zaterdag 12 mei 2018

Kortstondige herleving van de zeevisserij vanuit Zierikzee (1858-1863)

In de zeventiende en achttiende eeuw bedreven tientallen hoekers uit Zierikzee in de zomer de IJslandvisserij. De zeevisserij is in het laatste kwart van de achttiende eeuw  vrijwel teloorgegaan.
De onderneming "De Nieuwe Visscherij"  was een initiatief in 1817 om de zeevisserij vanuit Zierikzee nieuw leven in te blazen. Tien nieuwe schepen werden gebouwd die werkgelegenheid boden aan circa 130 vissers. Een deel van de vissers en de stuurlieden kwam uit Vlaardingen, Maassluis en Middelharnis, omdat er onvoldoende ervaren beugvissers in Zierikzee zelf te vinden waren. Zie het bericht van 16 juni 2014 over vissers uit Middelharnis die op de Zierikzeese vloot gingen werken."De Nieuwe Visscherij" werd in 1835 beëindigd, bijna het gehele startkapitaal ging verloren.

Deze ervaring weerhield enkele ingezetenen van Zierikzee er niet van om, door een toevallige aanleiding, in 1858 opnieuw met de zeevisserij te starten. 
In november 1857 strandde de Oostendse vissloep Diana, stuurman H. Loures, op de Banjaard. De bemanning kon met een boot de vuurtoren van Westenschouwen bereiken.
Op 30 maart 1858 werd de vissloep geveild. De hoogste bieder was handelaar Hendrik Albert van IJselsteijn jr., die voor 850 gulden eigenaar werd (1).

De volgende passage is afkomstig van Isaac van de Male te Zierikzee:

"No­ta­ris J.J. Er­mer­ins verkocht op 30 maart 1858 het schip met de gedeeltelij­ke inventaris. De nog aanwezige inventaris werd als volgt omschreven: de mast en trommelstok, een giek of grootzeilboom, twee gaffels, een boegspriet, twee grote riemen, twee korhouten met beslag, 31 visbakken en zes tonnen, een kombuis, een anker, een waardeloze helmstok en een lange zware kabel. Voor ƒ 850,- werd H.A. van IJsselsteijn jr., de koper. Hij trad op voor zichzelf en zeven medeparticipanten. Zo nam Van IJsselsteijn met drie-tiende part deel, de kooplieden Daniel Buijze, en Adriaan Buijze Mz., ieder met eentiende part, de heren Van der Halen en Van der Grijp in hun hoedanigheid als touwslagers, samen met eentiende part, de makelaar D.Q. Mulock Houwer, de Franse kostschoolhouder Wijnand Top, de particulier Renier Koole en de gemeentesecretaris van Noordgouwe, Johan George Bethe, ook ieder voor eentiende part. Het lag in de bedoeling dat deze partenrederij de verloren gegane stedelijke zeevisserij weer nieuw leven in zou gaan blazen. Van IJsselsteijn zou met zijn drie aandelen, als boekhouder van deze nieuwe partenrederij gaan optreden."

De Diana, een kleine sloep met een bemanning van acht koppen, werd uitgerust voor de kordevisserij (visserij met schrobnet) in de winter en de kolvisserij in de zomer (en na verloop van tijd ook voor de beugvisserij). De sloep kreeg de naam Hubert Johan naar de op 17 april 1856 geboren zoon van Van IJsselsteijn. Schipper van de Hubert Johan werd L. Verschoor en "de Vereeniging verschafte zich in Pernis een geschikte equipage." (2).

Bij de eerste binnenkomst van de sloep met 75 ton zoute vis op 23 juli 1858 werd de hoop uitgesproken dat dit het begin was een nieuwe periode waarin de visserij opnieuw een rijke bron van welvaart zou zijn. De vangst werd, na een advertentie in landelijke bladen, in Zierikzee bij publieke afslag verkocht. Op 27 september kwam de sloep terug van een tweede reis met 33 ton zoute vis.(3)



Zierikzeesche Courant, 24 juli 1858

In het Verslag over de staat der zeevisscherijen over 1859 werd opgemerkt dat, in afwijking van wat elders gebruikelijk is, alle gevangen vis in Zierikzee zelf werd afgeslagen.Men vroeg zich af of Zierikzee op den duur een geschikte markt voor zoute vis zou blijken te zijn. Zoute vis werd altijd in Vlaardingen afgeslagen en verse vis in Hellevoetsluis (4).

De resultaten van het eerste jaar stemden kennelijk tot tevredenheid. De rederij kocht in het voorjaar van 1859 een tweedehands sloep uit Middelharnis, de naam van deze sloep is niet bekend. Beide sloepen bedreven in de zomer de kolvaart, in de winter ging de kleine sloep met de korde vissen en de grote sloep met de beug. De grote sloep had een bemanning van dertien koppen en kreeg de naam Cornelis Anthonij.



Zierikzeesche Courant, 11 juli 1860

Schipper van de Cornelis Anthonij (of Anthonie) was S. Verschoor, zeer waarschijnlijk ook uit Pernis (6). Het jaar 1860 gaf slechte uitkomsten te zien, met name voor de Hubert JohanDeze kleine sloep werd in de zomer van 1861 buiten dienst gesteld en voor de winter 1861-62 niet uitgerust. In de winter van 1862 op 1863 was alleen de Cornelis Anthonij nog in de vaart, die eveneens slechte resultaten gaf. De opbrengst van de aanvoer van zoute vis (inmiddels in Vlaardingen afgeslagen) in de zomer viel eveneens tegen. De eerste reis was goed, maar de tweede reis leverde weinig op. De Zierikzeese rederij is na de zomer van 1863 ontbonden. De sloepen zijn in Vlaardingen openbaar verkocht aan rederijen uit Pernis en Vlaardingen (5).



Zierikzeesche Courant, 5 oktober 1864

Het mislukken van de proef werd voornamelijk toegeschreven aan het gemis van geschikt scheepsvolk.


1. Zierikzeesche Courant, 28 november 1857 en Zierikzeesche Courant, 31 maart 1858. Hendrik Albert van IJsselsteijn werd lid van het College van de Nederlandse Zeevisserijen. Zijn jongste zoon, ook Hendrik Albert, werd minister van Landbouw, Handel en Nijverheid, 1918-1922 (P.D. de Vos, Vroedschap van Zierikzee, 713).
2. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1859, 83 en 84
Zierikzeesche Courant, 25 september 1861, 3 september 1862 en 5 oktober 1864. In de Zierikzeesche Courant van 23 juli 1859 staat J. de Winter vermeld als schipper van de Hubert Johan. In dezelfde krant van 25 september 1861 staat het aantal bemanningsleden van beide sloepen.
3. Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad, 26 juli 1858; Middelburgsche Courant, 30 september 1858.
4. Verslag idem 1859, 84
5. Verslag idem 1863, 63-64
6. Vermelding in Algemeen Handelsblad van 17 juli 1861.

Zie ook: Isaac van der Male. 'Armenfabrieken en wereldspelers; twee eeuwen stedelijke bedrijvigheid' , in: Jeanine Dekker en Huib Uil (red.) Zierikzee 800 jaar stad (Goes 2021) 263.



woensdag 9 mei 2018

Gezinnen verhuisd uit Middelharnis naar Hellevoetsluis (1850-1860)

Middelharnis had omstreeks 1843 te kampen met een aangroeiende zandplaat, waardoor de haven alleen nog via een omweg te bereiken was. De vishandel verplaatste zich naar Hellevoetsluis, aan de overkant van het Haringvliet gelegen. De visafslag van Middelharnis, sinds 1598 een belangrijke schakel in de handel in verse vis met de Zuidelijke Nederlanden, verloor in deze jaren snel aan betekenis en werd tenslotte 1856 opgeheven (1).
In 1830 is het Voorns kanaal, 11,6 kilometer lang, tussen Hellevoetsluis en het in de jaren 1960 verdwenen dorp Nieuwesluis, gereedgekomen. Door het Voorns kanaal werd de verbinding van Rotterdam met de zee aanzienlijk verkort. Dit kanaal ontwikkelde zich tot een zeer belangrijke verbindingsschakel. De vishandel van Hellevoetsluis profiteerde van de gunstige ligging ten opzichte van het snel groeiende Rotterdam.


