zondag 7 oktober 2012

IJslandvaart vanuit Middelharnis

IJslandvaart vanuit Frankrijk
Pêcheurs d'Islande, Une vie sans printemps heette de tentoonstelling in 2006 in het Musée Portuaire in Duinkerken. In het midden van de negentiende eeuw was Duinkerken de belangrijkste Franse haven voor de kabeljauwvisserij op IJsland. Jaarlijks vertrokken in april zo'n 130 schepen met 2000 bemanningsleden. De reis duurde een half jaar.


Retour de pêche à l'Islande, aquarelle Orlando Norie, 1875. 
© Collection du Musée portuaire.

Naast Duinkerken waren ook Vlaamse vissersplaatsen (Oostende vooral) actief in de IJslandvaart, plaatsen langs de Noordfranse kust (o.a.Calais, Boulogne) en Bretonse havens (Paimpol bijvoorbeeld).
In het boek dat bij de tentoonstelling hoort worden alle facetten van de IJslandvaart behandeld. De voorbereidingen voor de "Grand départ", het leven aan boord, het vissen, het verwerken en zouten van de vis, verblijf in het Faskrudsfjord, het leven van de visservrouwen etc.  Een bijzonderheid is dat enkele Duinkerkse vissers hebben gezorgd voor IJslandse nakomelingen die in 1988 een reünie hielden in Duinkerken (1).
Door de roman Pêcheur d'Islande van Pierre Loti uit 1886 heeft de IJslandvisserij vanuit Bretagne brede bekendheid gekregen. 

IJslandvaart vanuit Nederland
Standaardwerk over dit onderwerp is het proefschrift uit 1935 van Marie Simon Thomas (3). In de zeventiende en de achttiende eeuw werd vanuit Enkhuizen, Delfshaven, Schiedam, Zwartewaal, Vlaardingen, Maassluis en Zierikzee in de omgeving van IJsland op kabeljauw gevist. De IJslandvisserij van Maassluis is het thema van het boek Psalmenoproer van Maarten 't Hart.
Aan het eind van de achttiende eeuw werd de concurrentie vanuit Franse havens en vanuit de havens in de Oostenrijkse Nederlanden  (Duinkerken, Oostende en Nieuwpoort) te groot.
De invoerrechten waren hoog en in naburige landen kregen de kabeljauwvissers een premie. Deze steun moesten de vissers in de Republiek ontberen. Daarnaast zorgde de kabeljauwvisserij bij Newfoundland voor een grote aanvoer op de Europese markt. De premie die in 1788 alsnog werd verleend hielp de IJslandvisserij er niet meer bovenop.

In het boek van Marie Simon Thomas wordt Middelharnis vermeld in het laatste hoofdstuk dat over de negentiende eeuw gaat. Het College van Gecommitteerden tot de IJslandsche kabeljauwvisscherij in Zuid-Holland hield vanaf 1818 lijsten bij van schepen, reders en aangebrachte vis. Het aantal schepen lag tussen 1818 en 1836 meestal tussen de 10 en 15 per jaar waarvan de meeste uit Maassluis en Vlaardingen. Delfshaven was meestal met een schip vertegenwoordigd, Zwartewaal rond 1830 met een tot vier en Pernis rond 1830 met een tot vijf schepen per jaar.

IJslandvaart vanuit Middelharnis in 1829, 1830, 1831, 1832 en 1833
In dezelfde tijd dat Zwartewaal en Pernis schepen naar IJsland stuurden ging ook vier keer een sloep uit Middelharnis naar IJsland. Thomas vermeldt Middelharnis in 1829 tot en met 1833 telkens met één schip (Bijlage N).
In de bron, dat wil zeggen het archief van de Gecommiteerden van de IJslandse en kabeljauwvisserij in Zuid-Holland, vinden we meer gegevens.  De
 reis in 1829 werd ondernomen met de nieuwe sloep Vrouw Pietertje), stuurman Jan de Waard, boekhouder L. Kolff van Oosterwijk. Aan de reizen van 1830 tot en met 1833 nam de hoekerbuis Waakzaamheid van Jacob Slis deel.

Aankondiging door reder Lambertus Kolff van Oosterwijk dat hij
in april 1829 een sloep naar IJsland zal sturen. Het begeleidend schrijven van
Cornelis Kolff, neef van Lambertus, is gedateerd 21 februari 1829.
Nationaal Archief, toegang 311.05,  inv. nr. 15.

