donderdag 3 mei 2018

De ondergang van de vissloep Zeemanshoop uit Hellevoetsluis (1882)

Rond 1845 verplaatste de vishandel zich van Middelharnis naar Hellevoetsluis. De visafslag van Hellevoetsluis bloeide gedurende enkele decennia. In 1883 was er weinig meer van over. De zeevissers brachten hun vangst zelf rechtstreeks naar Engeland en België (1).
Hellevoetsluis was ook een vissersplaats: in 1879 waren er drie sloepen met dertien bemanningsleden voor de zeevisserij op onder andere kabeljauw en schelvis en 64 kleine vissersboten met twee, drie of vier bemanningsleden voor de garnalenvisserij. Dit waren waarschijnlijk garnalenvissers uit Ouddorp, Pernis en Tholen die in Hellevoetsluis havenden(10).
De zeevisserij is in 1876 begonnen. Er werd een rederij opgericht voor de zeevisserij door de heren Van der Hoeven, Van den Ban en Klop onder de naam "Maatschappij ter oefening der zeevisscherij De Onderneming" (8). Zij liet in 1876 een sloep met de naam Eersteling bouwen door de werf van J. Korver in Vlaardingen (5)(6). Schipper werd J. van der Hoeven (7). In 1877 volgde een tweede sloep (2) die de naam Willem Schoon droeg en gevoerd werd door schipper P. van der Hoeven (8). In de Brielsche Courant van 10 mei 1877 werd opgeroepen om geld bijeen te brengen om nog een sloep te laten bouwen (6). In dit artikel wordt ingegaan op de treurige staat van Hellevoetsluis, veroorzaakt door de aanleg in 1872 van de Nieuwe Waterweg (die het Voorns kanaal als vaarroute naar Rotterdam overbodig maakte) en door de veroudering en dreigende sluiting van de Marinewerf (reparatiewerf, uiteindelijk pas in 1933 opgeheven). Deze werf was de grootste werkgever van Hellevoetsluis.

De beugvisserij is een vak apart. De sloepen van Hellevoetsluis haalden hun bemanning uit plaatsen waar de vissers ervaring hadden met de beugvisserij: Zwartewaal, Pernis, Middelharnis.
De derde Hellevoetse sloep droeg de naam Zeemanshoop, niet te verwarren met de Middelharnisse sloep met dezelfde naam. Deze sloep was afkomstig uit Zwartewaal en is op 30 mei 1879 op publieke veiling afgeslagen voor 2.289 gulden. De koper was P. van der Hoeven uit Hellevoetsluis (9).




Algemeen Handelsblad 15 december 1880

Schipper was in 1880 A. 't Hart, waarschijnlijk uit Pernis afkomstig.
De Zeemanshoop havende sinds november 1881 in Middelharnis en had op dat moment een volledig uit Middelharnis afkomstige bemanning (3).

Op 5 januari 1882 is de Zeemanshoop overzeild door de vissloep Willem de Zwijger uit Middelharnis en gezonken. De gehele bemanning werd gered en in Nieuwediep aangebracht.



Algemeen Handelsblad 7 januari 1882

Meer bijzonderheden vermeldde het Nieuws van de dag. Het ongeval vond plaats aan de zeekant van de Noorderhaaks op 14 vadem. Schipper van de Zeemanshoop was de 35 -jarige Cornelis Vogelaar (1846-1902), zoon van Cornelis Vogelaar en Rachel van Eck (zie bericht van 3 maart 2013).



Nieuws van de dag, 7 januari 1882

In een tweede berichtje in Nieuws van de dag wordt de toedracht nog nader beschreven. Schipper van de Willem de Zwijger was Jan van den Hoek. Hij bracht de schipbreukelingen behouden aan wal.


Nieuws van de dag, 7 januari 1882

Vliegend blaadje; nieuws- en advertentiebode
voor Den Helder, 6 januari 1882

De plaatselijke krant van Den Helder voegde er nog aan toe dat "de oorzaak moet zijn dat de sloep "Zeemanshoop" niet wilde wenden."


Enkele dagen later spoelde het wrakhout aan, alsmede stearinekaarsen en "een arm van een beeld."


Algemeen Handelsblad, 9 januari 1882

Van de drie sloepen van Hellevoetsluis waren er nu nog twee over, waarvan er een verkocht werd. In 1883 had Hellevoetsluis nog één sloep (4).



1. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1883, 98.
2. Verslag idem, 1876, 1877, 1879.
3. Verslag idem, 1882, 81.
4. Verslag idem, 1883
5. Nieuwe Brielsche Courant, 9 april 1876.
6. Nieuwe Brielsche Courant, 10 mei 1877. Ingezonden brief van "Iemand die veel belang stelt in Hellevoetsluis". Zonder nieuwe initiatieven als de zeevisserij zal Hellevoetsluis verloren gaan. "en na korten tijd zal het gelijk staan met het armste gehucht op de Drentsche heide". 
7. Nieuwe Brielsche Courant, 16 maart 1879.
8. Nieuwe Brielsche Courant, 22 april 1880.
9. Nieuwe Brielsche Courant, 1 juni 1879
10. Vermelding op 27 april 1899, Nieuwe Brielsche Courant.

dinsdag 24 april 2018

Quade seijlen deel 1. De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kaperstijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697)

In het aprilnummer 2018 van De Ouwe Waerelt is het eerste deel van een artikel over het wel en wee van de vissersvloot van Middelharnis rond 1700 verschenen. 
Dit deel gaat over de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en begint met de oversteek van stadhouder Willem III naar Engeland, het begin van de Glorious Revolution

Op de Middelharnisse dichteres Tannetje Blok (1660-1690) maakte de oversteek van het invasieleger vanuit Hellevoetsluis grote indruk. Zij schreef “Een Nieuw Lied, gemaakt over het gaan van onze Hollandsche Vloot na Engeland”, met daarin de passage:

 “Zegent den Edelen Vorst Nassou 
Met al de Officiers getrou, En de Soldaten, 
Die ’t onzer baten, 
Wagen haar Lyf en Leven nou.”


Vloot van Willem III te Hellevoetsluis, 28 oktober 1688.
Ets door Daniël Marot. Collectie Rijksmuseum


Totdat de oorlog zich in 1688 aandiende ontwikkelden de visserij en de vishandel van Middelharnis zich voorspoedig. Dit blijkt uit de uitbreiding van de haven met meer ligplaatsen, de aanleg van een nieuwe scheepswerf en een nieuw reglement op de visafslag vanwege de groeiende nering.

De visserij van het dorp werd vanaf 1691 negatief beïnvloed door de oorlogsomstandigheden. In 1692 nam de activiteit van de Franse kapers, vooral van de Duinkerkers, toe. De vissers van Middelharnis werden in dat jaar volop met de kapers geconfronteerd. 

Als voorbeeld: Op 4 mei 1692 achtervolgden zes kapers de visschuiten de Oliphant, stuurman Floris Dircxs van Eck, en de Doornekroon, stuurman Michiel van Kakum. Enkele maanden later was het Pieter Gerritsz Kas met de Orangienboom. Om aan de vijand te kunnen ontsnappen moesten de schuiten snel het Goereese Gat in varen. Ze hadden geen tijd om hun viswant binnen te halen en zagen zich genoodzaakt het viswant in zee te laten staan.
Dergelijke incidenten met schade aan viswant deden zich van 1692-1694 veertien keer voor. Vanaf 1695 kon de visserij zich wat herstellen. In mei 1697 werd de visschuit de Pampiere Mole gekaapt. De stuurman was Jan Arensz Koninck. Er is losgeld aan de Duinkerkers betaald om de schuit vrij te kopen.  Desondanks nam de vijand allerlei goederen mee van het schip.

De visserij van Middelharnis ging niet ten gronde door deze oorlog, maar de voorspoedige ontwikkeling van voor de oorlog stagneerde.
In het septembernummer van De Ouwe Waerelt verschijnt het tweede deel van dit artikel, dan komt de Spaanse Successieoorlog aan de orde.


Marlies Jongejan, Quade seijlen (deel 1) De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog  In: De Ouwe Waerelt, 18(2018)52, 22-29
De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 8,95.

