Posts tonen met het label 17e eeuw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 17e eeuw. Alle posts tonen

donderdag 12 januari 2017

De Surinamevaarder St. Jan binnengesleept door een schuit uit Middelharnis (1686)

De schuit van Michiel Stevens
Michiel Stevens was in 1686 stuurman van een visschuit uit Middelharnis. Op 27, 28 en 29 november van dat jaar had hij niets verdiend met vissen omdat hij met zijn schuit een schip in nood had gesleept en binnengeloodst. Hij liet de afslager van de visafslag, Marinus van der Daff, een verklaring afleggen dat zijn 'confraters' (de andere stuurlieden) op deze dagen fl. 90 tot fl. 150 besomd hadden. Deze inkomstenderving wilde hij verhalen op de schipper van de 'Surinaems-vaerder', genaamd St. Jan.

Vastgelopen op de Goeree

Op 30 november 1686 meldde de Oprechte Haarlemsche Courant dat schipper Wouter Jansz Soldaet en nog een Hamburgs schip met schipper Jan Reus in Rotterdam gearriveerd zijn. Soldaet rapporteerde dat hij een groot schip op de Goeree heeft zien vastzitten. Dit moet de St. Jan geweest zijn.
Michiel Stevens verklaarde, ten overstaan van de schepenen van Middelharnis dat hij de Surinamevaarder vanaf zeven tot acht vadem diepte uit zee tot op de rede van Hellevoetsluis heeft moeten 'inlootsen ofte inslepen'.

Machtiging voor juridische stappen

Een tweede verklaring over deze zaak in het rechterlijk archief van Middelharnis gaat over het machtigen van Jan Jacobs, 'naschrijver van de verse visch' in Rotterdam, om namens Michiel Stevens op te treden. Stevens eiste voor het slepen en inloodsen van de Surinamevaarder een vergoeding voor de inkomstenderving van drie dagen en voor het verlies van touwen. Jan Jacobs werd gevraagd om met de schipper van de St. Jan tot een akkoord te komen ' in 't minne, oft andersints met middelen van regte'.
Hoe de kwestie afgelopen is, staat niet vermeld.

Scheepvaart op Suriname
De Sociëteit van Suriname was juridisch eigenaar van de kolonie Suriname die sinds 1667 Nederlands bezit.was. De Sociëteit werd in 1683 opgericht door de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en de familie Van Aerssen van Sommelsdijck, die ieder voor een derde eigenaar waren. De Sociëteit hield zich bezig met het beheer van plantages.
De schepen die de suiker van deze plantages vervoerden, bedreven de zogeheten driehoekshandel: slaven van Guinee in Afrika naar Suriname vervoeren en suiker terug naar Nederland.
Het schip de St. Jan was een Surinamevaarder op terugreis, geladen met suiker, met als bestemming Rotterdam. De schipper was Abraham Schepmoes (2).

Den Dubbelen Arent een Westindië Vaerder, De Paerel een Oostindië Vaerder.
Uit: t Nieuw Schipboek (2e helft 17e eeuw).


© Marlies Jongejan, februari 2024

1. Rechterlijk archief Middelharnis, inv. nr. 33, akten van 26 december 1686 en 28 december 1686
2. Bron: Nationaal Archief, toegang 1.05.03, inv.nr. 212, o.a. folio 404, Sociëteit van Suriname, overgekomen brieven en papieren.




dinsdag 13 december 2016

Stormvloeden in Middelharnis in 1477, 1682 en 1808

De Comas-en-Damianusvloed
Op zaterdag 27 september 1477 zijn grote delen van Vlaanderen, Zeeland en Holland getroffen door een ernstige stormvloed, veroorzaakt door een zware noordwesterstorm. Veel Engelse schepen die met laken op weg waren naar Antwerpen zijn vergaan, het laken spoelde aan op de kust. Ook Bretonse schepen met zout en graan vergingen. De stad Edam verloor 27 schepen op de Noordzee. De schade door overstromingen was aanzienlijk in Vlaanderen en op de Zeeuwse eilanden. Ook Voorne en Putten zijn getroffen (1).

Van Middelharnis is het volgende bekend:

1477. Op den 27 september van dit jaar hebben de polders onder Middelharnis veel geleden door een zware overstrooming (2).
Dit gebeurde kort na de stichting van het dorp in 1466.

De ramp van 1682

Het winterseizoen verliep zeer onstuimig. Op 8 december 1681 woedde al een zware noordwesterstorm. In de weken erna waren er telkens zware stormen en er viel veel regen. Op 24 januari was het volle maan en tijdens de storm van 26 januari was het springtij. De storm hield 36 uur aan, de wind draaide van zuidwest naar noordwest. De stormvloed vond overdag plaats waardoor er minder slachtoffers waren. Vlaanderen ten noorden van de lijn Brugge-Antwerpen en de zuidwestelijke delta overstroomden. In Ooltgensplaat vielen 22 slachtoffers.
Dankzij tijdgenoot Hendrik van Dam woonachtig in Middelharnis beschikken we over een gedetailleerde beschrijving (3).







