zaterdag 22 april 2017

Hendrik Smit (1857-1898) en Catharina van Putten (1866-1920)

Ouders
Hendrik Smit is op 30 april 1857 in Middelharnis geboren, zoon van Johannes Hendrik Smit (1828-1900) en Elisabeth Koudijzer (1826-1897). 

Catharina van Putten is geboren op 26 juni 1866 in Middelharnis geboren, dochter van Adrianus van Putten en Adriaantje Koert.

Huwelijk
Hendrik en Catharina trouwden op 20 maart 1891, ze waren 33 en 24 jaar oud. Het huwelijk bleef kinderloos. Op 15 mei 1895 vertrok het echtpaar uit Middelharnis naar Maassluis. 

De ramp met de MA 145, Johanna
Hendrik was visser van beroep en lid van de twaalfkoppige bemanning van de logger MA 145 Johanna, schipper Jacob Visser.  Op 22 maart 1898 voer de logger uit. Het schip moet met man en muis zijn vergaan in de buurt van Den Helder. Op 25 maart 1898 spoelden wrakstukken aan op de kust, waaronder delen van de romp.
Hendrik Smit was veertig jaar oud.


Algemeen Handelsblad, 24 april 1898


De weduwe
Catharina van Putten bleef op 31-jarige leeftijd alleen achter. Op 15 juli 1903 kreeg ze van de Rechtbank te Rotterdam vergunning voor het aangaan van een nieuw huwelijk. Zij hertrouwde op 27 augustus 1903 met de vijftien jaar jongere Leendert Kranendonk (1881-1920), letterzetter en later winkelier. Ook dit huwelijk bleef kinderloos en eindigde op 1 december 1919 in echtscheiding op grond van overspel door de man. Leendert overleed op 19 februari 1920, de dag dat het echtscheidingsvonnis werd ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van Maassluis. 
Catharina overleed kort daarna, op 27 december 1920 in Maassluis.


Gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje





dinsdag 18 april 2017

Floris Dirksz van Eck (1658-1728) en Tannetje Bastiaans Chijsje (1659- )

Ouders
Floris Dirksz van Eck is een zoon van Dirck Florisz van Eck en Lijntje Heijndricks Coningh. Hij is gedoopt op 23 juni 1658 in Middelharnis. 

Tannetje Bastiaans Chijsje is een dochter van Bastiaan Arens Chijsje en Maytje Pieters Pas. Zij is gedoopt op 19 januari 1659 in Middelharnis.

Huwelijk en kinderen
Floris en Tannetje trouwden op 19 augustus 1682 in Middelharnis. Ze waren 24 en 23 jaar oud.  Waarschijnlijk heette de oudste zoon Dirck Florisz van Eck (in 1707 vermeld als stuurman), naar zijn grootvader. Daarna volgde Bastiaan Flore. Op 10 februari 1684 werd Mari gedoopt, op 5 januari 1687 gevolgd door Maatje (jong overleden) en in 1688 door Arentje. Hendrik is op 12 februari 1691 gedoopt. In 1694 is Maatje gedoopt, zij is ook jong overleden, evenals Maatje uit 1696. Jacob is op 15 september 1697 gedoopt. In 1700 volgde weer een Maatje die jong overleden is. Maatje, gedoopt 23 oktober 1701, heeft de kindertijd wel overleefd.

Stuurman Floris Dirksz van Eck
Op 22 maart 1688 kocht Floris van Eck de helft in de visschuit de Oliphant voor 625 gulden. Op 28 maart 1694 sloot hij als stuurman een contract met zijn bemanningsleden over het gezamenlijk betalen van eventuele schade als gevolg van kapingen of pogingen daartoe. Op 17 september 1708 staat hij vermeld als stuurman van de gaffelschuit 't Kalff.(1)

Een voorval in 1707
Op 5 mei 1707, ’s avonds tussen 19.00 en 20.00 uur, schold Floris van Eck met nog enkele andere lieden dienaar Jan Borger uit voor een schelm en ze dreigden hem "in de Kaeije te bruijen". De dienaar had zojuist, op bevel van de baljuw, Cornelis Halsbergen in de gijzelkamer gezet. Ruim 200 man kwamen bijeen en Floris riep: "mannen volgt mij." De groep liep naar het huis van baljuw Abraham Kip en "aldaer met veele dreygementen van hem te sullen in de Kaeije bruijen ende de paruyck van de kop te haele." Hij werd gedwongen Halsbergen vrij te laten. Dit alles ging gepaard "met ongestuymigh tieren, raesen ende dreygementen". Men wilde de sleutel van het gijzelhuis en kreeg die ook. Cornelis Halsbergen werd vrijgelaten, waarna de menigte weer naar het huis van de baljuw ging waar men juichte en de hoeden in de lucht gooide. Het dorpsbestuur vond deze vertoning een bespotting van de justitie en de baljuw. Ondanks een hogere eis van de baljuw werd de zaak composibel geacht. Het voorval liep dus met een sisser af. Wellicht was men bevreesd voor verdere escalatie en dorpsoproer? (2)

De kinderen
Bastiaan trouwde in 1706 met zeventienjarige Aagje Bastiaans Blom. De oudste zoon, Floris Bastiaansz, is in 1707 geboren. Zij kregen twaalf kinderen, van wie er veel jong overleden zijn. Bastiaan was in 1722 stuurman op de bezaanschuit de Eendragt (zie bericht van 3 maart 2017). Hij is in 1749 overleden.

Hendrik (1691-1731) trouwde op 17 mei 1716 in Middelharnis met Anna Janse Trommel, 21 jaar oud. Op 3 februari 1717 is hun zoon Dirk Hendriksz van Eck gedoopt, Neeltje volgde op 27 september 1722, Tannetje op 31 januari 1725 en Kaatje op 20 september 1727. 
Hendrik is omgekomen op zee. Hij was stuurman van de gaffelschuit 't Witte Lam die begin 1731 is vergaan (zie bericht hiervoor van 18 april 2017). Misschien was zoon Dirk ook aan boord: zijn overlijdensdatum is onbekend. Anna Trommel bleef achter met vier kinderen.
Bij de verkoop op 26 mei 1733 van 1/8e part in de gaffelvisschuit d’ Olijphant uit het bezit vader Floris Dircksz van Eck, trad Bastiaan Flore van Eck op als voogd over de nagelaten kinderen van zijn broer Hendrik Flore van Eck.
Jacob (Japik)  trouwde op 23 maart 1721 met met Ariaantje Michiels Koning. Zij kregen een zoon Dirk, die op 14 december 1721 werd gedoopt. Na het overlijden van Ariaantje trouwde Jacob op 30 januari 1730 in Sommelsdijk met Lena Cornelis Kattestaart. Zij kregen vier kinderen: Hendrik, (1735) Cornelis (1741), Tannetje (1744) en Johanna (1747). Cornelis was in 1782 stuurman van bezaanvisschuit Leendert en Margrieta. Zie bericht van 21 november 2014.
Maatje trouwde met Cornelis Arens van den Nieuwendijk, geboren omstreeks 1701 in Klundert. Hij was ventjager van beroep. Zij kregen zeven kinderen. Maria (1733), Floris (1735), Aren (1737), Hendrik (1739), Dirk (1741), Hendrik (1744) en Tannetje (1746)

Familieleden op zee gebleven
Jacob van Eck (1748-1778), kleinzoon van Bastiaan van Eck en Aagje Blom, oudste zoon van Floris van Eck en Neeltje Hakkelaar is in 1778 verdronken bij de ramp met de Twee Jonge Baerssen. Zie bericht van 31 februari 2017.
Aagje Florusse van Eck (1750-1804), een zus van bovenvermelde Jacob, verloor haar tweede man Cornelis Kortenbout in 1784 toen de Prins van Orangien verging. Zie bericht van 9 augustus 2014.
Ook Bastiaan Dirksz van Eck (1754-1784), zoon van Dirk Bastiaansz van Eck en Neeltje Leenderts van der Baan, kwam bij deze ramp om. Zie bericht van 22 augustus 2014.
Maria van den Nieuwendijk, dochter van Maatje van Eck, verloor in 1764 haar man Joost Masteluijn (1734-1764)  met de scheepsramp van de gaffelschuit de Welstand van Gerrit Koning. Zie bericht van 7 april 2016.
Jacob van Eck (1778-1828), zoon van Dirk Flore van Eck (geboren in 1745, zoon van Floris van Eck en Neeltje Hakkelaar) en Johanna van Eck was werkzaam bij de Nieuwe Visscherij in Zierikzee en is in 1828 verdronken. Zie bericht van 16 juni 2014

Genealogische gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje


1. Rechterlijk archief Middelharnis, scabinale akten, inv. nr. 22, 23, 24, 38 en 39.
2.J. Both, Criminaliteit en rechtspraak in de hoge heerlijkheid Middelharnis, 1621-1811, scan 78

De ramp met de gaffelschuit 't Witte Lam in 1731

Op 21 maart 1731 verschenen voor de schepenen van Middelharnis Jan Gerritsz Bliek en ventjager Gerrit Jansz Bliek namens de reders van
de gebleve gaffelschuijt T Witte Lam, gevoert bij Hendrik Flore van Eck
De mast, stag en wanttouwen van de vergane gaffelschuit waren opgevist, geborgen en in bewaring gegeven bij Jacob Briel (1666-1737), raad en vroedschap van de stad Brielle en rentmeester der Espargnes (domeinen) van het Land van Voorne. De reders verkochten de restanten aan Jasper Pietersz de Bruijne. 

Rechterlijk archief Middelharnis, inv. nr. 38, 21 maart 1731

Hoe ’t Witte Lam ten onder is gegaan, is uit de terloopse vermelding in de akte niet op te maken, waarschijnlijk is het schip vergaan in het Goereese Gat of voor de kust van Voorne. Gezien het geringe aantal geborgen fragmenten, is er weinig hoop op overlevenden.

Deze ramp zal dus de gehele bemanning van mogelijk tien tot elf koppen het leven hebben gekost. Alleen de naam van de stuurman is bekend:

Hendrik Flore van Eck (1691-1731) 


Mogelijk was zijn zoon Dirk, geboren 1717, ook aan boord.  
Zijn overlijdensdatum is onbekend.

vrijdag 31 maart 2017

Gaffelschuiten en kaperschepen. De vissersvloot van Middelharnis in oorlogstijd (1794-1813).

In het aprilnummer 2017 van De Ouwe Waerelt is een uitgebreid artikel over de vissersvloot van Middelharnis in de Bataafs Franse tijd verschenen.

In de roerige tijd van de Napoleontische oorlogen gingen veel vissersschepen door kapingen verloren en de tijd was er niet naar om te investeren in nieuwe schepen. 

De vloot van Middelharnis is in deze periode veel kleiner geworden: van 32 gaffel- en bezaanschuiten in 1794 naar ongeveer vijftien gaffelschuiten en zeven schokkers (kleine vissersschepen) in 1813.
Hoe verliep de achteruitgang van de visserij in Middelharnis en wat is er precies gebeurd met de verdwenen gaffelschuiten ? 
Om deze vragen te kunnen beantwoorden zijn vele archiefstukken geraadpleegd, waaronder ook de dossiers die in Londen bewaard gebleven zijn van gekaapte schepen. De stukken onthullen de bewogen geschiedenis van de gaffelschuiten en hun bemanningen in deze periode.  Ondanks de gevaren op zee en alle beperkingen die door de Bataafs Franse overheid werden opgelegd gingen de schuiten in de meeste jaren toch de zee op. De visserij werd niet gestaakt want niet vissen betekende armoede. Om door te kunnen vissen gingen de gaffelschuiten in 1795 met succes onder de neutrale Deense vlag varen en in 1804 met iets minder succes onder de Pruisische vlag. 

Het is zeventien keer voorgekomen dat een schuit uit Middelharnis werd gekaapt. Negen schuiten gingen door de kapingen verloren, een schuit ontsnapte aan de Engelsen en zeven schuiten werden vrijgegeven.


HMS Africaine. Een fregat van de Franse marine, door de Engelsen gekaapt..
Het schip patrouilleerde in 1804 voor de Hollandse kust.

In juni 1804 zijn acht gaffelschuiten uit Middelharnis door het Engelse fregat HMS Africaine opgebracht en naar Great Yarmouth gebracht. Drie schuiten zijn vrijgegeven en vijf schuiten zijn in Engeland geveild. Ze gingen voor de vloot van Middelharnis verloren.

De visserij van Middelharnis heeft deze moeilijke periode overleefd. Dit is te danken aan wereldwijze stuurlieden die zich wisten te redden ten overstaan van Franse autoriteiten, Engelse marine-kapiteins en rechters van de Prize Court en die naar Pruisen togen om de schepen om te vlaggen. En aan ervaren vissers die het vak trouw bleven en zich telkens weer wisten aan te passen. Boekhouders en reders stelden de schepen in staat om uit te varen en namen genoegen met een gering rendement of zelfs verlies. Degene die het risico nam om de zee op te gaan wachtte een goede opbrengst, want vanwege de geringe aanvoer van vis waren de prijzen op de visafslag van Middelharnis hoog.

Link naar de lijsten met stuurlieden waar in het artikel naar verwezen wordt:

Stuurmannen van Middelharnis onder Deense vlag in 1798
Stuurmannen van Middelharnis onder Pruisische vlag in 1804-1805


Marlies Jongejan, Gaffelschuiten en kaperschepen (1794-1813). De vissersvloot van Middelharnis in oorlogstijd. In: De Ouwe Waerelt, 17(2017)49, 2-17.

De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 8,95.


Link naar de volledige tekst van het artikel:


maandag 20 maart 2017

Ventjager Stoffel Dirkse Visser uit Middelharnis bij Fort St. Philippe (1720)

Stoffel Dirkse Visser was ventjager in Middelharnis. Hij had een bezaanbunschuit waarmee hij verse vis naar Antwerpen bracht. Om in Antwerpen te komen moest op Fort Lillo tol betaald worden aan Zeeland en op Fort St. Philippe aan Brabant, toen behorend tot de Oostenrijkse Nederlanden. In maart 1720 is hij door zwaar weer bij terugkomst uit Antwerpen bij Fort St. Philippe in de problemen gekomen. Waarschijnlijk was hij bevreesd om aansprakelijk gesteld te worden voor schade aan de aanlegplaats van het fort.

Op 3 april 1720 verschenen Jan Jacobse Visser en Dirk Janse van Kouwerkerk, de tweede en de derde man van de ventjagersschuit, voor de schepenen van Middelharnis om een verklaring af te leggen. Het relaas:
Op dinsdag 26 maart 1720 zijn ze 's-avonds om zes uur uit Antwerpen vertrokken. Om acht uur zijn ze voor het Fort de Philippe gekomen waar ze het anker lieten vallen om in te klaren. De wind begon van tijd tot tijd zo sterk op te steken dat de andere dag tegen de middag, woensdag om tien of elf uur, hun anker het niet meer hield. Met veel moeite en arbeid zijn ze op hun anker gierende even na de middag beoosten van het hoofd aan het Fort gekomen. Daarop heeft Stoffel Dirkse aan de heer commies Verdussen gevraagd of hij een touw aan het hoofd mocht brengen, om door het harde weer geen schade op te lopen aan zijn schip. Hij kreeg daar toestemming voor van de heer Verdussen en de heer Alet. Ze hebben het schip aan een buitenpaal van het hoofd vastgemaakt terwijl het anker uit bleef staan. Stoffel Dirkse heeft aan commies Alet gevraagd of hij hem alvast uit wilde klaren, zodat hij bij de eerste gelegenheid zou kunnen wegvaren "om een goed opper* te becomen". De kapitein van het Jacht** was ook op het Fort. Eerst weigerde commies Alet maar toen Stoffel Dirks aanhield stond hij het toe. De commies vroeg hem om met gepast geld te betalen. Hij zou het aan de anderen bekend maken en vroeg hoe laat de schipper wilde varen. De getuigen hebben gezien dat hun schipper aan de heer Alet het geld van het klaren heeft gegeven en dat hij afscheid van hem nam. Met deze toestemming vertrokken ze dezelfde avond om negen uur, het anker lichtende bij het fort en zijn met de ebstroom afgedreven tot in het Weerloose Rak om een opper te hebben, omdat zij zonder gevaar bij niet langer bij het hoofd konden blijven liggen. Toen ze bij het hoofd lagen hebben ze nog gezien dat het planken hoofd en het huisje dat daar op staat door het opvloeiende sterke water op die avond tussen vijf en zes uur van tijd tot tijd werd weggeslagen. Hun schuit echter, "leggende stijf op hare kabel", heeft het hoofd nooit geraakt, laat staan dat het hoofd enige schade opgelopen heeft.


 Fort St, Philippe op de rechter Schelde-oever onderaan.
Het Weerloze Rak was vermoedelijk de inham rechtsboven
onder het fort Kruisschans. 
*Opper = beschutting tegen wind en zee.
** het jacht is het wachtschip dat op de rivier patrouilleerde.

Kaart: Zeeuws Archief. Zelandia illustrata. 751-2 [Kaart van] t Meerderdeel van Staats-Vlaenderen, vervattende het Asseneder, Axeler en Hulsterambacht, alsmede het lant van Saeftingen, den Doel etc., nevens een groot deel van de rivier de Schelde met zyne forten en sterktens. Amsterdam : wed. Ottens en Zoone, [c. 1725]. Blad 2, uitsnede


Bron: Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr. 25, fl.107v, 3 april 1720

vrijdag 17 maart 2017

De sloep Doggersbank uit Middelharnis overvaren in 1908

De houten vissloep Doggersbank van rederij P.L Slis en Zoon is in 1897* als de MD2 aan de vloot van Middelharnis toegevoegd. De schipper was eerst Willem van den Hoek en vanaf 1898 Jacobus (Koos) van den Hoek. Zie over deze schippers het bericht van 21 mei 2013.



De MD 2 Doggersbank in de haven van Middelharnis.
Foto met dank aan de heer P.L. Koster (Eindhoven)

In januari 1907 moest de sloep met een gebroken giek voortijdig terugkeren van de visvangst.Tijdens de februaristorm van 1907 is de sloep negentien dagen zoek geweest (1).


Maas- en Scheldebode, 5 januari 1907

In januari 1908 liep het schip een lekkage op. Piet Blok, een bemanningslid, verhaalde in 1966 hoe het gat provisorisch werd gedicht (1).


Maas- en Scheldebode, 22 januari 1908

De sloep is op 10 februari 1908 op de Noordzee door een Engelse trawler uit Hull overvaren.Het onderstaande bericht is niet helemaal juist want vijf bemanningsleden wisten op het Engelse schip te komen, de acht anderen wisten de boot te strijken. Twee mannen zijn mee naar Hull gereisd. De elf anderen zijn door de MD 14 Paul Kruger, schipper Hendrik Langbroek, in IJmuiden aan wal gebracht. De Doggersbank verdween in de diepte voor de ogen van de bemanning.

Maas- en Scheldebode, 15 februari 1908

De sloep werd vergoed en de bemanningsleden kregen elk honderd gulden.

Bemanningsleden voor zover bekend:
Piet Blok
Jacobus van den Hoek
Hendrik Onderdelinden
Hendrik Oosterling
Kees Tamboer
Krijn Viskil
Willem Visser

Jacobus van den Hoek ging verder (eind 1909) als schipper van de volgende MD 2, Prinses Juliana.

Hendrik Oosterling monsterde in maart 1908 aan op de SS Goentoer en vertrok naar IndiĂ«. Lang is hij niet weggebleven want hij trouwde in 1909 in Middelharnis (zie bericht van 1 juli 2014). In 1913 is het gezin naar Rotterdam verhuisd.


Maas- en Scheldebode, 4 maart 1908



Hendrik Oosterling, geb. 1884
collectie Museum Vlaardingen, Fo.12224




1. Eilanden Nieuws, 25 maart 1966.Piet Blok en Gerrit Jongejan over de Middelharnisse visserij. "Wonderheden, wonderheden dat we er nog zijn".

* als bouwjaar wordt in het boek van Fons Grasveld over de MD3 Anna het jaar 1865 genoemd.




maandag 13 maart 2017

Jacob Flore van Eck (1748-1778) en Jannetje Maartens Kervel (1753-1827)

Ouders
Jacob van Eck is een zoon Floris Bastiaansz van Eck en Neeltje Gerrits Hakkelaar. Hij is gedoopt op zondag 7 januari 1748 in Middelharnis.
Jannetje Kervel is een dochter van Maarten Leendertsz Kervel (stuurman) en Lijsbeth Frans van Duuren. Zij is gedoopt op 21 februari 1753 in Middelharnis

Huwelijk en kinderen
Jacob en Jannetje trouwden op 26 december 1774, ze waren 26 en 21 jaar oud. Op 7 april 1776 is Neeltgen gedoopt, zij werd maar een jaar oud. Maarten is gedoopt op 15 juni 1777. 

De ramp met de Twee Jonge Baerssen
Op 29 december 1778 is de gaffelschuit  Twee Jonge Baerssen van stuurman Arend van de Bogaart uit Middelharnis met volledige bemanning ter hoogte van Texel vergaan. Zie bericht van 13 januari 2014. Jacob van Eck was een van de bemanningsleden. Het Weesboek van Middelharnis vermeldt dat hij
 in het laatst van den voorleden Jare 1778 met eene der visschuiten van deze plaets op de nering ter zee is agtergebleven en dus overleden (1).

Tweede huwelijk van Jannetje Kervel
Jannetje bleef alleen met Maarten achter. Maarten overleed op 1 oktober 1783, zes jaar oud. Jannetje hertrouwde op 2 november 1783 met Pieter Françoisz de Windt, waarschijnlijk een soldaat afkomstig uit Goes. Zij kregen een dochter, Jacoba Forentina, (1784-1815) die met visser Aren van Dongen (1790-1836) trouwde.* Het tweede huwelijk van Jannetje was van korte duur want Pieter de Windt overleed op 22 augustus 1785 in Namen. Jannetje voorzag na het overlijden van haar tweede man in haar onderhoud als naaister. Ze is overleden op 24 november 1827 in Sommelsdijk, 74 jaar oud.


Genealogische gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje

1. Weeskamer Middelharnis, boek 3 folio151, 10 december 1779.


* zie over Aren van Dongen het bericht van 15 maart 2013