige zoon van een weduwe.
Kort na aankomst in de baai van Lerwick werd Cornelis ziek. De schipper besloot hem naar het hospitaalkerkschip De Hoop te laten brengen. Cornelis overleed nog voordat ze De Hoop bereikten. Het gebeurde op 27 juni. Hij is op 28 juni in Lerwick begraven. Als doodsoorzaak is vermeld dat hij een hartkwaal had.

Bron: Jan van Welie, De Zeeuwse reepschieter van de haringlogger KW 151 Vooruit, in tijdschrift van het Katwijks museum, mei 2020, 14-15.

zaterdag 31 augustus 2019

Een zeekijker als beloning voor schipper Jan van den Hoek uit Middelharnis (1884)

De MD 8 Willem de Zwijger werd in de winter van 1875-76 aan de vloot van Middelharnis toegevoegd. De schipper was J. Langbroek Mzn. In de winter van 1878-79 werd Jan van den Hoek schipper. Op 24 januari 1880 meldde de Vlaardingsche courant dat de Willem de Zwijger, samen met  deTweelingen en de Twee Cornelissen, in Hellevoetsluis binnengelopen was met schelvis, rog, vleet en kabeljauw.
De volgende reis verliep minder fortuinlijk. De sloep keerde niet op tijd terug en men was bezorgd over het uitblijven. Op 23 februari 1880 liep de sloep met schipper Jan van den Hoek alsnog met een gebroken mast in Hellevoetsluis binnen.

Dinsdag 29 januari 1884  kwam het Engelse smakschip Joseph & Sara in volle zee in moeilijkheden. Het vaartuig was mastloos en zwaar lek. Jan van den Hoek redde de bemanning met de Willem de Zwijger. Zondag 3 februari kwamen ze met de vijf Engelsen, schipper en vier matrozen, in Middelharnis aan.

Provinciale Drentsche en Asser courant, 6 februari 1884

De redding bleef niet onopgemerkt. De Britse regering waardeerde het heldhaftige gedrag van de schipper met een zeekijker.

De Tijd, 17 juli 1884

Een zeekijker was in die tijd een kostbaar bezit. De Britse regering maakte er een gewoonte van om redders van schipbreukelingen met een zeekijker te belonen. Een zeekijker, ook aangeduid als 'binocular glass'  of dubbele zeekijker, behoorde nog niet tot de standaard uitrusting van een vissersschip.  Mogelijk was Jan van den Hoek de eerste schipper van de vissersvloot van Middelharnis die een kijker tot zijn beschikking kreeg.

De houten sloep Willem de Zwijger van rederij Slis werd in 1899 verkocht.(1) De laatste schipper was Abraham Langbroek. Jan van den Hoek (1856-1929) was van 1894 tot 1899 schipper van MD 7 Toekomst. Van 1905 tot en met 1912 was hij schipper van MD 4 Theodora Emmerentia. In het boek  'Zee en eiland' beschrijft Arjanus Faasse het leven aan boord van deze sloep rond 1910.  De verrekijker van Jan van den Hoek wordt een aantal keren vermeld (2). Faasse duidt de kijker aan met de merkwaardige naam 'globe'. Ook Hendrik de Korte gebruikt dit woord: 'De baes speurt met de "globes" dat is een dubbele verrekijke, naar de lij, om te zien of er onder de sloepen die zich daar bevinden niet een van zijn vrienden is'(3).

Zie ook het bericht van 21 mei 2013 op dit weblog. 'Van den Hoek, schippers op de sloepen van Middelharnis 1866-1912'.

1. De sloepen van Middelharnis, 1834-1923. Handgeschreven overzicht, auteur onbekend. Aanwezig in Maritiem Museum Rotterdam.
2. Arjanus Faasse, Zee en eiland, Middelharnis, ca. 1962, Hoofdstuk 6,7 en 8 over zijn werk op de MD 4 Theodora Emmerentia bij  Jan van den Hoek, op p.140 en p.153 vermelding van de 'globe', verrekijker.
3. Hendrik de Korte Johsz. Iets over de visserij van Middelharnis, deel 15, Eilanden-nieuws, 4 oktober 1947.

