maandag 16 maart 2015

Kapers op de Hollandse kust. Roman over een zeeman uit Hellevoetsluis1651-1652

In 2014 verscheen de roman 'Kapers op de Hollandse kust', geschreven door Tom Wensink uit Hellevoetsluis. Het verhaal gaat over de jaren die voorafgaan aan de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654), jaren van oplopende spanningen tussen Engeland en de Republiek.

Voor een samenvatting en meer informatie zie:.Kapers op de Hollandse kust

Voor de lezers van weblog Arjaentje heb ik uit het boek een aantal aspecten rond de visserij en Middelharnis gelicht.

Hellevoetsluis
De hoofdpersoon van de roman is Tomas Hidde Heuseveldt, een jonge zeeman uit Hellevoetsluis.Hellevoetsluis is een dorp in opkomst. De Maasmonding heeft last van verzanding waardoor steeds meer schepen het Goereese Gat opzoeken. Bovendien heeft de Admiraliteit op de Maeze de onderhoud- en reparatiefaciliteiten voor schepen uitgebreid. Hiervoor zijn nieuwe scheepshellingen aangelegd. De VOC kamers van Delft en Rotterdam laten hun schepen in Hellevoetsluis afbouwen en de Compagnie heeft hier ook de nodige magazijnen en opslagloodsen gebouwd.
Van oudsher is het loodswezen een belangrijke activiteit die vanuit Hellevoetsluis wordt ondernomen. De hoofdpersoon Tomas Heuseveldt begint hier zijn carrière. Zijn vader Hidde is beurtschipper en tevens een zeer ervaren zeeloods. Tomas treedt op 22-jarige leeftijd in zijn voetsporen als hij door de Admiraliteit op de Maeze in Rotterdam benoemd wordt tot zeeloods in het Goereese Gat. Een loods aan boord nemen is hier altijd verplicht. Voor zijn opleiding moet hij een maand op het wachtschip van de Admiraliteit op de rede van Goeree werken waar hij ook met wapens om leert gaan.
Voor een handelsrelatie van zijn vader gaat hij in Londen poolshoogte nemen van de stand van zaken met betrekking tot de handel tussen Engeland en de Republiek. Daarna vertrekt hij naar Middelburg op verzoek van dezelfde handelsrelatie om stukken af te leveren bij de Admiraliteit van Zeeland.

Bezoek aan Middelharnis (1)
De reis naar Middelburg begint met de oversteek van Hellevoetsluis naar Middelharnis.Tomas wordt op 17 januari 1651 door veerbaas Willem van Beveren overgezet.
In de haven van Middelharnis wacht Bruno Vandermaes hem met het beurtschip Mathilda op. Door de storm zijn ze genoodzaakt een dag te blijven liggen en Tomas maakt van de gelegenheid gebruik om de haven, de lijnbaan en de herberg aan te doen.
Door zijn werk als loods kent hij enkele vissers en hij wordt direct herkend door Thijs Put, zoon van stuurman Dirk Put. De familie Put woont op het Vingerling en Tomas brengt hier de avond door. Hij heeft in het bijzonder belangstelling voor dochter Gemma, die wanten een das en een muts voor hem heeft gebreid. De romance ontwikkelt zich in de loop van het jaar 1651 en Tomas steekt, voor zover zijn werk het toelaat, nog vele maken over naar Middelharnis. In juli 1652 trouwen ze en gaan in Hellevoetsluis wonen. Opmerkelijk is de vermelding dat Gemma zo goed kan schrijven.
Wat betreft het vissersbedrijf in Middelharnis is een aantal details minder waarschijnlijk. Zo zou er een visafslag op het dorp zijn. De vis werd echter van oudsher niet in het dorp verhandeld, maar door (veelal Antwerpse) ventjagers overgenomen. De vissers hielden zich voor zover bekend niet met haringvisserij bezig; ingezouten haring in tonnetjes hadden de vissers, zoals Dirk Put, dus niet in voorraad. Er werd uitsluitend verse vis in de bun aangevoerd die niet met netten gevangen was maar met de beug.


De carrière  van Tomas
Tijdens zijn bezoek aan Middelburg neemt de loopbaan van Tomas een hoge vlucht als hij wordt gevraagd als opperstuurman op de Bruijnvisch. Dit is een schip dat de opdracht heeft vissers en handelsvaarders voor de Hollandse en Zeeuwse kust tegen kapers te beschermen. Later wordt de Bruynvisch toegevoegd aan het eskader van admiraal Tromp.



Jeronymus van Diest II. De Royal Charles opgebracht
op de rede van Hellevoetsluis, juni 1667

Hoeker uit Maassluis opgebracht (2)
Op 2 januari 1651 wordt een hoeker uit Maassluis weggestuurd van de Engelse visgronden door een fregat van de Engelse marine. Besloten is dat buitenlandse vissers hier niet meer mogen komen. De stuurman zet koers naar huis maar drijft door aanhoudende storm af en wordt onder de kust van Norfolk opnieuw aangehouden. Deze keer door een brik, een particuliere kaper, die de hoeker naar Great Yarmouth dirigeert. De bemanning wordt door soldaten  opgevangen en naar de gevangenis gedirigeerd. De lading schelvis en kabeljauw wordt  in beslag genomen. Na enkele dagen krijgen ze het schip terug en mogen ze vertrekken. Het fragment over de hoeker begint met een beschrijving van de beugvisserij.
In Middelharnis heeft Tomas overigens gehoord dat ook vissers uit Middelharnis niet van zee zijn teruggekeerd (3).
Er zijn ook vissers die een commissiebrief aanvragen om als kaper te mogen varen. De kaapvaart verdient beter dan de visserij. Naarmate de oorlogsdreiging toeneemt worden meer vissers gevraagd om in dienst te treden bij de marine. Zodra het op zee te gevaarlijk wordt volgt een uitvaarverbod voor vissers.


Kapers op de Hollandse kust. Mare Liberum, een vrije zee.
Hellevoetsluis, 2014, 376 p. Met verklarende woordenlijst.
ISBN 978-90-822603-0-4



1.p 94-113, 332
2.p.41-44 ,54-58, 110,300-301
Over reder Margje Koijs p. 298
3. In de literatuur over Middelharnis is dit gegeven niet terug te vinden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten