woensdag 6 mei 2015

Scheepsrampen en ongevallen in de visserij van Middelharnis in de zeventiende eeuw

Over de scheepsrampen en ongevallen in de visserij van Middelharnis in de periode 1717-1923 is de afgelopen jaren veel informatie opgediept. Zie het boek Vergeten vissers van Middelharnis en de overzichtspagina op dit weblog.

Over de zeventiende eeuw zijn weinig gegevens beschikbaar. Op deze pagina de informatie die bekend is.


ca. 1620-1626 diverse kapingen
In de twintiger jaren van de zeventiende eeuw zijn diverse schepen met opvarenden uit Middelharnis in handen van kapers gevallen. 
De vissers namen het initiatief om tot een soort verzekering te komen om de kosten van losgelden te betalen en om nabestaanden te ondersteunen in geval van scheepsrampen. Ook reders die hun schepen verloren kregen een tegemoetkoming. De magistraat van Middelharnis vaardigde in 1626 een keur uit waarin bepaald werd dat bij de verkoop van vis per afslag 10 cent verzekeringspremie werd geheven (2). Zie ook de tekst op Arjaentje van 3 januari 2014.
In de periode 1626-1637 zijn bedragen uitbetaald die in de resolutieboeken van het dorp zijn verantwoord.

Aliaen Boot ( -1633)
1633 Betaelt aan de wedue van Aliaen Boot visser die van de vijanden op zee dootgschoten is ... vijftich gul. (1)


Jacob IJemantsz ( -1633)
1633 Betaelt aan Trijn Schotters ouer het affleggen vant dode lichaem van Jacob IJemantsz v schell. Hij overleed als gevolg van verwondingen aan zijn been door een vijandelijke beschieting (1)


Leendert Dircxz Post ( -1637)

1637 Betaelt aan de wedue van Leendert Dirkcxz Post, stierman, die bij de duijnkerkers is gevangen geweest... Alsoo Leendert Dirxcz Post in de gevangenis is overleden... (1)


Willem Roij ( -1637)

15 juli 1637 werd het lichaam geschouwd van Willem Roij die door een Duinkerker kaper is doodgeschoten. Dokter Hubertus de Bye constateert dat 'den zelven Roij met een musket cogel in sijn 's lincker schouder nederwaerts was geschooten welcke wonde den docter ende chirurgijn verclaerde doodelijck te wesen' (2)

1641 Drie visschuiten uit Middelharnis door Duinkerkers genomen
In mei 1641 zijn drie visschuiten uit Middelharnis belaagd door Duinkerker kapers. Leendert Andriesz en Maerten Cornelisz Canse verklaarden dat de Duinkerkers drie visschuiten uit Middelharnis hebben genomen. Ze hebben twee schuiten zien branden en gezien dat de derde schuit, die van Pieter Arensz Visser in de grond werd gehakt. De twee brandende schuiten waren van de stuurlieden  
Cornelis Jacobsz Coninck en van Gerrit Jansz Coninck(2)

Pieter Arensz Visser ( -1641)
Stuurman van een visschuit die in mei 1641 door een Duinkerker kaper in de grond werd gehakt. Hij was gehuwd met Pietertje Jansdr

Cornelis Jacobsz Coninck ( -1641)

Stuurman van een visschuit die in mei 1641 door een Duinkerker kaper in brand werd gestoken. Hij was gehuwd met Leentje Jansdr 

Gerrit Jansz Coninck ( -1641)
Stuurman van een visschuit die in mei 1641 door een Duinkerker kaper in brand werd gestoken.


1677 
In april 1677 voerden de diaconie en het burgerlijk armbestuur correspondentie over de huisvesting van vissersweduwen en hun kinderen. Ze hebben hun man verloren door het 'blijven van visschuiten'. (4)

Drie schuiten in twee jaar met man en muis vergaan
Tannegje Cornelis Blok dichtte in 1688 (zie ook tekst van 5 mei 2015 op dit weblog)

Om dat drie Schuiten hier van daen , binnen twee Iaren zijn gebleven,
En al het Volk in Zee vergaen, daer lieten zy haer leven (3)
De tijdsbepaling is onduidelijk. "Onlangs" staat er in het gedicht. Mogelijk gaat het toch over de jaren 1676-1677, zie hierboven.

Stuurman n.n. (  -1688) 
Een Nieuw Lied, gemaakt over het verongelukken van een Stierman, van een Visschuit van Middelharnis, geschied op den 1 Ianuary, 1688. Vier schuiten kwamen na enige dagen terug (3).
Op 1 januari 1688 vielen er zware buien bij een harde noordenwind (5).








