dinsdag 19 september 2017

Waarom de vissers uit Middelharnis meer kabeljauw vangen (zomer 1904)

Naar aanleiding van berichten over de zeer geringe vangsten van de sloepen van Pernis in de zomer van 1904 verscheen begin september in de dagbladen het relaas van een schipper uit Middelharnis. Hij noemt een aantal verschillen tussen de werkwijze van Middelharnisser vissers en de Pernisser vissers.
Wij zetten dadelijk koers naar de Bank en of we vangen of niet, we blijven daar. Het staat bij ons vast dat de visch daar komt. De Pernisser heeft daarvoor geen geduld en zeilt de zee over, hij heeft dus alle kans de kabeljauw over den kop te zeilen
Ze gebruiken hetzelfde aas en dezelfde hoeken [haken], maar de Middelharnissers azen pas als ze weer met schieten beginnen, zodat het aas (indien men makreel gebruikt) nog leeft. Met andere woorden: de Pernissers beginnen te vroeg met azen, waardoor het aas oud is en minder aantrekkelijk voor de kabeljauw.
Als de beug binnen is beginnen de Middelharnisser vissers met een kollijn te vissen, waarmee ook behoorlijk goed gevangen wordt. Met kollen houden de Pernissers zich niet bezig.

De schipper eindigt zijn betoog als volgt:
Dat de Pernisser niet erg geduldig is, blijkt ook daaruit dat hij nu reeds binnen is. U zult zien: onze sloepen blijven de geheele maand September nog weg.


Rotterdamsch Nieuwsblad, 5 september 1904


Toelichting:
De sloepen van Pernis en Middelharnis visten met de beug, een stelsel van lange onderling verbonden lijnen. Aan de beuglijnen zaten duizenden korte zijlijntjes, zogenaamde sneuen, waaraan de haken waren bevestigd om de vis te vangen.  Al deze haken werden van aas voorzien. Het uitzetten van de beug in zee heette "schieten".
De kolvisserij  was eenvoudiger. Dit werkte met een lange kollijn, een lijn met stuk lood met daaraan de kolhaak, die voorzien werd van aas. De  kollijnen werden vanaf de scheepsrand door de bemanning heen en weer bewogen.
Beide vistechnieken behoren tot de hoekwantvisserij, de visserij met lijnen en haken in plaats van netten.

donderdag 22 juni 2017

Vele soorten riviervis en haring als aas voor de beugvisserij in Holland (1708)

Om de visserij op de rivieren, meren en binnenwateren van Holland en West-Friesland te reguleren is op 18 februari 1708 een uitgebreid reglement verschenen. "Veele baatzuchtige Menschen en quaadaardige Verdervers" maken zich schuldig aan illegale vispraktijken waardoor de wateren van vis ontbloot worden en de "ruine" van de visserijen te vrezen is, aldus de aanhef.




De rivierprik is vaak genoemd als de soort die het meest gebruikt werd om de beug te azen. Uit dit plakkaat uit februari 1708 blijkt dat de kleine esselingh (alvertje), grundel (grondel), bley (bliek), ruysvoorn (rietvoorn) en kolfogen (puiloog, kolblei) ook als aas dienden. In  de maanden december, januari en februari mochten deze soorten aan de "Luyden die in Zee visschen" geleverd worden.






Haring als aas
Een attestatie uit Middelharnis, toevallig uit hetzelfde jaar 1708, gaat over een groep van minimaal drie stuurlieden die in februari of omtrent 1 maart bij Texel haring kochten om als aas te dienen (2).



Zie eerdere berichten over aas in de beugvisserij op dit weblog: 
13 juli 2012 en 26 september 2014.



Bronnen:
1. Staaten van Hollandt en West-Vrieschlandt. Placcaat op het visschen in de Rivieren, Meeren en Binnewateren, den 18 februari 1708, herhaald en uitgebreid 16 februari 1709. Hierin o.a. ook de premie die verstrekt werd voor het doden van otters.
Groot-Placcaetboeck deel V, p.1571
2. Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr. 36, o.a. 2 december 1708. 






woensdag 21 juni 2017

De visschuit van Dirk van Kakum uit Middelharnis, verloren na een aanvaring bij Goeree (1688)

Op 13 april 1689 legden drie personen een verklaring af over het verlies van de visschuit van Dirk van Kakum* voor de schepenen van dienst te weten Mattheus Elsevier en Johannes Trommel. Willem Gerritsz Hotting, David Cornelisz en Jacob Fransz Lokker getuigden op verzoek van stuurman Dirk van Kakum.

