maandag 24 september 2018

Franse kapers brengen een Engels schip in de haven van Middelharnis (1757)

Tijdens de Zevenjarige oorlog (1756-1763), waarin Groot-Brittannië en Pruisen enerzijds en Frankrijk en Oostenrijk anderzijds elkaar bestreden, bleef de Republiek neutraal. Aanleiding voor de oorlog was de onenigheid over de grenzen van de Franse en Britse bezittingen in Noord-Amerika. De Franse invloedssfeer reikte nu tot aan de grenzen van de Republiek, aangezien de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bestuur vielen.
Op 19 juli 1757 werd Oostende ingenomen door de Fransen.  Oostendse vissers kozen voor Veere om onder de neutrale vlag van de Republiek de visserij voort te kunnen zetten. Tussen 1752 en 1765 werden 46 Zuid-Nederlanders als poorter in Veere ingeschreven, waarvan 38 uit Oostende (4).
Ondanks de neutraliteit van de Republiek had de scheepvaart wel last van deze oorlog. Engelse oorlogsschepen hielden Hollandse koopvaardijschepen, die op weg waren naar Franse havens, aan om de lading te inspecteren. En ze brachten neutrale koopvaardijschepen op die handel dreven met Franse koloniën. Deze gang van zaken leidde in de Republiek tot een anti-Engelse stemming.
De Republiek rustte twintig oorlogsschepen uit om koopvaardijschepen te konvooieren. De konvooien leidden tot diverse confrontaties met de Engelsen.(1) 

Buitenlandse kaperschepen (commissievaarders) hadden de vrijheid om, al dan niet met buitgemaakte goederen, gebruik te maken van Nederlandse havens. Aan dit recht was een aantal voorwaarden verbonden. Ze moesten hun eigen vlag voeren en mochten  niet verder de rivieren op zeilen dan nodig was om zich voor slecht weer in veiligheid te stellen. De commissievaarder was verplicht zich te melden bij 's lands officieren en hen alle informatie verschaffen. In afwachting van een beschikking door de Raden van het College der Admiraliteit moest de kaper toelaten dat er bewakers op het buitgemaakte schip werden geplaatst, om te voorkomen dat "prijzen" (buitgemaakte schepen en goederen) zouden worden vervreemd. De bevolking werd gewaarschuwd om niet behulpzaam te zijn met het vervreemden, verkopen, vervoeren van goederen op straffe van een boete van 1000 gulden.(2)

De Zevenjarige oorlog is in Middelharnis niet helemaal ongemerkt voorbij gegaan.


Een Frans kaperschip werd op 15 december 1757 met een Engels tweemastschip als prijs de haven van Middelharnis binnengeloodst. Kapitein Francois Polé, kwartiermeester Christoffel Monsum en matroos Jan Noijo legden een verklaring af voor schepenen en leenmannen op verzoek van baljuw Willem van der Geer.
De Fransen verklaarden op 7 januari 1758 dat de commandeur van 's Lands uijtlegger voor Hellevoetsluis (wachtschip van de Admiraliteit op de Maze) op 17 december met zes manschappen aan boord van het prijsschip in Middelharnis wilde komen. Ze troffen twee à drie ingezetenen en enkele jongens die aan boord waren om het schip te bekijken. Ze hebben geen enkele weerstand aan de commandeur en zijn manschappen geboden en zijn op bevel van de commandeur van het schip afgegaan. De Fransen benadrukten dat er geen geweld of tegenstand is gepleegd. Ze hebben wel gehoord dat de manschappen die aan boord gingen, om sabels vroegen.
De Franse matroos verklaarde dat de manschappen van de commandeur tegen het op de kant staande volk 'wakker aan het vloeken' gingen en bedreigingen uitten dat als iemand het waagde aan boord te komen zij hem de kop of armen af zouden hakken, en dergelijke meer. De kapitein voegde eraan toe dat spelende kinderen enkele steentjes op het dak van het prijsschip hebben geworpen, maar niet om de commandeur of zijn volk te raken of te kwetsen. Het kan niet zo zijn geweest dat de commandeur en zijn volk zich tot laat in de avond in het schip moesten verbergen om de stenen te vermijden.
De plaatselijke commis ter recherche, Jacobus van der Mij, verklaarde dat hij met de commandeur naar het huis van de baljuw is gegaan en dat ze toen gevolgd werden door 'een groote partij volks bestaande uit Ingeseetenen deeser plaats, soo groot als kleijn, onder welker loop wel veel gevloek op de Helvoeters omging.' Hij heeft geen dreigementen om geweld te plegen gehoord. Alleen de commandeur heeft verteld dat er dreigementen geuit zijn.(3)

De reden om deze verklaring af te leggen was waarschijnlijk dat men zich in wilde dekken tegen een mogelijke aanklacht door de commandeur van het wachtschip tegen ingezetenen van Middelharnis. De bevolking stond niet vijandig ten opzichte van de Franse kaper. Mogelijk gunden ze de kaper zijn Engelse buit. 





1. J.R. Bruijn. Varend verleden.De Nederlandse oorlogsvloot in de 17e en 18e eeuw (Amsterdam 1998), 196. J.C. de Jonge, Het Nederlandsche zeewezen. Vierde deel (Haarlem, 1861) 316 317 332

2. Placaat van de Staaten Generaal, houdende verscheide ordres met opzigt tot de vreemde Commissievaarders. Den 3 November 1756. Groot Placaatboeck VIII (1795) 219-220


3..Rechterlijk archief Middelharnis, inv. nr. 41, volgnummer 43, 7 januari 1758.

4. Parmentier, Vissen in het verleden, 40-41

zaterdag 22 september 2018

Het vergaan van de gaffelvisschuit Vrouw Elizabeth uit Zwartewaal (1810)

Op 11 januari 1811 verscheen Barend Kortenbout, boekhouder en mede-reder van de gaffelvisschuit Vrouw Elizabeth, voor schout en schepenen van Zwartewaal.

Hij verklaarde dat de Vrouw Elizabeth op 6 december 1810 "uit de Goeree ter visscherij is in zee geloopen" en op 16 december op het strand van Ameland "ontramponeerd" is komen aandrijven. In het wrak werden twee lichamen aangetroffen. Uit de geborgen goederen en uit de namen op de kleren van de mannen bleek duidelijk dat het om de Vrouw Elizabeth ging.
De stuurman van de gaffelvisschuit was Johannis Kortenbout. Alleen de naam van de stuurman is bekend. Een gaffelvisschuit had meestal twaalf bemanningsleden.

Als bijzonderheid wordt vermeld dat de schuit in Delfshaven gebouwd werd en in november 1807 nieuw "uijtgehaald" was. Het moet de laatste nieuw gebouwde gaffelschuit zijn geweest. De maten: lang over steven 68 voeten, wijd op de uitwatering 22 voeten en diep onder dek 9 voeten en 6 duimen*


Barend Kortenbout machtigde Andries Pieter Koen, woonachtig op Ameland, om de goederen te bergen en om alles te doen wat verder nodig is.




Bron:
050 Archief ambacht Zwartewaal, inv. nr. 451, schade aan vissersschepen, 1770-1810

* Amsterdamse voeten van 0,2831 cm. Dus 19 meter 25 lang, 6,23 breed en 2,60 diep.

donderdag 13 september 2018

Quade seijlen, deel 2. De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713)

In het septembernummer  2018 van De Ouwe Waerelt is het tweede deel van een artikel over het wel en wee van de vissersvloot van Middelharnis rond 1700 verschenen. 
Dit deel gaat over de Spaanse Successieoorlog (1702-1713).

De vrede na de Negenjarige oorlog duurde maar vierenhalf jaar; in mei 1702 brak de Spaanse Successieoorlog uit.
In 1703 werd de schuit van stuurman Pieter Bastiaansz Brij  genomen. De stuurman belandde in Duinkerken in de gevangenis. 


Gezicht op Duinkerken vanaf de zee.



Er kwamen als gevolg van de oorlog diverse vreemde schepen in de haven van Middelharnis terecht. Op 1 mei 1703 is een Oostendse kaper door Middelharnisse vissers overmeesterd. Het buitgemaakte schip werd in triomf de haven binnengebracht, de bemanning is naar Rotterdam overgebracht. Eind 1703 of begin 1704 trof stuurman Pieter Pietersz de Kin uit Middelharnis een zwaar gehavend Rotterdams schip met de naam Rachel aan, dat onbemand op zee dreef. Hij bracht het in de haven van Middelharnis. Het schip was “ontramponeert”, had geen masten ankers, zeilen en touwen meer. Eind december 1705 kwam een Engels schip geladen met vaatwerk de haven van Middelharnis binnen. Het schip was door een Franse kaper opgebracht en op 21 december 1705 door een Vlissings kaperschip, de Prins van Vrieslant, hernomen.
Op 25 september 1707 sloten acht stuurlieden van visschuiten een contract. Zij waren met elkaar overeengekomen om ‘in eene bende’ te varen om te vissen ' tot 24 december 1707. De inleg bedroeg tussen de tweehonderd en driehonderd gulden per schuit voor een totaal van 2.150 gulden. Als een schuit door een kaper genomen zou worden zou de stuurman als vergoeding voor het losgeld drie maal het ingelegde bedrag krijgen. Maar het contract was niet meer nodig, want in september 1707 hebben de Staten-Generaal en de Franse regering afgesproken om verse visschepen van weerskanten vrij en ongemolesteerd door te laten. Hierdoor ondervond de visserij van Middelharnis na 1707 weinig problemen meer; er is ondanks de oorlog zelfs een stijgende lijn te bespeuren.

De  Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) gingen aan Middelharnis niet ongemerkt voorbij. De oorlog was voor de vissers nooit ver weg en de dreiging van de Franse kapers was onderdeel van de dagelijkse realiteit.
De opgaande lijn van voor 1688 werd door de oorlogen onderbroken; gedurende een kwart eeuw stagneerde de groei van de vloot. Maar toch kan niet gesproken worden van volledige stilstand. Er vond een geleidelijke structuurverandering plaats door de aanschaf van grotere schepen, specialisatie in de kustvisserij en de opkomst van de tarbotvisserij en tarbothandel in voorjaar en zomer. De basis voor de achttiende-eeuwse bloei van de visserij van Middelharnis was gelegd.