In Middelharnis was grote materiële schade. Een bron vermeldt dat de twee bakenstokers van het weggespoelde vuurbaken zijn verdronken (4). De dichteres Tannetje Blok (zie bericht van 6 mei 2015) wijdde een gedicht aan de ramp:

Al op den zes en twintigsten dag
Van januari twee- en tagtig

Als men met groote droefheid sag:

De groote kragt van God Almagtig;

Wanneer hij door sijn slaende hand/

Gink straffen ons Flacqueesche land (5)



De stormvloed van 1808
Het zuidwesten van Nederland werd opnieuw zwaar getroffen in 1808.  In de nacht van 14 op 15 januari liepen talloze polders onder. Uit Middelharnis werd enige schade gemeld.
Van Dirksland tot aan de haven van Middelharnas liepen de zeedijken vrij algemeen over. Op de laatste plaats leden zij, die aan de haven woonden,  door den slag van het water, eenige schade aan hunne woningen, en goederen (6).


Literatuur:
1. J. Buisman. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen, onder red. van A.F.V. van Engelen. dl.4. 1450-1575. Franeker, 1998. p. 150. 
2. B. Boers. 'Beschrijving Van Het Eiland Goedereede En Overflakkee' . Sommelsdijk, J. Jongejan, 1843. p. 290. Bron: Van Alkemade.
3. B. Boers, p.292-293, gebaseerd op Hendrick van Dam. Korte beschrijvinge van alle de plaatsen en polders die ingebroken zijn door de schrickelijcke watervloedt [...].  Rotterdam, 1682, p.46-47.
4. Buisman. Dl.5. 1675-1750. p.93
5. Tannetje Blok. Een nieuw-liedboekje, genaamt het dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. Terneuzen, J.G.A. Thompson, 1854. naar de laatste uitgave herdrukt. p. 54.
6. S. van Hoek. Natuur en geschiedkundige beschrijving van den verschrikkelijken watervloed [...], 2e stuk, Haarlem, 1808. p. 256 en 288

Zie ook:
Adrie de Kraker. Zes eeuwen stormvloeden en overstromingen in de zuidwestelijke delta. Aard en omvang van de schade en het herstel. In: Zeeland, 25(2016)4, 139-153

woensdag 30 november 2016

Twintig stuurlieden uit Middelharnis uit 1682 en 21 uit 1708

In 1681 was er vanwege de niet nader aangeduide "veranderinghe van tijden" en de "aengroei van de neringh" behoefte aan het vernieuwen van de keur van de visafslag van Middelharnis. 
Baljuw, schout, leenmannen en schepenen van Sint Michiel in Putten, anders genaamd Middelharnisse, stelden de nieuwe voorwaarden op. De Staten van Holland en West-Friesland hebben het stuk op verzoek van de bestuurders van Middelharnis geratificeerd. De bedoeling was om aan alle voorkomende onduidelijkheden (duijsternissen) tussen de vissers, de afslager en de ventjagers een eind te maken (1).

Twintig stuurlieden van visschuiten* hebben zich op 29 december 1682 aan dit nieuwe reglement geconfirmeerd. Zes stuurlieden tekenden met hun naam, veertien personen tekenden met hun stuurmansmerk. Zie over stuurmansmerken ook het bericht van 18 maart 2015.

De namen in alfabetische volgorde:


Bloeme, Aren Cornelisz
Bloeme, Bastiaen Cornelisz de
Bone, Aren Jacobsz (7)
Buijtenmichiel, Sijbrant Stevensse
Chijsje, Aren Bastiaense (8)
Chijsje, Bastiaen Arensse (8)
Coninck, Jacob Cornelisse (9)
Coninck, Geeret Cornelisse (9)
Hoobus, Abram Willemse (1)
Houwer, Pieter Hendrickse (6)
Kakum, Cornelis Michielsz van (10)
Kakom, Dirk Magielse van (10)
Kakum, Willem Michielsz van (10)
Kas, Pieter Gerritse (11)
Marcij, Cornelis (4)
Poulesse, Laurijs (5)
Ruijter, Cornelis Jansz (13)
Schoonejongen, Theunis Pietersz (2)
Seuij, Dirck Joosse (12)
Smith, Cornelis Willemsz (3)


* het stuk spreekt van kleine en grote schuiten, inclusief de schol- , platvis- en palingvangers.

In 1708 is een lijst (2) opgemaakt van stuurlieden die lantarengeld moesten betalen om de haven beter te verlichten. De lijst bestaat uit 21 namen. U kunt doorklikken op sommige namen voor meer bijzonderheden.