1.
U.J. Mijs. De vischafslag van Middelharnis. Middelharnis, 1897. Bijlage D. 
Bron: Resolutieboeken Middelharnis
2. Rechterlijk archief Middelharnis, inventarisnummer 20,19 mei 1641
folio 197 en 198. Zie ook: J.C.. Both. Middelharnis tijdens de Tachtigjarige oorlog. In: De Ouwe Waerelt, 8(2008),22, 38-43
3. Een nieuw-liedboekje, genaamt het dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. Terneuzen, J.G.A. Thompson, 1854. naar de laatste uitgave herdrukt.
Zie op Google books. Een nieuw lied-boekje
4. Archief van het burgerlijk armbestuur van Middelharnis, inventarisnummer 989, 11 april 1677
5. J. Buisman. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen. Dee 5, p. 143.


Tannetje Cornelis Blok (1660-1690) en haar liedboek 'het dubbelt Emausje'


Over Tannetje (Tannetge) Blok is bekend dat ze geboren is op 3 januari 1660  in Middelharnis, dochter van Cornelis Blok*.  Ze is op 5 maart 1690 overleden.

Tannetje Blok schreef stichtelijke liederen en gedichten waarvan er 37 bewaard gebleven zijn in een bundel met de titel : het Dubbelt Emausje. Het voorwoord is geschreven door ene M.D. , dat moet Marinus van der Daff geweest zijn. Het nawoord is door M.D.K. ondertekend. Oorspronkelijk is het werk in twee delen verschenen. 
Het eerste deel bevat o.a. een lied over de watersnood van 26 januari 1682, 'Wat grooter nood, wat droever tyd'.  In 1683 sloot ze het eerste deel af met het motto dat ze aan alle gedichten meegaf  'Leerd Sterve'.  
Het tweede deel bevat ook liederen die naar de actualiteit van de jaren tachtig van de zeventiende eeuw verwijzen. Zoals 'Een nieuw lied, van de schade die er in het jaar 1684 door de Rupzen aan de Vrugten is geschied'. 
En: 'Een nieuw lied gemaakt over de Miserie en Plage die in 't jaar 1685 onder de Beesten is geweest'. 
Tevens: 'Een nieuw lied, gemaekt over het gaan van onse Hollandsche vloot na England'. 
In de 'Zamenspraak tussen een zeeman en landman' vermeldde Tannetje het omkomen van een zeeman: 'toen wij weer sijn 't huijs gekomen/misten wij een van ons maets'.





De dichtkunst van Tannetje Blok heeft weinig aandacht gekregen in de literatuurgeschiedenis. Als haar werk al eens genoemd werd dan kwamen er geen positieve bewoordingen aan te pas, zoals in een overzichtswerk van J.C.W. Le Jeune uit 1828.




Uit: Jacob Carel Willem Le Jeune. 
Letterkundig overzigt en proeven 
van de Nederlandsche volkszangen. 1828

Le Jeune eindigt met de kwalificatie: 'van de honderd en vijftig nog volgende regels is er geen een het uitschrijven waard'.

Bij Johannes Gouw komt Tannetje er in 1871 al niet beter van af. Hij noemde Tannetje een 'boerinnetje van Middelharnis' . Zelf noemde ze zich een Boere-meisje.


Uit: Johannes Gouw. De volksvermaken. Haarlem, 1871, p.413
De liederen van Tannetje Blok zijn door haar lezers ongetwijfeld wel gewaardeerd. Het 'Dubbelt Emausje' beleefde vele herdrukken, zelfs nog tot honderdvijftig jaar na het overlijden van Tannetje. Ook komt het boekje in diverse bibliotheken en particuliere verzamelingen voor.

De dichteres Tannetje Blok is niet geheel vergeten. Op de website van het Cultuurplein Goeree-Overflakkee prijkt haar naam tussen andere overleden Flakkeese auteurs. Op deze website ook de tekst van het gedicht over het verongelukken van een stuurman:
Een Nieuw Lied, gemaekt over het verongelukken van een Stierman, van een Visschuyt van Middelharnis, geschied op den 1 january, 1688.
Het lied is tamelijk recent voorgedragen, ik weet niet meer door wie en bij welke gelegenheid.


Van het liedboekje van Tannetje Blok zijn verschillende edities bewaard gebleven. Een aantal edities is te bekijken via Google books

1. Een nieuw lied-boekje, genaamd het Dubbeld Emausje, bestaande in enige nieuwe liedekens. Zwolle, weduwe F. Clement, z.j.
Dit lijk me een van de vroegste drukken. Zie op Google books. Een nieuw-liedboekje

2. Een nieuw lied-boekje genaemt het Dubbeld Emausje, bestaande in enige nieuwe liedekens/ gemaakt, en in druk uitgegeven door Tannetge Kornelis. Het eerste deel.
Den 11e druk, verbeterd en vermeerderd met het Geestelyk maagden-ciercel &c. en van veel fouten gezuiverd. Zwolle, Dirk Rampen, tussen 1725 en 1750. 96 p.


3. Een nieuw Liedt-boekje genaamt het dubbelt Emausje.
Dordrecht, Johannes 't Hooft, 1737. 10e druk.
Zie op Google books Nieuw lied-boekje

4. 11e druk. Dordrecht, H. Walpot, 1742


5. 12e verbeterde en uitgebreide druk. Dordrecht, Adriaan Walpot, 1762.
Zie op Google books Een nieuw liedt-boekje

6. Een nieuw liedtboeckje genaemr het Dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. 11e druk, verm. en verb. en van veel fouten gezuivert. Amsterdam, S. en W. Koene, 1801

7. Een nieuw-liedboekje, genaamt het dubbelt Emausje, bestaande in eenige nieuwe liedekens. Terneuzen, J.G.A. Thompson, 1854. naar de laatste uitgave herdrukt.
Zie op Google books. Een nieuw lied-boekje


* Mogelijk Cornelis Flips Block.
Verscheen februari 1657 voor het gerecht van Middelharnis, weduwnaar samen met Neeltje Teunisdr, weduwe. Met dank aan Joke van Rumpt

vrijdag 24 april 2015

De betrekkingen tussen de vissers van Antwerpen en Middelharnis (1840-1890)

De contacten en handel tussen Antwerpen met Middelharnis gaan 450 jaar terug. In 1466 heeft de machtige Sint. Michielsabdij van Antwerpen een stuk schor aangekocht op het eiland Overflakkee, om het te bedijken. Het dorp dat op de ingepolderde schor ontstond werd eerst Sint Michiel in Putten en later Middelharnis genoemd.



Afbeelding van de kerk van de Sint Michielsabdij

De oudste vermelding van Brabantse ventjagers die vis opkochten bij het havenhoofd van Middelharnis dateert uit 1603.
In het jaar 1800 kwamen meer dan driehonderd scheepsladingen vis uit Middelharnis langs de Tol van Bath, vervoerd door ventjagers uit Antwerpen, Rupelmonde, Temse en Klein Willebroek.Het nieuws van de Belgische Opstand in augustus en september 1830 bracht in Middelharnis veel beroering teweeg. De afscheiding zou desastreus uit kunnen pakken voor de vishandel en daarmee voor welvaart in het hele dorp.
In Belgiƫ wilde men niet langer afhankelijk zijn van de invoer van vis uit Nederland. De eigen zeevisserij werd daarom zeer gestimuleerd en de invoer uit Nederland werd belast met hoge invoerrechten.
Antwerpen is eind jaren dertig van de negentiende eeuw met de beugvisserij met sloepen begonnen. Dit vereiste behalve een serieuze investering ook de inzet van ervaren en goed op elkaar ingespeelde bemanningen. De ervaren beugvissers kwamen onder andere uit Middelharnis, Pernis en Zierikzee.

In het nummer van april 2015 van de Ouwe Waerelt aandacht voor de jaren 1840 -1890, waarin Antwerpen een eigen vissersvloot had. De bijdrage is geschreven door Raymond van Ael en Marlies Jongejan.
In het artikel komen de volgende onderwerpen aan bod: de voorgeschiedenis van de eeuwenoude handelsbetrekkingen, de Antwerpse zeevisserij, de bemanningsleden uit Middelharnis en hun belang voor de opkomst van de Antwerpse visserij, het leven in de Schipperskwartier in Antwerpen en de scheepsrampen van 1863, waarbij ook vissers uit Middelharnis omkwamen.
Bijzonder indrukwekkend zijn de inzamelingsacties die indertijd in de volkswijken van de stad Antwerpen voor de nabestaanden zijn gehouden.

Een eerdere bijdrage over dit onderwerp is op weblog Arjaentje verschenen op 19 september 2013.

De lijst van geƫmigreerde vissers is te vinden via deze link emigratie.


R. van Ael en M. Jongejan . De betrekkingen tussen de vissers van Antwerpen en Middelharnis (1840-1890). In: De Ouwe Waerelt, 15(2015)43, 6-13

De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie. www.demotte.nl


Link naar de volledige tekst van het artikel:


donderdag 23 april 2015

Vaten olijfolie opgevist door vissers uit Middelharnis in 1792, vaten brandewijn in 1760, katoen in 1825 en vaten petroleum in 1880

In de reeks op Arjaentje over incidentele verdiensten van vissers zoals het binnenhalen van een potvis, vrachtvervoer, passagiersvervoer, loodsdiensten en reddingen tot slot enkele berichten over het opvissen van lading die door andere schepen is verloren.


april 1792:
Door visser Bastiaans Jacobsz Visser zijn twee vaten met olie van olijven opgevist en in Middelharnis aangebracht. Pieter van den Tol viste ook een vat op. 
In het krantenbericht staan de opschriften waar de vaten mee gemerkt waren exact vermeld. De rechthebbende die de lading verloren had kon zich melden bij de substituut-strandvonder A. Mosselmans in Middelharnis.
De vissers waren verplicht dergelijke vangsten aan te geven. Er heeft vast een beloning voor de vinders aan vast gezeten. 

Rotterdamsche courant, 3 april 1792

De afwikkeling verliep niet altijd vlekkeloos. Uit onderstaande kwestie blijkt dat strandvonder Adriaan van Driel van Middelharnis in 1760  niet gelijk genegen was om de door vissers opgeviste vaten brandewijn in te leveren.


Streekarchief Voorne-Putten

In 1825 werd een aanzienlijke hoeveelheid bengaalse boomwol (katoen) uit zee gevist.
De publieke verkoping was op 14 december 1825 (Nederlandsche staatscourant, 5 december 1825)

Op 24 oktober 1863 werden de goederen verkocht die door drie stuurlieden van een verlaten bark gehaald waren. Ze hadden de bark in volle zee aangetroffen en ze namen de kettingen, ankers, rondhouten, blokken en touwen mee. De publieke verkoop op last van de strandvonden Jan Abram van den Broek bracht 393,50 gulden op. De drie stuurlieden waren Arend de Koning (Lucretia AdelaĆÆde), Abram van Eck (Wisselvalligheid) en Maarten Buurveld (Vrouw Pietertje). (Bron: NAM 42, akte 236)

Op 10 januari 1880 liep de vissloep Onbestendigheid, stuurman DaniĆ«l van Eck, in Maassluis binnen met 190 vaten petroleum die bij Egmond opgevist waren (Vlaardingsche Courant, 14 januari 1880).
Op 12 januari 1880 liep de Ulbo (Jan Smit) met 118 vaten binnen in Hellevoetsluis en de Dankbaarheid (Hendrik Langbroek) met 186 vaten eveneens in Hellevoetsluis (Het Vaderland, 14 januari 1880).
De Zeemanshoop (Hubrecht van den Hoek) bracht 200 vaten aan (Staten Slis en Kolff).*
Tal van andere vissers brachten petroleum aan, opgevist bij Egmond, Katwijk, Noordwijk en zelfs tussen Schouwen en Goeree.
De strandvonder van Middelharnis (q.q. de burgemeester) plaatste op 16 januari 1880 een oproep in de Nederlandsche Staatscourant om de rechtmatige eigenaar van 315 vaten petroleum te achterhalen. De petroleum kwam uit de V.S.

Nederlandsche Staatscourant, 16 januari 1880


* deze staten vermelden alleen petroleum bij de Zeemanshoop en de Ulbo.

Beschier Faasse verhaalde van het opvissen van kokosnoten in 1886. Dit is in de schriftelijke bronnen niet vastgelegd. (Eilanden-nieuws, 24 oktober 1956)

Vrachtvervoer door vissers uit Middelharnis

Voor het vervoer van vracht door visserssschepen uit Middelharnis zijn weinig aanwijzingen.


Uit een artikel van Hendrik de Korte uit 1947 een passage over aardappelschuiten. Dit gegeven is afkomstig uit het hoofdstuk over Middelharnis  'De Nederlandsche stad- en dorpsbeschrijver", uit 1798


H. de Korte. Iets over de visserij van Middelharnis, deel 2.
Eilanden-nieuws, 12 juli 1947


woensdag 22 april 2015

Een passagier uit Engeland aan boord van een visschuit uit Middelharnis in 1790

De tarbotvisserij en de handel in tarbot zorgden in de achttiende eeuw in het voorjaar en in de zomer voor een intensief verkeer tussen Middelharnis en Londen. Soms diende zich een passagier aan om de oversteek aan boord van een Middelharnisse schuit te maken.
Of het vervoer van passagiers een regelmatige bijverdienste was valt niet de achterhalen. Slechts deze ene keer dat het voor de passagier tragisch afliep en er lijkschouwing nodig was is overgeleverd.