maandag 10 juni 2019

Reederij ter versche en zoute visch-vangst te Middelburg (1818-1819)

In februari 1818 nam een aantal ingezetenen van Middelburg het initiatief tot het oprichten van de Reederij ter Versche en Zoute Visch-vangst. De rederij stond onder directie van de heren Van der Leyé, Van der Meer en Van Beest. Geïnteresseerden konden inschrijven voor een aandeel in de rederij. Vijf commissarissen vertegenwoordigden de belangen van de deelnemers.
Deze handel zal, zoo wij wenschen, eens als in vroegere dagen voor een aantal ons nog overgebleven trafieken ten steun strekken, en alzoo beantwoorden aan het verlangen onzer stadgenooten [...] de gelegenheid tot deelneming ten kantore van bovengemelde heeren, dagelijks, behalve des zondags, blijft opengesteld.
Middelburgsche Courant, 5 februari 1818
Een opmerkelijk initiatief, aangezien er vanuit Middelburg al sinds mensenheugenis geen zeevisserij meer werd bedreven. Het was dan ook vooral te doen om de werkgelegenheid in trafieken als scheepswerven en zeilmakerijen te bevorderen. De ondernemers zullen zich hebben laten inspireren door het voorbeeld van Zierikzee, waar in de eerste maanden van 1818 de voorbereidingen werden getroffen voor de bouw van nieuwe vissloepen. De vloot van Zierikzee zou uitgroeien tot elf schepen voor de zeevisserij.

De Middelburgse rederij koos niet voor nieuwe sloepen maar voor tweedehands gaffelschuiten, in Middelburg ook aangeduid met de naam blokschuiten. Ze kochten er twee, waarvan er een nagenoeg geheel vertimmerd moest worden. Voor een gaffelschuit was een bemanning van twaalf man nodig. Zowel de schuiten als de bemanningen moest men van de Zuidhollandse eilanden betrekken.

De Middelburgsche Courant van 28 mei 1818 meldde dat twee gaffelaars of blokschuiten in Middelburg zijn gearriveerd,  komende van Delfshaven. Waarschijnlijk zijn de schepen op een werf in Delfshaven gereed gemaakt.
Het waren de Adriana Johanna met stuurman Roeland Waterman, geladen met ballast en de Johannes en Maria met stuurman Johannis Bree met ledig vaatwerk en ballast aan boord. Onmiskenbaar stuurlieden uit Middelharnis.


Middelburgsche Courant, 28 mei 1818


Een maand later 25 juni 1818 werd het vertrek naar zee vanuit Middelburg van beide stuurlieden aangekondigd in de Middelburgsche Courant. Hun schepen waren door de nieuwe reders tot Middelburgs Hoop en de Nieuwe Visscherij omgedoopt.

Beide schepen kwamen in september 1818 terug van een zoutreis. Roeland Waterman kwam op 12 september binnen met de Middelburgs Hoop. Johannis Bree arriveerde met de Nieuwe Visscherij op 17 september.  De lading zoute vis van Bree werd op 23 september 1818 aan de Oostpunt afgeslagen (1).

Op 1 september 1818 kregen de aandeelhouders en andere belangstellenden informatie over de eerste resultaten:


Middelburgsche Courant, 29 augustus 1818

Op een publieke veiling op 25 november 1818 werd een van de aandelen te koop aangeboden. Dit aandeel was groot 300 gulden (2).

De Middelburgse rederij heeft het niet lang volgehouden. In november 1819 stonden beide schuiten te koop inclusief want, inventaris, zeilen, kabels, beugwant en tarbotboten.



Middelburgsche Courant, 4 november 1819.


Het wilde met de verkoop niet gelijk vlotten. Op 23 februari 1820 werd een openbare verkoping gehouden (3). Daarna is niets meer van de schepen of van de rederij vernomen.

De 24 bemanningsleden, ongetwijfeld voornamelijk vissers uit Middelharnis, moesten omzien naar ander werk. En de stuurlieden ? Roeland Waterman (1770-1832) ging in Zierikzee aan de slag. Zie bericht van 1 juni 2015. Johannis Bree  (1775-1825)  ging terug naar Middelharnis waar hij bij zijn broer Jacob Bree op de gaffelschuit Jonge Cornelis werkte. De Jonge Cornelis verging in 1825 met man en muis. Zie bericht 22 februari 2013.