Brij, Pieter Bastiaensz
Cijsje, Aren Bastiaensz
Cijsje, Bastiaen Arensz
Eck, Flooris Dircksz van
Eck, Dirck Floorisz van
Heest, Aren Maartensz van
Kakum, Michiel Cornelisz van
Kakum, Stevens Willemsz van*
Kalis, Willem (den Ouden)
Koninck, Abel Arensz
Koninck, Cornelis Jacobsz
Koninck, Jan Arensz 

Koninck, Michiel Jacobsz
Mercy, Gleijn Cornelisz
Pas, Hendrik Arensz
Pijl, Willem
Roovaert, Leendert Michielsz van de
Ruijter, Jan Leendertsz
Schoonejongen, Jan
Valck, Jacob Stoffelsz van der
Waterman, Barend Jansz ** 


1. Bron: U.J. Mijs. De vischafslag van Middelharnis. Middelharnis, 1897.
Bijlage E, pagina 160,

2. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 4,  1 oktober 1708

 over zijn zoons Bastiaan en Willem en zijn dochter Cornelia zie berichten van 31 januari 2015 en 1 februari 2015
** over zijn zoon Barend Barendsz Waterman zie bericht van 31 januari 2015

Bijzonderheden stuurlieden 1682:

1. Abraham Willemsz Hobius en Willemintje Cornelis Bransen, gehuwd 16 mei 1677 in Middelharnis

2. Teunis Pietersz Schoonejongen en Maatje Jans uit S'dijk, gehuwd 3 februari 1675 in Middelharnis

3. Cornelis Willemsz Smit en Cornelia Arens, weduwe van Hizkias Esdras, gehuwd 8 januari 1675 in Middelharnis. Cornelis is voor 30 april 1691 overleden (RAM 22).

4. Cornelis Pietersz Marsij en Annetje Jans Kans, getrouwd 12 april 1675 Middelharnis. Cornelis is overleden voor 15 januari 1688 (RAM 34) want op die datum verkocht zijn weduwe Annetie Jans Kanse de waterschuit genaamd de Koe. Als voogd trad op Thomas Herweijer. Op 26 oktober 1687 legde hij  nog ten overstaan van schout en schepenen een verklaring af inzake het vuurbaken (RAM 22).

5. Lauris Pauwelz wonende alhier en Wijfje Jaspers wonende tot Zierikzee ondertrouwd 29 juni 1673 in Middelharnis. Attestatie gegeven 4 augustus 1673. Op 24 november 1675 zijn Pauwels en Jasper gedoopt, op 11 oktober 1682 Ariaantje, op 17 januari 1685 is Aaltje gedoopt en op 26 januari 1687 Pauwels. 
Lauris Poulus, 34 jaar, compareerde op 26 juli 1684 (RAM 33). Lauris is voor 11 april 1689 overleden (RAM 22). Op die datum verkocht zijn weduwe de visschuit Loo zeuge.

6. Pieter Hendriksz Houwer, gedoopt 20 februari 1633 in Middelharnis trouwde op 2 juni 1658 met Annetje Leenderts. Kinderen: Hendrik (1659), Hendrik (1660), Dingene (?), nn (1671), Joost (1674) (bron: Koene Genealogie).  Dingene trouwde Hendrik Jacobsz Vink, ze kregen tussen 1685 en 1702 acht kinderen. Pieter Hendriksz Houwer is voor 5 januari 1688 overleden. Op die datum verkocht zijn weduwe zijn schuit genaamd de Winthont (RAM 34).

7. Aren Bone was in 1691 nog in leven

8. Beide stuurlieden Chijsje komen op de lijst van 1708 voor.

9. Beide stuurlieden Coninck waren in 1691 nog in leven. Jacob Cornelisz Coninck is gedoopt 24 augustus 1636.

10. Cornelis Michielsz van Kakum is gedoopt 17 april 1634. Dirk Michielsz van Kakum was in 1695 nog in leven,  hij is ca. 1638 geboren. Willem Michielsz van Kakum is ca. 1640 (?) geboren.

11. Pieter Gerritsz Kas was in 1692 nog in leven. Kleinzoon ?

12. Dirk Joosse Seuij was in 1691 nog in leven

13. Compareerde april 1691 (RAM 22).

woensdag 6 mei 2015

Scheepsrampen en ongevallen in de visserij van Middelharnis in de zeventiende eeuw

Over de scheepsrampen en ongevallen in de visserij van Middelharnis in de periode 1717-1923 is de afgelopen jaren veel informatie opgediept. Zie het boek Vergeten vissers van Middelharnis en de overzichtspagina op dit weblog.

Over de zeventiende eeuw zijn weinig gegevens beschikbaar. Op deze pagina de informatie die bekend is.


ca. 1620-1626 diverse kapingen
In de twintiger jaren van de zeventiende eeuw zijn diverse schepen met opvarenden uit Middelharnis in handen van kapers gevallen. 
De vissers namen het initiatief om tot een soort verzekering te komen om de kosten van losgelden te betalen en om nabestaanden te ondersteunen in geval van scheepsrampen. Ook reders die hun schepen verloren kregen een tegemoetkoming. De magistraat van Middelharnis vaardigde in 1626 een keur uit waarin bepaald werd dat bij de verkoop van vis per afslag 10 cent verzekeringspremie werd geheven (2). Zie ook de tekst op Arjaentje van 3 januari 2014.
In de periode 1626-1637 zijn bedragen uitbetaald die in de resolutieboeken van het dorp zijn verantwoord.

