Posts tonen met het label scheepsramp 1899. Alle posts tonen
Posts tonen met het label scheepsramp 1899. Alle posts tonen

donderdag 29 december 2016

De ondergang van de sloepen Pionier (1896) en Toekomst (1899) uit Middelharnis

Reder Klaas Johannis Meijer (van Hotel Meijer) uit Middelharnis kocht in 1888 twee Antwerpse vissloepen. Vanaf 1894 voeren beide sloepen, de Pionier en de Toekomst, voor rederij Slis. De Toekomst stond model voor het spookschip in de roman van Cor van den Tol. "Het Kofjekokertje en het Spookschip van Middelharnis' (zie ook het bericht op dit weblog van 6 oktober 2012).


De Pionier is op 20 september 1896 in het Goereese Gat gezonken bij terugkeer van een lange zoutreis. Schipper was de 26-jarige Ary de Waard. Alle bemanningsleden konden het schip tijdig verlaten met de scheepsboot, maar de schipper bleef op zijn post en dat is hem noodlottig geworden. Voor meer bijzonderheden over de schipper kunt u doorklikken naar onderstaand bericht.

Ary de Waard (1870-1896)

De Toekomst, schipper Jan van den Hoek, is in de nacht van 25 op 26 april 1899 op 57 graden NB en 6 graden OL bij dichte mist aangevaren door een Noorse bark met de naam Zorida. Negen van de dertien bemanningsleden wisten bij de bark aan boord te komen, drie bemanningsleden kwamen om in de golven en een vierde, Laurens van Gelder, is aan zijn verwondingen overleden. 




PGR27018900220001 ZORIDA. Foto fra boka Barske menn 
og hvite seil av Trygve Gundersen


Voor meer bijzonderheden kunt u doorklikken naar onderstaande berichten:
Laurens van Gelder (1849-1899)
Arend de Koning (1864-1899)
Leendert Koster (1863-1899)
Jan de Man (1863-1899)





MD7 Toekomst zwaar beschadigd in de Noorse haven Brevik




Rinus van Dam. "Twee onfortuinlijke Middelharnisse vissloepen. Het tragisch einde van de "Pionier" en de "Toekomst". Eilanden-Nieuws, 28 december 2016



N.B.
Op 11 oktober 1957 heeft in het Eilanden-Nieuws een artikel gestaan over de resten van een sloep die bij de Deltawerken zijn gevonden. Men denkt dat het resten van de Pionier waren. Oudere vissers vertelden dat de mast nog lang zichtbaar is geweest.

zaterdag 30 november 2013

Dirk Koster (1834-1880) en Bastiana van Eeuwen (1834-1910)

Ouders
Dirk Koster is een zoon van Leendert Koster en Hijltje Menheer. Hij werd geboren op 30 maart 1834 in Middelharnis. Zijn vader en grootvader waren visser en ook de vader van Hijltje was visser. Dirk is genoemd naar zijn grootvader Dirk Menheer (1770-1808) die in december 1808 verdronk toen bijna de gehele bemanning van de gaffelschuit van Jacob Bree omkwam (1). 
Bastiana van Eeuwen is op 24 augustus 1834 in Sommelsdijk geboren, dochter van Pieter van Eeuwen en Grieta van Dale. Zij is een zus van Klazina van Eeuwen, de vrouw van Gabriël de Waard die in december 1863 is verdronken toen de Aplonia verging. Zie bericht van 28 oktober 2013 in het blogarchief.

Huwelijk en kinderen
Dirk en Bastiana trouwden op 15 december 1857 in Middelharnis, ze waren allebei 23 jaar. Dirk was visser en Bastiana (Bastiaantje) was dienstbode van beroep ten tijde van het huwelijk.
Op 2 juli 1859 werd Grieta geboren, in 1861 Hilletje, in 1863 Leendert, in 1865 Pieter, in 1867 Maartje, in 1869 Jan en in 1872 Dirk.  Fransina uit 1871 en Cornelis Jan uit 1876 hebben maar kort geleefd.

1880: Dirk Koster op zee overleden
Dirk Koster is op 19 augustus 1880 overleden op volle zee op 55 graden en 30 min. NB aan boord van de MD6 Titia Jacoba rederij Slis. Stuurman Maarten van Delft (30 jaar) van deze sloep deed vier dagen later aangifte (2) samen met visser Job Breeman (55 jaar).
Dirk Koster was 46 jaar oud. 