Op maandagavond 29 november 1688 liep de visschuit "door de ongelukkige ontmoeting van Michiel Stevens, mede visscher alhier" aan het strand beoosten Goeree. Hotting en Lokker hebben lange tijd de schuit bewaakt en zijn toen met Van Kakum naar Goeree gegaan. Daar troffen ze een schipper van een bezaanjacht, Aren Dirks Lederkol, die vroeg of ze naar Sommelsdijk wilden varen. Ze hebben geantwoord dat ze dachten dat de "kou te stijf" was maar dat ze mee zouden varen als het "bekwaam" weer was. Ze gingen buiten de poort van Goeree kijken of het vaarbaar weer was, maar hebben het weer te "hard" bevonden en besloten over land met een wagen naar Middelharnis te reizen, temeer omdat schipper Aren Dirks door het harde weer moest blijven liggen. 
Dinsdagavond kwamen ze in Middelharnis aan. Ze hebben daar om timmermansgereedschap gevraagd in de hoop de visschuit te kunnen "recoupereren". Een visschuitje bracht de tijding dat er geen kans was de schuit daarvandaan te krijgen. De luiken waren al afgespoeld, de zeilen, enige touwen, blokken etcetera konden ze eraf krijgen en die brachten ze in Middelharnis. De schuit kwam meer en meer omhoog. De andere dag zagen verschillende mensen gedeelten van de visschuit voor de wal van Middelharnis drijven, zoals zwaarden, spillen, een stuk van de mast, stoppen en dergelijke. Daar hebben ze een deel van opgevist. Toen het zware weer woensdagavond wat was opgehouden zijn ze weer naar de schuit gevaren en vonden hem bijna ondersteboven liggende en "seer desolaat & in 't sand gewoeld te sijn".


* Dirk Michielsz van Kakum is ca. 1638 in Middelharnis geboren, zoon van Michiel Cornelisz van Kakum en Maytje Cornelisdr Clompe, gehuwd op 3 oktober 1632. Dirk van Kakum trouwde met Arentje Arense Grauwkous. Er zijn twee dochters uit dit huwelijk bekend: Maatje is ca, 1665 geboren en Leentje ca. 1674.  
Op 2 juni 1685 is Dirk van Kakum getrouwd met Neeltje Roelands Elsevier, weduwe van Aren Pietersz Sterk en een zus van de bovenvermelde schepen Mattheus Roelandsz Elsevier. Hun ouders waren Roeland Mattheusz Elsevier en Jannetje Jacobsdr Coningh, geboren ca, 1615 en gehuwd op 27 juni 1637 in Middelharnis.
Op 3 oktober 1695 trouwde hij voor de derde keer, nu met Jannetje Leendertsdr van der Braak uit Sommelsdijk, geboren ca. 1641.
Maatje Dirksdr van Kakum trouwde op 21 april 1686 met Johannes Teunisse Trommel, waarschijnlijk de bovenvermelde schepen. Leentje Dirksdr van Kakum trouwde op 11 september 1695 met Jan Leendertsz Koutijser.
(genealogische gegevens van Koene genealogie )

Stuurman Dirk van Kakum
Zijn naam komt voor op de lijst van twintig stuurlieden in Middelharnis van 1682, zie bericht van 16 november 2016. Hij wordt twee keer genoemd als taxateur van visschuiten in 1691. Kennelijk had hij enig gezag onder de stuurlieden.


bronnen:
Rechterlijk archief Middelharnis inventarisnummer 34, 13 april 1689 en taxaties op 15 maart 1691

vrijdag 2 juni 2017

Johannes Don (1791-1828) en Leentje Kanse (1795-1855)

Ouders
Johannes Don is een zoon van Hendrik Klaasz Don en Adriana Lijte (Sijte). Hij is op 15 mei 1791 geboren in Middelharnis. Hij is een kleinzoon van Klaas Don, stuurman op de gaffelschuit Catharina Beatha die in 1774 verging (zie bericht van 16 januari 2014)
Leentje Kanse is een dochter van Jacob Janse Kanse en Maria Bastiaans Hollaar. Zij is gedoopt op zondag 22 november 1795 in Middelharnis.

