donderdag 15 december 2016

De bemanning van de gaffelschuit de Luijpaart, vergaan op 1 januari 1740

In de nacht van 31 december 1739 op 1 januari 1740 is de gaffelvisschuit de Luijpaart uit Middelharnis gezonken. Vijf opvarenden kwamen om. De andere zes opvarenden zijn gered: stuurman Willem Dirks Roij en de matrozen Aren Witvliet, Hendrik van Dalen, Hendrik Schoonejongen, Jan Teeuwitsz Elzevier en Jan Jacobsz Rijke.
De oorzaak van de ramp was een aanvaring met een gaffelschuit uit Zwartewaal. Deze gaffelschuit heeft in de nacht vijf matrozen overgenomen en is de volgende morgen teruggekeerd om de overige opvarenden te redden. Alleen de stuurman bleek nog in leven. Matroos Dirk Frater en de vier achtergebleven jongens werden niet meer gevonden.
De geredden zijn door de Zwartewaler schuit 
François (stuurman IJsbrand Pietersz van der Meer) afgezet op Texel en gingen over land naar Middelharnis, waar zij op 6 januari 1740 een verklaring aflegden voor het College van Schout en Schepenen.
Alleen de naam van de omgekomen matroos is bekend:

Dirk Willemsz Frater (1700-1740)

Van de vier jongens in de leeftijd tussen tien en zestien jaar zijn de namen niet bekend.



De Luijpaart is op de rivier van Hull aan komen drijven. Op 5 maart 1740 machtigde Jacob Bane, boekhouder van de schuit en koopman in Sommelsdijk, de heer Johan Turlij minor, koopman in Rotterdam. om de schuit te reclameren. In de akte  staan vier specifieke kenmerken van de schuit genoemd, brandvlekken, een ingezet stukje hout en een deel van de oranje doek van de Prinsenvlag dat hersteld was. (Notarieel Archief Middelharnis, inv. nr. 5809, akte 79)


Gegevens afkomstig van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje

Bronnen:
Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. 40, akte 1, 29 en 36



De bemanning van de Zwartewaalse schuit legde drie weken later, op 29 januari 1740, een verklaring af.
Hierin wordt niet gerept over een aanvaring. De schuit die in moeilijkheden kwam (De Luipaart dus) zou geen lichten op gehad hebben.

050 Archief ambacht Zwartewaal, inv. nr. 450, schade aan vissersschepen 1704-1757, verklaring van 29 januari 1740. De verklaring is onder ede bevestigd op 29 september 1741.

dinsdag 13 december 2016

Stormvloeden in Middelharnis in 1477, 1682 en 1808

De Comas-en-Damianusvloed
Op zaterdag 27 september 1477 zijn grote delen van Vlaanderen, Zeeland en Holland getroffen door een ernstige stormvloed, veroorzaakt door een zware noordwesterstorm. Veel Engelse schepen die met laken op weg waren naar Antwerpen zijn vergaan, het laken spoelde aan op de kust. Ook Bretonse schepen met zout en graan vergingen. De stad Edam verloor 27 schepen op de Noordzee. De schade door overstromingen was aanzienlijk in Vlaanderen en op de Zeeuwse eilanden. Ook Voorne en Putten zijn getroffen (1).

Van Middelharnis is het volgende bekend:

1477. Op den 27 september van dit jaar hebben de polders onder Middelharnis veel geleden door een zware overstrooming (2).
Dit gebeurde kort na de stichting van het dorp in 1466.

De ramp van 1682

Het winterseizoen verliep zeer onstuimig. Op 8 december 1681 woedde al een zware noordwesterstorm. In de weken erna waren er telkens zware stormen en er viel veel regen. Op 24 januari was het volle maan en tijdens de storm van 26 januari was het springtij. De storm hield 36 uur aan, de wind draaide van zuidwest naar noordwest. De stormvloed vond overdag plaats waardoor er minder slachtoffers waren. Vlaanderen ten noorden van de lijn Brugge-Antwerpen en de zuidwestelijke delta overstroomden. In Ooltgensplaat vielen 22 slachtoffers.
Dankzij tijdgenoot Hendrik van Dam woonachtig in Middelharnis beschikken we over een gedetailleerde beschrijving (3).







In Middelharnis was grote materiële schade. Een bron vermeldt dat de twee bakenstokers van het weggespoelde vuurbaken zijn verdronken (4). De dichteres Tannetje Blok (zie bericht van 6 mei 2015) wijdde een gedicht aan de ramp:

Al op den zes en twintigsten dag
Van januari twee- en tagtig

Als men met groote droefheid sag:

De groote kragt van God Almagtig;

Wanneer hij door sijn slaende hand/

Gink straffen ons Flacqueesche land (5)



De stormvloed van 1808
Het zuidwesten van Nederland werd opnieuw zwaar getroffen in 1808.  In de nacht van 14 op 15 januari liepen talloze polders onder. Uit Middelharnis werd enige schade gemeld.
Van Dirksland tot aan de haven van Middelharnas liepen de zeedijken vrij algemeen over. Op de laatste plaats leden zij, die aan de haven woonden,  door den slag van het water, eenige schade aan hunne woningen, en goederen (6).


Literatuur:
1. J. Buisman. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen, onder red. van A.F.V. van Engelen. dl.4. 1450-1575. Franeker, 1998. p. 150. 
2. B. Boers. 'Beschrijving Van Het Eiland Goedereede En Overflakkee' . Sommelsdijk, J. Jongejan, 1843. p. 290. Bron: Van Alkemade.
3. B. Boers, p.292-293, gebaseerd op Hendrick van Dam. Korte beschrijvinge van alle de plaatsen en polders die ingebroken zijn door de schrickelijcke watervloedt [...].  Rotterdam, 1682, p.46-47.
4. Buisman. Dl.5. 1675-1750. p.93
5. Tannetje Blok. Een nieuw-liedboekje, genaamt het dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. Terneuzen, J.G.A. Thompson, 1854. naar de laatste uitgave herdrukt. p. 54.
6. S. van Hoek. Natuur en geschiedkundige beschrijving van den verschrikkelijken watervloed [...], 2e stuk, Haarlem, 1808. p. 256 en 288

Zie ook:
Adrie de Kraker. Zes eeuwen stormvloeden en overstromingen in de zuidwestelijke delta. Aard en omvang van de schade en het herstel. In: Zeeland, 25(2016)4, 139-153

maandag 5 december 2016

De moeizame redding van een kofschip door twee gaffelschuiten uit Middelharnis in 1815

Een kofschip in nood
Op 14 januari 1815 waren de gaffelschuiten Paulina Helena en Willem Hendrik aan het vissen op een afstand van twaalf uur varen van de wal, op een diepte van circa twintig vadem. 's-Middags om vier uur kwam de kapitein van een kofschip bij de Willem Hendrik aan boord om te vragen of de stuurman (Aren Jansz de Waard) hem wilde redden want zijn roer was aan stukken en het schip was lek. Op de vraag wat dit moest kosten heeft De Waard geantwoord "wij willen geen geld vragen, maar maken accoort op Goemans zeggen* van Rotterdam".
De kapitein vroeg twee man om hem aan boord te assisteren. De matrozen Aren Isacqzoon de Waard (van de Willem Hendrik) en Arij Duprée (van de Paulina Helena) stapten over op het kofschip. De gaffelschuiten zeilden naar het kofschip toe en gaven elk een nieuwe kabel over om het schip mee vast te maken. De schuiten maakten zeil en sleepten het kofschip weg.
met den avond een stijve koelte met een dikke lugt en een weinig sneeuw, dog niet buiten zorg zijnde om het gezegden schip en volk te redden, te meer daar er voor handen was een lange en donkere nacht, en men vreesde voor harde wind. Edog hetwelk te boven werd gekomen door kloeken moed en door kragt van zeijlen en er de kabeltouwen aan te wagen, die echter veel gevaar liepen van te breeken, welk gevaar te grooter werd door den sneeuw en wind.

Op 15 januari zagen ze 's-morgens om twee uur een vuurbaken op het land, ze peilden de diepte en door hun bekendheid met de situatie wisten ze dat dit het Goeree-vuur was. Om vier uur staken ze over stag op vier vadem tegen het Westhoofd aan. De Goeree oost zuid oost, de wind oost en een stijve koelte. Ze moesten binnen zijn voor het dag werd in verband met afgaand tij. Om zes uur zagen ze de Kaap (bij Ouddorp) voor zich. Het lukte niet om de schuiten over stag te draaien. Doordat het schip verkeerd draaide en het kabeltouw slipte raakte het schip het strand, maar het liep geen schade op. De gaffelschuiten gingen voor anker om het nieuwe tij af te wachten.
Om acht uur 's-morgens heeft de kapitein van het kofschip zijn vlag gehesen. De gaffelschuiten konden door de harde stroom geen bijstand verlenen en dat was ook niet nodig want het kofschip liep totaal geen gevaar.
Tussen negen en tien uur zagen ze de manschappen van een sloep van Goeree aan boord van de kof komen en ze hebben deze mannen bezig gezien met een anker. Om twaalf uur zijn ze met de gaffelschuiten naar de kof gezeild, hebben touwen vastgemaakt en om drie uur hebben ze -zonder hulp van anderen- het kofschip van het strand gekregen. Ze hebben de ankers van de kof laten vallen op vier of vijf vadem.


Kofschip, naar P. Le Comte. Afbeeldingen van vaartuigen
 in verschillende beweging. Amsterdam, 1831.

IJsgang en dode kabeljauwen
Op 16 januari om vier uur 's-morgens hebben ze de ankers gelicht en weer touwen aan de kof aangebracht. Ze laveerden zo naar binnen en zijn om acht uur bij de haven van Goedereede voor anker gegaan, waar ze om negen uur in het ijs vast raakten. De rivier was overdekt met ijs. De kof begon te drijven en moest zijn tweede anker laten vallen. Er ontstond schade aan de kabels en aan de levende vis aan boord van de gaffelschuiten.
hebbende den stuurman Simon Stapel honderd zestien grotendeels levende kabeljaauwen aan boord en den stuurman Arens Jansz de Waard omtrent honderd stuks, dus ten zaemen omtrent twee honderd zestien kabeljaauwen, waervan er maar vijf en tachtig stuks levendig zijn kunnen afgeleverd worden, geldende de kabeljaauw alstoen ruim zeven gulden per stuk.
Naar de haven van Hellevoet
Om twee uur in de middag met een windje uit het westen de ankers gelicht en de touwen aan de kof vastgemaakt. Om drie uur kwamen ze allen weer vast te zitten in het ijs. Om zeven uur in de avond bij zuidwesten wind weer het anker gelicht en gelaveerd naar de Zuijdwal.
dan niet kunnende Hellevoet aandoen, als leggende de haven vol schepen. En de lugt donker en dik van sneeuw, zij om negen uur het anker hebben laten vallen en vier en vijf vademen water onder de Zuijdwal, daer zij dien nagt geen ijs vernaemen.
Op 17 januari, de vierde dag van de reddingsoperatie, hebben ze om zeven uur in de ochtend de ankers gelicht en de kof met touwen vastgemaakt. Om negen uur zijn ze in Hellevoet binnengekomen.

Verklaring van Arij Duprée en Aren Isacqzoon de Waard
De beide matrozen die zich op het kofschip bevonden hebben gezien dat de kapitein van het kofschip zelf de 'bendels' ** van het kabeltouw losmaakte, waardoor de kabels slipten en het schip tegen het strand sloeg. Ook hebben ze gezien dat de manschappen van de sloep die van Goeree kwam met de kapitein hebben onderhandeld om voor achthonderd gulden het schip binnen te halen en dat de Goereeërs daartoe vruchteloos aan het werk zijn geweest.

De nasleep, juridische strijd om het loodsgeld.
De kapitein van het kofschip was een maand later nog niet tot betaling voor de loodsdiensten van de vissers overgegaan. De beide stuurlieden namen een advocaat in de arm, Mr. P.C. Brands uit Dordrecht. Op 18 februari 1815 was hij in Middelharnis. De verklaringen van de stuurlieden en de bemanning ten overstaan van notaris Lambertus Kolff werden op die dag opgetekend.

De bemanning
De verklaring van de twee stuurlieden is op het kantoor van de notaris vastgelegd. Om de verklaring van de bemanningsleden op te tekenen, voor zover ze van 'competenten ouderdom' waren, week men uit naar de herberg van Hendrik Schoonejongen. 

Hier verschenen van de Paulina Helena:
Simon Stapel, Aren van der Velde, Wouter Verhage, Jacob Bakker, Arij Duprée, Arij Jongejan, Cornelis Tibout, Simon Corneliszoon Stapel, Jan Willemszoon de Bloeme, Gerrit Onderdelinde en Jasper Buurveld (elf personen).

En van de Willem Hendrik:
Aren Janszoon de Waard, Willem Missel, Cornelis van Heest, Cornelis Waterman, Aren Isacqzoon de Waard, Jacob van Gelderen, Gerrit Lugthart, Leendert de Waard, Teunis Roodzand en Marinus Breeman (tien personen).

Het stuk is ondertekend met negentien handtekeningen. Cornelis Waterman en Jacob van Gelderen verklaarden niet te kunnen schrijven.

© Marlies Jongejan, maart 2024

Bron: Notarieel archief Middelharnis. Inventarisnummer 5820, volgnummer 11 en 12, 18 februari 1815

* goeman : eerlijk man, eerzaam, achtenswaardig en betrouwbaar. Tegenwoordig zouden we het een gentleman's agreement noemen.

** bendsel of bendel: dun touw, om de scheepstouwen gewonden, ter versterking en om doorslippen te voorkomen. Dialectwoord, beugvisserij Middelharnis.

woensdag 30 november 2016

Twintig stuurlieden uit Middelharnis uit 1682 en 21 uit 1708

In 1681 was er vanwege de niet nader aangeduide "veranderinghe van tijden" en de "aengroei van de neringh" behoefte aan het vernieuwen van de keur van de visafslag van Middelharnis. 
Baljuw, schout, leenmannen en schepenen van Sint Michiel in Putten, anders genaamd Middelharnisse, stelden de nieuwe voorwaarden op. De Staten van Holland en West-Friesland hebben het stuk op verzoek van de bestuurders van Middelharnis geratificeerd. De bedoeling was om aan alle voorkomende onduidelijkheden (duijsternissen) tussen de vissers, de afslager en de ventjagers een eind te maken (1).

Twintig stuurlieden van visschuiten* hebben zich op 29 december 1682 aan dit nieuwe reglement geconfirmeerd. Zes stuurlieden tekenden met hun naam, veertien personen tekenden met hun stuurmansmerk. Zie over stuurmansmerken ook het bericht van 18 maart 2015.

De namen in alfabetische volgorde:


Bloeme, Aren Cornelisz
Bloeme, Bastiaen Cornelisz de
Bone, Aren Jacobsz (7)
Buijtenmichiel, Sijbrant Stevensse
Chijsje, Aren Bastiaense (8)
Chijsje, Bastiaen Arensse (8)
Coninck, Jacob Cornelisse (9)
Coninck, Geeret Cornelisse (9)
Hoobus, Abram Willemse (1)
Houwer, Pieter Hendrickse (6)
Kakum, Cornelis Michielsz van (10)
Kakom, Dirk Magielse van (10)
Kakum, Willem Michielsz van (10)
Kas, Pieter Gerritse (11)
Marcij, Cornelis (4)
Poulesse, Laurijs (5)
Ruijter, Cornelis Jansz (13)
Schoonejongen, Theunis Pietersz (2)
Seuij, Dirck Joosse (12)
Smith, Cornelis Willemsz (3)


* het stuk spreekt van kleine en grote schuiten, inclusief de schol- , platvis- en palingvangers.

In 1708 is een lijst (2) opgemaakt van stuurlieden die lantarengeld moesten betalen om de haven beter te verlichten. De lijst bestaat uit 21 namen. U kunt doorklikken op sommige namen voor meer bijzonderheden.

Brij, Pieter Bastiaensz
Cijsje, Aren Bastiaensz
Cijsje, Bastiaen Arensz
Eck, Flooris Dircksz van
Eck, Dirck Floorisz van
Heest, Aren Maartensz van
Kakum, Michiel Cornelisz van
Kakum, Stevens Willemsz van*
Kalis, Willem (den Ouden)
Koninck, Abel Arensz
Koninck, Cornelis Jacobsz
Koninck, Jan Arensz 

Koninck, Michiel Jacobsz
Mercy, Gleijn Cornelisz
Pas, Hendrik Arensz
Pijl, Willem
Roovaert, Leendert Michielsz van de
Ruijter, Jan Leendertsz
Schoonejongen, Jan
Valck, Jacob Stoffelsz van der
Waterman, Barend Jansz ** 


1. Bron: U.J. Mijs. De vischafslag van Middelharnis. Middelharnis, 1897.
Bijlage E, pagina 160,

2. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 4,  1 oktober 1708

 over zijn zoons Bastiaan en Willem en zijn dochter Cornelia zie berichten van 31 januari 2015 en 1 februari 2015
** over zijn zoon Barend Barendsz Waterman zie bericht van 31 januari 2015

Bijzonderheden stuurlieden 1682:

1. Abraham Willemsz Hobius en Willemintje Cornelis Bransen, gehuwd 16 mei 1677 in Middelharnis

2. Teunis Pietersz Schoonejongen en Maatje Jans uit S'dijk, gehuwd 3 februari 1675 in Middelharnis

3. Cornelis Willemsz Smit en Cornelia Arens, weduwe van Hizkias Esdras, gehuwd 8 januari 1675 in Middelharnis. Cornelis is voor 30 april 1691 overleden (RAM 22).

4. Cornelis Pietersz Marsij en Annetje Jans Kans, getrouwd 12 april 1675 Middelharnis. Cornelis is overleden voor 15 januari 1688 (RAM 34) want op die datum verkocht zijn weduwe Annetie Jans Kanse de waterschuit genaamd de Koe. Als voogd trad op Thomas Herweijer. Op 26 oktober 1687 legde hij  nog ten overstaan van schout en schepenen een verklaring af inzake het vuurbaken (RAM 22).

5. Lauris Pauwelz wonende alhier en Wijfje Jaspers wonende tot Zierikzee ondertrouwd 29 juni 1673 in Middelharnis. Attestatie gegeven 4 augustus 1673. Op 24 november 1675 zijn Pauwels en Jasper gedoopt, op 11 oktober 1682 Ariaantje, op 17 januari 1685 is Aaltje gedoopt en op 26 januari 1687 Pauwels. 
Lauris Poulus, 34 jaar, compareerde op 26 juli 1684 (RAM 33). Lauris is voor 11 april 1689 overleden (RAM 22). Op die datum verkocht zijn weduwe de visschuit Loo zeuge.

6. Pieter Hendriksz Houwer, gedoopt 20 februari 1633 in Middelharnis trouwde op 2 juni 1658 met Annetje Leenderts. Kinderen: Hendrik (1659), Hendrik (1660), Dingene (?), nn (1671), Joost (1674) (bron: Koene Genealogie).  Dingene trouwde Hendrik Jacobsz Vink, ze kregen tussen 1685 en 1702 acht kinderen. Pieter Hendriksz Houwer is voor 5 januari 1688 overleden. Op die datum verkocht zijn weduwe zijn schuit genaamd de Winthont (RAM 34).

7. Aren Bone was in 1691 nog in leven

8. Beide stuurlieden Chijsje komen op de lijst van 1708 voor.

9. Beide stuurlieden Coninck waren in 1691 nog in leven. Jacob Cornelisz Coninck is gedoopt 24 augustus 1636.

10. Cornelis Michielsz van Kakum is gedoopt 17 april 1634. Dirk Michielsz van Kakum was in 1695 nog in leven,  hij is ca. 1638 geboren. Willem Michielsz van Kakum is ca. 1640 (?) geboren.

11. Pieter Gerritsz Kas was in 1692 nog in leven. Kleinzoon ?

12. Dirk Joosse Seuij was in 1691 nog in leven

13. Compareerde april 1691 (RAM 22).

donderdag 10 november 2016

Jan Joosten van Heest (1710-1767) en Aaltje Jans Pinxternagel (1716-1780)

Huwelijk en kinderen
Jan van Heest is op 14 september 1710 gedoopt te Werkendam. Hij trouwde op 7 november 1738 met Aaltje Aaltje Jans Pinxternakel. De familie Pinxternakel was een geslacht van ventjagers.
Zij kregen tussen 1741 en 1756 zeven kinderen, van wie er vier jong overleden zijn. 
Lena is in 1741 geboren, Maria is gedoopt op 13 april 1749 en Neeltje is gedoopt op 14 augustus 1756.

Jan van Heest in het zicht van de haven verdronken, 1767
Jan van Heest is 
in het overvaaren op de rivier het Noorddiep voor de have alhier sijnde verongelukt (1),

Op 4 september 1767 verschenen Aaltje en haar schoonzoon Huijbert Jansz Koster (1730-1804), de man van Lena, voor de Weesmeesteren van Middelharnis. De drie dochters kregen als vaderlijk erfdeel ieder 25 gulden. Aaltje is niet hertrouwd.

Gegevens van P.L. Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje



1. Weeskamer Middelharnis, inv. nr. 2, 4 september 1767

Isaac Pietersz Langstraten (1747-1779) en Maartje Jans Romeijn (1747-1817)

Isaac Pietersz Langstraten is in Middelharnis gedoopt op 23 april 1747
Maartje Jans Romeijn is in 1747 in IJsselmonde geboren.

Huwelijk en kinderen
Isaac en Maartje trouwden op 18 december 1768  in Middelharnis. Zij kregen vijf kinderen.

Isaac Langstraten verongelukt in 1779
Over Isaac staat vermeld:
“(…) in de maand Junij 1779 op de neering ter zee van een der visschuiten was overboord gevallen en alzoo verongelukt (…)”, 
Hij was 32 jaar.

Weduwe hertrouwd
Van de vijf kinderen van Isaac en Maartje was er in 1780 nog slechts één in leven. 
Op 5 november 1780 is Maartje hertrouwd met weduwnaar Cornelis Arijsz Oudijn (1747-1810). Ze kregen drie kinderen. Maartje overleed in 1817



Gegevens van P.L. Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje




1. Weeskamer Middelharnis, inv. nr. 2, 13 oktober 1780

Cornelis Machielsz Dubbeld (1709 -1761) , Ariaantje Pieters Kieviet (1710-1751) en Grietje Jacobs Rijcke (1708-1790)

Ouders
Cornelis (Crelis) Machielsz Dubbeld (of Dubbelman) is een zoon van Michiel Cornelis Dubbelman en Hendrina Jans Vijfhuizen (?). Hij is gedoopt op 9 januari 1709 in Middelharnis
Ariaantje Kievit is een dochter van Pieter Cornelisz Kievit en Lena Leenderts Lodder. Zij is gedoopt op 6 april 1710 in Oude-Tonge.
Grietje Rijcke is een dochter van Jacob Jansz Rijke (Rijcke, Rijkens) en Cornelia Dirkse de Rooij. Zij is gedoopt op 17 juni 1708 in Middelharnis.


Huwelijk en kinderen
Cornelis en Ariaantje trouwden op 22 april 1731 in Middelharnis. Ze kregen zeven kinderen
- De oudste zoon Machiel is gedoopt op 6 februari 1732 in Middelharnis. Hij werd net als zijn vader ventjager. Machiel is overleden, 44 jaar oud in 1775.
-Pieter is gedoopt op 18 april 1734. Hij werd eveneens ventjager en is overleden in 1804.
-Hendrina is gedoopt op 8 januari 1738. Ze in 1818 overleden. 
-Jan is gedoopt op 16 april 1741.
-Lena is gedoopt op 11 april 1745 
-Cornelia is gedoopt op 6 juni 1748 
- Ariaantje is gedoopt 16 mei 1751
Ariaantje Kieviet overleed in het kraambed, zie is op 12 mei 1751 begraven. Ze was 41 jaar oud.
Cornelis trouwde op 30 juli 1751 met Grietje Jacobs Rijcke, weduwe van Maarten Pietersz Abeele en eerder van Cornelis Jansze Visser. Zij bracht uit deze huwelijken twee kinderen mee.

Ventjager, omgekomen in september 1761
Cornelis was van beroep ventjager en stuurman van de ventjagersbezaanbunschuit Kleijn Zeeland in 1749 en later van de Jonge Jan. Cornelis is
In den maand september deses jaars 1761 in Zee overboort geslaegen en verongelukt (1).
Waarschijnlijk is hij bij het overladen van vis uit een gaffelschuit in zijn ventjagersschuit verongelukt. Hij was 52 jaar oud.
De kinderen waren alle zeven nog in leven.



Gegevens van P.L. Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje


1. Weeskamer Middelharnis, inv. nr. 2, 4 december 1761