Nabestaanden 
Bastiana bleef achter met zeven kinderen tussen zeven en 21 jaar. Ze is niet hertrouwd. Hoe ze in haar levensonderhoud voorzag is niet bekend. Het gezin woonde in de Kaaidreef (D933).
Grieta trouwde in 1881 met Jan Koudijzer, Hilletje in 1883 met Frans van der Poel, Leendert in 1883 met Dirkje de Ruiter, Pieter in 1888 met Adriaantje Blok,  Maartje in 1889 met Izaak de Ruiter; Jan in 1893 met Tannetje Boeser en Dirk in 1904 met Wytske Visser. Geen van de dochters trouwde met een visser. Pieter en Leendert werden visser, de andere zonen niet.

Leendert Koster en Dirkje de Ruiter
Leendert Koster geboren op 20 september 1863  trouwde op 22 oktober 1886 met Dirkje de Ruiter. Dirkje is geboren op 11 december 1862, dochter van Cornelis de Ruiter en Leentje Trommel. 
Ze waren allebei 23 jaar toen ze trouwden. Leendert was visser evenals de vader van Dirkje. Ze kregen zeven kinderen: Bastiana geboren op 18 januari 1888, Leentje (1889),  Dirkje (1891), Cornelia (1893), Dirk (1895), Cornelis (1897) en Grieta die op 14 maart 1899 geboren is. Het gezin woonde in de Nieuwstraat B58.

Het ongeluk met de MD7 Toekomst, Leendert Koster (1863-1899) verdronken
De MD7 Toekomst met schipper Jan van den Hoek is begin mei 1899 in het Skagerrak met dichte mist overvaren door een Noorse bark. Drie opvarenden Jan de Man, Arend de Koning en Leendert Koster die probeerden over te springen op het Noorse schip de Zorida zijn verdronken. Laurens van Gelder raakte gewond en is enkele uren later overleden. 

Goessche Courant 4 mei 1899


Nabestaanden van Leendert Koster
Leendert was 36 jaar. Dirkje de Ruiter was 37 jaar en bleef met zeven kinderen achter, de oudste was elf jaar en de jongste twee maanden.
Op 22 februari 1900 is het gezin naar Rotterdam verhuisd.



1. Bijlage o.a. bij huwelijksakte van Leendert Koster en Hijltje Menheer, akte 4 Middelharnis 1832 
2. Overlijdensakte 43, 1880 Middelharnis

Genealogische gegevens  afkomstig van P.L. Koster te Eindhoven

maandag 10 juni 2013

Cornelis de Koning (1786-1828) en Stijntje Blok (1788-1868)

Ouders
Cornelis (de) Koning is een zoon van Leendert Cornelisz de Koning en Maatje van Brugge(n). Hij is geboren op 21 mei 1786.
Stijntje of Stientje Blok was een dochter van Gerrit Blok en Aartje Bouwe. Ze is gedoopt op 14 september 1788.


Huwelijk en kinderen
Cornelis Koning en  Stijntje Blok trouwden op 9 december 1814, 28 en 26 jaar oud.

Kinderen:
Maatje Koning (1815-1853) werd op 11 september 1815 geboren. Zij trouwde niet en is overleden in 1853, 38 jaar oud.
Leendert de Koning (1817-1864), geboren 29 januari 1817. Hij trouwde op 2 december 1839 met Pieternella Rooij. Hij is van haar gescheiden omdat zij overspel pleegde en op 10 mei 1856 hertrouwd met Adriana Verhage.
Gerrit de Koning (1821-1865), geboren op 4 juni 1821. Hij trouwde op 29 april 1848 met Baaltje de Jong (1826-1863). Ze kregen zes kinderen, waarvan er een levenloos geboren is en een na zeven maanden overleden. Baaltje is op 24 april 1863 overleden, waarna Gerrit op 14 november 1864 met Louiza Vroegindeweij (1825-1912) trouwde.
Arend de Koning (1823-1865), geboren op 27 november 1823, trouwde op 10 mei 1849 met Maria van Gelder (1824-1881). Op 12 november 1849 werd Cornelis geboren, op 28 juli 1851 Jakob. Daarna volgden Christina (1853), Neeltje (1856), Leendert (1859), Lena (1862), zij is maar een jaar oud geworden. Arend werd op 12 december 1864 geboren.
Aartje de Koning (1826-1919) is op 14 april 1851 met Anthonij van Dongen getrouwd.

Cornelis de Koning overleed in 1828, 41 jaar oud. Stijntje is 79 geworden, ze is niet hertrouwd.