Kaart van het Voorns kanaal, ca. 1850
website www.geschiedenisvanzuidholland.nl

Reder J. Ruiseveld uit Pernis getuigde in 1854 dat de door de vloot van Pernis (schokkers, sloepen en bezanen) gevangen vis naar Hellevoetsluis verzonden werd en van daar met bunschepen naar Rotterdam en elders werd vervoerd. De export naar België was sinds 1843 door de hoge invoerrechten verminderd. De verminderde vraag uit België betekende dat de concurrentie wegviel en de prijs van vis daalde (2). 

De gebruikelijke gang van zaken was dat de zoute vis inde zomer altijd naar Vlaardingen werd gebracht en de verse vis naar Hellevoetsluis (7).
In 1863 werden de Belgische invoerrechten verlaagd wat een gunstig effect had op de visserij van de Maasdorpen Middelharnis, Pernis en Zwartewaal (4).
De botters en hoogaarzen uit Zierikzee werden in de winter ingezet voor de ventjagerij van Hellevoetsluis naar België (5). Arnemuidse vissers brachten ook hun vangst voor de Belgische markt in Hellevoetsluis aan, voor zover de vis niet in Middelburg en Vlissingen werd rondgevent (3). In 1869 waren Nieuwediep en Hellevoetsluis de belangrijkste visafslagen voor de vloot van Middelharnis (6).

De economische malaise in Middelharnis in de jaren circa 1843- circa 1863 door de genoemde oorzaken (verplaatsing visafslag, Belgische invoerrechten) betekende dat een aantal vissers en vishandelaren verhuisde. Zestien vissers vertrokken naar Antwerpen, meest met hun gezin. Anderen bleven in Middelharnis wonen maar werkten op de Antwerpse vloot (zie bericht van 5 juni 2014). Naast Antwerpen bood ook Hellevoetsluis betere arbeidsmogelijkheden dan Middelharnis.

In het bevolkingsregister van Middelharnis 1850-1860 staan gezinnen en personen vermeld die naar Hellevoetsluis vertrokken. Het betreft zes vissers, vier schippers, een arbeider en drie alleenstaande vrouwen zonder beroep. Verondersteld mag worden dat ze vooral door de bedrijvigheid in de vishandel en het visvervoer aangetrokken werden; Hellevoetsluis had geen eigen visserij. Hoe dan ook floreerde Hellevoetsluis meer dan Middelharnis.
De naam De Ruiter (ook wel Ruijter) komt veel voor onder de "emigranten". Twee personen, Jacob Krijger en Abraham Waterman, kwamen in december 1855 op het Haringvliet om het leven. Zie bericht van 6 mei 2018 op dit weblog.

Hieronder de namen in volgorde van vertrek:

19 november 1850, Jacob Viskil (schipper) geboren 30 november 1808. Zijn vrouw Hendrika Hotting volgde hem op 17 november 1854 (folio 714)


21 mei 1851, Abraham Waterman (visser) geboren 27 juni 1814 en Trijntje de Ruiter met 3 dochters (folio 541). Zie bericht van 6 mei 2018 op dit weblog. Een broer van Trijntje (Jillis) volgde op 31 december 1851. De ouders van Trijntje volgden op 15 oktober 1856.

31 december 1851, Jillis de Ruiter (visser), geboren 6 oktober 1827 (folio 391).


31 december 1851, Leendert de Bruin (schippersknecht), geboren 17 oktober 1806, gehuwd met Aagje de Bloeme, 3 zoons en 2 dochters (folio 327).


15 april 1852, Jacob Krijger (schipper), geboren 22 maart 1822 in Middelharnis en Adriaantje Zoon met twee dochters (folio 146). Zie bericht van 6 mei 2018 op dit weblog, 


28 januari 1853, Angenietje de Ruiter, geboren 9 april 1829, dochter van Willem de Ruiter, (visser geb. 1802) (folio 608) en Maatje Razenberg.


9 mei 1853, Gerrit de Ruiter (visser), geboren 19 december 1815 en Teuntje Breur met vijf kinderen. Teruggekomen in Middelharnis op 9 september 1858 (folio 181).


4 mei 1854, Johannes Zoon (schipper), geboren 16 november 1803 (folio 210 en 719).


15 oktober 1856, Jillis de Ruiter (visser), 2 mei 1792 en Geertje Heijnsberg met drie dochters (folio 391). Dochter Trijntje en zoon Jillis waren hen voorgegaan in 1851. Jillis stond bij het huwelijk van Trijntje met Abraham Waterman in 1841 als visverkoper geregistreerd

18 mei 1857, Grietje de Ruiter zonder beroep, geboren 26 juli 1830 volgens bevolkingsregister (moet waarschijnlijk zijn 11 januari 1829 moeder Jacomina Fabrij, zij is 1842 overleden), vader Willem de Ruiter (geb. 1797) was visser en is april 1857 overleden (folio 601).


10 juni 1857, Machiel Dubbeld (visser), geboren 25 januari 1815 en Cornelia van den Nieuwendijk, met 2 zoons en 3 dochters (folio 524).


4 maart 1858, Machiel de Ruiter, geboren 19 maart 1822 (arbeider, geboren Sommelsdijk), weduwnaar (folio 538).


?  Laurens van der Put (visser) geboren 23 juli 1816 en Maartje van Malsum met drie dochters (folio 235). Hij was in 1852 als schipper al woonachtig in Hellevoetsluis, zo blijkt uit de geboorteaangifte van zoon Simon, geboren 4 december 1852 (overleden 1 november 1856). Laurens en Maartje zijn op 8 april 1836 in Oude Tonge getrouwd. Laurens is op 9 februari 1859 in Leeuwarden (tuchthuis) overleden. Woonplaats Hellevoetsluis.

18 november 1861 Grietje de Ruiter, geboren in 1807, weduwe van Johannes Doorn, hij is overleden 17 mei 1852 (folio 617).



1. Ulbo J. Mijs, De vischafslag van Middelharnis, 1597-1856. Met de desbetreffende ordonnantiën, keuren, ampliatiën, octrooien, contracten, enz., verzameld uit het archief der gemeente (Sommelsdijk 1894) 34-39.
2. Verslag over de zeevisscherijen, uitgebragt door de commissie benoemd bij Koninklijk besluit van 9 februari 1854, no. 47 (‘s-Gravenhage 1854) 93-94.
3. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1857, 13Verslag idem over 1858, 61 en 1868, 86.
4. Verslag idem over 1863, 48.
5. Verslag idem over 1867, 58 en 1868, 86.
6. Verslag idem over 1869, 48.
7. Verslag idem over 1859, 84.

zondag 6 mei 2018

Ongeval met een boot uit Hellevoetsluis in december 1855, vier personen omgekomen

Op 20 december 1855 liep het schip Ocean Home uit New Orleans op weg naar Rotterdam vast. De lading bestond uit balen katoen.


Rotterdamsche Courant, 22 december 1855

Enkele dagen later stond in de krant dat men 120 balen katoen over boord gezet had


Rotterdamsche Courant , 25 december 1855

Op 27 december is het schip losgekomen.


Rotterdamsche courant, 28 december 1855


Abraham Waterman, Jacob Krijger, Cornelis de Wijs, Jan Lucas en een vijfde persoon vertrokken op 27 december 1855 uit de haven van Hellevoetsluis om op het Haringvliet balen katoen te vissen. De mannen wilden met het opvissen van de balen iets voor hun gezin verdienen. De boot sloeg om en de vier genoemde mannen vonden op 28 december hun graf in de golven. De vijfde werd gered door een schipper uit Middelharnis die met W. wordt aangeduid. Door dit ongeval werden vier vrouwen weduwe en verloren tien kinderen hun vader. Een van de weduwen was zwanger ten tijde van het ongeval. Twee van de omgekomen mannen, Abraham Waterman en Jacob Krijger, waren in Middelharnis geboren. 



Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30 december 1855


Op 11 januari 1856 ontvingen burgemeester en wethouders van Middelharnis een verzoekschrift gedateerd 8 januari namens de vier weduwen om huis aan huis een collecte te mogen houden voor het onderhoud van de gezinnen (1). Of er toestemming gegeven is om te collecteren en hoe hoog de opbrengst was is niet bekend.

Omgekomen zijn:


Abraham Waterman (1814-1855), zoon van Cornelis Waterman (visser) en Lena van Oostvoorn, geboren 27 juni 1814 in Middelharnis. Op 4 april 1841 in Middelharnis getrouwd met Trijntje de Ruijter, allebei 26 jaar oud. Op 21 mei 1851 zijn ze met drie dochters naar Hellevoetsluis verhuisd. 
Abraham was 41 jaar oud op de datum van het ongeval.Zijn lichaam is op het strand van Goudswaard gevonden. Zijn overlijden is in Hellevoetsluis geregistreerd op 5 mei 1856.
Abraham Waterman was visser ten tijde van zijn huwelijk en van zijn verhuizing naar Hellevoetsluis. De vader van Trijntje,Jillis de Ruijter, was visverkoper. Haar moeder heette Geertje Heinberg.

Jacob Krijger (1822-1855), geboren 22 maart 1822 in Middelharnis, zoon van Jan Krijger (winkelier) en Helena Elisabeth de Wilde. Hij is op 27 februari 1847 in Middelharnis getrouwd met Adriaantje Zoon. Jacob was schippersknecht. Ze waren 24 en 22 jaar oud. Adriaantje was een dochter van Johannes Zoon en Adriana Born. Johannes Zoon was schipper. 
Op 15 april 1852 zijn Jacob en Adriaantje met hun twee dochters naar Hellevoetsluis verhuisd. Beroep van Jacob: schipper. Jacob was 33 jaar oud op de datum van het ongeval. Een dag later, op 29 december 1855, is zoon Jacob Krijger geboren.
5 februari 1860 is Joost Krijger geboren, die op 28 februari 1860 erkend is als zoon van Adriaantje Zoon en Cornelis Kardux. Cornelis Kardux was afkomstig uit Geervliet. Cornelis en Adriaantje trouwden op 18 april 1860, 39 en 35 jaar oud.

Cornelis de Wijs (1826-1855),  geboren 23 november 1826 in Stad aan 't Haringvlietzoon van Simon de Wijs en Lena van Berge. Op 19 maart 1851 in Zwartewaal gehuwd met Maartje 't Hart uit Pernis, ze waren 24 en 23 jaar oud. Cornelis was in 1851 visser, evenals zijn vader. Beiden woonden in Zwartewaal. De vader van Maartje was visser in Pernis.
Hij was 29 jaar ten tijde van het ongeval. Hij is op 12 april 1856 teruggevonden op het strand bij Goudswaard. Zijn overlijden is op 15 mei 1856 aangegeven in Hellevoetsluis onder de naam Cornelis de Nijs, varensgezel. Maartje is op 23 maart 1859 in Rotterdam hertrouwd met Arnoldus de Bij.

Jan Lucas (1828 -1855), geboren op 1 februari 1828 in Hooge en Lage Zwaluwe, zoon van Jan Lucas en Johanna den Engelsen. Vader en zoon Lucas waren in 1852 zalmvisser van beroep. Jan trouwde op 31 december 1852 in Geervliet met Neeltje Touw, ze waren 24 en 22 jaar. Neeltje Touw is op 15 april 1858 in Geervliet hertrouwd met Cornelis de Wilde.






1. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr 1857. Verzoekschrift van de weduwen van wie de mannen van een Hellevoetsluis afkomstige boot overboord zijn geslagen en verdronken, om te Middelharnis een collecte te houden, 1856.        

donderdag 3 mei 2018

De ondergang van de vissloep Zeemanshoop uit Hellevoetsluis (1882)

Rond 1845 verplaatste de vishandel zich van Middelharnis naar Hellevoetsluis. De visafslag van Hellevoetsluis bloeide gedurende enkele decennia. In 1883 was er weinig meer van over. De zeevissers brachten hun vangst zelf rechtstreeks naar Engeland en België (1).
Hellevoetsluis was ook een vissersplaats: in 1879 waren er drie sloepen met dertien bemanningsleden voor de zeevisserij op onder andere kabeljauw en schelvis en 64 kleine vissersboten met twee, drie of vier bemanningsleden voor de garnalenvisserij. Dit waren waarschijnlijk garnalenvissers uit Ouddorp, Pernis en Tholen die in Hellevoetsluis havenden(10).
De zeevisserij is in 1876 begonnen. Er werd een rederij opgericht voor de zeevisserij door de heren Van der Hoeven, Van den Ban en Klop onder de naam "Maatschappij ter oefening der zeevisscherij De Onderneming" (8). Zij liet in 1876 een sloep met de naam Eersteling bouwen door de werf van J. Korver in Vlaardingen (5)(6). Schipper werd J. van der Hoeven (7). In 1877 volgde een tweede sloep (2) die de naam Willem Schoon droeg en gevoerd werd door schipper P. van der Hoeven (8). In de Brielsche Courant van 10 mei 1877 werd opgeroepen om geld bijeen te brengen om nog een sloep te laten bouwen (6). In dit artikel wordt ingegaan op de treurige staat van Hellevoetsluis, veroorzaakt door de aanleg in 1872 van de Nieuwe Waterweg (die het Voorns kanaal als vaarroute naar Rotterdam overbodig maakte) en door de veroudering en dreigende sluiting van de Marinewerf (reparatiewerf, uiteindelijk pas in 1933 opgeheven). Deze werf was de grootste werkgever van Hellevoetsluis.

De beugvisserij is een vak apart. De sloepen van Hellevoetsluis haalden hun bemanning uit plaatsen waar de vissers ervaring hadden met de beugvisserij: Zwartewaal, Pernis, Middelharnis.
De derde Hellevoetse sloep droeg de naam Zeemanshoop, niet te verwarren met de Middelharnisse sloep met dezelfde naam. Deze sloep was afkomstig uit Zwartewaal en is op 30 mei 1879 op publieke veiling afgeslagen voor 2.289 gulden. De koper was P. van der Hoeven uit Hellevoetsluis (9).




Algemeen Handelsblad 15 december 1880

Schipper was in 1880 A. 't Hart, waarschijnlijk uit Pernis afkomstig.
De Zeemanshoop havende sinds november 1881 in Middelharnis en had op dat moment een volledig uit Middelharnis afkomstige bemanning (3).

Op 5 januari 1882 is de Zeemanshoop overzeild door de vissloep Willem de Zwijger uit Middelharnis en gezonken. De gehele bemanning werd gered en in Nieuwediep aangebracht.



Algemeen Handelsblad 7 januari 1882

Meer bijzonderheden vermeldde het Nieuws van de dag. Het ongeval vond plaats aan de zeekant van de Noorderhaaks op 14 vadem. Schipper van de Zeemanshoop was de 35 -jarige Cornelis Vogelaar (1846-1902), zoon van Cornelis Vogelaar en Rachel van Eck (zie bericht van 3 maart 2013).



Nieuws van de dag, 7 januari 1882

In een tweede berichtje in Nieuws van de dag wordt de toedracht nog nader beschreven. Schipper van de Willem de Zwijger was Jan van den Hoek. Hij bracht de schipbreukelingen behouden aan wal.


Nieuws van de dag, 7 januari 1882

Vliegend blaadje; nieuws- en advertentiebode
voor Den Helder, 6 januari 1882

De plaatselijke krant van Den Helder voegde er nog aan toe dat "de oorzaak moet zijn dat de sloep "Zeemanshoop" niet wilde wenden."


Enkele dagen later spoelde het wrakhout aan, alsmede stearinekaarsen en "een arm van een beeld."


Algemeen Handelsblad, 9 januari 1882

Van de drie sloepen van Hellevoetsluis waren er nu nog twee over, waarvan er een verkocht werd. In 1883 had Hellevoetsluis nog één sloep (4).



1. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1883, 98.
2. Verslag idem, 1876, 1877, 1879.
3. Verslag idem, 1882, 81.
4. Verslag idem, 1883
5. Nieuwe Brielsche Courant, 9 april 1876.
6. Nieuwe Brielsche Courant, 10 mei 1877. Ingezonden brief van "Iemand die veel belang stelt in Hellevoetsluis". Zonder nieuwe initiatieven als de zeevisserij zal Hellevoetsluis verloren gaan. "en na korten tijd zal het gelijk staan met het armste gehucht op de Drentsche heide". 
7. Nieuwe Brielsche Courant, 16 maart 1879.
8. Nieuwe Brielsche Courant, 22 april 1880.
9. Nieuwe Brielsche Courant, 1 juni 1879
10. Vermelding op 27 april 1899, Nieuwe Brielsche Courant.

dinsdag 24 april 2018

Quade seijlen deel 1. De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kaperstijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697)

In het aprilnummer 2018 van De Ouwe Waerelt is het eerste deel van een artikel over het wel en wee van de vissersvloot van Middelharnis rond 1700 verschenen. 
Dit deel gaat over de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en begint met de oversteek van stadhouder Willem III naar Engeland, het begin van de Glorious Revolution

Op de Middelharnisse dichteres Tannetje Blok (1660-1690) maakte de oversteek van het invasieleger vanuit Hellevoetsluis grote indruk. Zij schreef “Een Nieuw Lied, gemaakt over het gaan van onze Hollandsche Vloot na Engeland”, met daarin de passage:

 “Zegent den Edelen Vorst Nassou 
Met al de Officiers getrou, En de Soldaten, 
Die ’t onzer baten, 
Wagen haar Lyf en Leven nou.”


Vloot van Willem III te Hellevoetsluis, 28 oktober 1688.
Ets door Daniël Marot. Collectie Rijksmuseum


Totdat de oorlog zich in 1688 aandiende ontwikkelden de visserij en de vishandel van Middelharnis zich voorspoedig. Dit blijkt uit de uitbreiding van de haven met meer ligplaatsen, de aanleg van een nieuwe scheepswerf en een nieuw reglement op de visafslag vanwege de groeiende nering.

De visserij van het dorp werd vanaf 1691 negatief beïnvloed door de oorlogsomstandigheden. In 1692 nam de activiteit van de Franse kapers, vooral van de Duinkerkers, toe. De vissers van Middelharnis werden in dat jaar volop met de kapers geconfronteerd. 

Als voorbeeld: Op 4 mei 1692 achtervolgden zes kapers de visschuiten de Oliphant, stuurman Floris Dircxs van Eck, en de Doornekroon, stuurman Michiel van Kakum. Enkele maanden later was het Pieter Gerritsz Kas met de Orangienboom. Om aan de vijand te kunnen ontsnappen moesten de schuiten snel het Goereese Gat in varen. Ze hadden geen tijd om hun viswant binnen te halen en zagen zich genoodzaakt het viswant in zee te laten staan.
Dergelijke incidenten met schade aan viswant deden zich van 1692-1694 veertien keer voor. Vanaf 1695 kon de visserij zich wat herstellen. In mei 1697 werd de visschuit de Pampiere Mole gekaapt. De stuurman was Jan Arensz Koninck. Er is losgeld aan de Duinkerkers betaald om de schuit vrij te kopen.  Desondanks nam de vijand allerlei goederen mee van het schip.

De visserij van Middelharnis ging niet ten gronde door deze oorlog, maar de voorspoedige ontwikkeling van voor de oorlog stagneerde.
In het septembernummer van De Ouwe Waerelt verschijnt het tweede deel van dit artikel, dan komt de Spaanse Successieoorlog aan de orde.


Marlies Jongejan, Quade seijlen (deel 1) De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog  In: De Ouwe Waerelt, 18(2018)52, 22-29
De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 8,95.

Link naar de volledige tekst van het artikel: 

Quade Seijlen deel 1.


maandag 19 februari 2018

In gantsch Holland wordt geen zo vischrijke plaats gevonden (over Middelharnis in 1789)

Jan A. Backer deed op zijn reis door Nederland ook Middelharnis aan. In deel 2 van zijn reisverslag vertelde hij over zijn bezoek aan Overflakkee.


Verders trekken deeze plaatsjes geen gering voordeel van de Visscherij, en wel voornamelijk Middelharnas, althans men zegt  dat in gantsch Holland geen zo vischrijke plaats wordt gevonden [...] Om deeze tyd des jaars, wanneer 'er doorgaans veel Tarbot gevangen wordt, zendt men die naar Engeland









Bron:
Backer, Jan A. De jonge reiziger door Nederland, deel 2, 1789, p. 159

vrijdag 26 januari 2018

Pieter Koudijzer (1853-1887) en Willemtje Hanenberg (1853-1923)

Ouders
Pieter Koudijzer is geboren op 8 februari 1853 in Middelharnis, zoon van Leendert Koudijzer (1814-1875) en Adriaantje Overbeek (1828-1906).
Willemtje Hanenberg is geboren in Sommelsdijk op 25 januari 1853, dochter van Willem Hanenberg (1824-1852) en Pleuntje Vroegindeweij (1828-1902).

Huwelijk en kinderen
Pieter en Willemtje trouwden op 1 mei 1876 in Sommelsdijk.
Drie kinderen werden in Middelharnis geboren: Dirkje (1877-1903), Willem (1878-1918) en Leendert (1880-1954).
Op 13 oktober 1882 vertrokken Pieter en Willemtje met hun gezin naar Pernis. In Pernis werden nog drie kinderen geboren Marinus Abraham (1884-?) en de tweeling Trijntje en Adriaantje, geboren op 22 juni 1886. De drie zoons van Pieter en Willemtje werden visser.

Pieter Koudijzer omgekomen
Op 29 maart 1887 deden Jacob Versteeg (59) en Herman Groenendijk (36), beiden vissers uit Pernis, in Den Helder aangifte van het overlijden van Pieter Koudijzer, oud 34 jaar.
Hij is op 22 maart 1887 ongeveer vijf mijlen benoorden Texel overboord geslagen en verdronken. Het ongeval vond plaats op de HD 30 Pollux (mededeling Jan van Welie).

Nabestaanden
Willemtje bleef met zes jonge kinderen achter.
Ze overleed in Pernis op 15 juni 1923, 70 jaar oud.

Willem Koudijzer (1878-1918) omgekomen

Op 17 juli 1918 vertrok de zeillogger MA 144 Nil Desperandum (Wanhoopt Niet), rederij P. Doelman, vanuit IJmuiden ter beugvisserij op de Noordzee in de vrije vaargeul tussen 53 graden en 56 graden noorderbreedte. De bemanning bestond uit dertien koppen onder schipper A. Noordzij. In de ochtend van 20 juli om vijf uur was het schip nog gezien door schipper W.H. de Bruin van de zeillogger MA 51 Johanna ter hoogte van het lichtschip Doggersbank-Zuid, waarna de MA 144 in de mist verdween. Sindsdien werd van de Nil Desperandum niets meer vernomen. De Raad voor de Scheepvaart concludeerde in zijn uitspraak van 17 september 1918 dat de Nil Desperandum op of na 20 juli 1918 op de Noordzee is vergaan, waar bij alle dertien opvarenden het leven hadden verloren, onder wie de in Pernis woonachtige Willem Koudijzer. Hij was net 40 jaar en ongehuwd.

Gegevens van Pieter Koster, Haarlem.