Posts tonen met het label loodsdiensten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label loodsdiensten. Alle posts tonen

zondag 12 februari 2017

Jan Claasz Soetermeer (1669-1714) en Susanna Jacobs Pauw (na 1673-1730)

Ouders
Jan Claasz Soetermeer (ook wel Soetemelk) is een zoon van Klaas Laurisz Soetermeer (ca.1630-1685) en Dingena Jacobs de Loose (ca.1638-voor 1675). Hij is gedoopt op 24 januari 1669 in Middelharnis. 

Susanna Jacobs Pauw, ten hoogste 21 jaar oud. Susanna is geboren na 1673, dochter van Jacob Dingemans Pauw en Trijntje Cornelisdr. 


Huwelijk en kinderen
Jan en Susanna trouwden op vrijdag 1 januari 1694 in Middelharnis. Jan was 24 jaar oud en Susanna 20 jaar of jonger. Ze kregen zeven kinderen. Op 3 oktober 1694 is Trijntje gedoopt, op 3 december 1699 Jacob, op 11 december 1701 Dingena, op 16 maart 1704 Francijntje, op 31 oktober 1706 
Jannetje op 10 september 1711 Jacob en op 5 november 1713 Adriana (Ariaantje) 

Huwelijk van de kinderen
Francijntje trouwde op achttienjarige leeftijd, op 7 maart 1723, in Middelharnis met Klaas Jansz Rijke, 23 jaar oud.
Jannetje trouwde 26 augustus 1732, 25 jaar oud met Pieter Jacobs Ruijls (Ruijlst). Ze is voor 1746 overleden want Pieter Ruijlst is in 1746 hertrouwd.
Adriana was twintig toen ze op 13 april 1734 in Sommelsdijk met Leendert Jansz van der Velden, 23 jaar oud, trouwde.


Een koopvaardijschip binnengeloodst in 1706
Visser Jan Claasz Soetermeer staat vermeld in een akte uit 1706 over het binnenloodsen en slepen van het koopvaardijschip de Liefde. Zie bericht van 31 januari 2017. 
Op 30 januari 1712 getuigde hij over een aanvaring die in de haven van Middelharnis had plaatsgevonden. In deze akte staat hij als stuurman vermeld (1).


Genealogische gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje


1. Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr. 24, 30 januari 1712.

dinsdag 31 januari 2017

Het schip de Liefde varende van Friesland, binnengesleept in de haven van Middelharnis 16 oktober 1706

Op 16 oktober 1706 verscheen een stuurman uit Friesland voor Jan Casteleijn en Jan van Cacum, schepenen van Sint Michiel in Putte dat men noemt Middelharnas. Hij legde een verklaring af met de volgende strekking:
Wijngaart Jansz van Worcum, stuurman op het schip de Liefde, varende van Friesland legt zijn verklaring af ten behoeve van Sicke Dous van 't zelfde schip. Op 28 september 1706 is de Liefde met een konvooi* uit Texel gezeild op weg naar Londen. Ze vertrokken met een oostelijke wind. De andere dag draaide wind naar noord met een sterke koelte en een dichte lucht. Dit weer hield aan, zodat het schip "marszeijl ende topzeijl" van het konvooi afgeraakt is. Die nacht waaide het zo hard dat wij ons ''schier van het water niet en konden verbergen". 's-Morgens omtrent twee uur verloren wij ons roer en "dreeven doen op godts genaade". De wind was west noordwest, we dreven naar de Vlaamse banken. We gebruikten alle middelen die tot ons behoud bij konden dragen. We namen het anker van de roef om het schip voor de wind om te krijgen, hetgeen door godes hulp gelukte. Doch de volgende nacht begon het weer zo hard te waaien dat we onze zeilen moesten innemen. De dag daarop begon het wat te bedaren. We stuurden met ons ankertouw achteruit zodat we het schip voor de wind om kregen en zetten koers naar de Maas of Goeree. Drijvend bij Goeree namen we een loods aan boord, Jan Claasz Soetermeer**, visser uit Middeharnas, die ons op 6 oktober 1706 uit de zee roerloos in de haven aldaar heeft binnengesleept.