Aliaen Boot ( -1633)
1633 Betaelt aan de wedue van Aliaen Boot visser die van de vijanden op zee dootgschoten is ... vijftich gul. (1)


Jacob IJemantsz ( -1633)
1633 Betaelt aan Trijn Schotters ouer het affleggen vant dode lichaem van Jacob IJemantsz v schell. Hij overleed als gevolg van verwondingen aan zijn been door een vijandelijke beschieting (1)


Leendert Dircxz Post ( -1637)

1637 Betaelt aan de wedue van Leendert Dirkcxz Post, stierman, die bij de duijnkerkers is gevangen geweest... Alsoo Leendert Dirxcz Post in de gevangenis is overleden... (1)


Willem Roij ( -1637)

15 juli 1637 werd het lichaam geschouwd van Willem Roij die door een Duinkerker kaper is doodgeschoten. Dokter Hubertus de Bye constateert dat 'den zelven Roij met een musket cogel in sijn 's lincker schouder nederwaerts was geschooten welcke wonde den docter ende chirurgijn verclaerde doodelijck te wesen' (2)

1641 Drie visschuiten uit Middelharnis door Duinkerkers genomen
In mei 1641 zijn drie visschuiten uit Middelharnis belaagd door Duinkerker kapers. Leendert Andriesz en Maerten Cornelisz Canse verklaarden dat de Duinkerkers drie visschuiten uit Middelharnis hebben genomen. Ze hebben twee schuiten zien branden en gezien dat de derde schuit, die van Pieter Arensz Visser in de grond werd gehakt. De twee brandende schuiten waren van de stuurlieden  
Cornelis Jacobsz Coninck en van Gerrit Jansz Coninck(2)

Pieter Arensz Visser ( -1641)
Stuurman van een visschuit die in mei 1641 door een Duinkerker kaper in de grond werd gehakt. Hij was gehuwd met Pietertje Jansdr

Cornelis Jacobsz Coninck ( -1641)

Stuurman van een visschuit die in mei 1641 door een Duinkerker kaper in brand werd gestoken. Hij was gehuwd met Leentje Jansdr 

Gerrit Jansz Coninck ( -1641)
Stuurman van een visschuit die in mei 1641 door een Duinkerker kaper in brand werd gestoken.


1677 
In april 1677 voerden de diaconie en het burgerlijk armbestuur correspondentie over de huisvesting van vissersweduwen en hun kinderen. Ze hebben hun man verloren door het 'blijven van visschuiten'. (4)

Drie schuiten in twee jaar met man en muis vergaan
Tannegje Cornelis Blok dichtte in 1688 (zie ook tekst van 5 mei 2015 op dit weblog)

Om dat drie Schuiten hier van daen , binnen twee Iaren zijn gebleven,
En al het Volk in Zee vergaen, daer lieten zy haer leven (3)
De tijdsbepaling is onduidelijk. "Onlangs" staat er in het gedicht. Mogelijk gaat het toch over de jaren 1676-1677, zie hierboven.

Stuurman n.n. (  -1688) 
Een Nieuw Lied, gemaakt over het verongelukken van een Stierman, van een Visschuit van Middelharnis, geschied op den 1 Ianuary, 1688. Vier schuiten kwamen na enige dagen terug (3).
Op 1 januari 1688 vielen er zware buien bij een harde noordenwind (5).








1.
U.J. Mijs. De vischafslag van Middelharnis. Middelharnis, 1897. Bijlage D. 
Bron: Resolutieboeken Middelharnis
2. Rechterlijk archief Middelharnis, inventarisnummer 20,19 mei 1641
folio 197 en 198. Zie ook: J.C.. Both. Middelharnis tijdens de Tachtigjarige oorlog. In: De Ouwe Waerelt, 8(2008),22, 38-43
3. Een nieuw-liedboekje, genaamt het dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. Terneuzen, J.G.A. Thompson, 1854. naar de laatste uitgave herdrukt.
Zie op Google books. Een nieuw lied-boekje
4. Archief van het burgerlijk armbestuur van Middelharnis, inventarisnummer 989, 11 april 1677
5. J. Buisman. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen. Dee 5, p. 143.


Tannetje Cornelis Blok (1660-1690) en haar liedboek 'het dubbelt Emausje'


Over Tannetje (Tannetge) Blok is bekend dat ze geboren is op 3 januari 1660  in Middelharnis, dochter van Cornelis Blok*.  Ze is op 5 maart 1690 overleden.

Tannetje Blok schreef stichtelijke liederen en gedichten waarvan er 37 bewaard gebleven zijn in een bundel met de titel : het Dubbelt Emausje. Het voorwoord is geschreven door ene M.D. , dat moet Marinus van der Daff geweest zijn. Het nawoord is door M.D.K. ondertekend. Oorspronkelijk is het werk in twee delen verschenen. 
Het eerste deel bevat o.a. een lied over de watersnood van 26 januari 1682, 'Wat grooter nood, wat droever tyd'.  In 1683 sloot ze het eerste deel af met het motto dat ze aan alle gedichten meegaf  'Leerd Sterve'.  
Het tweede deel bevat ook liederen die naar de actualiteit van de jaren tachtig van de zeventiende eeuw verwijzen. Zoals 'Een nieuw lied, van de schade die er in het jaar 1684 door de Rupzen aan de Vrugten is geschied'. 
En: 'Een nieuw lied gemaakt over de Miserie en Plage die in 't jaar 1685 onder de Beesten is geweest'. 
Tevens: 'Een nieuw lied, gemaekt over het gaan van onse Hollandsche vloot na England'. 
In de 'Zamenspraak tussen een zeeman en landman' vermeldde Tannetje het omkomen van een zeeman: 'toen wij weer sijn 't huijs gekomen/misten wij een van ons maets'.





De dichtkunst van Tannetje Blok heeft weinig aandacht gekregen in de literatuurgeschiedenis. Als haar werk al eens genoemd werd dan kwamen er geen positieve bewoordingen aan te pas, zoals in een overzichtswerk van J.C.W. Le Jeune uit 1828.




Uit: Jacob Carel Willem Le Jeune. 
Letterkundig overzigt en proeven 
van de Nederlandsche volkszangen. 1828

Le Jeune eindigt met de kwalificatie: 'van de honderd en vijftig nog volgende regels is er geen een het uitschrijven waard'.

Bij Johannes Gouw komt Tannetje er in 1871 al niet beter van af. Hij noemde Tannetje een 'boerinnetje van Middelharnis' . Zelf noemde ze zich een Boere-meisje.


Uit: Johannes Gouw. De volksvermaken. Haarlem, 1871, p.413
De liederen van Tannetje Blok zijn door haar lezers ongetwijfeld wel gewaardeerd. Het 'Dubbelt Emausje' beleefde vele herdrukken, zelfs nog tot honderdvijftig jaar na het overlijden van Tannetje. Ook komt het boekje in diverse bibliotheken en particuliere verzamelingen voor.

De dichteres Tannetje Blok is niet geheel vergeten. Op de website van het Cultuurplein Goeree-Overflakkee prijkt haar naam tussen andere overleden Flakkeese auteurs. Op deze website ook de tekst van het gedicht over het verongelukken van een stuurman:
Een Nieuw Lied, gemaekt over het verongelukken van een Stierman, van een Visschuyt van Middelharnis, geschied op den 1 january, 1688.
Het lied is tamelijk recent voorgedragen, ik weet niet meer door wie en bij welke gelegenheid.


Van het liedboekje van Tannetje Blok zijn verschillende edities bewaard gebleven. Een aantal edities is te bekijken via Google books

1. Een nieuw lied-boekje, genaamd het Dubbeld Emausje, bestaande in enige nieuwe liedekens. Zwolle, weduwe F. Clement, z.j.
Dit lijk me een van de vroegste drukken. Zie op Google books. Een nieuw-liedboekje

2. Een nieuw lied-boekje genaemt het Dubbeld Emausje, bestaande in enige nieuwe liedekens/ gemaakt, en in druk uitgegeven door Tannetge Kornelis. Het eerste deel.
Den 11e druk, verbeterd en vermeerderd met het Geestelyk maagden-ciercel &c. en van veel fouten gezuiverd. Zwolle, Dirk Rampen, tussen 1725 en 1750. 96 p.


3. Een nieuw Liedt-boekje genaamt het dubbelt Emausje.
Dordrecht, Johannes 't Hooft, 1737. 10e druk.
Zie op Google books Nieuw lied-boekje

4. 11e druk. Dordrecht, H. Walpot, 1742


5. 12e verbeterde en uitgebreide druk. Dordrecht, Adriaan Walpot, 1762.
Zie op Google books Een nieuw liedt-boekje

6. Een nieuw liedtboeckje genaemr het Dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. 11e druk, verm. en verb. en van veel fouten gezuivert. Amsterdam, S. en W. Koene, 1801

7. Een nieuw-liedboekje, genaamt het dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. Terneuzen, J.G.A. Thompson, 1854. naar de laatste uitgave herdrukt.
Zie op Google books. Een nieuw lied-boekje


* Mogelijk Cornelis Flips Block.
Verscheen februari 1657 voor het gerecht van Middelharnis, weduwnaar samen met Neeltje Teunisdr, weduwe. Met dank aan Joke van Rumpt

maandag 13 april 2015

Vissers uit Middelharnis als loods in het Goereese Gat in 1677, met voorbeelden uit later tijd

In de tijd dat er nog geen gespecialiseerde loodsdiensten waren fungeerden beurtschippers en vissers meestal als loods. Ze moesten hiervoor toestemming hebben van de Staten van Holland.

De vissers van Middelharnis waren natuurlijk zeer goed bekend met de gevaarlijke stromingen en zandbanken in het Haringvliet en het Goereese Gat. 
In 1677 zijn twee vissers aangesteld als loods.
De stad Dordrecht heeft op 24 januari 1675 geklaagd over de loodsdiensten die niet naar behoren functioneerden. Het is niet duidelijk wat er precies aan de hand was maar de klacht ging over:

'vexatien (kwellingen, overlast) en excessen van de lootsen' 
Op 26 maart 1676 verzocht Dordrecht : 
'dat de Visschers van Middelharnas moogen werden geauthoriseert om het Goereesche Gat uyt en in te moogen lootsen'
 Hierop volgde een besluit van 23 september 1677 om:
'Twee loodsen uit de visschers van Middelharnas te stellen voor het belootsen van de Maze en het Goereesche Gat'
En tevens
'Examineren wat ordre te stellen omtrent de lootsen op de Maaze' (1).



De loodsactiviteiten leverden een welkome bijverdienste op voor de vissers. Ook uit Maassluis en Ter Heijde is bekend dat vissers bijverdienden door als loods te fungeren (2).

Loodsdienst in 1686
Zie het bericht van 12 januari 2017 over het binnenloodsen en slepen van een Surinamevaarder door een schuit uit Middelharnis.

Loodsdienst in 1706
Zie het bericht van 31 januari 2017 over het binnenloodsen en slepen van het Friese schip de Liefde.

Een loodsdienst in 1807
Zie voor een later voorbeeld uit Middelharnis de attestatie  van stuurman Abram Bree en zes matrozen. Voor een loodsdienst op 15 april 1807 vanaf de hoogte van Den Briel naar Texel werd een prijs van 30 guineas overeengekomen. Guineas waren gouden munten uit Engeland, iets meer waard dan de pond (pond was 6 gulden). Indien zich een Texelse loods zou aandienen dan zou de klus aan hem overgelaten worden.(3)

Een loodsdienst in 1822
Verklaring van Jan Eduard Gallas Eduardsz. te Hellevoetsluis namens kapitein Hendrik Jans Lening voerende het smakschip De Jonge Elisabeth, beladen met stokvis, traan en mos komende van Noorwegen met bestemming Dordrecht. Omdat er in dichte mist geen loodsboot voer hebben zij voor f 100 een visser uit Middelharnis ingehuurd. Deze heeft ze de haven van Hellevoetsluis in gebracht, waar ze vanwege vorst en mist moeten blijven liggen.
(Streekarchief Voorne Putten, toegang 110, inventarisnummer 1283, 23 december 1822, akte 228) 


Een loodsdienst in 1825
Het was slecht weer begin januari 1825, slecht zicht en zeer harde wind. Maarten Schaap probeerde met zijn koopvaardijschip al vanaf 24 december de Goeree op te varen. (4)
De 7de januari was het goed weer, de wind ZW met verstopte lucht. Ik had sedert drie dagen geen land gezien. Wij zeilden naar land tot tien à elf vadem diepte maar konden geen land zien, maar wij zagen een visserssloep van Middelharnis die bij ons kwam. Ik vroeg hem hoever de duinen van Schouwen van ons waren. Hij zegde mij het niet te weten en hij kwam nog wel van land. Daarop zegde hij: "Wilde U een man van mij die U binnen brengt ?" Ik zegde hem:"U handelt niet als zeeman, U wilt mij binnenbrengen en U zegt niet te weten waar wij zijn." "Ja", zegde hij, ''vanavond zal ik U binnenbrengen." Nu zegde ik:"Wat moet U hebben als U mij binnenbrengt ?". "F.300", zegde hij. Ik accordeerde voor f 90 en nam een man over.



1. Bron: Generaale Index op de registers der resolutien van de heeren Staten van Holland en West-Friesland, vol 9. p. 2,133,162,666 via Google books

2. Annette de Wit. Leven, werken en geloven in zeevarende gemeenschappen; Schiedam, Maassluis en Ter Heijde in de zeventiende eeuw. Amsterdam, 2008, 132

3. Rechterlijk archief Middelharnis, inv, nr. 45 12 mei 1807.


4. J.R. Bruijn en E.S. van Eyck van Heslinga, met medewerking van E.M. Jacobs. Maarten Schaap, een Katwijker ter koopvaardij (1782-1870); een biografie en een dagboek. . Amsterdam, 1988. p.103

Op 17 oktober 1661 is een nieuwe ordonnantie die de pilotage op de Maas en het Goereese Gat regelde van kracht geworden. Resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland. uitgave 1706, pagina 566-573.
Die dag werd tevens een akkoord gesloten tussen Brielle, Delft, Rotterdam en Schiedam naar een ontwerp van de voormelde Staten van 23 juli 1661. Dit om een einde te maken aan de conflicten over de loodsdiensten.
Het toezicht op de pilotage werd in handen gelegd van de Gedeputeerde van de Grote Visserij, of derzelver commissarissen. Deze regeling bleef van kracht tot 1795. In dat jaar kwam de pilotage onder het comité tot zaken van de Marine te vallen.
Bron: A.A.Mietes. Inventaris van de archieven van de Colleges van de Grote Visserij, 1578-1857 (1859).
Nationaal Archief, 1984. inventarisnummer 3.11.03











vrijdag 3 januari 2014

Een 'Vissersfonds' in 1626 in Middelharnis

Voor de vissers in de zeventiende eeuw was de kaapvaart tijdens de tachtigjarige oorlog een groot risico, bovenop het altijd dreigende gevaar van het vergaan van visschuiten.
In de twintiger jaren van de zeventiende eeuw zijn diverse schepen met opvarenden uit Middelharnis in handen van kapers gevallen. Om losgelden voor de schepelingen te verkrijgen werd op Flakkee een inzameling gehouden.

De vissers namen het initiatief om tot een soort verzekering te komen om de kosten van losgelden te betalen en om nabestaanden te ondersteunen in geval van scheepsrampen. Ook reders die hun schepen verloren kregen een tegemoetkoming. De magistraat van Middelharnis vaardigde in 1626 een keur uit waarin bepaald werd dat bij de verkoop van vis per afslag 10 cent verzekeringspremie werd geheven. 
"Wij hebben hier een mooi voorbeeld van wat wij thans zouden omschrijven als sociale wetgeving met verplichte premieheffing", aldus de historicus Dr. J. Verseput.

Tussen 1626 en 1637 zijn uit deze voorziening regelmatig uitkeringen gedaan aan reders en/of aan nabestaanden. In 1637 begonnen de vissers te morren over de hoge lasten. Aangezien de vissers zelf de belanghebbenden waren, ging de magistraat akkoord met het afschaffen van deze regeling. 

Er is rond 1820 een vorm van oudedagsvoorziening geweest, waar we helaas weinig gegevens over hebben Op de visafslag werd, telkens als de besomming van een reis meer dan 100 gulden bedroeg, 1,50 gulden ingehouden om toelagen voor oud-vissers van te betalen. Deze bijdrage werd onder de noemer tonnegeld geïnd.(1) Zie afslagbriefje Jan van Dueren uit Zierikzee


Het zou tot 1 november 1882 duren voor er weer een (zeer bescheiden) sociale voorziening, het Vissersfonds, in het leven werd geroepen. In de tussentijd waren de weduwen en wezen van vissers die bij scheepsrampen omkwamen afhankelijk van de opbrengst van inzamelingsacties die met wisselend succes werden gehouden (2).

Gebaseerd op:
J. Verseput. Enkele grepen uit de geschiedenis van de visserij van Middelharnis in de periode van het bestaan van de visafslag. In: Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis. (1970)21, p.9.
Bron: De Vischafslag van Mijs.

1. SAGO, AGM, inv.nr. 650, ingekomen stukken gemeenteraad december 1824, artikel 5.
2. Zie voor de geschiedenis van dit fonds:
Fons Grasveld. Het lot van de MD3 Anna. Met medewerking van Jan van de Voort. Hilversum 2014. 138-148
In het Eilanden-nieuws van 6 november 2015 is een ingezonden stuk van Fons Grasveld geplaatst waarin hij de vragen formuleert die bij hem leven over de opheffing van het Vissersfonds. De titel luidt: Wat is er gebeurd met het kapitaal van het Vissersfonds Middelharnis



donderdag 2 januari 2014

Gerrit Cornelisz Koning (1774-1817) en Arentje van der Waal (1782-1832)

Gerrit Koning en Arentje van der Waal waren de ouders van mijn betovergrootmoeder Sara Koning. Zie bericht over haar in het blogarchief van 5 februari 2012

Voorouders van Gerrit Koning
De vroegste vermelding van de naam Koning in Middelharnis is in 1592. Gerrit Jacobs Coningh, geboren omstreeks 1550, is op 27 november 1592 in de kerk begraven. Hij was zeevisser van beroep. Hij was gehuwd met Aechte Coninginne, overleden in 1615 in Middelharnis. Uit dit huwelijk is maar een kind bekend: Jacob Gerritse Coningh (ca.1575-1626).
Jacob Gerritse Coningh is rond 1600 gehuwd met N. Hendricksdr., overleden in 1633. Ze hadden vijf kinderen : Gerrit, Heijndrick, Cornelis, Abel en Jannetje. 
Over Jacob is bekend dat hij zeevisser was en in 1611 schepen van Middelharnis. Jacob Geertsz was medeondertekenaar van het akkoord betreffende de visafslag in 1598.
Ook een Jan Geertsz Coningh ondertekende het akkoord, mogelijk ook een zoon van Gerrit Jacobsz.




De volgende generaties:
Cornelis Jacobsz Coningh (ca.1607-1637) gehuwd met Leentje Jans de Wit geboren ca. 1610. Cornelis was "stierman" (stuurman) van beroep.
Jacob Cornelisz Coningh (1636-   ) gehuwd in 1660 met Ariaentje Jans en later (voor 1669) met Maatje Engelsdr van der Kaag.
Cornelis Jacobsz Koningh (1664-    )  gehuwd in 1692 met Teuntje Jans Houwer. Zij kregen acht kinderen onder wie Jan Cornelisz Koningh (1696-  ) en Gerrit Cornelisz Koning (1698-1764). Gerrit is op 9 maart 1698 in Middelharnis gedoopt.

Gerrit Cornelisz Koning (1698-1764) en Anna Pieterse van der Spek (1714-1785)
Gerrit is op 16 december 1725 met Geertruij Hendrikse Scheer getrouwd. Zij werd op 15 januari 1742 in Middelharnis begraven. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend.
Gerrit en Anna zijn op 4 november 1742 in Middelharnis getrouwd. Anna was 28 jaar en afkomstig uit Zoeterwoude. Gerrit was 44 jaar ten tijde van het huwelijk.
In 1746 werd Pietertje geboren, in 1748 Cornelis, in 1750 Maria, in 1752 Teuntje en in 1754 Pieter.