Marlies Jongejan, Quade seijlen (deel 2) De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog  In: De Ouwe Waerelt, 18(2018)53, 5-11
De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 9,95.

 

 Link naar de volledige tekst van het artikel:

Quade Seijlen deel 2

zondag 19 augustus 2018

Vismaat en hoeveelheden per vissoort (visafslag van Middelharnis, 18e eeuw)

In 1753 stelde het dorpsbestuur van Middelharnis standaardmaten vast voor een aantal vissoorten. Het doel was om duidelijkheid te scheppen over de maatvoering vanwege de aanhoudende meningsverschillen tussen stuurlieden en ventjagers. Een hele kabeljauw moest 30 Rijnlandse duim (van 2,61 centimeter) groot zijn. Dat is 78 centimeter. Een vis van 26 ½ duim werd als een halve kabeljauw gerekend. Een tarbot moest minimaal 16 duim groot zijn, een hele rog 18 ½ duim en een halve rog 16 duim. Deze lijst der vismaat werd mooi uitgevoerd voor iedereen zichtbaar op het raadhuis aangebracht, aangevuld met maten die op de visafslag van Texel gehanteerd werden voor kabeljauw en tarbot.(1) De stuurlieden waren verplicht om een door de plaatselijke ijkmeester geijkte vismaat aan boord te hebben.


Lijst der vismaat van Middelharnis, 1753
Streekarchief Goeree-Overflakkee Middelharnis, 
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 443.


De vis die het meest aangevoerd was de schelvis. De eenheid waarmee men voor schelvis rekende werd 'snees' genoemd. Een snees stond voor 21 schelvissen. Vleet en rog werden per mand verhandeld. Deze manden heetten 'pensbennen en roche-stukjes'. Naar aanleiding van klachten van ventjagers heeft het dorpsbestuur in 1792 bepaald dat het mandwerk voor vleten en roggen door de plaatselijke mandenmakers gemaakt moest worden. Zij moesten zich voor de maatvoering richten naar de voorschriften van de lokale ijkmeester. De manden moesten de afmetingen hebben van de 'dorpsijzere kruijsbeugels, onder den gezwooren ijkmeester alhier berustende'. Elke mandenmaker moest een geijkte kruisbeugel bezitten. 
In een ben gingen ongeveer tien vleten. Hoeveel roggen erin een stukje gingen is onduidelijk. Eind negentiende eeuw waren manden voor ongeveer veertien stuks rog in gebruik die 'puntjes' genoemd werden. Het is niet zeker of deze manden vergelijkbaar waren met de stukjes uit Middelharnis in de achttiende eeuw. De afslag van schol ging per hele of halve tob(be). Ook deze tobben behoorden geijkt te worden. Volgens een bron uit 1857 gingen er 45 schollen in een tobbe.(2)

© Marlies Jongejan, november 2023


1. SGO, AGM, inv. nr. 5, Resolutieboek, 22 september 1753
2. Mijs, De vischafslag, 43, bijlage P, 193, Bijlage Z, 227-228, Bijlage DD, 254-258; 
Verslag omtrent den staat der zeevisscherijen in 1857 (’s-Gravenhage 1858) 61; 
Hoogendijk, De Grootvisscherij op de Noordzee, 244.






woensdag 8 augustus 2018

Valerius Tophusius, uit Middelharnis verdreven door 'onstuymigevisschers' (1619)

We spreken over 1583. Het dorp Middelharnis, gesticht in 1466, is nog jong. De Reformatie is net achter de rug. In 1574 is het dorp geruisloos, want zonder beeldenstorm, overgegaan naar de nieuwe leer. Dat de laatste pastoor vermoedelijk tevens de eerste predikant was zal bijgedragen hebben aan de rustige overgang. Er waren in 1593 81 huizen*. Gerekend met vier tot vijf bewoners per huis betekent dit dat er nog geen vierhonderd mensen in het dorp woonden.  Hiervan zullen er zestig tot tachtig in de visserij gewerkt hebben. Dit leidden we af uit het gegeven dat er in 1598 zestien stuurlieden van visschuiten waren. Op elke schuit zullen mogelijk vier of vijf bemanningsleden gevaren hebben. 

De eerste predikant van Middelharnis, van 1574 tot 1583, was Aico (of Ajax) Westerwold. Als laatste pastoor zou hij met zijn parochie tot de hervorming zijn overgegaan. Hij had daar veel moeite mee en de jonge gereformeerde kerk kreeg slechts moeizaam gestalte. Er werd geen heilig avondmaal gehouden en er werd geen kerkenraad ingesteld. De classis Brielle verzocht Ds. Westerwold om kleur te bekennen. Hij kwam verschillende malen niet opdagen in de vergadering van de classis. Na zeven jaar besloot de classis in Middelharnis te vergaderen op 22 mei 1581. Westerwold weigerde echter nog steeds aan het avondmaal deel te nemen. In augustus 1582 werd hij bovendien beticht van 'ergerlijck en onstichtelijck leven'. Hij had kritiek geleverd op de kerkelijke verordeningen en was nog steeds niet wettelijk getrouwd. Het gevolg was dat de classis hem uit zijn ambt schorste totdat hij zich aan de voorschriften zou houden.
Ds. Westerwold tekende beroep aan bij de synode, waar zijn antecedenten uitvoerig besproken werden. Behalve de genoemde punten werd hem ook aangerekend dat hij familiair en luidruchtig omging met bepaalde dorspgenoten. Hij was vaak in de herbergen te vinden en kwam meermalen met een stuk in zijn kraag thuis. Hij had geen bewijs van de wettigheid van zijn huwelijk en een classicaal examen had hij nooit afgelegd omdat hij al door 'Rome' was geëxamineerd.
Op 11 juli 1583 bood hij excuses aan in de Brielse classis. Men stelde een akte op die hij zou moeten ondertekenen. Nog voordat de akte voorgelezen was barstte Westerwold in woede uit, waarbij hij het classicaal bestuur beledigde en lasterlijke taal bezigde. Ondanks dit kreeg hij nog een kans indien hij zijn beschuldigingen zou herroepen. Dit deed hij niet, hij verliet de vergadering 'met een tornich gelaat ende met quade woorden'. In hetzelfde jaar verliet hij Middelharnis.
De opvolger van Westerwold was Franciscus Borluyt, aanvankelijk pastoor in Sint Winoksbergen en later predikant in Lissewege. Hij moest in 1586 het veld ruimen omdat hij niet zuiver genoeg in de leer was (1).



De kerk van Middelharnis in 1689
fragment. Meindert Hobbema.
Laantje van Middelharnis


De classis stuurde de Rottterdamse predikant Valerius Tophusius naar Middelharnis. 

In een artikel van J.R. Callenbach vinden we de volgende (onjuist gedateerde) weergave van de gebeurtenissen:
Thophusius was afkomstig uit Antwerpen en werkte sinds 1575 in Rotterdam. Hij had in 1571 de synode in Emden bijgewoond en arbeidde in de geest van die synode, dat wil zeggen in de strenge geest van Calvijn. Tophusius werd een aantal keren gevraagd om zaken te onderzoeken van predikanten die zich teveel vrijheden in de leer permitteerden

Het handhaven van het recht der kerk bracht Thophusius eenmaal in groot gevaar. In 1583 was Aico Westerwold, die op zeer onregelmatige wijze predikant was geworden en op gelijke wijze zijn ambt bediende, tijdelijk geschorst. Toen Thophusius in zijn plaats optrad te Middelharnis, werd hij door „de onstuymige visschers" van die plaats schandelijk mishandeld. Na terugkeer in Rotterdam werd Tophusius door een ernstige ziekte aangetast en overleed (2)
Willem Gerrit Visser heeft in zijn proefschrift De classis Brielle 1574-1623 de juiste gang van zaken en de juiste datering van dit voorval vermeld. Het draaide om Jacobus Carpentarius, een remonstrant die in 1612 als predikant in Middelharnis benoemd was.  De synode van Leiden heeft hem in de zomer van 1619 afgezet omdat hij de leerregels van Dordrecht niet wilde ondertekenen.  
Tophusius was predikant in Oudenhoorn sinds 1604. Hij werd in 1619 door de classis naar Middelharnis gestuurd om een vacaturebeurt te vervullen. 

'In Middelharnis leidde de afzetting van Carpentarius tot tumult. Toen Nicolaus Dammius en Valerius Tophusius uit Oudenhoorn daar kwamen om een vacaturebeurt te vervullen ontstonden opstootjes onder aanvoering van een aantal ‘onstuymige vissers’. Dammius werd gered door een hevige regenbui maar Tophusius werd ‘schandelick’ mishandeld'

'Maandenlang moest een gerechtsdienaar op last van schout en schepenen van Middelharnis tijdens de preek toezicht houden om ‘alle moetwillige ende ongemodesteerde in stillicheyt te houden (…)’ (3).



* Rs. Bakker. De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. p. 7.
1.J.L. Braber. Historie Nederlands Hervormde Kerk Middelharnis, 62-64.
2. J.R. Callenbach. De Nederduitsch hervormde kerk. In: Rotterdam in den loop der eeuwen, 2e gedeelte, 3e stuk, p. 15-16.
Ook vermeld in: A. Th. J. van Deursen. Bavianen en slijkgeuzen. Franeker 2010,  99
Volgens Boers (p.283) is Borluyt in 1585 aangesteld (Braber vermeldt 1583). 
3. W.G. Visser, De classis Brielle 1574-1623. Proefschrift Leiden 2013. CCLVIII;  W.G. Visser, De gereformeerde kerk in wording op Goeree-Overflakkee gedurende de late 16e eeuw. In: De Ouwe Waerelt 18 (2018) 53, 22-25. En: W.G. Vissers, Bestandstwisten op Westvoorne en Overflakkee. In: In: De Ouwe Waerelt 17 (2017) 49, 18-21.

donderdag 31 mei 2018

Reder P.L.Slis en de komst van de telegraaf naar Middelharnis (1871)

Telegraafkantoor in Dirksland
In 1852 nam het Nederlandse parlement de 'Wet tot regeling der gemeenschappen door Electro-magnetische Telegrafen' aan. Deze wet bepaalde dat de Nederlandse staat het telegraafnet ging aanleggen en exploiteren. De telegraaf maakte een nieuwe vorm van communiceren mogelijk, niet langer beperkt door afstand of tijd. Het staatsbelang was gelegen in de militaire informatie van en naar alle vestingen en het gelijktijdig afkondigen van overheidsmaatregelen in alle landsdelen. Het aan te leggen telegraafnet volgde in eerste instantie het spoorwegnet: de steden in de latere Randstad en plaatsen op de route naar België en Duitsland. Daarnaast werd voorzien in een secundair net naar Middelburg/Vlissingen,  Den Helder en Harlingen. De telegraaflijnen waren indertijd van ijzerdraad en hingen 5-7 meter boven de grond. Een kabel door het water aanleggen was een kostbare aangelegenheid, bovendien raakten zeekabels met storm snel beschadigd.
Niet de overheid maar het bedrijfsleven werd de grootste gebruiker van de telegraaf. Handel en scheepvaart konden al snel niet meer zonder dit medium (1).
Spoedig waren alle geplande lijnen gereed, behalve die naar Brouwershaven, via Brielle en Hellevoetsluis. Deze lijn, met een kantoor in Dirksland, is aangelegd door de particuliere Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij in 1854 . Op Overflakkee had vanaf 1854 alleen Dirksland een telegraafkantoor, dat voor alle gemeenten op Goeree-Overflakkee dienst deed. Het halen en brengen van telegrammen met een bode van en naar Dirksland was duur en tijdrovend.

Verzoekschriften voor meer telegraafkantoren
Op 27 november 1869 richtten de burgemeesters van het oostelijk deel van Flakkee zich middels een brief en een advertentie tot de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën met het verzoek om de postvoorziening te verbeteren. In de tekst wordt ook gepleit voor telegraafkantoren in Middelharnis en Oude-Tonge, 'de plaatsen waar de meeste handel en het grootste vertier is.' (2)
In de vergadering van de Tweede Kamer van 22 december 1869 pleitte de afgevaardigde Van Kerkwijk op basis van het verzoekschrift en van persoonlijke lobby van de gemeenten voor een rijkstelegraaflijn op Flakkee. 'Middelharnis heeft een grooten vischhandel en vormt met Sommelsdijk een bevolking van 5 à 6 duizen zielen. Te Oude Tonge wordt wekelijks een groote koornmarkt gehouden', aldus de argumentatie van Van Kerkwijk. Maar ook dit pleidooi was tevergeefs.



Zierikzeesche Nieuwsbode, 30 december 1869


Het ingediende verzoek vond geen gehoor bij de regering. Uit onvrede over het isolement van de regio is bij K.B. van 29 april 1870 nr. 11 de vereniging 'Levensquaestie' opgericht (Nederlandsche Staatcourant, 28 mei 1870) ook omschreven als de 'Vereeniging tot bevordering der verbetering der gemeenschapsmiddelen tusschen dit eiland en den vasten wal'. Op door deze vereniging ingediende verzoeken, die betrekking hadden op alle communicatiemiddelen (veerdiensten, post en telegraaf), kwam zelfs geen antwoord uit Den Haag.

Telegraafkantoor Middelharnis-Sommelsdijk
Begin januari 1871 kwam in Middelharnis-Sommelsdijk  de 'Commissie tot oprichting van een Telegraafkantoor'  tot stand. De commissie bestond uit Pieter Leendert Slis (scheepsreder), Willem Matthias van den Broek (rentmeester), beiden uit Middelharnis, David de Graaff en Arend Dingeman Mijs uit Sommelsdijk (landbouwers). Slis was de secretaris en drijvende kracht van de Commissie. Er was weliswaar een kantoor in Dirksland, schreef hij op 10 januari 1871 aan de gemeenteraad van Middelharnis, doch
het tijdverlies daarmede gepaard gaande verijdelt somwijlen het doel van de draadberichten
Ze verzamelden in korte tijd 200 handtekeningen van medestanders. Pogingen om financiële steun van de beide gemeenten te verkrijgen liepen, ondanks de welwillende toon van de correspondentie, niet uit op concrete toezeggingen. De commissie zette desondanks voortvarend door. Op 28 februari 1871 sloten de leden van de commissie een overeenkomst met de Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij. De verwachte omzet aan telegrammen was 1.200 gulden per jaar. De commissieleden stelden zich gezamenlijk garant voor een eventueel tekort en ze stelden een pandje ter beschikking als telegraafkantoor. Op 1 april 1871 is het Telegraafkantoor Middelharnis-Sommelsdijk geopend. Het was alle dagen open van 9-12 en van 2-7. Op zondag kon men ook terecht van 8-9 en van 2-5.  Na vijf jaar werd de overeenkomst door de beide gemeenten voortgezet.(2)

Vanaf  april 1871 konden de reders van Middelharnis dus eindelijk beschikken over een geregelde telegraafverbinding. Belangrijke havens in het handelsnetwerk van de rederijen als Nieuwediep (Den Helder), Vlaardingen, Antwerpen, Vlissingen hadden al veel langer een telegraafkantoor.

Gebruik van de telegraaf
Voor de vissersgezinnen betekende de komst van de telegraaf dat nieuws over het wel en wee van de sloepen hen sneller bereikte. Een voorbeeld van slecht nieuws via de telegraaf dateert uit 1876. Vanuit Hellevoetsluis bereikte Middelharnis een 'onrustbarend telegraphisch bericht'. Drie personen, waaronder stuurman Jan de Korte, waren overboord geslagen van de vissloep Onbestendigheid.





De Tijd, 18 november 1876

Hendrik de Korte beschreef de gang van zaken aan het begin van de 20e eeuw. Als een lid van de bemanning omgekomen was, werd de reder vanuit IJmuiden per telegram verwittigd. Hij gaf het bericht aan de predikant door die het droeve bericht op zijn beurt aan de familie overbracht (3).

De komst van de telegraaf moet van grote invloed geweest zijn op de gang van zaken in de rederijen. De reder kon over meer informatie beschikken over markten en prijzen dan vroeger. De telegraaf maakte het mogelijk om op afstand instructies te geven en zo meer invloed uit te oefenen op de vloot.  Een voorbeeld van telegrafische instructie stamt uit Vlissingen uit november 1887. Twee sloepen uit Middelharnis kwamen daar op een middag de haven binnen met elk ongeveer 3800 stuks schelvis. Ze kwamen niet naar Vlissingen om hun vangst te verkopen maar om orders te krijgen. Slechts enkele Vlissingers konden wat vis bemachtigen. De volgende morgen vertrokken de sloepen weer omdat ze orders gekregen hadden hun vangst elders op de markt te brengen.
De reders konden nu handelen op afstand. Dit betekende meer controle op de stuurlieden, die minder autonoom naar eigen inzicht konden handelen dan vroeger. Aan de andere kant kon de informatie waarover de reder beschikte tot een optimale besomming leiden. Daar kon de hele bemanning profijt van hebben.



Vlissingsche Courant, 10 november 1887



In 1883 kwam een einde aan de Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij. Het Rijk nam de lijn over. In 1886 werd een nieuw post- en telegraafkantoor in Middelharnis gebouwd (Algemeen Handelsblad, 18 december 1885, aanbesteding).



De Tijd, 2 juni 1883



1. Woud, Auke van der. Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland (Amsterdam 2006) 342-354,  De Tijd, 2 juni 1883.
2. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 1702, Dossier inzake de oprichting van een post- en telegraafkantoor aan het Zandpad, 1870-1876.
3. Eilanden-Nieuws 20 augustus 1947, deel 9 van ''Iets over de visserij" door Hendrik de Korte.

zaterdag 19 mei 2018

De vissloep De Zeeuw van de Vlissingsche Zeevisscherij in de haven van Middelharnis (1879-1880)

Oprichting van de Vlissingsche Zeevisscherij
In de Vlissingsche Courant van 7 februari 1876 werd ingegaan op de goede opbrengsten van de zeevisserij in Nieuwediep/ Den Helder. Met haar geschikte haven (gerealiseerd met de aanleg van kanaal en spoorweg) en de gunstige ligging ten opzichte van de buitenlandse markten zou Vlissingen toch ook succesvol kunnen zijn in de zeevisserij, aldus het betoog in de krant.
Al op 9 maart 1876 werd de oprichting van de naamloze vennootschap of rederij aangekondigd en kon men intekenen op aandelen van 250 gulden per stuk (totaal benodigd kapitaal 30.000 gulden volgens een beschouwing in de Vlissingsche Courant van 24 februari 1878 , de scheepswerf bedong een matige prijs). De Vlissingse koopman F. Wibaut* werd directeur van de rederij.



Vlissingsche courant, 9 maart 1876

Op 19 maart 1876 meldde de krant het besluit om met de grote visserij te beginnen.
Twee maanden later, op 18 mei 1876, werd op de werf van de Koninklijke Maatschappij De Schelde de kiel gelegd voor de vissloep De Zeeuw.
De N.V. Maatschappij De Schelde is op 8 oktober 1875 opgericht. De werf was gevestigd op het terrein van de voormalige Marinewerf van Vlissingen. Na de bouw van een ponton voor eigen gebruik was de vissloep het eerste vaartuig (Bouwnummer 1) dat op de werf werd gebouwd (1). De Zeeuw was een houten vissloep. Lengte 22,65 meter (80 Amsterdamse voet), breedte 5,80 meter, diepgang 2,92 meter (8).
Op 29 oktober 1876 werd de vissloep te water gelaten (2). 



Vissloep De Zeeuw (157 ton) aan de Dokkade in Vlissingen
bron: Beeldbank Gemeentearchief Vlissingen 56512
zie ook nr. 16434 en de tekeningen van de sloep in deze Beeldbank.

De visserij
Aan het eind van het jaar 1876 kon de visvangst beginnen. Schipper werd Dirk Meijboom, inwoner van Middelharnis en in 1841 in Pernis geboren, op 1 mei 1867 in Middelharnis getrouwd met Maatje van der Put. Hij verhuisde daartoe op 9 oktober 1876 met zijn gezin naar Vlissingen (7). Op 9 januari 1877 meldde de Middelburgsche Courant dat De Zeeuw in Nieuwediep was binnengelopen met een geringe vangst door het aanhoudende ruwe weer. Eind januari bracht de sloep voor het eerst levende vis aan in de thuishaven.


Vlissingsche Courant, 25 januari 1877

In het voorjaar van 1877 roofden Engelse vissers een deel van het viswant van De Zeeuw. Het want is door schipper C. Noordzij bij een Engelsman aan boord teruggevonden, meldt de Middelburgsche courant op 10 april 1877. In het najaar van 1877 heeft de sloep maanden stilgelegen door gebrek aan bemanning, aldus de Vlissingsche Courant van 18 november 1877.
Het was de Vlissingers, althans de redacteur van Vlissingsche Courant, een doorn in het oog dat de lading van de sloep in andere plaatsen werd verkocht. "Tot ons leedwezen moeten wij onze stadgenooten mededeelen, dat de vischsloep "de Zeeuw" [...] gisteren avond naar Antwerpen is vertrokken teneinde aldaar haren visch te verkoopen." (4 april 1878). Op 18 mei 1878 berichtte de Goessche Courant dat De Zeeuw wegens gebrek aan bemanning die zomer niet uit zou varen.

Vanuit Middelharnis
Eind 1878 werd besloten om De Zeeuw bij de vloot van Middelharnis onder te brengen. De schipper verhuisde op 8 november 1878 terug naar Middelharnis. De eerste  aankomst van de Zeeuw in Middelharnis was op 18 december 1878 
In de winter 1878/79 maakte De Zeeuw tot 6 april tien reizen op verse vis met als stuurman/schipper Dirk Meijboom.( 6)
In 1879 lagen er in Middelharnis 19 sloepen met een bemanning van ruim 250 personen.
Een van deze sloepen is eigendom van de "Vlissingsche Zeevisscherij", maar deze vaart uit Middelharnis en gebruikt eene bemanning welke daar ter plaatse te huis behoort (3).
Sedert de sloep in Middelharnis was ondergebracht had men niet meer te maken met de "vroeger voorkomende desertiën, dronkenschap en vechterijen" en was er ook geen gebrek meer aan geschikt volk. "De verbetering in het gehalte der equipage was merkbaar van invloed op den gang van zaken." Desondanks werd opnieuw verlies geleden (4).

In 1880 maakte De Zeeuw één lange zomerreis ter zoute, terwijl de andere sloepen van Middelharnis er twee maakten. De Zeeuw kwam pas op 16 augustus binnen, toen de anderen al weken aan de tweede reis bezig waren. Aangezien er half augustus volop haring aangevoerd werd lag de prijs voor gezouten kabeljauw laag. De lading van De Zeeuw, 199 tonnen vis en 17 tonnen leng werd in overleg met de Vlissingse rederij tot in de tweede helft van september in Vlaardingen opgeslagen. De exploitatie was opnieuw verliesgevend en de aandeelhouders waren niet meer bereid om de uitrusting voor een nieuwe reis voor te schieten (5).

Verkoop van de vissloep
Het bestuur nam in het najaar van 1880 de stap om de vissloep te verkopen. Op de aandeelhoudersvergadering van 16 november 1880 werd de verkoop goedgekeurd.
De sloep kwam in handen van de firma Jos & L. Crabeels broeders te Antwerpen (9) voor 10.026 gulden, iets meer dan 2/5 van de kostprijs. De aandeelhouders kregen slechts 15% van hun inleg terug.


Vlissingsche Courant, 21 november 1880

In de Middelburgsche Courant van 10 februari 1881 verscheen een kritische beschouwing over de exploitatie van de vissloep.  De hoge afschrijvingslasten en de verzekeringspremie zijn mede oorzaak van het tekort. In Holland worden dergelijke sloepen niet verzekerd, aldus de krant.
De Zeeuw werd omgedoopt tot Leopold I. De Belgische sloep verging op 8 april 1882 op de Banjaard. De elf opvarenden konden worden gered.








* Florentinus Wibaut, overleden 5 april 1881, vader van F.M. Wibaut, o.a. wethouder van Amsterdam.