1. Middelburgsche Courant, 15 september 1818, 19 september 1818 en 22 september 1818.
2. Middelburgsche Courant, 12 november 1818.
3. Middelburgsche Courant, 29 januari 1820 en 10 februari 1820

Zie ook: Marinus Stuart, Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden. 1818 2e stuk (Amsterdam 1823) 64.



Hoe keek men in Arnemuiden tegen dit initiatief aan ? Uit een brief van het gemeentebestuur van Arnemuiden aan de President van den Commissie van Landbouw in Zeeland blijkt dat Arnemuiden, waarvan de inwoners grotendeels van de visserij afhankelijk waren, grote bezwaren had tegen de oprichting van een visserij in Middelburg:



Den 10 Decb. 1817

Aan de Heer Mr. G.D. Steengracht

Te Middelburg


Wel Edel Gestrenge Heer !


In voldoening aan mijne gedane toezegging, diend tot antwoord, op de vraag door UwEdGestrenge: mij gedaan, of de oprigting eener visserij te Middelburg in nadeel van Arnemuiden zijn zoude, in den volsten zin, ja, het is de laatste doodslag die men aan deze gemeente doen kan, en daar van zal ik reden geven.

Indien men te Middelburg 2 hoeken, gaffels of Blokschuiten aankoopt, om ter visvangst zo in de zomer als winter zeewaarts te zenden ( dat ik voor mij zelve niet geloof stand zal houden) is het eene onbetwistbare waarheid, dat men die zal protegeren en bevorderen, maar ook alles zal weren, wat aan dezelve eenigsints nadeel kan toebrengen, Ergo zal men die wel is waar, de vis die van Arnemuiden te Middelburg, op de vismarkt word gebragt, niet beletten, doch zeer zeker het uitleuren strengelijk tegengaan, dat men nu van tijd tot tijd maar al te veel doet, dewijl men geen vis genoegzaam bekomt dan van Arnemuiden, en door dat visleuren bestaan honderde ja wat zeg ik, het grootste gedeelte van de Inwoonderen dezer Stede, en waar zouden de Visschuiten met hun pas afgestorven vis blijven, die men op de vismarkt niet brengen kan, welke nu de leursters uitdragen, en voor den gemeenen Burger nog eene smakelijke spijze is, zo wel als dat die nog goed en zo gezond zij als die welke springend leven is.

Intusschen zegt men, de Vissers van Arnemuiden zoude de vis van de Middelb. Vissers kunnen koopen, zo wel als zij nu inde Goeree dien, maar laat ik daar op antwoorden met de vragen 1e Waar zullen zij die dan gaan uitventen, daar zij de vis in de Goeree of elders koopende het meest in Middelburg brengen, en bij overvloed ook te Vlissingen en te Goes, en bij overvloed zeg ik, dewijl de transportkosten naar die plaatsen door haren meerderen afstand ook meerder zijn. en 2e zal men te Middelburg toestaan, dat de Arnemuidenaars hun gevangenen vis koopende, aldaar aan de Huizen uitleuren, Neen, daar al spoedig het nadeel zoude ontwaren, dat zulks aan de Middelb. Visschers zoude toebrengen, dewijl men goedkooper vis van de Leursters kan koopen , dan van de Vismarkt, daar drie bediende zijn, welke moeten beloond worden, als Een die aankomt zegge, welke vis er op de vismarkt is.- Een die ze koopt en schoonmaakt en Een die ze thuisbrengt- terwijl een Arnemuidsche Leurster die drie bedieningen alleen waarneemt, zonder belooning.

Wil men nu te Middelburg altijd van vis voorzien zijn, wel laat men dan, met een paar visschuiten van Arnemuiden accoord maken om gedurende het wintersaisoen, vis in de Goeree en elders te gaan koopen en te Middelb: bepaald te brengen, onder belofte dat men hun bij voorkomende schade, door tegenwind zoomede ? als anders hun te gemoet komt, daar de vis onderweg ,door evengemelde gevallen stervende , hun van groot nadeel is, en dan zal men altijd in de winter vis hebben, en minder in de waagschaal stellen.