De ramp met de Lucretia Adelaïde 1865.
In februari 1865 is de sloep Lucretia Adelaïde van reder Kolff uit Middelharnis vertrokken. rond 20 februari is de sloep met de volledige bemanning vergaan. Schipper was de 41-jarige Arend de Koning (1823-1865) (1).
Twee zoons van Arend de Koning en Maria van Gelder waren ook aan boord van deze sloep. 
Hun oudste zoon Cornelis de Koning (1849-1865) was vijftien jaar en de tweede zoon Jakob de Koning (1851-1865) nog maar dertien jaar toen ze om het leven kwamen.
Maria van Gelder bleef achter met vier kinderen, waarvan de jongste twee maanden oud was.

Gerrit de Koning (1821-1865), oudere broer van Arend, was eveneens aan boord. Hij was 43 jaar. Louize Vroegindeweij werd enkele maanden na haar huwelijk met Gerrit weduwe. Uit zijn eerste huwelijk waren vier kinderen in leven ten tijde van de ramp.


Zoals gebruikelijk werden diverse inzamelingsacties voor de weduwen en wezen gehouden. Waaronder deze actie van de rederijkerskamer van Sommelsdijk.


Zierikzeesche Nieuwsbode 19 april 1865


Meer familieleden op zee gebleven
- De man van dochter Aartje de Koning heette Anthonij van Dongen (1825-1863). Hij was een van de bemanningsleden van de Eben Haëzer, de sloep die in 1863 is vergaan. zie tekst van 15 maart 2013.
- Vlak voor de ramp met de Lucretia Adelaïde, op 12 december 1864, hadden Arend de Koning en Maria van Gelder een zoon gekregen. Hij heette eveneens Arend de Koning (1864-1899). Hij trouwde op 26 oktober 1888 met Trijntje Boogerman. In 1899 is Arend omgekomen toen de MD 7 Toekomst werd overvaren in het Skagerrak.
- Bij de ramp met de MD 1 Luctor et Emergo is Arij de Koning (1896-1910) omgekomen, de dertienjarige zoon van bovenvermelde Arend de Koning en Trijntje Boogerman. Hij is geboren op 25 juli 1896. Uit hetzelfde gezin kwamen nog twee zoons om:
- Leendert Cornelis de Koning (1892-1919) was aan boord van de zeillogger IJM 301 Hendrik Willem*   die op 12 maart 1919 op een mijn is gelopen en vergaan. Leendert Cornelis is geboren op 7 december 1892.
- Arend de Koning (1890-1941) is omgekomen bij de ramp van de MS Slamat op 27 april 1941 samen met 943 andere opvarenden van dit koopvaardijschip en van twee Engelse destroyers. Hij was de oudste zoon, geboren 19 januari 1890.
Jeroen Hendrik de Koning (1897) was de jongste van het gezin, hij is eveneens visser geworden, bij was een van de bemanningsleden van de Oranje Nassau bij de stranding in 1913. 
Naast de genoemde zonen waren er twee dochters: Neeltje (1891) en Maria (1895). Cornelis, geboren 14 maart 1899 is op 17 juli 1900 overleden.

1. Bronnen voor deze slachtoffers van de ramp van 1865: Bevolkingsregister 1861-1890 Middelharnis, huwelijksbijlagen 1871 akte 19 en 1882 akte 23.
Met dank aan Harry de Hamer voor de aanvullende gegevens over de zonen van Arend de Koning en Trijntje Boogerman

* andere vissers uit Middelharnis aan boord van de Hendrik Willem: Aren Roodzant en Jacob van Gelder (zie bericht 11 februari 2012) en Hubrecht van den Hoek (zie bericht van 17 mei 2013). 

dinsdag 21 mei 2013

Van den Hoek, stuurlieden op de sloepen van Middelharnis (1866-1912)

Opvallend veel stuurlieden van de vissersvloot van Middelharnis droegen aan het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw de naam Van den Hoek. Deze naam kwam eerder niet voor onder de vissers van Middelharnis. Uit de burgerlijke stand en het bevolkingsregister blijkt dat het om zeven broers gaat die 'visscherstuurman' waren.

Cornelis van den Hoek, de vader van de gebroeders van den Hoek was landarbeider in Dirksland, later pakhuisknecht en winkelier in Middelharnis. Zijn zeven zoons werden allemaal schipper op een sloep uit Middelharnis.