1. Peter van Druenen, Vissers, kapers, arbeiders. Vlissingen 700 jaar stadsrechten (Vlissingen 2015), 712-715. 

2. Vlissingsche courant 29 oktober 1876.
3. Verslag van den staat, 1879, 79.
4. Vlissingsche courant, 5 augustus 1880 en 2 september 1880 (verslag over 1879).
5. Vlissingsche courant, 11 augustus 1880 (verslag over 1880).
6. Archief Gemeente Middelharnis, staten Slis en Kolff.
7. Bevolkingsregister Middelharnis 1861-1890, folio 594.
8. Henk Nagelhout, Koninklijke Maatschappij "De Schelde". De 400+ schepen die wij bouwden. 2017, 
9. Mededeling van Raymond van Ael inzake de firma Crabeels. Voor 1840: Jan Crabeels, vishandelaar (poissonier) , wonend op de Palingbrug sectie 1 nummer 293; de weduwe van Joseph Crabeels, vishandelaarster (poissonière) , wonende in de Kleine Burchtgracht sectie 1 nummer 213. Dit was de buurt waar ook vissers uit Middelharnis gewoond hebben. Voor 1870: wordt onder de reders, vishandelaars van droge en gezouten vis, een J. Crabeels vermeld, samen met Vandenbemden Frères, Van Baelen J&C°, Goosens B, Herkens J.J., Vandervoort J.B. Vanden Bemden en Van Baelen zijn ook reders van negen vissloepen, naast een visrokerij, verwerkingsfabriek, distributiecentrum. De verse vis werd echter verplicht in de vismijn van de vismarkt afgeslagen. Mogelijk kocht J(os?) Crabeels samen met zijn broer “L.” de sloep de Zeeuw aan en werd hun vishandel dan de onderneming “Jos & L. Crabeels frères." Een tweede sloep van deze onderneming heette de Rosalie (tweemast schoener getuigd?).

Een tweede initiatief werd gemeld in de Vlissingsche Courant van 9 en 12 maart 1876. J.J.P. Hector, Jonkheer M.J. de Marees van Swinderen en A. Meijers vatten het plan op om een sloep uit te rusten voor de zeevisserij. De bestelden daartoe een sloep van 44 ton in Oostende waarvan de kiel in maart 1876 is gelegd en die de naam Vooruitgang kreeg. Op 27 juli 1876 meldde de Zierikzeesche Nieuwsbode de binnenkomst van de sloep in Vlissingen met een lading verse vis die naar Engeland werd verscheept, nadat deze krant op 1 juli 1876 het vertrek van de sloep meldde. De sloep werd gevoerd door schipper Borgers. Op 19 mei 1879 berichtte de Middelburgsche Courant dat deze sloep aan Oostende verkocht was omdat het vaartuig geen gunstige financiële resultaten opleverde.
Vijf eerdere pogingen in de achttiende en negentiende eeuw om de zeevisserij vanuit Vlissingen te bedrijven :In 1845 werd de Vlissingsche Visch-Reederij opgericht. De vischsloep Prins Hendrik van deze rederij kwam op 23 juli 1845 voor het eerst in Vlissingen binnen, schipper H. Meuldijk, met 172 tonnen gezouten vis en enkele tonnen levertraan (Vlissingsche Courant, 28 juli 1845; Leydsche courant, 30 juli 1845). De lading werd in Vlissingen zelf afgeslagen. Op 14 oktober  kwam de sloep van een tweede reis binnen (Vlissingsche courant, 17 oktober 1845). De laatste vermelding van deze sloep dateert uit de zomer van 1846.(Algemeen Handelsblad, 29 juli 1846).  De openbare verkoping van de Prins Hendrik vond plaats op 25 juni 1847 in Vlissingen (Vlissingsche Courant, 21 juni 1847). H.P. Winkelman schrijft in 1873 in zijn Geschiedkundige plaatsbeschrijving van Vlissingen uit 1873 dat de onderneming uit 1845 in 1847 ontbonden is. "Later nog hebben eenige ingezetenen, tot twee malen toe beproefd, eene vischsloep van Vlissingen te doen varen, maar eveneens zonder goed gevolg." (p. 160).
In de jaren 1717-1720 werd de kabeljauwvisserij bedreven op initiatief van het stadsbestuur en in tussen 1751 en 1757 waren particuliere reders actief in de kabeljauwvisserij en de haringvisserij . (Van Druenen, 567-570 en handschrift Jasper Jaspersen Brasser, 91-92, 624-628, 713-717).



Meer Zeeuwse initiatieven op het terrein van de zeevisserij:

Zierikzee 1856, zie de tekst van 12 mei 2018
Te Veere is opgericht een N.V. tot uitoefening der zeevisscherij onder de naam van "kustvisscherij de Eendracht". Kapitaal f 6.000 in 24 aandelen van f 250, directeur is de heer de Bruyne (Het Zuiden, 9 augustus 1877).

In Terneuzen is in 1887 het initiatief genomen om de uitmuntende haven van Terneuzen en de goede spoorwegverbindingen met Gent, Brussel en Mechelen dienstbaar te maken aan de zeevisserij. Enkele energieke mannen kochten een in Terneuzen gebouwde hoogaars en wierven equipage aan. Bij een gunstige uitslag is men van plan meer en grotere vaartuigen in te zetten. Algemeen Handelsblad, 13 mei 1887. De Middelburgsche Courant vermeldt in dit verband de namen van L. Schalk en R. Walraven als leden van het bestuur (12 mei 1887). De vangst moet in Terneuzen worden aangebracht (Vlissingsche Courant, 19 mei 1887).