Gerrit Koning, stuurman van de gaffelschuit De Welstand.
Op 9 februari 1750 heeft Gerrit 1/16 part in de gaffelvisschuit De Welstand gekocht. Kort daarvoor was hij stuurman van deze schuit geworden. Op 25 september 1751 legde hij de eed als stuurman af.
In het begin van het jaar 1764 is de gaffelvisschuit van stuurman Gerrit Cornelisz Koning met de volledige bemanning vergaan. Zie het volgende bericht. Gerrit was 65 of 66 jaar toen hij verdronk. Anna bleef met vijf kinderen achter, de oudste was zeventien en de jongste negen.
Anna verkocht op 7 juli 1764 een huis op de hoek van De Bruijnes straatje, naast de Kaaidreef, no. 243 op het kohier, aan stuurman Jan Jacobsz Kanse. Ze was al weduwe, waarmee bevestigd is dat de ramp vroeg in het jaar heeft plaatsgevonden (1).
Anna is hertrouwd met Jan Klaasz van Heukelum, ze is in 1785 overleden.

Jan Cornelisz Koning (1696-   ) en Beatrix Benjamins de Haan
Deze oudere broer van stuurman Gerrit Koning  en zijn vrouw hadden een dochter Suzanna uit 1722, een zoon Cornelis Jansz gedoopt 28 oktober 1729 en een zoon Benjamin Jansz gedoopt 18 juli 1732. 
Suzanna trouwde met Johannes Thomas Wittekoek. Hun zoon Jan Wittekoek verklaarde in 1837 dat twee ooms van hem in 1764 omgekomen zijn toen de schuit van Gerrit Koning vergaan is. Dit moeten zijn geweest:
Cornelis Jansz Koning (1729-1764) en Benjamin Jansz Koning (1732-1764). Ze waren 34 en 31 jaar ten tijde van de ramp.
Cornelis was in 1759 in Dirksland getrouwd met Grietje Aarts van Leerdam. Ze hadden twee zoons, Jan uit 1760 en Arend uit 1762. Grietje is op 11 november 1764 hertrouwd. 
Benjamin was in juni 1762 met Maria Dirkse Kouwerkerk getrouwd. Van dit echtpaar zijn geen kinderen bekend. Maria is op 22 april 1769 met Teunis Jansze Buurveld (1734-1781) getrouwd. Teunis was stuurman op de gaffelschuit De Gans.

Ouders van Gerrit Koning en Arentje van der Waal
Gerrit was een zoon van Cornelis Gerritsz Koning (1748-1809) en Elisabeth Gerrits Verhage (1751-1809). Cornelis heeft zijn vader en twee neven in 1764 verloren met de ramp van de gaffelschuit van zijn vader. Hij was toen zestien jaar oud. Cornelis en Elisabeth zijn in 1773 in Middelharnis getrouwd. Gerrit Cornelisz was de oudste zoon, geboren in 1774, Huibertje Cornelis is in 1778 geboren, Anna in 1783 en Leuntje in 1786. 
Arentje van der Waal is een dochter van Abram Abrahamse van der Waal en Sara de Ruiter. Sara kwam uit Oude Tonge. Ze zijn in 1780 in Oude Tonge getrouwd. Arentje is in 1782 geboren, ze was  het enige kind van Abram en Sara.

Huwelijk en kinderen
Gerrit Cornelisz Koning en Arentje van der Waal trouwden op 7 augustus 1801 in Middelharnis. Ze waren 26 en 19 jaar oud. Gerrit was visser van beroep. Op 1 februari 1802 werd Cornelis Koning geboren. Dochter Sara is van 22 september 1803; Adriaantje van 1807 is overleden in 1815; dan volgen Elisabeth van 1810 die maar kort geleefd heeft en Elisabeth van 1811. Abram is in 1814 geboren en Adrianus in 1817. Hij is overleden in 1819.
Gerrit overleed op 42-jarige leeftijd, een half jaar na de geboorte van Adrianus.
Arentje was 35 toen ze weduwe werd. Ze bleef met vijf kinderen achter.  De oudste zoon was vijftien jaar. De jongste was een half jaar, hij overleed in 1819.

Huwelijk en overlijden van de kinderen
Cornelis Koning (1802-1849) is getrouwd met Maria Dubbeld, geboren in Stad aan 't Haringvliet. Cornelis is op 1 maart 1849 overleden.
Sara Koning (1803-1849)  bleef ongehuwd. Zij heeft in 1832 een dochter gekregen: Adriaantje Koning. Sara is op 15 juni 1849 overleden.
Elisabeth (1811-1849) is in 1835 getrouwd met Cornelis van Waard. Ze is overleden op 13 juni 1849.
Abram Koning (1814-1885) is in 1841 getrouwd met Klaasje Koster.

Sara en Elisabeth overleden allebei in juni 1849, het hoogtepunt van de grote cholera-epidemie in Middelharnis. Cornelis was ruim 3 maanden daarvoor overleden. Mogelijk was ook hij het slachtoffer van de cholera. 


Verantwoording:
Gegevens van Pieter Koster, bewerkt voor Arjaentje

1.Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr. 10. Protocol van opdrachten, transporten en hypotheken, gepasseerd voor schout en schepenen., 1757-1770, fol.150v . Digitale bronbewerking op de website van het Feijne Kwartier