Posts tonen met het label verdronken 1894. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verdronken 1894. Alle posts tonen

donderdag 25 januari 2018

De herinneringen van Beschier Faasse (1869-1967) aan de visserij van Middelharnis

In de rubriek "Folklore en Taal" van F. den Eerzamen in het Eilanden-Nieuws zijn in 1956 de herinneringen van Beschier Faasse opgenomen. Er zijn wel meer verhalen door (oud-)vissers opgetekend, meestal uit de periode 1900-1920. De herinneringen van Beschier gaan terug tot 1879.
Beschier Faasse is op 9 oktober 1869 in Sommelsdijk geboren, zoon van Adrianus Faasse en Willemtje van der Slik. Ze hadden een groot gezin, de vader was landarbeider. Ze hadden het thuis niet breed.
In 1876 ging hij met zijn broer Marinus (geboren 1863) naar het havenhoofd waar ze aan boord van een sloep keken. Een jaar later gingen twee van zijn broers naar zee. Dat viel voor thuis niet mee, maar het moest. Ze hadden het zwaar aan boord. Toen ze terugkwamen was het groot feest. "Vader slachtte een geit en we mochten naar hartelust smullen".

In 1879 moest hij als tienjarige jongen gaan werken als koeienwachter. De boer was erg goed voor hem. Toen hij elf was, in 1880, moest hij met de oude Salomon Beket mee uit vissen op bot en paling. Ook maakte hij zijn eerste reis naar zee, het speelreisje. Later in het jaar 1880 kwam hij als kofjekoker bij Cornelis van den Hoek aan boord (de sloep heette de Nijverheid).
Beschier noemt de goede verdiensten vanaf 1882. De besommingen waren hoog, de manschappen verdienden 700-800 gulden per jaar. De schippers Jan van den Hoek en Leen Koster maakten de grootste besommingen. In 1883 overleed vader Adrianus. Ze waren toen met vijf broers op zee.
Over de decemberstorm van 1884 schreef Beschier op dat de Menheerse vloot 36 uur lang in gevaar was. 
De vissers voelden zich ‘in de greep van de dood.’ Het liep allemaal goed af. Toen het gevaar voorbij was hief de bemanning psalm 66 vers 3 aan en daarna sprak een van de bemanningsleden een dankgebed uit. ‘De zeeman weet, dat er maar een dun houten beschot is tussen hem en de dood.’

Hij verhaalt over het drama met de sloep de Tweelingen in 1886, waarbij zijn broer Marinus op het nippertje gered werd (zie bericht 22 september 2013). Het was dat jaar veel slecht weer. Als bijzonderheid vermeldt hij dat ze een partij kokosnoten opvisten. In 1886 kwam Beschier op een nieuwe sloep te werken, de MD 28 Vertrouwen, een snelle zeiler die altijd het eerst aan de markt was. Een nieuwigheid was dat de vissers per spoor vanuit Nieuwediep naar huis kwamen.


In 1889 had hij genoeg van de visserij. Hij is op een binnenvaartschip gaan werken.

Op 27 januari 1894 is zijn broer Pieter, geboren 18 maart 1862, op de MD 7 Toekomst schipper Jan van den Hoek, bij het uitdraaien van het achterlicht overboord gevallen en verdronken. Pieter was gehuwd en had drie kinderen. Jan van den Hoek kwam het aan Beschier en zijn moeder vertellen. Voor Martien (Maarten Jacob geboren 1876), ook een broer van Beschier, was dit aanleiding om eveneens de visserij vaarwel te zeggen.

Nog een seizoen heeft Beschier als visser gewerkt: in 1902 deden twee sloepen uit Middelharnis mee aan de visserij bij IJsland. Beschier en zijn broer Barend (geboren 1870) behoorden tot de bemanning (zie bericht van 7 oktober 2012).
Beschier trouwde op 10 november 1905 in Middelharnis met Maria Boer. Ze waren 36 en 31 jaar oud. Ze verhuisden naar Rotterdam waar drie kinderen geboren werden.


Eilanden-Nieuws 6 oktober 1967


Dat er vijf jongens uit een Sommelsdijks landarbeidersgezin op de sloepen van Middelharnis gingen werken is opmerkelijk, maar niet uniek. Er was in de tweede bloeiperiode van de visserij (1863-1889) veel vraag naar vissers, temeer omdat er veel vissers uit  Middelharnis door scheepsrampen tussen 1863 en 1872 omgekomen waren. De verdiensten waren goed, een visser verdiende meer dan een landarbeider.

Meer voorbeelden van vissers uit landarbeidersgezinnen: gebroeders Van den Hoek (Dirksland), De Man (Dirksland), Jordaan (Middelharnis, zes broers die visser werden), de zoons van Beschier de Korte, den Braber, Sala, Oosterling.

bron:
Eilanden-nieuws 17 oktober 1956, 24 oktober 1956 en 7 december 1956

Eerdere artikelen met herinneringen van Beschier Faasse in Eilanden-nieuws, 7 februari, 7 augustus en 11 augustus 1948

donderdag 3 oktober 2013

Pieter Groen (1797-1884) en Hendrikje Springvloed (1800-1874)

Ouders
Pieter Groen was een zoon van Cornelis Groen en Laurijntje Mijnheer (overleden 1812). Cornelis was visser van beroep.  In 1814 is dochter Pietertje Groen op twaalfjarige leeftijd overleden, Arend Groen (1806-1854) overleed in Veenhuizen.
Hendrikje Springvloed kwam uit Sommelsdijk, ze was een dochter van Jacob Springvloed en Klaartje Pas (overleden 1806).

Huwelijk en kinderen
Het huwelijk tussen Pieter en Hendrikje was op 7 mei 1822. Pieter was visser, 24 jaar oud en Hendrikje was 22 jaar. Getuigen waren allen vissers: Jan Pas, Leendert van der Waal en Jan Wittekoek. De vaders van bruid en bruidegom waren aanwezig, de moeders waren allebei al overleden.
Het eerste kind werd Cornelis genoemd, hij werd op 30 augustus 1822 geboren, vier maanden na het huwelijk. Hij overleed in 1826, vier jaar oud.  Jacob was de tweede, hij werd op 9 september 1824 geboren en overleed in 1828, drie jaar oud.
In 1827 volgde opnieuw een Cornelis en op 24 mei 1830 werd Jacob geboren. In 1833 volgde Pieter, in 1836 Laurens (overleden in 1839), in 1838 Klaas.
Klaas Groen is op 9 juni 1849 ten tijde van de cholera-epidemie overleden, hij was tien jaar.
Van de zeven zonen van Pieter en Hendrikje hebben er drie de kindertijd overleefd.

Huwelijk van de kinderen
Cornelis Groen was trouwde in 1850 toen hij 22 jaar was. De bruid was Janna de Blok, twintig jaar oud. Jacob Groen trouwde in 1856 met Martina de Reus uit Sommelsdijk, ze waren 25 en 24 jaar oud. Pieter Groen is in 1858 met Kommertje Dubbeld getrouwd, dochter van Machiel Dubbeld en Maria van der Kamp. Ze waren 25 en 24 jaar oud.
De zoons werden alle drie visser.

De scheepsramp met de Eben Haëzer 1863: Jacob Groen omgekomen
Jacob Groen (1830-1863) was een van de opvarenden van de sloep Eben Haëzer , schipper Bastiaan Dubbeld, die begin december 1863 met man en muis verging. Zie eerdere berichten op dit weblog.

Nabestaanden van Jacob Groen
De ouders van Jacob waren nog in leven ten tijde van de ramp. Zijn vrouw Martina de Reus bleef met twee kleine kinderen achter. De oudste zoon Pieter is in 1857 geboren en maar enkele weken oud geworden. Dochter Hendrikje is in 1859 geboren, ze was vier jaar toen Jacob overleed. Noach Groen (genoemd naar Noach de Reus, de vader van Martina) is in 1860 geboren, hij was drie jaar ten tijde van de scheepsramp
Martina trouwde op 27 juni 1868 opnieuw met een visser (1). Hij heette Johannes Magchiel Goris Verolme. Ze was toen 37 jaar oud. Samen kregen ze in 1870 nog een dochter die Fransje heette. Zij werd maar enkele maanden oud. 

Noach Groen werd kleermaker, hij was ongehuwd en is in 1890 overleden toen hij 29 jaar was.
Martina de Reus overleed in 1898, ze was 66 jaar oud.
Hendrikje Groen was ongehuwd, ze was winkelierster in de 2e Weistraat en overleed in 1914.

Ongeval op de Adriana Lumina 1894: Paulus Groen overleden
Een zoon van Cornelis Groen, de oudere broer van bovenvermelde Jacob, heette Paulus Groen (1867-1894). Hij is op zaterdag 22 december 1894 overboord gevallen van de MD 13 Adriana Lumina, schipper Johannis de Korte. Hij was 27 jaar oud.



Maas- en Scheldebode, 28 december 1894

Nabestaanden van Paulus Groen
Paulus Groen was op 28 oktober 1892 getrouwd met Pietertje Hoogmoed uit Sommelsdijk. Ze waren 24 en 23 jaar oud. Paulus stond als C.G. ingeschreven en Pietertje als N.H. Ze woonden in de Nieuwstraat. Op 20 juli 1894 werd zoon Cornelis geboren, hij was nog maar een half jaar oud toen zijn vader verongelukte.

Pietertje verhuisde met Cornelis naar een van de Weistraatjes en ging met haar vader, moeder en zuster samenwonen. Haar vader was bouwknecht, geboren in 1837.
Cornelis Groen werd sigarenmaker. Hij trouwde met Arendje Krijger, ze woonden op het Spuiplein.



1. Op 26 mei 1868 publiceerde de Nederlandsche Staatscourant het  "regstvermoeden van overlijden" van Jacob Groen waardoor juridisch de weg vrij was voor een nieuw huwelijk.

Genealogische gegevens van Joke van Rumpt

dinsdag 21 mei 2013

Van den Hoek, stuurlieden op de sloepen van Middelharnis (1866-1912)

Opvallend veel stuurlieden van de vissersvloot van Middelharnis droegen aan het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw de naam Van den Hoek. Deze naam kwam eerder niet voor onder de vissers van Middelharnis. Uit de burgerlijke stand en het bevolkingsregister blijkt dat het om zeven broers gaat die 'visscherstuurman' waren.

Cornelis van den Hoek, de vader van de gebroeders van den Hoek was landarbeider in Dirksland, later pakhuisknecht en winkelier in Middelharnis. Zijn zeven zoons werden allemaal schipper op een sloep uit Middelharnis.

Op de onderstaande pagina zien we (van oud naar jong):

1. Jacob van den Hoek (1844-1917) stuurman van de MD 16 Op Hoop van Zegen  van Kolff
2. Huibrecht van den Hoek (1846-1931) stuurman van de MD 18 Zeemanshoop van reder Kolff
3. Jacobus van den Hoek (1849-1935) stuurman van de MD 3 Nijverheid van Slis
4. Cornelis van den Hoek (1851-1932) stuurman van de MD 28 Vertrouwen van Slis
5. Jan van den Hoek (1856-1929) stuurman van de MD 8 Willem de Zwijger van Slis
6. Willem van den Hoek (1860-1910) stuurman van de MD 2 Maria Cornelia van reder Slis


Sloepen van Middelharnis, 1888-1889

7. Dirk van den Hoek (1861-1943) was van 1894 tot en met 1896 stuurman op de MD 6 Titia Jacoba van Slis.

De eerste die stuurman werd, was Jacob. Hij kwam in 1866 op de leeftijd van 22 jaar al als stuurman op de sloep Op Hoop van Zegen te werken, toen MHS 1. Jacob is eind 1866 getrouwd. Zijn schoonvader was Hendrik Langbroek, die eveneens stuurman was. Jacob is in 1899 gestopt en toen nog pakhuisknecht geworden.
Cornelis is in 1874 (23 jaar) stuurman geworden van de Waakzaamheid. Ook zijn schoonvader Glijn Langbroek was stuurman geweest.
Huibrecht werd in 1876 stuurman van de gloednieuwe sloep Zeemanshoop, 31 jaar oud.
Jacobus werd in 1877 stuurman van de Waakzaamheid. Hij is tot de zomer van 1912 stuurman gebleven.
Jan trouwde in 1879 en werd in hetzelfde jaar stuurman van de Willem de Zwijger, 23 jaar oud. Hij is tot de zomer van 1912 stuurman gebleven.
Willem was 28 jaar toen hij in 1888 trouwde, hij was sinds 1884 stuurman van de Maria Cornelia.

Van de volgende generatie is alleen Cornelis van den Hoek Jzn. stuurman geworden. Hij was in 1901 en 1902 korte tijd schipper van de MD 15 Poolster. Hij was een zoon van Jacob van den Hoek en Johanna Langbroek.
De laatste vermelding van schippers met de naam Van den Hoek is in de zomer van 1912 toen de vloot nog maar uit negen sloepen bestond:
Jacobus van den Hoek op de MD 2 Prinses Juliana van Slis
Jan van den Hoek op de MD 4 Theodora Emmerentia van Slis

Zonen van landarbeider werden schipper
De loopbaan van de zoons van Cornelis van den Hoek en Cornelia van Okkenburg is bijzonder. De regel was dat vissers zonen van vissers uit Middelharnis waren. Er waren echter ook uitzonderingen, waaronder de broers Van den Hoek. Hun vader, Cornelis van den Hoek, was een landarbeider uit Dirksland. Er was duidelijk sprake van maatschappelijke stijging: een visser stond hoger in aanzien dan een landarbeider en een stuurman was de hoogste in rang op een vissloep, iemand met veel verantwoordelijkheid en een hogere verdienste dan de matrozen.
In 1887 hadden zes van de twintig sloepen van Middelharnis een Van den Hoek als stuurman.
Er zijn verschillende factoren die bij dit maatschappelijk succes een rol gespeeld hebben.
1. Toen de broers Van den Hoek volwassen werden vanaf ca. 1865 groeide de vissersvloot en daarom was er ruimte voor nieuwkomers
2. Vader Cornelis toonde initiatief door het bestaan als landarbeider in Dirksland vaarwel te zeggen en in Middelharnis te gaan werken
3. Vader Cornelis ging werken als knecht bij een wijnpakhuis, dat moet bij  de reder Kolff geweest zijn. De jongens waren zodoende in beeld om al vroeg naar zee te gaan. Ze groeiden op in de nabijheid van de haven.
4. Partnerkeuze. Drie van de zeven broers trouwden een dochter van een stuurman.
5. De vaardigheden en de karaktereigenschappen om als schipper te kunnen functioneren.

Ik vermoed dat ze zich vooral op dit laatste punt onderscheiden hebben. Arjanus Faasse beschrijft Jan van den Hoek in zijn boek 'Zee en eiland' (pagina 114 en 115).
Jan komt naar voren als iemand met veel vakkennis en ervaring, natuurlijk gezag, weinig spraakzaam, beheerst, oprecht, vroom en streng. Het zullen deze eigenschappen geweest zijn die zijn broers ook in meer of mindere mate hadden en die maakten dat ze stuurman werden en gedurende lange tijd bleven.

In de winter van 1910/11 voer ik op de Theodora-Emmerentia, de M.D. 4. Schipper Jan van den Hoek, een broer van Willem van den Hoek van de Luctor et Emergo, die kort geleden "gebleven" was. De. M.D.4 was een ijzeren of stalen anderhalf-master, grijs geverfd en het was de snelst varende sloep van de vloot. Jan van den Hoek was een "gelukkige" schipper, een echte mannetjesputter ter zee, zonder pretenties schipper bij de gratie Gods, een vanzelfsprekende gezagsdrager, ongeforceerd, natuurlijk. Napoleon heeft eens gezegd : Frankrijk ben ik. Jan van den Hoek zei niks, maar hij was de beugvisserij.
Van de kleine "grote man", stevig gebouwd en stoer met de handen in de zakken van de wijde zeemansbroek, rammelende met de sleutels, ging gezag en invloed uit. Met de grijze, strenge maar toch ook niet onvriendelijke ogen regeerde hij niet alleen de bemanning, maar ook zou men haast gezegd hebben: het weer. Onder collega's had zijn stem een doorslaggevende betekenis. Ik heb hem nooit in paniekstemming gezien. Zelfs in hachelijke situaties kon hij zich nog beheersen. Zijn bevelen werden stipt uitgevoerd. Niemand dacht eraan het anders te doen, het was altijd goed. Als hij mij een schouderklopje gaf (dat gebeurde niet vaak) was mijn dag weer goed. Volgens mij was hij een oprecht en vroom man, maar streng. 

Averij en aanvaring
De jonge schipper Jacob van den Hoek, begonnen toen hij 22 jaar was in 1866, liep in zijn tweede jaar (27 maart 1867) averij op aan de mast van de sloep Op Hoop van Zegen.
Jan van den Hoek, schipper van de Willem de Zwijger, had op 14 maart 1880, ook aan het begin van zijn loopbaan, een kapotte mast. In 1912 liep hij averij op met de Theodora Emmerentia, de MD 4 van Slis.
Cornelis van den Hoek had op 2 november 1894 met de MD 28 Vertrouwen van Slis een gebroken mast en een beschadigde jol. In april 1911 maakte hij zijn laatste reis met deze sloep
Jacobus van den Hoek kwam op 10 februari 1908 met De MD 2 Doggersbank van rederij Slis in aanvaring met een Engelse stoomtrawler. De gehele bemanning kon worden gered.


Vooruit, 12 april 1911




Man over boord
In 1882 is Jeroen Langbroek (1866-1882) geboren 28 augustus 1866, zoon van Simon Langbroek en Neeltje van der Sluis, bij het neerhalen van de stagfok overboord geslagen en verdronken. Dit gebeurde op  de MD 1 Waakzaamheid, stuurman Jacobus van den Hoek.
Op 27 januari 1894 is Pieter Faasse (1862-1894), geboren 18 maart 1862 in Sommelsdijk, op de MD 7 Toekomst (voorheen Avenir) stuurman Jan van den Hoek, bij het uitdraaien van het achterlicht overboord gevallen en verdronken. Hij was 31 jaar oud. Hij was in 1885 gehuwd met Elizabeth Groen. Ze hadden drie kinderen: Adrianus (1887), Hendrik (1890) en Willemtje (1892).
Op 28 november 1910 is Geerit van Dijk (1892-1910) geboren 29 augustus 1892, zoon van Stoffeltje van Dijk en Elizabeth Cornelia Rasenberg, van de MD 28 Vertrouwen stuurman Cornelis van den Hoek, bij goed weer overboord gevallen en verdronken. Hij was achttien jaar oud. Vader Stoffeltje van Dijk was touwslager, het gezin is in 1915 naar Vlaardingen vertrokken.


De MD 7 Toekomst overvaren in 1899
De  MD 7 Toekomst met als stuurman Jan van den Hoek is in mei 1899 in het Skagerrak met dichte mist overvaren door een Noorse bark. Drie opvarenden die probeerden over te springen op het Noorse schip de Zorida zijn verdronken. Het betreft Jan de Man (1863-1899), Arend de Koning (1864-1899) en Leendert Koster (1863-1899). Laurens van Gelder (1849-1899) raakte gewond en is enkele uren later overleden. Leendert Koster was een zoon van Dirk Koster en Bastiana van Eeuwen, hij was in 1886 gehuwd met Dirkje de Ruiter. 

De ramp met de MD 1 Luctor et Emergo januari 1910
Bij deze ramp zijn de stuurman, Willem van de Hoek (1860-1910),  en Cornelis van den Hoek (1877-1910) zoon van Hubrecht, omgekomen.



© Marlies Jongejan, maart 2024