Huwelijk en kinderen
Johannes  en Leentje trouwden op 14 februari 1816 in Middelharnis. Ze waren 24 en 20 jaar oud. Op
 maandag 16 september 1816 is Adriana geboren, Jakob Kanse Don is geboren op 27 november 1818,  Maria is geboren op 24 april 1821, Hendrika Don op 7 oktober 1823 en Hester geboren op 18 januari 1826.

De ramp met de Catharina Elizabeth
Johannes Don was een van de bemanningsleden van de sloep Catharina Elizabeth , stuurman Leendert de Waard, die op 5 maart 1828 is vergaan. Zie bericht van 9 december 2013. Johannes was 36 jaar oud.

Nabestaanden
Leentje Kanse was 32 jaar toen ze weduwe werd. Ze bleef achter met vijf kinderen van wie de oudste elf jaar was en de jongste twee jaar oud.
Voor de nabestaanden werd een inzameling gehouden. Hieruit werden niet alleen de dagelijkse levensbehoeften bekostigd, maar ook de helft van het leer- en schoolgeld voor de kinderen In 1833 was er nog voldoende geld in kas voor twee tot drie jaar uitkeringen.



Rotterdamsche courant, 27 maart 1834




Genealogische gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje

zaterdag 27 mei 2017

Het schip Kasteel van Bajoene gestrand op de Hompels (1699). Ruzie om de berging tussen vissers van Middelharnis en Zeeuwen.

Bastiaan Jacobsz Goekoop, substituut-strandvonder van het eiland van Westvoorne, verzocht een stuurman van een visschuit uit Middelharnis om assistentie bij het bergen van een verongelukt schip. Het  Kasteel van Bajoene  was op de zandbank (droogte) genaamd de Hompels gelopen, tussen Goeree en Schouwen*. Teunis Jansz Weijman, Cornelis Jansz Halsbergen en Cornelis Pietersz Kuijper bemanningsleden van stuurman Arie Leendertsz deden hun relaas voor de schepenen van Middelharnis.
Op 20 december 1699 zijn ze met hun visschuit bij het schip geweest in gezelschap van twee van de zonen van de strandvonder.  De andere dag zijn ze weer naar het schip gevaren en met het bootje van hun schuit naar het schip toegegaan. Toen ze aan boord kwamen en het touw vastmaakten bleken er Zeeuwen op het schip te zijn.  De Zeeuwen zeiden dat ze het touw weer los moesten maken en dat zij daar niets te zoeken hadden. Een van de Zeeuwen trok een degen en sloeg daarmee Cornelis Pietersz Kuijper. Daarop zijn ze gedrieën teruggegaan. De Zeeuwen hakten het touw van de boot af.

De zandplaat heeft altijd tot het grondgebied van Holland behoord. De strandvonder liet de verklaring optekenen om vast te leggen dat de Zeeuwen onrechtmatig handelden.



Jan Blanken Jzn. Militaire zeekaart Goereesche Gat, 1803
De Hompels linksonder (fragment)

Bron: Rechterlijk archief Middelharnis, inventarisnummer 35, 26 januari 1700

*Voor de Maas, ten noorden van Oostvoorne, lagen ook een aantal platen met de naam de Hompels.

maandag 24 april 2017

Aanvaring in 1711 op Zijpe van de bezaanbunschuit van Dirk Flore van Eck (Middelharnis) met een smalschip

Zijpe, aan de oostkant van Duiveland, was en is een druk punt voor de scheepvaart. Het ligt op een kruispunt van vaarwegen: Krammer, Grevelingen en Mastgat. Op 25 maart 1711 lagen hier verschillende schepen voor anker. Visser Dirk Flore van Eck (1) kon niet voorkomen dat hij met zijn schuit een smalschip (2) dat  geladen was met graan raakte. 