Link naar de volledige tekst van het artikel: 

Quade Seijlen deel 1.


maandag 19 februari 2018

In gantsch Holland wordt geen zo vischrijke plaats gevonden (over Middelharnis in 1789)

Jan A. Backer deed op zijn reis door Nederland ook Middelharnis aan. In deel 2 van zijn reisverslag vertelde hij over zijn bezoek aan Overflakkee.


Verders trekken deeze plaatsjes geen gering voordeel van de Visscherij, en wel voornamelijk Middelharnas, althans men zegt  dat in gantsch Holland geen zo vischrijke plaats wordt gevonden [...] Om deeze tyd des jaars, wanneer 'er doorgaans veel Tarbot gevangen wordt, zendt men die naar Engeland









Bron:
Backer, Jan A. De jonge reiziger door Nederland, deel 2, 1789, p. 159

vrijdag 26 januari 2018

Pieter Koudijzer (1853-1887) en Willemtje Hanenberg (1853-1923)

Ouders
Pieter Koudijzer is geboren op 8 februari 1853 in Middelharnis, zoon van Leendert Koudijzer (1814-1875) en Adriaantje Overbeek (1828-1906).
Willemtje Hanenberg is geboren in Sommelsdijk op 25 januari 1853, dochter van Willem Hanenberg (1824-1852) en Pleuntje Vroegindeweij (1828-1902).

Huwelijk en kinderen
Pieter en Willemtje trouwden op 1 mei 1876 in Sommelsdijk.
Drie kinderen werden in Middelharnis geboren: Dirkje (1877-1903), Willem (1878-1918) en Leendert (1880-1954).
Op 13 oktober 1882 vertrokken Pieter en Willemtje met hun gezin naar Pernis. In Pernis werden nog drie kinderen geboren Marinus Abraham (1884-?) en de tweeling Trijntje en Adriaantje, geboren op 22 juni 1886. De drie zoons van Pieter en Willemtje werden visser.

Pieter Koudijzer omgekomen
Op 29 maart 1887 deden Jacob Versteeg (59) en Herman Groenendijk (36), beiden vissers uit Pernis, in Den Helder aangifte van het overlijden van Pieter Koudijzer, oud 34 jaar.
Hij is op 22 maart 1887 ongeveer vijf mijlen benoorden Texel overboord geslagen en verdronken. Het ongeval vond plaats op de HD 30 Pollux (mededeling Jan van Welie).

Nabestaanden
Willemtje bleef met zes jonge kinderen achter.
Ze overleed in Pernis op 15 juni 1923, 70 jaar oud.

Willem Koudijzer (1878-1918) omgekomen

Op 17 juli 1918 vertrok de zeillogger MA 144 Nil Desperandum (Wanhoopt Niet), rederij P. Doelman, vanuit IJmuiden ter beugvisserij op de Noordzee in de vrije vaargeul tussen 53 graden en 56 graden noorderbreedte. De bemanning bestond uit dertien koppen onder schipper A. Noordzij. In de ochtend van 20 juli om vijf uur was het schip nog gezien door schipper W.H. de Bruin van de zeillogger MA 51 Johanna ter hoogte van het lichtschip Doggersbank-Zuid, waarna de MA 144 in de mist verdween. Sindsdien werd van de Nil Desperandum niets meer vernomen. De Raad voor de Scheepvaart concludeerde in zijn uitspraak van 17 september 1918 dat de Nil Desperandum op of na 20 juli 1918 op de Noordzee is vergaan, waar bij alle dertien opvarenden het leven hadden verloren, onder wie de in Pernis woonachtige Willem Koudijzer. Hij was net 40 jaar en ongehuwd.