Op de onderstaande pagina zien we (van oud naar jong):

1. Jacob van den Hoek (1844-1917) stuurman van de MD 16 Op Hoop van Zegen  van Kolff
2. Huibrecht van den Hoek (1846-1931) stuurman van de MD 18 Zeemanshoop van reder Kolff
3. Jacobus van den Hoek (1849-1935) stuurman van de MD 3 Nijverheid van Slis
4. Cornelis van den Hoek (1851-1932) stuurman van de MD 28 Vertrouwen van Slis
5. Jan van den Hoek (1856-1929) stuurman van de MD 8 Willem de Zwijger van Slis
6. Willem van den Hoek (1860-1910) stuurman van de MD 2 Maria Cornelia van reder Slis


Sloepen van Middelharnis, 1888-1889

7. Dirk van den Hoek (1861-1943) was van 1894 tot en met 1896 stuurman op de MD 6 Titia Jacoba van Slis.

De eerste die stuurman werd, was Jacob. Hij kwam in 1866 op de leeftijd van 22 jaar al als stuurman op de sloep Op Hoop van Zegen te werken, toen MHS 1. Jacob is eind 1866 getrouwd. Zijn schoonvader was Hendrik Langbroek, die eveneens stuurman was. Jacob is in 1899 gestopt en toen nog pakhuisknecht geworden.
Cornelis is in 1874 (23 jaar) stuurman geworden van de Waakzaamheid. Ook zijn schoonvader Glijn Langbroek was stuurman geweest.
Huibrecht werd in 1876 stuurman van de gloednieuwe sloep Zeemanshoop, 31 jaar oud.
Jacobus werd in 1877 stuurman van de Waakzaamheid. Hij is tot de zomer van 1912 stuurman gebleven.
Jan trouwde in 1879 en werd in hetzelfde jaar stuurman van de Willem de Zwijger, 23 jaar oud. Hij is tot de zomer van 1912 stuurman gebleven.
Willem was 28 jaar toen hij in 1888 trouwde, hij was sinds 1884 stuurman van de Maria Cornelia.

Van de volgende generatie is alleen Cornelis van den Hoek Jzn. stuurman geworden. Hij was in 1901 en 1902 korte tijd schipper van de MD 15 Poolster. Hij was een zoon van Jacob van den Hoek en Johanna Langbroek.
De laatste vermelding van schippers met de naam Van den Hoek is in de zomer van 1912 toen de vloot nog maar uit negen sloepen bestond:
Jacobus van den Hoek op de MD 2 Prinses Juliana van Slis
Jan van den Hoek op de MD 4 Theodora Emmerentia van Slis

Zonen van landarbeider werden schipper
De loopbaan van de zoons van Cornelis van den Hoek en Cornelia van Okkenburg is bijzonder. De regel was dat vissers zonen van vissers uit Middelharnis waren. Er waren echter ook uitzonderingen, waaronder de broers Van den Hoek. Hun vader, Cornelis van den Hoek, was een landarbeider uit Dirksland. Er was duidelijk sprake van maatschappelijke stijging: een visser stond hoger in aanzien dan een landarbeider en een stuurman was de hoogste in rang op een vissloep, iemand met veel verantwoordelijkheid en een hogere verdienste dan de matrozen.
In 1887 hadden zes van de twintig sloepen van Middelharnis een Van den Hoek als stuurman.
Er zijn verschillende factoren die bij dit maatschappelijk succes een rol gespeeld hebben.
1. Toen de broers Van den Hoek volwassen werden vanaf ca. 1865 groeide de vissersvloot en daarom was er ruimte voor nieuwkomers
2. Vader Cornelis toonde initiatief door het bestaan als landarbeider in Dirksland vaarwel te zeggen en in Middelharnis te gaan werken
3. Vader Cornelis ging werken als knecht bij een wijnpakhuis, dat moet bij  de reder Kolff geweest zijn. De jongens waren zodoende in beeld om al vroeg naar zee te gaan. Ze groeiden op in de nabijheid van de haven.
4. Partnerkeuze. Drie van de zeven broers trouwden een dochter van een stuurman.
5. De vaardigheden en de karaktereigenschappen om als schipper te kunnen functioneren.

Ik vermoed dat ze zich vooral op dit laatste punt onderscheiden hebben. Arjanus Faasse beschrijft Jan van den Hoek in zijn boek 'Zee en eiland' (pagina 114 en 115).
Jan komt naar voren als iemand met veel vakkennis en ervaring, natuurlijk gezag, weinig spraakzaam, beheerst, oprecht, vroom en streng. Het zullen deze eigenschappen geweest zijn die zijn broers ook in meer of mindere mate hadden en die maakten dat ze stuurman werden en gedurende lange tijd bleven.

In de winter van 1910/11 voer ik op de Theodora-Emmerentia, de M.D. 4. Schipper Jan van den Hoek, een broer van Willem van den Hoek van de Luctor et Emergo, die kort geleden "gebleven" was. De. M.D.4 was een ijzeren of stalen anderhalf-master, grijs geverfd en het was de snelst varende sloep van de vloot. Jan van den Hoek was een "gelukkige" schipper, een echte mannetjesputter ter zee, zonder pretenties schipper bij de gratie Gods, een vanzelfsprekende gezagsdrager, ongeforceerd, natuurlijk. Napoleon heeft eens gezegd : Frankrijk ben ik. Jan van den Hoek zei niks, maar hij was de beugvisserij.
Van de kleine "grote man", stevig gebouwd en stoer met de handen in de zakken van de wijde zeemansbroek, rammelende met de sleutels, ging gezag en invloed uit. Met de grijze, strenge maar toch ook niet onvriendelijke ogen regeerde hij niet alleen de bemanning, maar ook zou men haast gezegd hebben: het weer. Onder collega's had zijn stem een doorslaggevende betekenis. Ik heb hem nooit in paniekstemming gezien. Zelfs in hachelijke situaties kon hij zich nog beheersen. Zijn bevelen werden stipt uitgevoerd. Niemand dacht eraan het anders te doen, het was altijd goed. Als hij mij een schouderklopje gaf (dat gebeurde niet vaak) was mijn dag weer goed. Volgens mij was hij een oprecht en vroom man, maar streng. 

Averij en aanvaring
De jonge schipper Jacob van den Hoek, begonnen toen hij 22 jaar was in 1866, liep in zijn tweede jaar (27 maart 1867) averij op aan de mast van de sloep Op Hoop van Zegen.
Jan van den Hoek, schipper van de Willem de Zwijger, had op 14 maart 1880, ook aan het begin van zijn loopbaan, een kapotte mast. In 1912 liep hij averij op met de Theodora Emmerentia, de MD 4 van Slis.
Cornelis van den Hoek had op 2 november 1894 met de MD 28 Vertrouwen van Slis een gebroken mast en een beschadigde jol. In april 1911 maakte hij zijn laatste reis met deze sloep
Jacobus van den Hoek kwam op 10 februari 1908 met De MD 2 Doggersbank van rederij Slis in aanvaring met een Engelse stoomtrawler. De gehele bemanning kon worden gered.


Vooruit, 12 april 1911




Man over boord
In 1882 is Jeroen Langbroek (1866-1882) geboren 28 augustus 1866, zoon van Simon Langbroek en Neeltje van der Sluis, bij het neerhalen van de stagfok overboord geslagen en verdronken. Dit gebeurde op  de MD 1 Waakzaamheid, stuurman Jacobus van den Hoek.
Op 27 januari 1894 is Pieter Faasse (1862-1894), geboren 18 maart 1862 in Sommelsdijk, op de MD 7 Toekomst (voorheen Avenir) stuurman Jan van den Hoek, bij het uitdraaien van het achterlicht overboord gevallen en verdronken. Hij was 31 jaar oud. Hij was in 1885 gehuwd met Elizabeth Groen. Ze hadden drie kinderen: Adrianus (1887), Hendrik (1890) en Willemtje (1892).
Op 28 november 1910 is Geerit van Dijk (1892-1910) geboren 29 augustus 1892, zoon van Stoffeltje van Dijk en Elizabeth Cornelia Rasenberg, van de MD 28 Vertrouwen stuurman Cornelis van den Hoek, bij goed weer overboord gevallen en verdronken. Hij was achttien jaar oud. Vader Stoffeltje van Dijk was touwslager, het gezin is in 1915 naar Vlaardingen vertrokken.


De MD 7 Toekomst overvaren in 1899
De  MD 7 Toekomst met als stuurman Jan van den Hoek is in mei 1899 in het Skagerrak met dichte mist overvaren door een Noorse bark. Drie opvarenden die probeerden over te springen op het Noorse schip de Zorida zijn verdronken. Het betreft Jan de Man (1863-1899), Arend de Koning (1864-1899) en Leendert Koster (1863-1899). Laurens van Gelder (1849-1899) raakte gewond en is enkele uren later overleden. Leendert Koster was een zoon van Dirk Koster en Bastiana van Eeuwen, hij was in 1886 gehuwd met Dirkje de Ruiter. 

De ramp met de MD 1 Luctor et Emergo januari 1910
Bij deze ramp zijn de stuurman, Willem van de Hoek (1860-1910),  en Cornelis van den Hoek (1877-1910) zoon van Hubrecht, omgekomen.



© Marlies Jongejan, maart 2024





maandag 29 april 2013

Krijn van Gelder (1874-1938) en Christina Buurveld (1873-1899)

Krijn van Gelder is een naam die vaker voorkomt. Deze Krijn van Gelder was een van de bemanningsleden van de MD11 Oranje Nassau die op 18 maart 1913 in IJmuiden gestrand is (zie bericht op dit weblog van 13 april 2013). Eerder voer hij op de MD11 Hendrika Adriana.

Ouders
Krijn van Gelder was de oudste zoon van Laurens van Gelder en Jannetje Hendrika Brijs, geboren 6 januari 1874. Broers en zussen: Adrianus Kornelis (1876), Jacob (1879), Cornelia Anna (1881), Antje (1884), Pietertje 1887), Neeltje (1891) en Sijbrand (1891).
Christina Buurveld is een dochter van Teunis Buurveld en Catharina Hakkenbrak uit Goedereede, geboren 21 juni 1873. Teunis Buurveld was eerder weduwnaar van Arendje Witvliet. Buurveld was ook een vissersfamilie.

Huwelijk
Krijn en Christina trouwden op 10 maart 1899 in Middelharnis, ze waren allebei 25 jaar oud. Krijn was visser en Christina dienstbode ten tijde van het huwelijk.


Krijn van Gelder en Christina Buurveld
voor hun huwelijk
Scan uit: Th. de Waal, Kent u ze nog de Flakkeeënaars.
p.16.


Het jaar 1899 werd een rampjaar voor Krijn.
Twee maanden na het huwelijk was de ramp met de MD7 Toekomst waarbij de vader van Krijn om het leven kwam. De vader van Christina overleed op 9 juni 1899.
Christina beviel op 14 september 1899; het kindje van het vrouwelijk geslacht werd levenloos geboren. Een week na de bevalling is ook Christina overleden. Krijn was toen op zee, moeder en kind waren al begraven toen Krijn thuis kwam.



Jeroen Hendrik de Koning geb. 21 september 1897 (links) en 
Krijn van Gelder (rechts). Ze behoorden tot de bemanning van
de MD11 Hendrika Adriana
De foto is rond 1909 gemaakt.

Familieleden op zee gebleven
In mei 1899 is de MD7 Toekomst overvaren door de Noorse bark Zorida. De vader van Krijn kwam hierbij om. Stuurman Laurens van Gelder (1849-1899) is bekneld geraakt en aan zijn verwondingen overleden (zie tekst met bronvermelding van 6 oktober 2012). Laurens is in het Noorse Brevik begraven. Hij is geboren op 5 november 1849, hij was 49 jaar toen hij omgekomen is.


Graf van Laurens van Gelder in Brevik


Met dank aan Atie de Hamer-Boogerman voor het speurwerk.
Met dank aan Jan Both, Archief Goeree-Overflakkee,  voor de beide foto's

zondag 16 december 2012

Pieter de Man (1830-1872) en Dievertje Muije (1832-1906)

Huwelijk
Pieter de Man is op 14 augustus 1830 in Dirksland geboren. Hij kwam dus niet uit de kring van de bekende vissersfamilies uit Middelharnis. Zijn vader heette Jan de Man en was arbeider. Zijn moeder was Cornelia Aelbrechts.
Dievertje is op 31 juli 1832 geboren, dochter van Kornelis Muije, visser, en Maria Bree.
Pieter was 24 en Dievertje 23 toen ze trouwden op 17 mei 1855.
Stuurman Cornelis Smit, 34 jaar, was een van de getuigen bij het huwelijk.



Huwelijksakte Middelharnis 1855 nr.10





Kinderen
Op 22 februari 1856 werd zoon Jan geboren, hij overleed in 1859, 3 jaar oud. Cornelis die op 24 augustus 1858 werd geboren is op 15 juli 1866 tijdens de cholera-epidemie overleden. Ook dochter Catalijntje van 17 juli 1865 overleed op 26 juli 1866. Jan Cornelis genoemd naar de beide overleden jongens is in 1870 geboren en op 30 april 1873 overleden, 3 jaar oud.
Het gezin woonde op de Westdijk.
Drie dochters overleefden de kindertijd. Cornelia de Man uit 1861 was naaister en trouwde in 1882 met Hendrik van Strien. Maria uit 1863 trouwde in 1884 met Johannes Abraham de Waard en Catalijntje uit 1868 is in 1890 getrouwd met Arend van Dalen.


Arend van Dalen en Catalijntje de Man.
foto afkomstig van Casper Mazurel.

Cornelia is jong overleden, in 1900 toen ze 38 was. Maria overleed in 1901, ook 38 jaar. Catalijntje was 54 toen ze in 1922 overleed.

Nabestaanden
Pieter was matroos op de sloep Middelharnis, vergaan op 12 november 1872. Hij voer vermoedelijk al lang bij Cornelis Smit aangezien deze schipper in 1855 getuige was bij zijn huwelijk.

Dievertje bleef na de dood van Pieter over met drie dochters van 11, 9 en 4  jaar oud en Jan Cornelis van 2 jaar die enkele maanden na zijn vader overleed.
Dievertje Muije begon een winkeltje op de Westdijk en later aan de West Achterweg. Ze werd lid van de Gereformeerde Kerk (C.G.). Hendrik van Strien, de weduwnaar van Cornelia, is in 1904 naar IJmuiden vertrokken en Dievertje is meegegaan. Op 3 oktober 1906 is ze hier overleden.

Familieleden op zee gebleven
Abraham de Man (1829-1867) een broer van Pieter die een jaar ouder was (geb. 1 juni 1829) werd ook visser. Abraham is omgekomen met de scheepsramp van de Wisselvalligheid in 1867. Hij was gehuwd met Johanna Breur die in 1870 hertrouwde met Jan Pas.
Abraham en Johanna hadden een zoon die Jan heette, geboren op 20 juni 1863. Jan de Man (1863-1899) is omgekomen bij de aanvaring tussen de MD 7 Toekomst en een Noorse bark in mei 1899.
 

zaterdag 6 oktober 2012

Het kofjekokertje en het spookschip van Middelharnis door Cor van den Tol (1906-1976)



Het spookschip
De sloep uit dit jeugdboek van Cor van den Tol is de MD 7 Toekomst. 
Wat weten we over de MD 7 Toekomst ?
De  A 11 Avenir, zoals de sloep oorspronkelijk heette, was een houten schip van de Antwerpse rederij Wed. Mauroy, gebouwd in 1883. In november 1887 werd de sloep aangevaren ter hoogte van Doggersbank door de Duitse stoomboot Prins Wilhelm. De sloep werd door de MD 1 Waakzaamheid, schipper Johannes de Waard, in Den Helder/Nieuwediep binnengebracht. Rederij P.L. Slis kreeg hiervoor 1.220 gulden als beloning.




Heldersche en Nieuwedieper Courant, 20 en 23 november 1887.


De A11 Avenir en A12 Pionnier werden in 1888 door reder K.J. Meijer uit Middelharnis aangekocht. De schepen voeren vanaf 1892 voor rekening van rederij P.L.Slis als MD 7 Toekomst en MD 35 Pionier.

De Antwerpse schepen waren een stuk groter dan de sloepen waarmee men in Middelharnis gewoon was te varen. Sommige vissers 'hadden het er niet op'. Er deden verhalen de ronde over de eigenaardigheden van deze schepen. Het idee dat de sloepen uit een katholieke streek kwamen en dat er aan boord wel veel gevloekt zou zijn, stond de mensen ook niet aan (1). Misschien werd de Toekomst ook toen al een spookschip genoemd of anders heeft de schrijver van het boek deze term bedacht.

De  MD 7 Toekomst werd in mei 1899 aangevaren door een grote Noorse bark (2), de Zorida. De bemanning van de sloep sprong over naar het Noorse schip. Drie bemanningsleden, Jan de Man, Aren de Koning en Leendert Koster, misten de sprong en verdronken. Stuurman Laurens van Gelder raakte bekneld tussen de bark en de sloep. Hij werd zwaar gewond en stierf aan zijn verwondingen. De Zorida heeft de Toekomst op sleeptouw genomen en naar de Noorse haven Krageroë gebracht.  Laurens van Gelder  werd in Brevik begraven. De bemanning is per boot terug naar huis gekomen. 


