zaterdag 30 januari 2016

Middelharnasch streeft in florissantie menig een stad voorbij (1798)


Tussen 1791 en 1801 verscheen de reeks 'De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver'. 
In het zesde deel uit 1798 staat Middelharnis beschreven. De auteur van dit deel is Rs. Bakker.




Zijn beschrijving van de visserij in de jaren 1796-1797 is hier weergegeven.



BEZIGHEDEN
Kan men zeggen de visscherye verschaft hier aan de bewooners een byna ongeloovelyke drokte en bezigheden. Dit zal men kunnen zien wanneer men naagaat dat 's jaarlyks van hier 30 gaffel schepen afvaaren, het geen wanneer de vischvangst voordeelig is, een aanmerkelyke som voor het land opbrengt, gelyk blykt uit de aantekening der lysten van het hier gestabileerde visch - comptoir.
Zynde op het zelve van den eersten November 1796 tot den 16 April 1797, 36.000 levendige cabeljaauwen en 445.660 levendige schelvisschen door de eigen van hier vaarende vissers aangegeven , behalven de geene die door vreemde visschers zyn aangebragt. Zynde dit nog een getal van 20.076 levendige cabbeljaauwen en 172.665 levendige schelvisschen aangegeeven.
Zynde dus in 167 dagen alhier aan het visch-comptoir, 56.076 levendige cabbeljaauwen, en 618.325 levendige schelvisschen aan gegeven.
Wanneer men nu maar eens steld dat de cabbeljaauwen door elkander gerekend op den afslag voor 10 stuivers het stuk zyn verkogt, en de schelvisschen voor eenen stuiver, dan kan men rekenen, dat dit voor den 20ste penning en voor het recht van den afslag in minder dan een half jaar, een somma van 2947 Guldens, 14 stuivers, heeft opgebracht. 
De alhier aangebrachte visch werd meest door ventjagers naar Braband vervoerd. Dan daar de Hollandsche ventjagers veel zwaarder als de Brabandsche ventjagers (voor al in deeze tyden) werden belast,  varen er thans zo veel ventjaagers niet meer als voorheen op Braband.
Deeze bovengenoemde gaffel schepen vaaren des zomers alle op de tarboths vangst, welke visch in vredens tyde meest alle naar Engeland werd gebragt: het geen even eens met de garnaale, en andere kleine Visch,  als ook de hier geteeld werdende aardäppelen plaats heeft. 
De aard appele schippers leggen zich veel al des zomers op de spiering vangst toe, welke visch ingezouten zynde weder tot aas om tarboth mede te vangen op de gaffel schepen gebruikt werd.
De algemene conclusie van Bakker over de bedrijvigheid in Middelharnis is opmerkelijk. Het is een welvarend dorp met stedelijke kenmerken. Een gevarieerde economie, waar zelfs een wijnkoperij en een grutterij niet ontbreken:
Ook werd hier op het dorp eene geoctroyeerde wynkopery, en gruttery gevonden, het geen men wel op een dorp als iets zeldzaam mag optekenen. Verders brengt hier den teeld van graanen, meekrap en aardappelen de inwoonders groot voordeel aan, en vermenigvuldigd de bezigheden considerabel. Ook werd hier den veehandel sterk voortgezet, en wyders alle handwerken en ambachten geëxcerceerd, terwyl andere lieden zich met het doen van winkels het bestaan verschaffen, zo dat men wel met recht mag zeggen, dat Middelharnasch in verscheide vakken voor al in zyne bezigheden in florissantie menig een stad voorby streeft.




Rs. Bakker. De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver [...]. Deel VI. (Het Land van Voorne en Putten, Overflaque, Portugal, etc.)., Amsterdam 1798, scan 570-571
via Google books

Geen opmerkingen:

Een reactie posten