Na 1837 gingen er uit Zuid-Holland meestal nog twee of drie schepen per jaar naar IJsland. Vanaf 1850 ging het nog slechts om enkele incidentele weinig succesvolle pogingen, zoals die van reder Kolff uit Middelharnis in 1902.


IJslandvaart vanuit Middelharnis in 1902
In 1902 hebben twee sloepen uit Middelharnis in de IJslandse wateren gevist. 
In een artikel van Jan Both in De Ouwe Waerelt  wordt de reis in 1902 van de beide stalen sloepen van rederij Wed. C. Kolff en Zoon beschreven.  De MD 10 Johanna Hendrika schipper, Leendert Koster en de MD 14 Paul Kruger, schipper Hein Langbroek vertrokken op 29 april 1902. De schepen zijn op 21 juli teruggekeerd dus het was een reis van korte duur, maar de afgelegde afstand was enorm. De schepen zijn 1500 mijl ver weg geweest. 
Vanwege de onbekendheid met de vaart op IJsland was er een loods aan boord. Bij Hein Langbroek was het een Engelsman en bij Leen Koster een Fransman (5).
Van deze reis zijn egodocumenten in de vorm van brieven en gedichten bewaard gebleven 
Matthijs Visser was een van de opvarenden van de MD 10. Hij schreef een gedicht over de  reis (2).
Matthijs Visser (1864-1942)
foto: Streekarchief Goeree-Overflakkee


In 1932 waren de rollen omgekeerd: drie moderne IJslandse trawlers brachten hun vis aan de wal in IJmuiden


1. Jean-Pierre Mélis. Grande pêche, T. 1. Goélettes flamand à l'Islande. 2006
2. J.C. Both. Een visreis naar IJsland. In: De Ouwe Waerelt, 12(2012)35, 12-17.

3. Marie Simon Thomas. Onze IJslandsvaarders in de 17de en 18de eeuw; bijdrage tot de geschiedenis van de nederlandsche handel en visscherij. Amsterdam, 1935. Proefschrift Utrecht.
4. Maarten 't Hart. Psalmenoproer. Amsterdam, 2006.
5. interview met Kees Koster en Gerrit Langbroek, ZB, 1903 A 7.

C. de Jong, Barend Faasse's rijmbeschrijving van zijn visreis naar IJsland in 1902. Mededelingen zeegeschiedenis.1979, 103-109.

bron: Nationaal Archief,, toegang 311.05, College van Gecommitteerden tot de IJslandsche kabeljauwvisscherij in Zuid-Holland, inv. nr. 1, p. 271, 301, inv. nr. 2, p. 27, 40, 44. 

In inv. nr. 15 (1829) aanvraag van L. Kolff van Oosterwijk.


zaterdag 6 oktober 2012

Het kofjekokertje en het spookschip van Middelharnis door Cor van den Tol (1906-1976)



Het spookschip
De sloep uit dit jeugdboek van Cor van den Tol is de MD 7 Toekomst. 
Wat weten we over de MD 7 Toekomst ?
De  A 11 Avenir, zoals de sloep oorspronkelijk heette, was een houten schip van de Antwerpse rederij Wed. Mauroy, gebouwd in 1883. In november 1887 werd de sloep aangevaren ter hoogte van Doggersbank door de Duitse stoomboot Prins Wilhelm. De sloep werd door de MD 1 Waakzaamheid, schipper Johannes de Waard, in Den Helder/Nieuwediep binnengebracht. Rederij P.L. Slis kreeg hiervoor 1.220 gulden als beloning.




Heldersche en Nieuwedieper Courant, 20 en 23 november 1887.


De A11 Avenir en A12 Pionnier werden in 1888 door reder K.J. Meijer uit Middelharnis aangekocht. De schepen voeren vanaf 1892 voor rekening van rederij P.L.Slis als MD 7 Toekomst en MD 35 Pionier.

De Antwerpse schepen waren een stuk groter dan de sloepen waarmee men in Middelharnis gewoon was te varen. Sommige vissers 'hadden het er niet op'. Er deden verhalen de ronde over de eigenaardigheden van deze schepen. Het idee dat de sloepen uit een katholieke streek kwamen en dat er aan boord wel veel gevloekt zou zijn, stond de mensen ook niet aan (1). Misschien werd de Toekomst ook toen al een spookschip genoemd of anders heeft de schrijver van het boek deze term bedacht.

De  MD 7 Toekomst werd in mei 1899 aangevaren door een grote Noorse bark (2), de Zorida. De bemanning van de sloep sprong over naar het Noorse schip. Drie bemanningsleden, Jan de Man, Aren de Koning en Leendert Koster, misten de sprong en verdronken. Stuurman Laurens van Gelder raakte bekneld tussen de bark en de sloep. Hij werd zwaar gewond en stierf aan zijn verwondingen. De Zorida heeft de Toekomst op sleeptouw genomen en naar de Noorse haven Krageroë gebracht.  Laurens van Gelder  werd in Brevik begraven. De bemanning is per boot terug naar huis gekomen. 


Zierikzeese Nieuwsbode 4 mei 1899


Het boek van Cor van den Tol
Van den Tol adviseert de  lezers om niet te zoeken naar vissers die bestaan hebben of nog leven, want hij wilde vooral een boeiend en aantrekkelijk jeugdboek schrijven (3). De bovenstaande aanvaring wordt wel in het boek beschreven. Maar in het boek komen twee bemanningsleden, de kofjekoker Frans Verburg en zijn zeevader De Snorre, met een roeiboot in Grimsby terecht. Hier beleeft Frans avonturen samen met de zoon van de vuurtorenwachter.
De spanning wordt vanaf het begin van het boek opgebouwd doordat de hoofdpersoon Frans al lang voor zijn vertrek verhalen over het spookschip hoort en hij zelf vanaf de eerste dag aan boord merkwaardige dingen meemaakt. Ondanks deze spanning is het boek toch hier en daar wat saai om te lezen.
Bij de beschrijving van het leven in het dorp Middelharnis en de Vissersstraat is het boek Zee en eiland van Arjanus Faasse ongetwijfeld een inspiratiebron geweest. Hoewel Van den Tol, die in 1906 geboren is, zelf ook nog een staartje van de Middelharnisse visserijgeschiedenis meegemaakt heeft.
Details als het winkeltje van Dikke Jannekee in de Vissersstraat en de winkel de Gekroonde Moren zijn aardig om te lezen. Een ontmoeting met een visser genaamd Jongejan, aan de Sasdijk, komt dicht bij de realiteit van het begin van de twintigste eeuw. Ook het verblijf in IJmuiden bij 'geëmigreerde' familieleden tussen de reizen door, was een ervaring die rond de eeuwwisseling door velen gedeeld werd.
Het leven van het kofjekokertje is beschreven zoals je het ook in andere bronnen tegenkomt. De laatste schooldag op elfjarige leeftijd van een kind dat nog voornamelijk met knikkeren bezig was.

De Toekomst vaart weg uit Middelharnis
illustratie uit het boek


De auteur
De website oogo.cultuurpleingo.nl bevat de volgende tekst over Cor van den Tol:

De romanschrijver Cor van den Tol (1906-1975) en het eiland Goeree-Overflakkee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De auteur werd op 25 augustus 1906 in Middelharnis geboren en overleed op bijna 69-jarige leeftijd in zijn geboortedorp. Toen hij stierf liet de geliefde schrijver in veel opzichten een grote leegte na. Van den Tol werd begraven op de begraafplaats ‘Vrederust’ aan de Rottenburgseweg. Van den Tol kwam uit een arbeidersgezin, zijn vader was landarbeider. Het gezin telde zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes. Terugkijkend op zijn jeugd sprak hij over de kleine kamertjes, de harde zoute bonen, de ‘luzze’ (kleine aanbouw van een woning) en het zeer kleine kamertje met de (niet) w.c. Van den Tol las, in tegenstelling tot zijn ouders, graag. Als schoolkind schreef hij opstellen voor zijn klasgenoten. Een keer viel de jeugdige schrijver door de mand. Toen één van hen de door Cor geschreven tekst niet goed kon lezen zei hij: ‘Cor, wat staet hier?’. De ouders van Cor hadden geen geld om boeken aan te schaffen; hij mocht ze bij de dokter en de notaris lenen. Toen Cor vijftien jaar was schreef hij een verhaal dat werd gepubliceerd in het letterkundige tijdschrift ‘Opgang’. Een leraar Nederlands aan de Rijks H.B.S. te Middelharnis onderkende het schrijftalent van de jonge Cor en gaf hem twee jaar lang les in stijl en taal. Maar Cor was hiermee nog geen broodschrijver. Net als zovelen moest hij meewerken om het grote gezin in hun dagelijkse behoeften te voorzien. Toen Cor van den Tol twaalf jaar oud was ging hij letterlijk met textiel de boer op. Hier ligt de basis van de boeken van Van den Tol in het algemeen en van zijn Flakkeese boeken in het bijzonder. Op zijn rondgang langs huizen en boerderijen moet de schrijver talloze verhalen hebben gehoord die op het eiland speelden. Later vinden we ze terug in bijvoorbeeld: ‘Mensen die langs ons gaan’, Flakkeese novellen en schetsen. Een boek dat de schrijver opdroeg ‘aan het Flakkeese volk, dat ik liefheb.’
Cor van den Tol  had een leesbibliotheek op het Zandpad. Het was een lange smalle ruimte vol rekken met overwegend bruin gekafte boeken en boeken met een doorzichtig plastic omslag. Cor van den Tol, een rijzige man met een volle grijze haardos, stond achter de toonbank. Je kon er halverwege de jaren zestig voor een dubbeltje per week een roman lenen.


Cor van den Tol, foto van de website cultuurpleingo.nl


© Marlies Jongejan


1. Arjanus Faasse, Zee en eiland, (ca. 1962) 86. 
2. Zie: 
Rinus van Dam, Marlies Jongejan en Pieter Koster, De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) (Amsterdam 2018) 169-170
3. Cor van den Tol. Het Kofjekokertje en het Spookschip van Middelharnis. Naarden, 1973. Illustraties van Jan P. Koenraads.

maandag 1 oktober 2012

Naar de HBS in 1917. Gerrit Jongejan Azn. (1902-?)

Gerrit Jongejan, zoon van Abraham Jongejan en Teuntje de Koning (zie tekst op dit blog van 8 februari 2012) was de eerste uit de vissersfamilie Jongejan die naar de HBS ging. Hij heeft op het postkantoor in Middelharnis gewerkt en werd later marconist. In 1928 trouwde hij in Stellendam met Cornelia Teuntje Holleman.

Dat hij naar de HBS ging was bijzonder voor die tijd.
De HBS in Middelharnis ging in september 1917 van start, de leerlingen kwamen meerendeels uit gezinnen van grote boeren, gegoede middenstand en notabelen.



Vooruit 8 september 1917

Hier een foto van de reünie in 1967. Gerrit is de tweede van links.

De eerste klas van 1917 bij de reünie in 1967
Dames van links naar rechts: mw. Kneepkens-van Schouwen, mw. Soldaat-Poortvliet,
zr. Jans Snijder-de Vogel, mej. Gepke Boomsma.
Heren van links naar rechts: Rien Boomsma, Gerrit Jongejan Azn., H. Hartman, M. van den Tol,
Han Boomsma, M. Rooy en J. Nieuwenhuijzen.


Met dank aan redactie Eilanden-nieuws voor het ter beschikking stellen van de foto.

zondag 30 september 2012

Nette huisjes

De Hollandse huisvrouw stond al in de zeventiende eeuw bekend om haar orde en netheid. Het burgerlijke ideaal van een gezellig en schoon huis ontwikkelde zich in  de Republiek der Zeven Verenigde  Nederlanden veel eerder dan elders in Europa en bereikte niet alleen de hogere burgerij maar ook de lagere standen van de samenleving.  Dit ideaal bepaalde de  levensstijl en kwam  tot  uitdrukking in de dagindeling van huisvrouwen met een vaste plaats voor bezigheden als het schrobben van het stoepje, het schoonhouden van de woning en het poetsen van de spulletjes. Deze bezigheden waren hier in de zeventiende eeuw al gewoon terwijl ze elders pas in de negentiende eeuw tot de dagelijkse routine behoorden (1).

De degelijke Hollandse huisvrouw uit het verleden stond model voor de huisvrouw van de negentiende eeuw, reinheid  stond als steeds hoog in het vaandel. Dat was in Middelharnis zeker ook het geval. Het gemeentebestuur kreeg, zo weten we uit 1879, alle medewerking toen de bevolking gevraagd werd om de straat voor hun woningen wekelijks te schuren.


Arjanus Faasse beschreef de situatie in Middelharnis aan het begin van de twintigste eeuw in het straatje waar hij opgroeide:

'Dat ouderhuis in de Vissersstraat was [...] een net huisje een stoepje met tachtig centimeter gele straatsteentjes, dat stoepje werd altijd heel schoon geschuurd, soms wel met warm water. Als de steentjes niet puur geel waren dan woonde er een "taddek" (2).  Maar in het straatje, noch in Middelharnis, woonden veel "taddeken". Twee dagen in de week kon men zonder op de scheurkalender te kijken , weten welke werkdag het was. Dat kon men horen aan het boemen van de stampers in de wastobben, dan was het maandag en aan het schuren van de bezems over de straatjes, dan was het vrijdag.[…] Met hun beperkte middelen verstonden de Middelharnisse vrouwen de kunst hun interieurtjes “kelfjes” te houden.  “Vriedag houwe” was  een feest, dan poetste en schrobde men dat het een lieve lust was. Het koper o.a. van de sleekachel moest glimmen als goud en de grote kachel zelf werd met de inhoud van veel flesjes en doosjes zo zwart als een moriaan’ (3).

Naast deze wekelijkse routine was er ook nog de grote schoonmaak.


Vooruit, 6 juli 1911


1. Els Kloek, Vrouw des huizes, een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw (Amsterdam 2009) 77
2. Taddek is dialect voor vuilpoets (Woordenboek der Zeeuwse dialecten
3. A. Faasse, Zee en eiland. (Middelharnis,ca.1962). 9-10, 26

dinsdag 25 september 2012

Teuntje Willemse Langbroek (1670-1713)

Over  de dievegge Teuntje Langbroek uit Middelharnis heeft Jan Both al uitvoerig geschreven maar ik wil haar toch graag ook een plekje geven op dit weblog.

Teuntje is de enige vrouw die in Middelharnis ter dood veroordeeld is, het vonnis is voltrokken op 16 december 1713.
Middelharnis was een hoge heerlijkheid wat inhield dat baljuw en leenmannen ook de zwaardere straffen zoals lijfstraffen en de doodstraf konden opleggen.De baljuw werd door de ambachtsheer aangesteld, de leenmannen kwamen uit de plaatselijke bevolking. Uit het vervolg blijkt dat de baljuw hoge straffen eiste maar dat de leenmannen minder ver wilden gaan in hun straf.
De doodstraf is in de periode 1621-1811 in Middelharnis drie keer voltrokken : in 1623, in 1700 en in 1713.
Vrouwen werden in het algemeen door de rechterlijke macht  coulanter behandeld dan mannen, dus Teuntje moet wel erg veel op haar kerfstok hebben gehad dat het tot een doodvonnis kwam.

Haar familie
Teuntje was een dochter van Willem Langbroek (ca.1645-1699) en Marijtje Koelkoop (1640-1703). Toen ze negentien was trouwde ze met Jacob Corstiaanse van Heest. Het huwelijk werd op 31 juli 1689 voltrokken. Het echtpaar had een zoon Willem Jacobse van Heest. In een van haar getuigenissen sprak ze over haar "kinders" maar alleen de naam van Willem is bekend uit de stukken.

Inbraak bij timmerman Willem van Aflaken (1689)
Ze was nog maar net getrouwd toen ze op 29 augustus 1689 twee boeken met zilveren sloten, een met een zilveren ketting, een bloedkoralen kettinkje met een gouden sluiting en een hemdrok met zilveren knopen ontvreemdde van de timmerman Willen van Aflaken (1). Ze verkocht het zilverwerk in Sommelsdijk voor negen gulden. De volgende dag stond Teuntje terecht. De baljuw eiste dat ze met de strop om haar hals gegeseld en gebrandmerkt zou worden en bovendien verbannen uit Holland en Zeeland met confiscatie van haar goederen. Het vonnis van de leenmannen viel milder uit: een half uur aan de kaak gesteld worden en voor tien jaar verbannen uit Middelharnis.

Diefstal van een hemd en enige boonstaken (1692)
Teuntje is niet lang weggeweest want in 1692 staat ze opnieuw terecht. Ze heeft een hemd gestolen van het bleekveld van Jacob Janse Kanse en boonstaken uit de boomgaard van Cornelis Rokus Kempe. De baljuw eiste dat ze in het openbaar door beulshanden gegeseld en gebrandmerkt en voor twintig jaar verbannen zou worden. De leenmannen legden haar geen lijfstraf op maar wel een verbanning voor vijftien jaar uit Middelharnis.

Diefstal van twee stukjes goud bij Isebrant Bilderbeecq (1695)
Opnieuw keerdeTeuntje lang voordat haar straf erop zat terug naar Middelharnis . Op zondag 10 juli 1695 stal ze onder kerktijd twee stukjes goud uit een kas. Ze werd veroordeeld tot geseling en brandmerken maar verzocht om gratie. In afwachting van de behandeling van haar verzoek werd ze opgesloten. Uiteindelijk is ze niet gegeseld maar wel een uur aan de kaak gesteld. Mogelijk speelde haar zwangerschap een rol bij de strafvermindering. Deze keer was de verbanning levenslang, niet alleen uit Middelharnis maar uit heel Holland en West-Friesland.

Inbraak bij Leendert Jacobse (1713)
Na haar verbanning uit Holland is Teuntje naar Zeeland gegaan. In Middelburg is ze op enig moment uit een hoerenkelder gehaald en naar het spinhuis gebracht waar ze minstens anderhalf jaar gezeten heeft.
Op 26 september 1713 heeft Teuntje ingebroken bij Leendert Jacobse. Ze woont dan al weer veertien tot vijftien jaar in Middelharnis zonder dat de autoriteiten hebben ingegrepen. Ze stal twee roodkoralen kettingen met sluitingen van zilver en goud, twee paar zilveren gespen, zes zilveren knoopjes, kleingeld en een bijbeltje met zilver beslag. Ze verborg de gestolen waar in huis. Na twee maanden heeft ze al het goud- en zilverwerk in een rode baaie vrouwenbroek genaaid met het doel de spullen stiekem naar Rotterdam te vervoeren. Voordat ze weg kon komen werd ze aangehouden.
Deze keer wilde Teuntje pas bekennen nadat ze gemarteld was. De baljuw eiste de doodstraf en dat haar dode lichaam buiten zou blijven liggen om anderen tot voorbeeld te strekken. Volgens het vonnis zou ze met een koord aan een paal gewurgd moeten worden en zou haar lichaam in een kist begraven moeten worden. Aldus geschiedde: op 16 december 1713 omstreeks 11.30 werd eerst een psalm gezongen en gebeden en vervolgens werd het vonnis voltrokken.
Haar goederen werden verbeurd verklaard. Een complete lijst van haar bezittingen is bewaard gebleven.

Vrouwe Justitia, symbool van de rechtspraak
beeld op het raadhuis van Middelharnis


De geschiedenis van de familie Jongejan in Middelharnis is in 1714 begonnen toen Arij Corneliz. Jongejan aangesteld werd als leraar bij de Mennonieten, de latere Doopsgezinde gemeente. Arij was dus nog net niet in Middelharnis toen Teuntje Langbroek in het openbaar werd terechtgesteld. Maar het kan niet anders of deze zeer uitzonderlijke gebeurtenis is hem wel ter ore gekomen.

Literatuur:
J.C. Both. Ze kon het stelen niet laten. Doodstraf voor een dievegge in Middelharnis. In: De Ouwe Waerelt 8(2008)23, 40-42
Jan Both. Criminaliteit en rechtspraak in de hoge heerlijkheid Middelharnis 1621 - 1811. Middelharnis 2001
Deels verschenen als feuilleton in Eilanden-nieuws september 2000 - maart 2001. (link verwijst naar PDF op de website van de Streekarchief Goeree-Overflakkee). In bijlage 2 de inboedel van Teuntje.

1. Wilhelmus van Aflaken, zoon van Louijs van Aflaken en Adriaenke Pieters. Hij werd gedoopt 21 juli 1658 in Sommelsdijk en trouwde met Bartholina van der Meerte. Op 11 maart 1685 werd hun zoon Louis gedoopt. Ca. 1702 is Willem via de Kaap richting Batavia vertrokken.
(gegevens van Cor Koene en Joke van Rumpt)

zondag 23 september 2012

De brief van Johan George Erhard Aupperlee (1907-1921) aan zijn moeder

In het Eilanden-nieuws van 7 september 2012 verscheen een artikel van Rinus van Dam onder de titel 'Eerbetoon aan het koffiekokertje'.  In dit artikel besteedt hij speciale aandacht aan Hansje Aupperlee uit Middelharnis die op 4 januari 1921 over boord gevallen en verdronken is. Het ongeval vond plaats op de MA 56 Letty (in Onze Eilanden per ongeluk vermeld als MA 55).




Onze Eilanden, 12 januari 1921

Hij was 13 jaar oud. Van Hansje is een brief bewaard gebleven die hij in december 1920 aan zijn moeder schreef. De brief is in het bezit van een kleindochter van Klaas Groen, zie reactie onderaan dit bericht.



Ouders, broers en zussen
De naam Aupperlee wordt soms ook als Auperlee of Aupperlée gespeld, de vormen worden door elkaar gebruikt. De vader van Johan Georg Erhard  (Hansje) was Jan Aupperlee, geboren in 1877 in Middelharnis.  Zijn grootvader heette  ook Johan Georg Erhard Aupperlee. Jan Aupperlee trouwde in 1899 in Sommelsdijk met Leentje Maatje van der Waal.
Dochter Johanna Aupperlee werd op 30 juli 1900 geboren. Zij trouwde in 1921 met Klaas Groen (1899-1990) die uit een bekende vissersfamilie kwam. Bij het huwelijk was haar oom Arend Leendert Aupperlee getuige, zijn beroep was opperman.
Hansje is op 11 mei 1907 geboren, hij  had ook nog een oudere broer Leendert, geboren 27 juni 1905. Leentje Maatje van der de Waal, de moeder van Hansje, is in 1943 op 68-jarige leeftijd overleden.

Naar zee
Hansje is niet opgegroeid in een vissersgezin. Het lag niet zo voor de hand om naar zee te gaan want het beroep van vader Jan was veldarbeider en moeder Leentje kwam uit een landarbeidersgezin in Sommelsdijk.
De visserij was in 1920 in Middelharnis al vrijwel verdwenen, veel vissers uit het dorp voeren nog wel voor reders uit andere plaatsen. Hansje, zijn aanstaande zwager Klaas Groen, Bas Groen, Kees van der Sluis en schipper Marien Taale  voeren allemaal op de vissloep uit Maassluis. Klaas Groen nam Hansje onder zijn hoede, het was een vlugge en gewillige jongen.Tijdens de reis die Hansje fataal werd kon Klaas wegens ziekte niet mee. Klaas vertelde 
'Hans, die erg aan mij gehecht was, bracht mij naar de trein. Hij huilde nogal omdat ik niet mee naar zee kon gaan. Later heb ik wel eens gedacht dat hij een voorgevoel heeft gehad van wat er gebeuren zou.'
De toedracht van het ongeluk is door Klaas Groen opgetekend uit verhalen van de bemanning. 

Er is ongeveer in dezelfde tijd nog een kofjekokertje geweest dat Hans Aupperlee heette. Dit was de opa van Marien Aupperlee (nu, in 2012, 89 jaar oud). Marien vertelt dat zijn Opa ook op jonge leeftijd mee moest als kofjekokertje. Hij wilde niet en en is toen de boot net wegvoer overboord gesprongen en naar de kant gezwommen. Hij heeft in zijn verdere leven in de bouw en bij boeren gewerkt en is meer dan negentig jaar oud geworden. Vermoedelijk doelde Floor van den Nieuwendijk (geb. 1905)  op dit voorval toen hij vertelde dat de reder het er niet bij liet zitten: "Hansje Aupperlee liep weg en werd door  politie -agent Nieuwenhuize opgewacht, de reder Poortman had hem aangegeven."(1)

met dank aan Rinus van Dam , voorzitter van het Streekmuseum Goeree-Overflakkee voor het ter beschikking stellen en scannen van de brief.
1. Interview met een inwoner van Middelharnis, ZB 1900E09 A

zaterdag 22 september 2012

Jacob Jongejan (1808-1885) boekhandelaar en bibliothecaris teSommelsdijk

Ouders, broers en zussen.
Jacob Jongejan is een zoon van Gerardus Jongejan en Maria de Ruijter die trouwden in 1798. Het echtpaar had twee zonen: Jan geboren 1800 en Jacob geboren in 1808. De vier zussen van Jacob heetten Soetje (Zoetje) in 1803 geboren, Alida in 1813, Adriana in 1816 en Anna in 1819.