Zierikzeese Nieuwsbode 4 mei 1899


Het boek van Cor van den Tol
Van den Tol adviseert de  lezers om niet te zoeken naar vissers die bestaan hebben of nog leven, want hij wilde vooral een boeiend en aantrekkelijk jeugdboek schrijven (3). De bovenstaande aanvaring wordt wel in het boek beschreven. Maar in het boek komen twee bemanningsleden, de kofjekoker Frans Verburg en zijn zeevader De Snorre, met een roeiboot in Grimsby terecht. Hier beleeft Frans avonturen samen met de zoon van de vuurtorenwachter.
De spanning wordt vanaf het begin van het boek opgebouwd doordat de hoofdpersoon Frans al lang voor zijn vertrek verhalen over het spookschip hoort en hij zelf vanaf de eerste dag aan boord merkwaardige dingen meemaakt. Ondanks deze spanning is het boek toch hier en daar wat saai om te lezen.
Bij de beschrijving van het leven in het dorp Middelharnis en de Vissersstraat is het boek Zee en eiland van Arjanus Faasse ongetwijfeld een inspiratiebron geweest. Hoewel Van den Tol, die in 1906 geboren is, zelf ook nog een staartje van de Middelharnisse visserijgeschiedenis meegemaakt heeft.
Details als het winkeltje van Dikke Jannekee in de Vissersstraat en de winkel de Gekroonde Moren zijn aardig om te lezen. Een ontmoeting met een visser genaamd Jongejan, aan de Sasdijk, komt dicht bij de realiteit van het begin van de twintigste eeuw. Ook het verblijf in IJmuiden bij 'geëmigreerde' familieleden tussen de reizen door, was een ervaring die rond de eeuwwisseling door velen gedeeld werd.
Het leven van het kofjekokertje is beschreven zoals je het ook in andere bronnen tegenkomt. De laatste schooldag op elfjarige leeftijd van een kind dat nog voornamelijk met knikkeren bezig was.

De Toekomst vaart weg uit Middelharnis
illustratie uit het boek


De auteur
De website oogo.cultuurpleingo.nl bevat de volgende tekst over Cor van den Tol:

De romanschrijver Cor van den Tol (1906-1975) en het eiland Goeree-Overflakkee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De auteur werd op 25 augustus 1906 in Middelharnis geboren en overleed op bijna 69-jarige leeftijd in zijn geboortedorp. Toen hij stierf liet de geliefde schrijver in veel opzichten een grote leegte na. Van den Tol werd begraven op de begraafplaats ‘Vrederust’ aan de Rottenburgseweg. Van den Tol kwam uit een arbeidersgezin, zijn vader was landarbeider. Het gezin telde zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes. Terugkijkend op zijn jeugd sprak hij over de kleine kamertjes, de harde zoute bonen, de ‘luzze’ (kleine aanbouw van een woning) en het zeer kleine kamertje met de (niet) w.c. Van den Tol las, in tegenstelling tot zijn ouders, graag. Als schoolkind schreef hij opstellen voor zijn klasgenoten. Een keer viel de jeugdige schrijver door de mand. Toen één van hen de door Cor geschreven tekst niet goed kon lezen zei hij: ‘Cor, wat staet hier?’. De ouders van Cor hadden geen geld om boeken aan te schaffen; hij mocht ze bij de dokter en de notaris lenen. Toen Cor vijftien jaar was schreef hij een verhaal dat werd gepubliceerd in het letterkundige tijdschrift ‘Opgang’. Een leraar Nederlands aan de Rijks H.B.S. te Middelharnis onderkende het schrijftalent van de jonge Cor en gaf hem twee jaar lang les in stijl en taal. Maar Cor was hiermee nog geen broodschrijver. Net als zovelen moest hij meewerken om het grote gezin in hun dagelijkse behoeften te voorzien. Toen Cor van den Tol twaalf jaar oud was ging hij letterlijk met textiel de boer op. Hier ligt de basis van de boeken van Van den Tol in het algemeen en van zijn Flakkeese boeken in het bijzonder. Op zijn rondgang langs huizen en boerderijen moet de schrijver talloze verhalen hebben gehoord die op het eiland speelden. Later vinden we ze terug in bijvoorbeeld: ‘Mensen die langs ons gaan’, Flakkeese novellen en schetsen. Een boek dat de schrijver opdroeg ‘aan het Flakkeese volk, dat ik liefheb.’
Cor van den Tol  had een leesbibliotheek op het Zandpad. Het was een lange smalle ruimte vol rekken met overwegend bruin gekafte boeken en boeken met een doorzichtig plastic omslag. Cor van den Tol, een rijzige man met een volle grijze haardos, stond achter de toonbank. Je kon er halverwege de jaren zestig voor een dubbeltje per week een roman lenen.


Cor van den Tol, foto van de website cultuurpleingo.nl


© Marlies Jongejan


1. Arjanus Faasse, Zee en eiland, (ca. 1962) 86. 
2. Zie: 
Rinus van Dam, Marlies Jongejan en Pieter Koster, De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) (Amsterdam 2018) 169-170
3. Cor van den Tol. Het Kofjekokertje en het Spookschip van Middelharnis. Naarden, 1973. Illustraties van Jan P. Koenraads.