Scheepvaart voor de hoek van Oost-Duiveland
Johann Heinrich Troll (1756-1821) en David Kleyne (1753-1805)
Uit: Zelandia Illustrata, II, 1711



Hij kwam met zijn bootsgezellen voor de schepenen van Middelharnis een verklaring afleggen over de toedracht. Een Antwerpse ventjager was getuige. Ook hij kwam op verzoek van de reders van de bezaanbunschuit samen met zijn knechts in Middelharnis vertellen hoe het zo gekomen was.
Jacobus De Block, ventjager, en zijn knechts Pieter Allmans en Jan Vertonge, allen wonende te Antwerpen, verklaarden dat ze op 25 maart 1711, een mooie, lichte dag, voor anker lagen op Zijpe, niet ver van een smalschip dat geladen was met koren. Stuurman Dirk Flore van Eck kwam aan en laveerde tussen de wal en het smalschip. Hij heeft getracht het smalschip te ontwijken, maar dat lukte niet. Hij raakte met de steven van zijn schuit het smalschip achter het zwaard, waarna het smalschip begon te zinken. Van Eck heeft er alles aan gedaan om een ongeluk te voorkomen.  Na de aanvaring liet van Eck zijn zeil vallen en heeft met zijn bootsvolk de schipper van het smalschip geholpen om het schip aan de wal te helpen. Hij is er tot de andere morgen bij gebleven.
Dirk Flore van Eck verscheen met zijn bootsgezellen Claas Danielse van Teemst, Hendrik Jakobse de Roy, Thomas Dirks Vister, Cornelis Coningh en Leijer Troost voor de schepenen. 
Zij verklaarden dat ze in de namiddag met een harde, koude noordoostenwind op Zijpe omtrent het Tolhuis waren gekomen, alwaar enige vaartuigen ten anker lagen. Ze vertelden uitvoerig hoe ze gelaveerd hebben om een aanvaring met het smalschip te vermijden en hoe enigen van hen gelijk in het smalschip over sprongen om de schipper te helpen en zoveel mogelijk te redden. De andere dag zijn ze er zolang bij gebleven tot het schip weer in staat was om te varen.


Bron: Rechterlijk archief Middelharnis, inventarisnummer 24, 11 april 1711, folio 111 en 112



1. Dirk Flore van Eck was vermoedelijk de oudste zoon van Flore Dirksz van Eck en Tannetje Bastiaans Chijsje, zie bericht van 18 april 2017
2. Smalschip is de benaming van oude Nederlandse koopvaardij- en binnenvaartzeilschepen die smaller waren dan 4,68 meter, waardoor ze door de Donkere Sluis in Gouda konden varen. Schepen die dat niet konden waren de wijdschepen.

zaterdag 22 april 2017

Hendrik Smit (1857-1898) en Catharina van Putten (1866-1920)

Ouders
Hendrik Smit is op 30 april 1857 in Middelharnis geboren, zoon van Johannes Hendrik Smit (1828-1900) en Elisabeth Koudijzer (1826-1897). 

Catharina van Putten is geboren op 26 juni 1866 in Middelharnis geboren, dochter van Adrianus van Putten en Adriaantje Koert.

Huwelijk
Hendrik en Catharina trouwden op 20 maart 1891, ze waren 33 en 24 jaar oud. Het huwelijk bleef kinderloos. Op 15 mei 1895 vertrok het echtpaar uit Middelharnis naar Maassluis. 

De ramp met de MA 145, Johanna
Hendrik was visser van beroep en lid van de twaalfkoppige bemanning van de logger MA 145 Johanna, schipper Jacob Visser.  Op 22 maart 1898 voer de logger uit. Het schip moet met man en muis zijn vergaan in de buurt van Den Helder. Op 25 maart 1898 spoelden wrakstukken aan op de kust, waaronder delen van de romp.
Hendrik Smit was veertig jaar oud.


Algemeen Handelsblad, 24 april 1898


De weduwe
Catharina van Putten bleef op 31-jarige leeftijd alleen achter. Op 15 juli 1903 kreeg ze van de Rechtbank te Rotterdam vergunning voor het aangaan van een nieuw huwelijk. Zij hertrouwde op 27 augustus 1903 met de vijftien jaar jongere Leendert Kranendonk (1881-1920), letterzetter en later winkelier. Ook dit huwelijk bleef kinderloos en eindigde op 1 december 1919 in echtscheiding op grond van overspel door de man. Leendert overleed op 19 februari 1920, de dag dat het echtscheidingsvonnis werd ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van Maassluis. 
Catharina overleed kort daarna, op 27 december 1920 in Maassluis.


Gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje