woensdag 31 oktober 2018

De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938)

Op 3 november 2018 is het boek over de scheepsrampen en ongevallen op de vissersvloot van Middelharnis verschenen. Het resultaat van jaren onderzoek, waarvan op dit weblog arjaentje.blogspot.nl steeds verslag is gedaan.

Het boek is uitgegeven door uitgeverij De Bataafsche Leeuw in Amsterdam, onder auspiciën van het Streekmuseum Goeree-Overflakkee. 

De auteurs zijn Rinus van Dam, Marlies Jongejan en Pieter Koster.














Korte inhoud

De rode draad wordt gevormd door gegevens over 287 vissers uit Middelharnis, die zijn omgekomen bij scheepsrampen met vijftien gaffelschuiten en dertien sloepen en bij ongevallen aan boord tussen 1717-1938. 
Het leven van de vissers is beschreven in de vorm van korte familiegeschiedenissen, waarin ook hun ouders, echtgenotes en kinderen worden genoemd. De toedracht van de rampen en ongevallen is zo gedetailleerd mogelijk weergegeven. 
Behalve een tijdlijn met de belangrijkste gebeurtenissen in de visserijgeschiedenis van Middelharnis, wordt in het rijk geïllustreerde boek ook aandacht besteed aan de lotgevallen van vissers uit Middelharnis die in de behandelde periode om het leven kwamen op vissersschepen uit andere plaatsen.



Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 2018.
328 pagina's, gebonden, geïllustreerd. Prijs € 22,50.

ISBN 978 90 6707 720 0

te koop bij het Streekmuseum Goeree-Overflakkee (alleen afhalen) en te bestellen bij elke boekhandel in Nederland.
Ook te bestellen via de website van uitgeverij De Bataafsche Leeuw. Porto binnen Nederland wordt niet in rekening gebracht.





Verslag van de presentatie in: Groot Goeree-Overflakkee, week 45, 6 november 2018

Door Sam Fish

287 vergeten vissers krijgen naam en gezicht






In een overvolle Rabobankzaal van het Diekhuus werd op zaterdagmiddag 3 november een nieuw boek gepresenteerd onder toeziend ook van zo'n 130 nabestaanden en andere genodigden. De vergeten vissers van Middelharnis is nu dan echt voor het grote publiek.

Schrijvers Rinus van Dam (oud-voorzitter van het Streekmuseum), Marlies Jongejan en Pieter Koster (nazaat) hebben gezamenlijk ziel en zaligheid in het boek gestopt. Alle drie hebben al eerder werken gepubliceerd over het scheepsrampen en ongevallen van de vloot van Middelharnis en dus was het een bijna logische stap om de krachten te bundelen en elkaar aan te vullen daar waar het kon. Door het werk van de auteurs hebben de vergeten vissers niet alleen een naam gekregen, maar ook een gezicht.

Eerste exemplaar
Een bijzonder moment bij elke boekpresentatie is natuurlijk het overhandigen van het eerste exemplaar. Het was de eer aan auteur Marlies Jongejan om de eerste twee exemplaren te overhandigen; "Het eerste exemplaar van ons boek overhandigen wij graag aan burgemeester Ada Grootenboer-Dubbelman. Een burgemeester vertegenwoordigt de gemeente en dus ook de gene die op zee zijn omgekomen."
De burgemeester bedankt op haar beurt de auteurs voor de tijd en energie die zij in het boek hebben gestoken. "Het is een prachtig monument voor de vergeten vissers en hun achter gebleven families," aldus de burgemeester. En daarop inhakend wordt ook het tweede boek uitgereikt en wel aan een achterneef van vergeten visser Krijn van Gelder, die de voorkant van het boek siert.


Vergeten vissers
De vergeten vissers, zijn de vissers die op zee zijn omgekomen. Hun dood is niet aangetekend in de begraafboeken en (meestal) niet in de burgerlijke stand vermeld. Deze vissers zijn dus wel geboren, maar niet overleden. De auteurs willen recht doen aan de omgekomen vissers van Middelharnis en hen een plek in de geschiedenis geven door hun namen en levensverhalen vast te leggen.

Vanaf nu verkrijgbaar. Het boek bestaat uit 328 bladzijden aan historische informatie over de zeevaart, de scheepsrampen en de vergeten vissers uit Middelharnis. De 287 geïdentificeerde vissers die tussen 1717 en 1938 zijn omgekomen op zee hebben in dit boek een naam en gezicht gekregen doordat hun achtergronden en nabestaanden uitgebreid aan bod komen. De vergeten vissers van Middelharnis is in beperkte oplage verkrijgbaar bij het Streekmuseum in Sommelsdijk, maar ook via de boekhandel. 
Het kost € 22,50.










zondag 7 oktober 2018

De vissloep VL 54 Leo en Willy uit Vlaardingen in Middelharnis (1905-1910)

De Vlaardingse vissloep VL 54 Leo en Willy was tussen 1905 en 1910 te gast in de haven van Middelharnis. De sloep was eigendom van rederij G. Vriens uit Vlaardingen. De firma P.L Slis en Zoon uit Middelharnis fungeerde als boekhouder. Schipper en bemanning kwamen eveneens uit Middelharnis.
In 1904 nam de sloep met schipper J. van Vliet nog vanuit Vlaardingen aan de haringvisserij deel. Een eerdere vermelding, eveneens van deelname aan de haringvisserij, dateert uit de Maasbode van 25 juli 1899.


Maasbode, 29 november 1904

Arjanus herinnerde zich de sloep Leo en Willy (Zee en Eiland, p.50)


Aan de overzijde op de wurft van Peeman lag scheef de Leo en Willy, het kleinste schip van de vloot, met een plat gat, pardon achtersteven, om opgekalefaterd te worden

In november 1905 vertrok het schip voor het eerst vanuit Middelharnis met als stuurman Jan de Waard.


Maas- en Scheldebode, 4 november 1905


Uit: de sloepen van Middelharnis, 1907

Op 19 maart 1906 meldde het Rotterdamsch Nieuwsblad  onder het kopje "Slechte reizen" een lage besomming voor de Leo en Willy van 250 gulden. In 1906 had de sloep tijdens de zomerzoutreis een redelijke besomming in vergelijking met andere sloepen die in september terugkwamen (Maas- en Scheldebode, 22 september 1906).

In januari 1908 ontstonden er problemen. Vier matrozen weigerden om naar zee te gaan. Ze hadden de hele winter nog niets verdiend. 


Maas- en Scheldebode, 29 januari 1908


Begin februari werd  de sloep buiten vaart gesteld (Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 februari 1908) en van IJmuiden naar Middelharnis gevaren.
In september 1908 werd de sloep toch opnieuw in gereedheid gebracht voor de verse visvangst (Maas- en Scheldebode, 2 september 1908).

In april 1910 heeft Jan de Waard ontslag gevraagd na afloop van het winterseizoen. Na het vergaan van de Luctor et Emergo in januari 1910 besloten veel vissers te stoppen. Mogelijk was er een verband tussen het gebrek aan vissers en het ontslag van de schipper.



Maas- en Scheldebode, 9 april 1910


In 1911 heeft Vriens het schip onderhands verkocht aan de nieuw opgerichte Hansa  Visscherij-maatschappij, directeur C. van Wienen te Haarlem (Algemeen Handelsblad, 9 maart 1911).

Jan de Waard bleef de schipper, nu van de IJM 173 Hansa I



Maasbode, 4 april 1911

Daarna heeft Jan de Waard nog zeventien jaar als kabeljauwzouter gewerkt voor schipper Hein Drijver op een stoomtrawler uit IJmuiden die op IJsland voer. De schipper wilde alleen maar Menheersenaard om de kabeljauw te snijden en te zouten. (interview met Jacob Sala, ZB 1900 E 10 B).
Het voordeel van de IJslandvaart was dat je in Middelharnis kon blijven wonen.


Jan de Waard (1866-1934) en Arendje van der Put (1865-1929)
Jan de Waard is op 16 april 1866 in Middelharnis geboren, zoon van Jan de Waard en Jannetje Koppelman.  De grootvader van Jan was Leendert de Waard, de stuurman van de Catharina Elizabeth, de sloep die in 1828 is vergaan (zie bericht van 9 december 2013). 
Jan de Waard trouwde (20 jaar) op 16 maart 1887 met Arendje van der Put (21 jaar), geboren 1 september 1865, dochter van Cornelis van der Put en Magdalena de Korte. Jan was visser en Arendje dienstbode ten tijde van het huwelijk.