En dat men voor de Zomer 2 à 3 vissers verbind, om de door hun gevangen wordende vis, te Middelb: te brengen, zoals de brabanders doen, met betrekking tot de Roggen en flooten, en Middelburg zal naar wensch altijd vis hebben, terwijl Arnemuiden op den ouden voet kan voortgaan en blijven bestaan--

Bron:
http://www.arnehistorie.com/Artikelen-Brievenboeken/brievenboek-1817-1818.html









woensdag 29 mei 2019

Tarieven voor het havengeld en vuurgeld van Midddelharnis (1814)

Na de Bataafs Franse tijd (1795-1813) stond het voorlopige bestuur van Middelharnis voor de taak om inkomsten voor de gemeente te genereren. De eerste prioriteit was de visafslag. Al op 24 december 1813 kwam de herziening van de keur op de visafslag ter sprake in de vergadering van het  Provisioneel Bestuur. 
Op 15 maart 1814 werd het havengeld vastgesteld, aangeduid als 'Kaaigeld'. Het besluit geeft een goed beeld van de schepen die in de haven van Middelharnis hun ligplaats hadden. En van de schepen die de haven bezochten.



Een Poon. Uit: Gerrit Groenewegen. Verzameling van vier en tachtig stuks
Hollandsche schepen, getekend en in koper gebragt door G. Groenewegen. Rotterdam, 1789.


Per jaar (voor de schepen die in deze gemeente thuis horen):

6 gulden voor een gaffelvisschuit
3 gulden voor een schokker
10 gulden voor een marktpoon
4 gulden voor een aardappelpoon of damschuit
3 gulden voor een grote hengst of kleine damschuit
1 gulden en 10 stuivers (1,50) voor ieder klein vaartuig voorzien van een plecht of een mast.

Per keer (te betalen telkens wanneer deze in de haven of op de kaai komen):

1 gulden per keer voor iedere vreemde gaffelschuit of sloep*
12 stuivers (0,60 gulden) per keer voor elke vreemde bezaan en bunschuit of ventjager tot een maximum van 4 gulden per jaar
1 gulden voor iedere vreemde tjalk, spriet of gaffelschip
16 stuivers (0,90 gulden) voor iedere vreemde poon of paviljoenschuit
12 stuivers (0.60 gulden) voor iedere vreemde aardappelpoon, damschuit, turfijker etc.
6 stuivers voor elke vreemde gedekte hengst of ander gedekt vaartuig
4 stuivers voor ieder vreemd vaartuig slechts een gedekte plecht hebbende

Bovendien 6 stuivers voor elk vaartuig, zowel vreemde als hier thuis horende, te betalen een keer per jaar voor het branden van het vuur op het hoofd alhier.


Kwitantie  van 5,20 gulden voor het kaai- en vuurgeld
over 1821 en 1822 voor de Zierikzeese sloep De Hoop,
stuurman Jan Franse van Dueren. Ondertekend door
havenmeester H. Smit..
Archief Nieuwe Visscherij Zierikzee, inv. nr. 327.




Bron: Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr.  602 Notulen van de openbare vergaderingen van de 1813 december - 1817 maart, 15 maart 1814. Extra-ordinaire vergadering van het plaatselijk bestuur van Middelharnis

* een vroege vermelding van de sloep.
Bij de heffing van havengeld in Pernis werd in 1808 de 'chaloupe' vermeld. Uit Vlaardingen is de vermelding van een 'sloepschip bekend', eveneens uit 1808. De vloot van Vlaardingen in 1814 had 3 'chaloupen'. Zie:
Johannes Ploeg, Sloepen en loggers. Nieuwe scheepstypen voor de aloude Noordzeevisserij, 1800-1875. (1990) 11,12

woensdag 17 april 2019

Schip Nieuw-Holland uit Middelharnis gezonken in de haven van Hansweert (1875)

Een merkwaardig bericht in de kranten van april 1875. De visserssloep Nieuw-Holland uit Middelharnis is op de terugweg naar Middelharnis op de westberm van het kanaal door Zuid-Beveland gestoten. Het schip is naar de haven van Hansweert gesleept en daar gezonken. De bemanning is gered en liefderijk verpleegd aan boord van het 'recherchevaartuig nr. 3, kapitein L.J. 't Hart'.  De kapitein van het vissersvaartuig was D. Witvliet.

Middelburgsche Courant, 6 april 1875


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 7 april 1875

Het merkwaardige aan dit bericht is dat er geen vissloep met de naam Nieuw-Holland was en ook geen stuurman met de naam Dirk Witvliet.
Aangezien het om visvervoer naar Antwerpen ging moeten we eerder denken aan een ventjagersschuit, een botter met een bun of een dergelijk vaartuig. Dirk Witvliet was wel schipper van beroep. Dat zal dus op een schip geweest zijn dat vis vervoerde.




* Dirk Witvliet, gehuwd met Willemina Johanna Moll, was schipper.
Huwelijksakte 1880/14, huwelijk van Leendert Koster met Hendrika Witvliet

zondag 24 maart 2019

Een brief van schipper Jan van Dueren (Zierikzee 1827)

Jan Franse van Dueren (1788-1850) is eerder genoemd op dit weblog, zie bericht van 9 januari 2014. Hij is in 1821 schipper geworden bij de Nieuwe Visscherij in Zierikzee op de nieuw gebouwde sloep De Hoop.
Op 18 april 1827 schreef Van Dueren vanuit Den Helder een brief aan de boekhouder van De Hoop, J.S. Steinbuch 'Koninglijk Postmeester' te Zierikzee. Ze waren met de sloep naar Texel gereisd om aas in te kopen. Zaterdag voor Pasen hadden ze  gevist en wel wat gevangen, maar in verhouding tot de elf bakken want die ze uitgezet hadden was de vangst heel mager.
In het voorjaar werd vooral haring als aas in de beugvisserij gebruikt. Maar er werd onvoldoende haring gevangen zodat De Hoop geen aas had en niet verder kon vissen. 

Mijn Heer de Heer J.S. Stijnbuch, ik laat u weten
Als dat wij op Zondag paassen in Tessel ben gekomen
Want wij hebbe een Zaturdag voor paase nog
11 bak geschoote voor 4 kabbeljauwen en 15 schelvissen
en de Haring vissters zijn een dingsdag gaan vissen
maar niet gevangen, een woensdag zijn zijn ze weer
gaan vissen, maar hebbe maar net voor de klijne
schokkers wat gevange, dus ik weet niet hoe dat
ik aan haring zal koome, ik hoop het beste daar
van. Daar is mijn een bot aan geboode dat ik
geld kan krijge om een schuijt vis te koopen,
maar ik weet niet wat ik doen zal.
Ik zal zien hoe dat het verder af loop.
Verder blijf ik u Edele dienswillege dienaar
JvDueren
Helder den 18 april






Van Dueren is op het aanbod om een schuit vis te kopen ingegaan en met de vis 'op negotie' naar Antwerpen gevaren.
Steinbuch hoorde van iemand uit Middelharnis, die in Zierikzee was, dat Van Dueren Zierikzee voorbij gevaren was met een schuit vis om in Antwerpen te verkopen. De boekhouder had de  brief toen nog niet ontvangen en was onaangenaam verrast. Ook de Commissie van Toezicht was ontstemd dat Van Dueren niet als visser, maar als koopman had gehandeld en dat hij tegen de regels in niet in Zierikzee was binnen gelopen. De kwestie had geen gevolgen voor de schipper.




Zeeuws Archief (ZA), toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee (1817)1818-1835, inv. nr. 7 notulen en inv. nr. 155 bijlagen, vergadering 27 april 1827.



vrijdag 22 maart 2019

Een brief van schipper Maarten Abeele (Zierikzee 1824)

We schreven al eerder over Maarten Abeele (1767-1841), zie bericht van 26 mei 2014. Hij is in 1822 met zijn gezin naar Zierikzee verhuisd en werd schipper op de nieuw gebouwde sloep De Vreede van de onderneming De Nieuwe Visscherij.
Op 26 november 1824 zat bij de ingekomen stukken van de vergadering van de Commissie van Toezicht een schrijven van Maarten Abeele.

Mijne Heeren van toezigt over De Nieuwe Visscherij van Zierikzee.
het doet mij zeer en ben gevoelig aangedaan
over het ongeluk dat Mattijs Verschoor
treft om tot heden niet weer met een schip
te worden begunstigd. Hij heeft voor twee jaar
geleden bij mijn als stuurman gevaren en
daar ik wegens zijn bekwaamheid indien het
in mijn magt stond hem wel een oorlogschip
zou durven toe vertrouwen, daar ik heden weer
een proef van geve, want zoo hij mij in alles niet
voldaan had zoude ik hem terstond niet
weder bij mijn aan boort nemen en hem alles aan
bevele. Voor zoo ver mijn bekend is zijn er wel
aandere schip[p]ers die aan meer mis bruik schuldig
staan als Mattijs Verschoor. Ik verklaar andermaal
een ...kundig ze[e]man te zijn
En geensints een misbruik maak van sterken 
drank, want terwijl ik een mensch ben die zeer
weijnig sterken drank gebruik[t], zoude het ...
ontdekken van iemand die te veel gebruikte.
Als ik magt over de visscherij hadde was het





eerste schip dat uit de haven voer voor hem,
hij is het waardig in alle betrekking want
hij is een visscher in zijn hart. Zie daar mijne
heeren mijn gevoelen over Mattijs Verschoor.
Hij gaat met mij als visscher weer naar zee,
Maar ik wenschte wel dat hij het geluk had om
van de winter nog eens met mijn op zijn eigen
schip zame uijt de haven te varen. Hij heeft
nu veel ondervonden en heeft ... sedert
een en geruime tijd mijn ra[a]d gevolgt,
waarvan hij wel blijk zal geven. Ik [h]oop
dat ulieden mijn dat sult verschoonen daar
ik als mensch het belang van een ander
behartigd. En noem mijn met ware achting

ued dienaar
M. Abeele




Zeeuws Archief (ZA), toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee (1817)1818-1835inv. nr. 112, vergadering 26 november 1824

dinsdag 12 februari 2019

De vergeten vissers van Middelharnis. Aanvullingen en correcties op het boek

Sinds het verschijnen in november 2018 van het boek:
Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) 

zijn de volgende aanvullingen en correcties ontvangen.

p. 22. 
IJslandvaart. Het gaat om vier reizen in de jaren 1830-1833 met de hoekerbuis Waakzaamheid van Jacob Slis en om een reis in 1829 met de Vrouw Pietertje, boekhouder L. Kolff van Oosterwijk. De stuurman op deze eerste reis was Jan de Waard. De Vrouw Pietertje is op 7 maart 1829 van stapel gelopen. 

p. 53
De Luijpaart is op de rivier van Hull aan komen drijven. Op 5 maart 1740 machtigde Jacob Bane, boekhouder van de schuit en koopman in Sommelsdijk, de heer Johan Turlij minor, koopman in Rotterdam. om de schuit te reclameren. (Notarieel Archief Middelharnis, inv. nr. 5809, akte 79, met dank aan Eva Lassing).

p. 56
Jan Hendriksz Pas moet tot de bemanning van de Eendracht behoord hebben. De boedel van Jan Hendriksz Pas is op 18 maart 1757 beschreven door notaris Gualtherus Kolff (inv. nr. 5810, akte 54, met dank aan Eva Lassing). Jan Hendriksz Pas was bepaald niet onbemiddeld. Zijn bezittingen vertegenwoordigden een waarde van 2.391,80 gulden. Hij is 'in de maand februarij laatstleden op sijne reijse ter visneering op Zee verongelukt.' 

p. 84
De Antwerpse rederij van de Pionier en de Avenir was weduwe Mauroy, geen Manroy.
(met dank aan Raymond van Ael)

p. 122
De maten van de eerste sloep Vrouw Aplonia. De maat van de holte is per abuis als wijdte weergegeven.
In het bestek van staat: 62 Rijnlandse voet lang over de stevens (19,47 meter), wijd op zijn uitwatering 17 voet (5,34 meter). De maat van de holte is niet vermeld "en hol bij de mast onder het dek na proportie".

p. 132 
De 700 gulden uit Batavia waren onder meer afkomstig van een veiling van goederen in februari 1819. Naast kopergeld werden ook een slavin, Alima, en haar kind , Biedja, verkocht.


Javasche Courant, 17 februari 1829



p. 133
1828. De naam van de sloep van Jan van de Roovaard was Jonge Anthony

p. 146
De Zierikzeese sloep de Hoop, gebouwd in 1820, is in het winterseizoen 1836-37 toegevoegd aan de vloot van Middelharnis onder de naam Wisselvalligheid .  
Jacob Slis kocht in 1835 twee sloepen uit Zierikzee: de Hoop en de Pieter Mogge.
De Wisselvalligheid was 46 jaar oud bij het vergaan in januari 1867.

p. 158
De sloep op de foto is niet de MD 12 Twee Cornelissen, maar de MD 12 Zeemeeuw.

p. 172.  Bij de foto: betreft waarschijnlijk de MD 11 Hendrika Adriana en niet de MD 11 Oranje Nassau

p. 173. De sloep op de foto is niet de MD 2 Doggersbank, maar de MD 2 Maria Cornelia.

p.178
Luctor et Emergo
Bij onderhoud op de werf van Peeman is de sloep een keer omgevallen.
Wordt:  
In juni 1907 is de sloep op de scheepswerf van Peeman van de goot gegleden en op haar kant op de werf gevallen. Het eerste bericht in de Vlaardingsche Courant is van 16 juni 1906. De krant berichtte op 27 juni dat het scheepsbouwmeester Fiegee uit Vlaardingen gelukt was om het schip weer recht en in het water te krijgen.




Vlaardingsche Courant, 27 juni 1906

p. 181 
Foto Luctor et Emergo.
Onderschrift moet zijn: de MD 1 Luctor et Emergo in juni 1907 omgevallen op de werf van Peeman



p. 198
De sloep Eben Haëzer is halverwege de winter van 1842-43 naar Middelharnis gekomen. Gekocht door Jacob Slis. De oorspronkelijke naam was de Eersteling van Pernis van reder D. Pons. In deze winter was Arend Verschoor de stuurman, in 1843-44 Jan de Korte en in 1844-45 Gleijn Langbroek.

p. 232 
Aquarel is gemaakt door A. Stolk

p. 276
1828: Jacob van Eck. Overleed op 28 juni 1828 om drie uur in de middag op de vissloep Willem den Eersten uit Zierikzee, schipper Dirk van Zwieten.
Er waren nog twee Menheersenaars aan boord, te weten Leendert Sprong en Pieter Abeele. Jacob had voor het vertrek van de sloep uit Zierikzee op 10 mei 1828 nog een handgeld van 13 gulden als voorschot ontvangen.

p.280
1884: Jacob van der Sluis. Het ongeval vond plaats op een visloggerschip uit Schiedam, de SDM 3 Excelsior.

1885: Cornelis Oosterling (zie tekst op dit weblog van 4 februari 2019)

1887: Pieter Koudijzer. Het ongeval vond plaats op de houten zeillogger HD 30 Pollux. Dit was een schip met een registratienummer van Den Helder maar met een bemanning uit Pernis.

1888: Cornelis Koster (zie tekst op dit weblog van 20 januari 2019)

1896: Gerrit Langbroek. Hij was aan boord van de zeilsloep VL 172 Jeannette, schipper J. Visser.

1898: Cornelis Gootjes (zie tekst op dit weblogvan 9 januari 2019)

p. 282
1913: Glijn Langbroek  (zie tekst op dit weblog van 8 januari 2019)

p.284
IJM 312 Helene is op 9 juni beschoten, niet op 12 juni. De oorzaak was geen torpedotreffer, maar kanonvuur.


p.293
1920: Jan Krijger
IJM 69 Bruinvisch, niet IJM 89

p.293
1921: Johannis Aupperlee

MA 56 Letty , niet MA 55

p.297
1934: Job Langbroek (zie tekst op dit weblog van 22 januari 2020)


Aanvullingen en correcties pagina's 280-297 met dank aan Jan van Welie.

p. 298 Nagekomen foto hoofdstuk Hendrik van Eck en Maria Bastiana de Waard.


Hendrik van Eck , Maria Bastiana de Waard met zoon Leendert, circa 1904.
Foto met dank aan Sylvia van Eck