Gegevens van Pieter Koster, Haarlem.

donderdag 25 januari 2018

De herinneringen van Beschier Faasse (1869-1967) aan de visserij van Middelharnis

In de rubriek "Folklore en Taal" van F. den Eerzamen in het Eilanden-Nieuws zijn in 1956 de herinneringen van Beschier Faasse opgenomen. Er zijn wel meer verhalen door (oud-)vissers opgetekend, meestal uit de periode 1900-1920. De herinneringen van Beschier gaan terug tot 1879.
Beschier Faasse is op 9 oktober 1869 in Sommelsdijk geboren, zoon van Adrianus Faasse en Willemtje van der Slik. Ze hadden een groot gezin, de vader was landarbeider. Ze hadden het thuis niet breed.
In 1876 ging hij met zijn broer Marinus (geboren 1863) naar het havenhoofd waar ze aan boord van een sloep keken. Een jaar later gingen twee van zijn broers naar zee. Dat viel voor thuis niet mee, maar het moest. Ze hadden het zwaar aan boord. Toen ze terugkwamen was het groot feest. "Vader slachtte een geit en we mochten naar hartelust smullen".

In 1879 moest hij als tienjarige jongen gaan werken als koeienwachter. De boer was erg goed voor hem. Toen hij elf was, in 1880, moest hij met de oude Salomon Beket mee uit vissen op bot en paling. Ook maakte hij zijn eerste reis naar zee, het speelreisje. Later in het jaar 1880 kwam hij als kofjekoker bij Cornelis van den Hoek aan boord (de sloep heette de Nijverheid).
Beschier noemt de goede verdiensten vanaf 1882. De besommingen waren hoog, de manschappen verdienden 700-800 gulden per jaar. De schippers Jan van den Hoek en Leen Koster maakten de grootste besommingen. In 1883 overleed vader Adrianus. Ze waren toen met vijf broers op zee.
Over de decemberstorm van 1884 schreef Beschier op dat de Menheerse vloot 36 uur lang in gevaar was. 
De vissers voelden zich ‘in de greep van de dood.’ Het liep allemaal goed af. Toen het gevaar voorbij was hief de bemanning psalm 66 vers 3 aan en daarna sprak een van de bemanningsleden een dankgebed uit. ‘De zeeman weet, dat er maar een dun houten beschot is tussen hem en de dood.’

Hij verhaalt over het drama met de sloep de Tweelingen in 1886, waarbij zijn broer Marinus op het nippertje gered werd (zie bericht 22 september 2013). Het was dat jaar veel slecht weer. Als bijzonderheid vermeldt hij dat ze een partij kokosnoten opvisten. In 1886 kwam Beschier op een nieuwe sloep te werken, de MD 28 Vertrouwen, een snelle zeiler die altijd het eerst aan de markt was. Een nieuwigheid was dat de vissers per spoor vanuit Nieuwediep naar huis kwamen.


In 1889 had hij genoeg van de visserij. Hij is op een binnenvaartschip gaan werken.

Op 27 januari 1894 is zijn broer Pieter, geboren 18 maart 1862, op de MD 7 Toekomst schipper Jan van den Hoek, bij het uitdraaien van het achterlicht overboord gevallen en verdronken. Pieter was gehuwd en had drie kinderen. Jan van den Hoek kwam het aan Beschier en zijn moeder vertellen. Voor Martien (Maarten Jacob geboren 1876), ook een broer van Beschier, was dit aanleiding om eveneens de visserij vaarwel te zeggen.

Nog een seizoen heeft Beschier als visser gewerkt: in 1902 deden twee sloepen uit Middelharnis mee aan de visserij bij IJsland. Beschier en zijn broer Barend (geboren 1870) behoorden tot de bemanning (zie bericht van 7 oktober 2012).
Beschier trouwde op 10 november 1905 in Middelharnis met Maria Boer. Ze waren 36 en 31 jaar oud. Ze verhuisden naar Rotterdam waar drie kinderen geboren werden.


Eilanden-Nieuws 6 oktober 1967


Dat er vijf jongens uit een Sommelsdijks landarbeidersgezin op de sloepen van Middelharnis gingen werken is opmerkelijk, maar niet uniek. Er was in de tweede bloeiperiode van de visserij (1863-1889) veel vraag naar vissers, temeer omdat er veel vissers uit  Middelharnis door scheepsrampen tussen 1863 en 1872 omgekomen waren. De verdiensten waren goed, een visser verdiende meer dan een landarbeider.

Meer voorbeelden van vissers uit landarbeidersgezinnen: gebroeders Van den Hoek (Dirksland), De Man (Dirksland), Jordaan (Middelharnis, zes broers die visser werden), de zoons van Beschier de Korte, den Braber, Sala, Oosterling.

bron:
Eilanden-nieuws 17 oktober 1956, 24 oktober 1956 en 7 december 1956

Eerdere artikelen met herinneringen van Beschier Faasse in Eilanden-nieuws, 7 februari, 7 augustus en 11 augustus 1948

woensdag 20 december 2017

De vergeten vissers van Middelharnis, oproep voor foto's

In 2018 verschijnt een boek over de omgekomen vissers van Middelharnis. De lezers van Arjaentje weten dat op dit weblog sinds 2012 vele bijdragen verschenen zijn over de vissersfamilies van Middelharnis, en in het bijzonder over vissers die verdronken zijn en over hun nabestaanden.
Deze informatie over de scheepsrampen en ongelukken sinds 1717 en nog veel meer interessante onderwerpen uit de visserijgeschiedenis van Middelharnis worden - in samenwerking met het Streekmuseum- samengebracht in een publicatie van circa 175 pagina's. De auteurs zijn Rinus van Dam, Pieter Koster en Marlies Jongejan.

De kern van het boek vormen de circa 285 reconstructies van de gezinnen van de omgekomen vissers. 

In het Eilanden-Nieuws van 20 december 2017 hebben de auteurs een oproep geplaatst voor foto's van vissers die bij de uitoefening van hun beroep zijn omgekomen en van hun directe nabestaanden.
Van voor 1860 zullen er geen foto's meer te vinden zijn. Van na 1860 is het denkbaar dat er afbeeldingen bewaard zijn gebleven. Vissers die een centje over hadden lieten zich soms wel portretteren, als ze bijvoorbeeld in de haven van Nieuwediep of IJmuiden verbleven. Ook foto's van directe nabestaanden zijn welkom.

Mocht u in het bezit zijn van foto's dan kunt u die mailen naar:
vissersvanmiddelharnis@gmail.com
of afgeven bij het Streekmuseum Goeree-Overflakkee in de Kerkstraat in Sommelsdijk
of telefonisch contact opnemen: 0187-602178. 

maandag 18 december 2017

De haven van Middelharnis in 1896

Een bekende foto van de haven van Middelharnis. In een toelichting in Eilanden-Nieuws van 9 februari 1952 wordt gesteld dat de foto van 1898 is. De man met de hoed, rechts, is Leendert Gouswaart*. Hij was 43 jaar oud in 1898. Maar helemaal achterin de haven is de MD 35 Pionier nog te zien. Deze sloep is in september 1896 gezonken. We houden de datering op mei/juni 1896.


De haven van Middelharnis in 1896
(Streekarchief Goeree-Overflakkee)


Op 97-jarige leeftijd, in 1952, vertelde Gouswaart aan de krant wie de kinderen op de foto zijn.





Aagje Onderdelinden (1885-1962) is het meisje in het zwart, aan de linkerkant van Gouswaart, de man met de hoed. Aagje was in de rouw vanwege het overlijden van haar vader. Hij is omgekomen met de sloep Zeemanshoop in december 1895. Aagje werd geboren op 28 januari 1885 in Middelharnis, ze was tien jaar oud, bijna 11, toen haar vader verongelukte. Ze was de oudste van zeven kinderen.
Zij trouwde op 17 mei 1907 met Jacob Johannis Boogerman (1882-1977), zeevisser van beroep. Zij kregen zeven kinderen. In januari 1912 vertrokken zij naar Rotterdam, waar Jacob werkte als bootwerker. Aagje overleed op 31 december 1962 te Rotterdam, 77 jaar oud. 
Zie over de familie Onderdelinden het bericht van 9 augustus 2013.


De volgende sloepen zijn te onderscheiden:
MD 6 Titia Jacoba, schipper Dirk van den Hoek
....
MD 4 Volharding, schipper Cornelis Boon
MD 3 Nijverheid, schipper Jacobus van den Hoek

Achterin: MD 35 Pionier, schipper Ary de Waard




* Zie over Leendert Gouswaart ook het bericht van 3 maart 2012:
Jeroen Vlasbloem Dijkers (1824-1879) en Teuntje van der Velde (1821-1863)