Op 21 mei 1887 werd zoon Jan geboren. Daarna Magdalena (1888), Jannetje (1891, na een maand overleden), Jannetje (1893), Martijntje (1895), Jacoba (1898), Cornelis (1900), Hendrik (1903) en Leendert (1906).
Jan de Waard en Arendje van der Put bleven altijd in Middelharnis wonen.
Jan, Magdalena, Jannetje en Martijntje zijn tussen 1907 en 1913 uit Middelharnis vertrokken naar Den Haag.  Martijntje is gehuwd met Nicolaas Baak, zoon van een loggerschipper uit Scheveningen. Het jonge stel vertrok in 1919 naar Nederlands-Indië waar op 11 september 1920 dochter Martina Baak is geboren. Nicolaas Baak is in 1921 of 1922 in Indië overleden. Martijntje is op 25 juni 1926 in Middelharnis met Paulus de Blok hertrouwd.
Jacoba trouwde op 6 december 1918 in Middelharnis met Aren Faasse die politieagent was in Utrecht. Cornelis trouwde op 25 april 1929 met Wilhelmina van Boekhoven. Hendrik trouwde op 11 juni 1926 in Middelharnis met Maartje van der Slik.

Arendje van der Put is op 19 maart 1929 overleden in Middelharnis; Jan de Waard is op 12 november 1934 in Middelharnis overleden. 

*bevolkingsregister Middelharnis 1890-1920

Genealogische gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje. 
Mededeling over Martijntje de Waard via e-mail van een kleinzoon


maandag 24 september 2018

Franse kapers brengen een Engels schip in de haven van Middelharnis (1757)

Tijdens de Zevenjarige oorlog (1756-1763), waarin Groot-Brittannië en Pruisen enerzijds en Frankrijk en Oostenrijk anderzijds elkaar bestreden, bleef de Republiek neutraal. Aanleiding voor de oorlog was de onenigheid over de grenzen van de Franse en Britse bezittingen in Noord-Amerika. De Franse invloedssfeer reikte nu tot aan de grenzen van de Republiek, aangezien de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bestuur vielen.
Op 19 juli 1757 werd Oostende ingenomen door de Fransen.  Oostendse vissers kozen voor Veere om onder de neutrale vlag van de Republiek de visserij voort te kunnen zetten. Tussen 1752 en 1765 werden 46 Zuid-Nederlanders als poorter in Veere ingeschreven, waarvan 38 uit Oostende (4).
Ondanks de neutraliteit van de Republiek had de scheepvaart wel last van deze oorlog. Engelse oorlogsschepen hielden Hollandse koopvaardijschepen, die op weg waren naar Franse havens, aan om de lading te inspecteren. En ze brachten neutrale koopvaardijschepen op die handel dreven met Franse koloniën. Deze gang van zaken leidde in de Republiek tot een anti-Engelse stemming.
De Republiek rustte twintig oorlogsschepen uit om koopvaardijschepen te konvooieren. De konvooien leidden tot diverse confrontaties met de Engelsen.(1) 

Buitenlandse kaperschepen (commissievaarders) hadden de vrijheid om, al dan niet met buitgemaakte goederen, gebruik te maken van Nederlandse havens. Aan dit recht was een aantal voorwaarden verbonden. Ze moesten hun eigen vlag voeren en mochten  niet verder de rivieren op zeilen dan nodig was om zich voor slecht weer in veiligheid te stellen. De commissievaarder was verplicht zich te melden bij 's lands officieren en hen alle informatie verschaffen. In afwachting van een beschikking door de Raden van het College der Admiraliteit moest de kaper toelaten dat er bewakers op het buitgemaakte schip werden geplaatst, om te voorkomen dat "prijzen" (buitgemaakte schepen en goederen) zouden worden vervreemd. De bevolking werd gewaarschuwd om niet behulpzaam te zijn met het vervreemden, verkopen, vervoeren van goederen op straffe van een boete van 1000 gulden.(2)

De Zevenjarige oorlog is in Middelharnis niet helemaal ongemerkt voorbij gegaan.


Een Frans kaperschip werd op 15 december 1757 met een Engels tweemastschip als prijs de haven van Middelharnis binnengeloodst. Kapitein Francois Polé, kwartiermeester Christoffel Monsum en matroos Jan Noijo legden een verklaring af voor schepenen en leenmannen op verzoek van baljuw Willem van der Geer.
De Fransen verklaarden op 7 januari 1758 dat de commandeur van 's Lands uijtlegger voor Hellevoetsluis (wachtschip van de Admiraliteit op de Maze) op 17 december met zes manschappen aan boord van het prijsschip in Middelharnis wilde komen. Ze troffen twee à drie ingezetenen en enkele jongens die aan boord waren om het schip te bekijken. Ze hebben geen enkele weerstand aan de commandeur en zijn manschappen geboden en zijn op bevel van de commandeur van het schip afgegaan. De Fransen benadrukten dat er geen geweld of tegenstand is gepleegd. Ze hebben wel gehoord dat de manschappen die aan boord gingen, om sabels vroegen.
De Franse matroos verklaarde dat de manschappen van de commandeur tegen het op de kant staande volk 'wakker aan het vloeken' gingen en bedreigingen uitten dat als iemand het waagde aan boord te komen zij hem de kop of armen af zouden hakken, en dergelijke meer. De kapitein voegde eraan toe dat spelende kinderen enkele steentjes op het dak van het prijsschip hebben geworpen, maar niet om de commandeur of zijn volk te raken of te kwetsen. Het kan niet zo zijn geweest dat de commandeur en zijn volk zich tot laat in de avond in het schip moesten verbergen om de stenen te vermijden.
De plaatselijke commis ter recherche, Jacobus van der Mij, verklaarde dat hij met de commandeur naar het huis van de baljuw is gegaan en dat ze toen gevolgd werden door 'een groote partij volks bestaande uit Ingeseetenen deeser plaats, soo groot als kleijn, onder welker loop wel veel gevloek op de Helvoeters omging.' Hij heeft geen dreigementen om geweld te plegen gehoord. Alleen de commandeur heeft verteld dat er dreigementen geuit zijn.(3)

De reden om deze verklaring af te leggen was waarschijnlijk dat men zich in wilde dekken tegen een mogelijke aanklacht door de commandeur van het wachtschip tegen ingezetenen van Middelharnis. De bevolking stond niet vijandig ten opzichte van de Franse kaper. Mogelijk gunden ze de kaper zijn Engelse buit. 





1. J.R. Bruijn. Varend verleden.De Nederlandse oorlogsvloot in de 17e en 18e eeuw (Amsterdam 1998), 196. J.C. de Jonge, Het Nederlandsche zeewezen. Vierde deel (Haarlem, 1861) 316 317 332

2. Placaat van de Staaten Generaal, houdende verscheide ordres met opzigt tot de vreemde Commissievaarders. Den 3 November 1756. Groot Placaatboeck VIII (1795) 219-220


3..Rechterlijk archief Middelharnis, inv. nr. 41, volgnummer 43, 7 januari 1758.

4. Parmentier, Vissen in het verleden, 40-41

zaterdag 22 september 2018

Het vergaan van de gaffelvisschuit Vrouw Elizabeth uit Zwartewaal (1810)

Op 11 januari 1811 verscheen Barend Kortenbout, boekhouder en mede-reder van de gaffelvisschuit Vrouw Elizabeth, voor schout en schepenen van Zwartewaal.

Hij verklaarde dat de Vrouw Elizabeth op 6 december 1810 "uit de Goeree ter visscherij is in zee geloopen" en op 16 december op het strand van Ameland "ontramponeerd" is komen aandrijven. In het wrak werden twee lichamen aangetroffen. Uit de geborgen goederen en uit de namen op de kleren van de mannen bleek duidelijk dat het om de Vrouw Elizabeth ging.
De stuurman van de gaffelvisschuit was Johannis Kortenbout. Alleen de naam van de stuurman is bekend. Een gaffelvisschuit had meestal twaalf bemanningsleden.

Als bijzonderheid wordt vermeld dat de schuit in Delfshaven gebouwd werd en in november 1807 nieuw "uijtgehaald" was. Het moet de laatste nieuw gebouwde gaffelschuit zijn geweest. De maten: lang over steven 68 voeten, wijd op de uitwatering 22 voeten en diep onder dek 9 voeten en 6 duimen*


Barend Kortenbout machtigde Andries Pieter Koen, woonachtig op Ameland, om de goederen te bergen en om alles te doen wat verder nodig is.




Bron:
050 Archief ambacht Zwartewaal, inv. nr. 451, schade aan vissersschepen, 1770-1810

* Amsterdamse voeten van 0,2831 cm. Dus 19 meter 25 lang, 6,23 breed en 2,60 diep.

donderdag 13 september 2018

Quade seijlen, deel 2. De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713)

In het septembernummer  2018 van De Ouwe Waerelt is het tweede deel van een artikel over het wel en wee van de vissersvloot van Middelharnis rond 1700 verschenen. 
Dit deel gaat over de Spaanse Successieoorlog (1702-1713).

De vrede na de Negenjarige oorlog duurde maar vierenhalf jaar; in mei 1702 brak de Spaanse Successieoorlog uit.
In 1703 werd de schuit van stuurman Pieter Bastiaansz Brij  genomen. De stuurman belandde in Duinkerken in de gevangenis. 


Gezicht op Duinkerken vanaf de zee.



Er kwamen als gevolg van de oorlog diverse vreemde schepen in de haven van Middelharnis terecht. Op 1 mei 1703 is een Oostendse kaper door Middelharnisse vissers overmeesterd. Het buitgemaakte schip werd in triomf de haven binnengebracht, de bemanning is naar Rotterdam overgebracht. Eind 1703 of begin 1704 trof stuurman Pieter Pietersz de Kin uit Middelharnis een zwaar gehavend Rotterdams schip met de naam Rachel aan, dat onbemand op zee dreef. Hij bracht het in de haven van Middelharnis. Het schip was “ontramponeert”, had geen masten ankers, zeilen en touwen meer. Eind december 1705 kwam een Engels schip geladen met vaatwerk de haven van Middelharnis binnen. Het schip was door een Franse kaper opgebracht en op 21 december 1705 door een Vlissings kaperschip, de Prins van Vrieslant, hernomen.
Op 25 september 1707 sloten acht stuurlieden van visschuiten een contract. Zij waren met elkaar overeengekomen om ‘in eene bende’ te varen om te vissen ' tot 24 december 1707. De inleg bedroeg tussen de tweehonderd en driehonderd gulden per schuit voor een totaal van 2.150 gulden. Als een schuit door een kaper genomen zou worden zou de stuurman als vergoeding voor het losgeld drie maal het ingelegde bedrag krijgen. Maar het contract was niet meer nodig, want in september 1707 hebben de Staten-Generaal en de Franse regering afgesproken om verse visschepen van weerskanten vrij en ongemolesteerd door te laten. Hierdoor ondervond de visserij van Middelharnis na 1707 weinig problemen meer; er is ondanks de oorlog zelfs een stijgende lijn te bespeuren.

De  Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) gingen aan Middelharnis niet ongemerkt voorbij. De oorlog was voor de vissers nooit ver weg en de dreiging van de Franse kapers was onderdeel van de dagelijkse realiteit.
De opgaande lijn van voor 1688 werd door de oorlogen onderbroken; gedurende een kwart eeuw stagneerde de groei van de vloot. Maar toch kan niet gesproken worden van volledige stilstand. Er vond een geleidelijke structuurverandering plaats door de aanschaf van grotere schepen, specialisatie in de kustvisserij en de opkomst van de tarbotvisserij en tarbothandel in voorjaar en zomer. De basis voor de achttiende-eeuwse bloei van de visserij van Middelharnis was gelegd.



Marlies Jongejan, Quade seijlen (deel 2) De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog  In: De Ouwe Waerelt, 18(2018)53, 5-11
De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 9,95.

 

 Link naar de volledige tekst van het artikel:

Quade Seijlen deel 2

zondag 19 augustus 2018

Vismaat en hoeveelheden per vissoort (visafslag van Middelharnis, 18e eeuw)

In 1753 stelde het dorpsbestuur van Middelharnis standaardmaten vast voor een aantal vissoorten. Het doel was om duidelijkheid te scheppen over de maatvoering vanwege de aanhoudende meningsverschillen tussen stuurlieden en ventjagers. Een hele kabeljauw moest 30 Rijnlandse duim (van 2,61 centimeter) groot zijn. Dat is 78 centimeter. Een vis van 26 ½ duim werd als een halve kabeljauw gerekend. Een tarbot moest minimaal 16 duim groot zijn, een hele rog 18 ½ duim en een halve rog 16 duim. Deze lijst der vismaat werd mooi uitgevoerd voor iedereen zichtbaar op het raadhuis aangebracht, aangevuld met maten die op de visafslag van Texel gehanteerd werden voor kabeljauw en tarbot.(1) De stuurlieden waren verplicht om een door de plaatselijke ijkmeester geijkte vismaat aan boord te hebben.


Lijst der vismaat van Middelharnis, 1753
Streekarchief Goeree-Overflakkee Middelharnis, 
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 443.


De vis die het meest aangevoerd was de schelvis. De eenheid waarmee men voor schelvis rekende werd 'snees' genoemd. Een snees stond voor 21 schelvissen. Vleet en rog werden per mand verhandeld. Deze manden heetten 'pensbennen en roche-stukjes'. Naar aanleiding van klachten van ventjagers heeft het dorpsbestuur in 1792 bepaald dat het mandwerk voor vleten en roggen door de plaatselijke mandenmakers gemaakt moest worden. Zij moesten zich voor de maatvoering richten naar de voorschriften van de lokale ijkmeester. De manden moesten de afmetingen hebben van de 'dorpsijzere kruijsbeugels, onder den gezwooren ijkmeester alhier berustende'. Elke mandenmaker moest een geijkte kruisbeugel bezitten. 
In een ben gingen ongeveer tien vleten. Hoeveel roggen erin een stukje gingen is onduidelijk. Eind negentiende eeuw waren manden voor ongeveer veertien stuks rog in gebruik die 'puntjes' genoemd werden. Het is niet zeker of deze manden vergelijkbaar waren met de stukjes uit Middelharnis in de achttiende eeuw. De afslag van schol ging per hele of halve tob(be). Ook deze tobben behoorden geijkt te worden. Volgens een bron uit 1857 gingen er 45 schollen in een tobbe.(2)

© Marlies Jongejan, november 2023


1. SGO, AGM, inv. nr. 5, Resolutieboek, 22 september 1753
2. Mijs, De vischafslag, 43, bijlage P, 193, Bijlage Z, 227-228, Bijlage DD, 254-258; 
Verslag omtrent den staat der zeevisscherijen in 1857 (’s-Gravenhage 1858) 61; 
Hoogendijk, De Grootvisscherij op de Noordzee, 244.






woensdag 8 augustus 2018

Valerius Tophusius, uit Middelharnis verdreven door 'onstuymigevisschers' (1619)

We spreken over 1583. Het dorp Middelharnis, gesticht in 1466, is nog jong. De Reformatie is net achter de rug. In 1574 is het dorp geruisloos, want zonder beeldenstorm, overgegaan naar de nieuwe leer. Dat de laatste pastoor vermoedelijk tevens de eerste predikant was zal bijgedragen hebben aan de rustige overgang. Er waren in 1593 81 huizen*. Gerekend met vier tot vijf bewoners per huis betekent dit dat er nog geen vierhonderd mensen in het dorp woonden.  Hiervan zullen er zestig tot tachtig in de visserij gewerkt hebben. Dit leidden we af uit het gegeven dat er in 1598 zestien stuurlieden van visschuiten waren. Op elke schuit zullen mogelijk vier of vijf bemanningsleden gevaren hebben. 

De eerste predikant van Middelharnis, van 1574 tot 1583, was Aico (of Ajax) Westerwold. Als laatste pastoor zou hij met zijn parochie tot de hervorming zijn overgegaan. Hij had daar veel moeite mee en de jonge gereformeerde kerk kreeg slechts moeizaam gestalte. Er werd geen heilig avondmaal gehouden en er werd geen kerkenraad ingesteld. De classis Brielle verzocht Ds. Westerwold om kleur te bekennen. Hij kwam verschillende malen niet opdagen in de vergadering van de classis. Na zeven jaar besloot de classis in Middelharnis te vergaderen op 22 mei 1581. Westerwold weigerde echter nog steeds aan het avondmaal deel te nemen. In augustus 1582 werd hij bovendien beticht van 'ergerlijck en onstichtelijck leven'. Hij had kritiek geleverd op de kerkelijke verordeningen en was nog steeds niet wettelijk getrouwd. Het gevolg was dat de classis hem uit zijn ambt schorste totdat hij zich aan de voorschriften zou houden.
Ds. Westerwold tekende beroep aan bij de synode, waar zijn antecedenten uitvoerig besproken werden. Behalve de genoemde punten werd hem ook aangerekend dat hij familiair en luidruchtig omging met bepaalde dorspgenoten. Hij was vaak in de herbergen te vinden en kwam meermalen met een stuk in zijn kraag thuis. Hij had geen bewijs van de wettigheid van zijn huwelijk en een classicaal examen had hij nooit afgelegd omdat hij al door 'Rome' was geëxamineerd.
Op 11 juli 1583 bood hij excuses aan in de Brielse classis. Men stelde een akte op die hij zou moeten ondertekenen. Nog voordat de akte voorgelezen was barstte Westerwold in woede uit, waarbij hij het classicaal bestuur beledigde en lasterlijke taal bezigde. Ondanks dit kreeg hij nog een kans indien hij zijn beschuldigingen zou herroepen. Dit deed hij niet, hij verliet de vergadering 'met een tornich gelaat ende met quade woorden'. In hetzelfde jaar verliet hij Middelharnis.
De opvolger van Westerwold was Franciscus Borluyt, aanvankelijk pastoor in Sint Winoksbergen en later predikant in Lissewege. Hij moest in 1586 het veld ruimen omdat hij niet zuiver genoeg in de leer was (1).



De kerk van Middelharnis in 1689
fragment. Meindert Hobbema.
Laantje van Middelharnis


De classis stuurde de Rottterdamse predikant Valerius Tophusius naar Middelharnis. 

In een artikel van J.R. Callenbach vinden we de volgende (onjuist gedateerde) weergave van de gebeurtenissen:
Thophusius was afkomstig uit Antwerpen en werkte sinds 1575 in Rotterdam. Hij had in 1571 de synode in Emden bijgewoond en arbeidde in de geest van die synode, dat wil zeggen in de strenge geest van Calvijn. Tophusius werd een aantal keren gevraagd om zaken te onderzoeken van predikanten die zich teveel vrijheden in de leer permitteerden

Het handhaven van het recht der kerk bracht Thophusius eenmaal in groot gevaar. In 1583 was Aico Westerwold, die op zeer onregelmatige wijze predikant was geworden en op gelijke wijze zijn ambt bediende, tijdelijk geschorst. Toen Thophusius in zijn plaats optrad te Middelharnis, werd hij door „de onstuymige visschers" van die plaats schandelijk mishandeld. Na terugkeer in Rotterdam werd Tophusius door een ernstige ziekte aangetast en overleed (2)
Willem Gerrit Visser heeft in zijn proefschrift De classis Brielle 1574-1623 de juiste gang van zaken en de juiste datering van dit voorval vermeld. Het draaide om Jacobus Carpentarius, een remonstrant die in 1612 als predikant in Middelharnis benoemd was.  De synode van Leiden heeft hem in de zomer van 1619 afgezet omdat hij de leerregels van Dordrecht niet wilde ondertekenen.  
Tophusius was predikant in Oudenhoorn sinds 1604. Hij werd in 1619 door de classis naar Middelharnis gestuurd om een vacaturebeurt te vervullen. 

'In Middelharnis leidde de afzetting van Carpentarius tot tumult. Toen Nicolaus Dammius en Valerius Tophusius uit Oudenhoorn daar kwamen om een vacaturebeurt te vervullen ontstonden opstootjes onder aanvoering van een aantal ‘onstuymige vissers’. Dammius werd gered door een hevige regenbui maar Tophusius werd ‘schandelick’ mishandeld'

'Maandenlang moest een gerechtsdienaar op last van schout en schepenen van Middelharnis tijdens de preek toezicht houden om ‘alle moetwillige ende ongemodesteerde in stillicheyt te houden (…)’ (3).



* Rs. Bakker. De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. p. 7.
1.J.L. Braber. Historie Nederlands Hervormde Kerk Middelharnis, 62-64.
2. J.R. Callenbach. De Nederduitsch hervormde kerk. In: Rotterdam in den loop der eeuwen, 2e gedeelte, 3e stuk, p. 15-16.
Ook vermeld in: A. Th. J. van Deursen. Bavianen en slijkgeuzen. Franeker 2010,  99
Volgens Boers (p.283) is Borluyt in 1585 aangesteld (Braber vermeldt 1583). 
3. W.G. Visser, De classis Brielle 1574-1623. Proefschrift Leiden 2013. CCLVIII;  W.G. Visser, De gereformeerde kerk in wording op Goeree-Overflakkee gedurende de late 16e eeuw. In: De Ouwe Waerelt 18 (2018) 53, 22-25. En: W.G. Vissers, Bestandstwisten op Westvoorne en Overflakkee. In: In: De Ouwe Waerelt 17 (2017) 49, 18-21.