Boekhandelaar en bibliothecaris
Jacob Jongejan (1808-1885) ging het boekenvak in en trad daarmee in de voetsporen van zijn vader. Hij werd boekhandelaar en was de uitgever van 'Beschrijving Van Het Eiland Goedereede En Overflakkee' door B. Boers uit 1843.  De tekst staat volledig op Google books 



Titelpagina van B. Boers Beschrijving Goeree-Overflakkee
exemplaar afkomstig van mijn grootvader A.J. Dijkers
Evenals zijn vader Gerardus was Jacob een actief en vooraanstaand lid van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, departement Middelharnis-Sommelsdijk. Hij was bibliothecaris van de Nutsbibliotheek. Deze taak heeft hij heel lang vervuld, namelijk van 1837-1868. De bezoldiging bedroeg 20 gulden per jaar, zo is in 1842 vastgesteld. Het aantal uitleningen liep in die jaren op tot 2312.
Ook was hij lid van de commissie die toezicht hield op de opleiding tot bouwkundig tekenaar, een van de activiteiten van het Nut op onderwijsgebied.
Jacob was lid van het leesgezelschap Onderlinge Vriendschap te Sommelsdijk waar hij op 7 december 1841 een spreekbeurt  hield over "de ontwikkeling en voortgang van onzen geest in dit en in een volgend leven".

Huwelijk en kinderen, overlijden
Jacob trouwde in  met Cornelia Jeannette van den Broek, dochter van Jan Abram van den Broek en Adriana van de Roovaart. Jan Abram was procureur en gedurende lange tijd voorzitter en secretaris van het departement Middelharnis-Sommelsdijk van het Nut. Ook zijn broers en andere familieleden (W.M., J.E., P.C. en C.J.H. van den Broek) vervulden bestuursfuncties gedurende de negentiende eeuw.
Het huwelijk tussen Jacob en Cornelia Jeannette werd op 22 augustus 1841 voltrokken. Jacob was toen 33 jaar, Jeannette 29 jaar.
In 1842 werd hun eerste kind doodgeboren; in 1844 volgde Maria Adriana; in 1845 Adriana Maria die maar enkele maanden oud werd; in 1848 zoon Jan Gerardus die na ruim een jaar overleed. Maria Adriana is het enige kind van Jacob en Cornelia Jeannette dat de kindertijd overleefde. Ze trouwde in 1870 met J.A. de Graaff.
Cornelia Jeannette is in 1875 overleden, 62 jaar oud. Jacob overleed in 1885 toen hij 77 was.

Het gezin van broer Jan Jongejan
De enige broer van Jacob heette Jan Jongejan (1800-1855), hij was van beroep grutter en was gehuwd met Anna Maria Beket.
In het gezin van dit echtpaar voltrok zich het ene drama na het andere.Twee zoontjes met de naam Gerardus werden maar enkele jaren oud, ook een zoontje Gijsbert en een zoontje Jacob Cornelis leefden maar kort. Dochter Belia Maria werd 26 jaar oud, Anna Maria overleed op 20-jarige leeftijd, Maatje Alida was 16 toen ze overleed, zoon Gijsbert werd maar 15 jaar.

Alleen Jacob Cornelis uit 1852, Gerardus Jan geb. 1845 en Maria geb. 1841 bleven in leven.
Gerardus Jan was in 1868 lid van de Sommelsdijkse rederijkerskamer. Hij is in 1874 getrouwd in Middelharnis, in 1903 trouwde hij voor de tweede keer, ditmaal in Utrecht.

Aangifte overlijden, een toevallige vondst
Johannes van Rikxoort, timmerman is overleden op 26-12-1845. Zijn overlijden is aangegeven op 27 december 1845 door Jacob Jongejan 37 jaar, boekhandelaar, en Gerard Jongejan 77 jaar, beiden bekenden van de overledene.

K. Vos.Gedenkschrift ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het departement Middelharnis-Sommelsdijk der maatschappij tot nut van 't algemeen uit aantn. van Jan van Schouwen Cz. . Middelharnis, 1910. p.31-36.
Overlijdensakte via Atie de Hamer-Boogerman