Bron:
Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr. 24, 16 oktober 1706



* De Liefde was vermoedelijk een koopvaardijschip. Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) was de Republiek samen met Engeland en Duitsland in oorlog met Frankrijk en Spanje. Het was gevaarlijk op zee vanwege de vele Duinkerker kapers. Vandaar dat schepen zoals de Liefde in konvooi voeren, beschermd door marineschepen.
** Jan Claasz Soetermeer, gedoopt 24 januari 1669 in Middelharnis. Zie bericht van 12 februari 2017.


Zie bericht van 13 april 2015 voor meer voorbeelden van loods- en sleepdiensten

donderdag 12 januari 2017

De Surinamevaarder St. Jan binnengesleept door een schuit uit Middelharnis (1686)

De schuit van Michiel Stevens
Michiel Stevens was in 1686 stuurman van een visschuit uit Middelharnis. Op 27, 28 en 29 november van dat jaar had hij niets verdiend met vissen omdat hij met zijn schuit een schip in nood had gesleept en binnengeloodst. Hij liet de afslager van de visafslag, Marinus van der Daff, een verklaring afleggen dat zijn 'confraters' (de andere stuurlieden) op deze dagen fl. 90 tot fl. 150 besomd hadden. Deze inkomstenderving wilde hij verhalen op de schipper van de 'Surinaems-vaerder', genaamd St. Jan.

Vastgelopen op de Goeree

Op 30 november 1686 meldde de Oprechte Haarlemsche Courant dat schipper Wouter Jansz Soldaet en nog een Hamburgs schip met schipper Jan Reus in Rotterdam gearriveerd zijn. Soldaet rapporteerde dat hij een groot schip op de Goeree heeft zien vastzitten. Dit moet de St. Jan geweest zijn.
Michiel Stevens verklaarde, ten overstaan van de schepenen van Middelharnis dat hij de Surinamevaarder vanaf zeven tot acht vadem diepte uit zee tot op de rede van Hellevoetsluis heeft moeten 'inlootsen ofte inslepen'.

Machtiging voor juridische stappen

Een tweede verklaring over deze zaak in het rechterlijk archief van Middelharnis gaat over het machtigen van Jan Jacobs, 'naschrijver van de verse visch' in Rotterdam, om namens Michiel Stevens op te treden. Stevens eiste voor het slepen en inloodsen van de Surinamevaarder een vergoeding voor de inkomstenderving van drie dagen en voor het verlies van touwen. Jan Jacobs werd gevraagd om met de schipper van de St. Jan tot een akkoord te komen ' in 't minne, oft andersints met middelen van regte'.
Hoe de kwestie afgelopen is, staat niet vermeld.

Scheepvaart op Suriname
De Sociëteit van Suriname was juridisch eigenaar van de kolonie Suriname die sinds 1667 Nederlands bezit.was. De Sociëteit werd in 1683 opgericht door de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en de familie Van Aerssen van Sommelsdijck, die ieder voor een derde eigenaar waren. De Sociëteit hield zich bezig met het beheer van plantages.
De schepen die de suiker van deze plantages vervoerden, bedreven de zogeheten driehoekshandel: slaven van Guinee in Afrika naar Suriname vervoeren en suiker terug naar Nederland.
Het schip de St. Jan was een Surinamevaarder op terugreis, geladen met suiker, met als bestemming Rotterdam. De schipper was Abraham Schepmoes (2).

Den Dubbelen Arent een Westindië Vaerder, De Paerel een Oostindië Vaerder.
Uit: t Nieuw Schipboek (2e helft 17e eeuw).


© Marlies Jongejan, februari 2024

1. Rechterlijk archief Middelharnis, inv. nr. 33, akten van 26 december 1686 en 28 december 1686
2. Bron: Nationaal Archief, toegang 1.05.03, inv.nr. 212, o.a. folio 404, Sociëteit van Suriname, overgekomen brieven en papieren.




maandag 5 december 2016

De moeizame redding van een kofschip door twee gaffelschuiten uit Middelharnis in 1815

Een kofschip in nood
Op 14 januari 1815 waren de gaffelschuiten Paulina Helena en Willem Hendrik aan het vissen op een afstand van twaalf uur varen van de wal, op een diepte van circa twintig vadem. 's-Middags om vier uur kwam de kapitein van een kofschip bij de Willem Hendrik aan boord om te vragen of de stuurman (Aren Jansz de Waard) hem wilde redden want zijn roer was aan stukken en het schip was lek. Op de vraag wat dit moest kosten heeft De Waard geantwoord "wij willen geen geld vragen, maar maken accoort op Goemans zeggen* van Rotterdam".
De kapitein vroeg twee man om hem aan boord te assisteren. De matrozen Aren Isacqzoon de Waard (van de Willem Hendrik) en Arij Duprée (van de Paulina Helena) stapten over op het kofschip. De gaffelschuiten zeilden naar het kofschip toe en gaven elk een nieuwe kabel over om het schip mee vast te maken. De schuiten maakten zeil en sleepten het kofschip weg.
met den avond een stijve koelte met een dikke lugt en een weinig sneeuw, dog niet buiten zorg zijnde om het gezegden schip en volk te redden, te meer daar er voor handen was een lange en donkere nacht, en men vreesde voor harde wind. Edog hetwelk te boven werd gekomen door kloeken moed en door kragt van zeijlen en er de kabeltouwen aan te wagen, die echter veel gevaar liepen van te breeken, welk gevaar te grooter werd door den sneeuw en wind.

Op 15 januari zagen ze 's-morgens om twee uur een vuurbaken op het land, ze peilden de diepte en door hun bekendheid met de situatie wisten ze dat dit het Goeree-vuur was. Om vier uur staken ze over stag op vier vadem tegen het Westhoofd aan. De Goeree oost zuid oost, de wind oost en een stijve koelte. Ze moesten binnen zijn voor het dag werd in verband met afgaand tij. Om zes uur zagen ze de Kaap (bij Ouddorp) voor zich. Het lukte niet om de schuiten over stag te draaien. Doordat het schip verkeerd draaide en het kabeltouw slipte raakte het schip het strand, maar het liep geen schade op. De gaffelschuiten gingen voor anker om het nieuwe tij af te wachten.
Om acht uur 's-morgens heeft de kapitein van het kofschip zijn vlag gehesen. De gaffelschuiten konden door de harde stroom geen bijstand verlenen en dat was ook niet nodig want het kofschip liep totaal geen gevaar.
Tussen negen en tien uur zagen ze de manschappen van een sloep van Goeree aan boord van de kof komen en ze hebben deze mannen bezig gezien met een anker. Om twaalf uur zijn ze met de gaffelschuiten naar de kof gezeild, hebben touwen vastgemaakt en om drie uur hebben ze -zonder hulp van anderen- het kofschip van het strand gekregen. Ze hebben de ankers van de kof laten vallen op vier of vijf vadem.


Kofschip, naar P. Le Comte. Afbeeldingen van vaartuigen
 in verschillende beweging. Amsterdam, 1831.

IJsgang en dode kabeljauwen
Op 16 januari om vier uur 's-morgens hebben ze de ankers gelicht en weer touwen aan de kof aangebracht. Ze laveerden zo naar binnen en zijn om acht uur bij de haven van Goedereede voor anker gegaan, waar ze om negen uur in het ijs vast raakten. De rivier was overdekt met ijs. De kof begon te drijven en moest zijn tweede anker laten vallen. Er ontstond schade aan de kabels en aan de levende vis aan boord van de gaffelschuiten.
hebbende den stuurman Simon Stapel honderd zestien grotendeels levende kabeljaauwen aan boord en den stuurman Arens Jansz de Waard omtrent honderd stuks, dus ten zaemen omtrent twee honderd zestien kabeljaauwen, waervan er maar vijf en tachtig stuks levendig zijn kunnen afgeleverd worden, geldende de kabeljaauw alstoen ruim zeven gulden per stuk.
Naar de haven van Hellevoet
Om twee uur in de middag met een windje uit het westen de ankers gelicht en de touwen aan de kof vastgemaakt. Om drie uur kwamen ze allen weer vast te zitten in het ijs. Om zeven uur in de avond bij zuidwesten wind weer het anker gelicht en gelaveerd naar de Zuijdwal.
dan niet kunnende Hellevoet aandoen, als leggende de haven vol schepen. En de lugt donker en dik van sneeuw, zij om negen uur het anker hebben laten vallen en vier en vijf vademen water onder de Zuijdwal, daer zij dien nagt geen ijs vernaemen.
Op 17 januari, de vierde dag van de reddingsoperatie, hebben ze om zeven uur in de ochtend de ankers gelicht en de kof met touwen vastgemaakt. Om negen uur zijn ze in Hellevoet binnengekomen.

Verklaring van Arij Duprée en Aren Isacqzoon de Waard
De beide matrozen die zich op het kofschip bevonden hebben gezien dat de kapitein van het kofschip zelf de 'bendels' ** van het kabeltouw losmaakte, waardoor de kabels slipten en het schip tegen het strand sloeg. Ook hebben ze gezien dat de manschappen van de sloep die van Goeree kwam met de kapitein hebben onderhandeld om voor achthonderd gulden het schip binnen te halen en dat de Goereeërs daartoe vruchteloos aan het werk zijn geweest.

De nasleep, juridische strijd om het loodsgeld.
De kapitein van het kofschip was een maand later nog niet tot betaling voor de loodsdiensten van de vissers overgegaan. De beide stuurlieden namen een advocaat in de arm, Mr. P.C. Brands uit Dordrecht. Op 18 februari 1815 was hij in Middelharnis. De verklaringen van de stuurlieden en de bemanning ten overstaan van notaris Lambertus Kolff werden op die dag opgetekend.

De bemanning
De verklaring van de twee stuurlieden is op het kantoor van de notaris vastgelegd. Om de verklaring van de bemanningsleden op te tekenen, voor zover ze van 'competenten ouderdom' waren, week men uit naar de herberg van Hendrik Schoonejongen. 

Hier verschenen van de Paulina Helena:
Simon Stapel, Aren van der Velde, Wouter Verhage, Jacob Bakker, Arij Duprée, Arij Jongejan, Cornelis Tibout, Simon Corneliszoon Stapel, Jan Willemszoon de Bloeme, Gerrit Onderdelinde en Jasper Buurveld (elf personen).

En van de Willem Hendrik:
Aren Janszoon de Waard, Willem Missel, Cornelis van Heest, Cornelis Waterman, Aren Isacqzoon de Waard, Jacob van Gelderen, Gerrit Lugthart, Leendert de Waard, Teunis Roodzand en Marinus Breeman (tien personen).

Het stuk is ondertekend met negentien handtekeningen. Cornelis Waterman en Jacob van Gelderen verklaarden niet te kunnen schrijven.

© Marlies Jongejan, maart 2024

Bron: Notarieel archief Middelharnis. Inventarisnummer 5820, volgnummer 11 en 12, 18 februari 1815

* goeman : eerlijk man, eerzaam, achtenswaardig en betrouwbaar. Tegenwoordig zouden we het een gentleman's agreement noemen.

** bendsel of bendel: dun touw, om de scheepstouwen gewonden, ter versterking en om doorslippen te voorkomen. Dialectwoord, beugvisserij Middelharnis.

maandag 13 april 2015

Vissers uit Middelharnis als loods in het Goereese Gat in 1677, met voorbeelden uit later tijd

In de tijd dat er nog geen gespecialiseerde loodsdiensten waren fungeerden beurtschippers en vissers meestal als loods. Ze moesten hiervoor toestemming hebben van de Staten van Holland.

De vissers van Middelharnis waren natuurlijk zeer goed bekend met de gevaarlijke stromingen en zandbanken in het Haringvliet en het Goereese Gat. 
In 1677 zijn twee vissers aangesteld als loods.
De stad Dordrecht heeft op 24 januari 1675 geklaagd over de loodsdiensten die niet naar behoren functioneerden. Het is niet duidelijk wat er precies aan de hand was maar de klacht ging over:

'vexatien (kwellingen, overlast) en excessen van de lootsen' 
Op 26 maart 1676 verzocht Dordrecht : 
'dat de Visschers van Middelharnas moogen werden geauthoriseert om het Goereesche Gat uyt en in te moogen lootsen'
 Hierop volgde een besluit van 23 september 1677 om:
'Twee loodsen uit de visschers van Middelharnas te stellen voor het belootsen van de Maze en het Goereesche Gat'
En tevens
'Examineren wat ordre te stellen omtrent de lootsen op de Maaze' (1).



De loodsactiviteiten leverden een welkome bijverdienste op voor de vissers. Ook uit Maassluis en Ter Heijde is bekend dat vissers bijverdienden door als loods te fungeren (2).

Loodsdienst in 1686
Zie het bericht van 12 januari 2017 over het binnenloodsen en slepen van een Surinamevaarder door een schuit uit Middelharnis.

Loodsdienst in 1706
Zie het bericht van 31 januari 2017 over het binnenloodsen en slepen van het Friese schip de Liefde.

Een loodsdienst in 1807
Zie voor een later voorbeeld uit Middelharnis de attestatie  van stuurman Abram Bree en zes matrozen. Voor een loodsdienst op 15 april 1807 vanaf de hoogte van Den Briel naar Texel werd een prijs van 30 guineas overeengekomen. Guineas waren gouden munten uit Engeland, iets meer waard dan de pond (pond was 6 gulden). Indien zich een Texelse loods zou aandienen dan zou de klus aan hem overgelaten worden.(3)

Een loodsdienst in 1822
Verklaring van Jan Eduard Gallas Eduardsz. te Hellevoetsluis namens kapitein Hendrik Jans Lening voerende het smakschip De Jonge Elisabeth, beladen met stokvis, traan en mos komende van Noorwegen met bestemming Dordrecht. Omdat er in dichte mist geen loodsboot voer hebben zij voor f 100 een visser uit Middelharnis ingehuurd. Deze heeft ze de haven van Hellevoetsluis in gebracht, waar ze vanwege vorst en mist moeten blijven liggen.
(Streekarchief Voorne Putten, toegang 110, inventarisnummer 1283, 23 december 1822, akte 228) 


Een loodsdienst in 1825
Het was slecht weer begin januari 1825, slecht zicht en zeer harde wind. Maarten Schaap probeerde met zijn koopvaardijschip al vanaf 24 december de Goeree op te varen. (4)
De 7de januari was het goed weer, de wind ZW met verstopte lucht. Ik had sedert drie dagen geen land gezien. Wij zeilden naar land tot tien à elf vadem diepte maar konden geen land zien, maar wij zagen een visserssloep van Middelharnis die bij ons kwam. Ik vroeg hem hoever de duinen van Schouwen van ons waren. Hij zegde mij het niet te weten en hij kwam nog wel van land. Daarop zegde hij: "Wilde U een man van mij die U binnen brengt ?" Ik zegde hem:"U handelt niet als zeeman, U wilt mij binnenbrengen en U zegt niet te weten waar wij zijn." "Ja", zegde hij, ''vanavond zal ik U binnenbrengen." Nu zegde ik:"Wat moet U hebben als U mij binnenbrengt ?". "F.300", zegde hij. Ik accordeerde voor f 90 en nam een man over.



1. Bron: Generaale Index op de registers der resolutien van de heeren Staten van Holland en West-Friesland, vol 9. p. 2,133,162,666 via Google books

2. Annette de Wit. Leven, werken en geloven in zeevarende gemeenschappen; Schiedam, Maassluis en Ter Heijde in de zeventiende eeuw. Amsterdam, 2008, 132

3. Rechterlijk archief Middelharnis, inv, nr. 45 12 mei 1807.


4. J.R. Bruijn en E.S. van Eyck van Heslinga, met medewerking van E.M. Jacobs. Maarten Schaap, een Katwijker ter koopvaardij (1782-1870); een biografie en een dagboek. . Amsterdam, 1988. p.103

Op 17 oktober 1661 is een nieuwe ordonnantie die de pilotage op de Maas en het Goereese Gat regelde van kracht geworden. Resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland. uitgave 1706, pagina 566-573.
Die dag werd tevens een akkoord gesloten tussen Brielle, Delft, Rotterdam en Schiedam naar een ontwerp van de voormelde Staten van 23 juli 1661. Dit om een einde te maken aan de conflicten over de loodsdiensten.
Het toezicht op de pilotage werd in handen gelegd van de Gedeputeerde van de Grote Visserij, of derzelver commissarissen. Deze regeling bleef van kracht tot 1795. In dat jaar kwam de pilotage onder het comité tot zaken van de Marine te vallen.
Bron: A.A.Mietes. Inventaris van de archieven van de Colleges van de Grote Visserij, 1578-1857 (1859).
Nationaal Archief, 1984. inventarisnummer 3.11.03