De chirurgijn van Middelharnis, Kemp was zijn naam, heeft op 14 april 1790 een verklaring ten overstaan van baljuw en schepenen afgelegd dat hij het lichaam van een vreemdeling heeft geschouwd dat zich in een visschuit in de haven bevond. Frederik heette hij, zijn achternaam was niet bekend en hij was ongeveer veertig jaar. Frederik was als passagier uit Engeland meegekomen met de visschuit van stuurman Gerrit Onderdelinden. 



Bron:
Rechterlijk archief Middelharnis, inv nr.30, verklaring 4 april 1790 

zondag 19 april 2015

De reddingspoging van het koopvaardijschip Juno uit Schiedam door vissers uit Middelharnis in 1791 en nog enkele voorbeelden van reddingen

Het koopvaardijschip Juno uit Schiedam kwam op 12 juli 1791 om drie uur in de middag in moeilijkheden. Het schip was net buiten het gezicht van de wal en had Stettin aan de Oostzee als bestemming. Met het hijsen van twee vlaggen werd de aandacht van de bemanning van de gaffelvisschuit de Jonge Cornelia uit Middelharnis getrokken. Stuurman Jacob van de Rovaart en de matrozen Marinus van Woensel, Abram Bree, Pieter Masteluijn, Teunis Otto, Barend Masteluijn, Cornelis Roodsant en Claas van der Waal hebben op 19 augustus 1791 een verklaring afgelegd over het gebeurde.

De Jonge Cornelia is naar de Juno  toegezeild en Jan Kan, de schipper van de Juno, heeft hen gepraaid en geroepen dat zijn schip in nood was. Hij verzocht Jacob van de Rovaart om hulp. Ofschoon de zee 'zeer moeilijk stond'  heeft de stuurman van de visschuit geroepen dat hij het wel wilde proberen, mits hij een beloning van 800 gulden zou krijgen voor het binnenbrengen van de Juno. Deze eis werd door Jan Kan geaccepteerd.

Twee matrozen van de visschuit zijn met gevaar voor eigen leven aan boord gegaan van het koopvaardijschip. Ze zeilden naar de wal tot ze de toren van 's-Gravezande zagen en verder tot ze de toren van Brielle in het gezicht kregen. De Juno moest  hier de noodvlag hijsen. De bemanning is aan boord gekomen van de visschuit. Ze hebben allemaal gezien dat de Juno om zes uur 's-avonds over bakboorzijde is omgevallen en gekanteld. De bemanning van de Juno is de 13e juli in Middelharnis aan wal gebracht.

Uit hoofde van de mislukte pogingen tot behoud van het schip zijn Jan Kan en Jacob van de Rovaart overeengekomen dat de beloning 300 gulden zou worden, in plaats van de eerder overeengekomen 800 gulden. Jan Kan heeft 100 gulden contant afgerekend en een Zeeuwse rijksdaalder* als fooi voor de bemanning gegeven. Hij beloofde zijn best te zullen doen dat de resterende 200 gulden zo snel mogelijk door zijn reder of boekhouder voldaan zou worden.

* Een zilveren Zeeuwse rijksdaalder had een waarde van 51 of 52 stuivers.



Bron:
Rechterlijk archief Middelharnis, inv nr.44 , verklaring 19 augustus 1791


Een tweede voorbeeld is te vinden in het Streekarchief Voorne-Putten. Het dateert uit december 1814 en heeft betrekking op het binnenbrengen van een smakschip met als bestemming Schiedam door de bemanning van de vissersschuit Willem Hendrik, schipper Arij (moet zijn: Aren) Jans de Waard. De beloning bedroeg 300 gulden.De vissers Arij (Aren) Izaaks de Waard en Kornelis Waterman worden met name genoemd.





Nog een voorbeeld. In januari 1815 hielpen de gaffelschuiten Willem Hendrik, stuurman Aren Jansz de Waard en de Paulina Helena, stuurman Simon Stapel, een kofschip dat in de problemen gekomen was. De schuit van Aren de Waard is dus voor de tweede keer in korte tijd te hulp geschoten.

Jan van de Rovaard (sloep Cornelia Johanna) sleepte op 25 oktober 1825 samen met een loodsboot een zinkende galjas de haven van Middelharnis binnen. De hadden het schip zonder equipage aangetroffen op ‘den Ooster’. Het bleek te gaan om het uit Lubeck afkomstige schip Jupiter, volgeladen met eiken planken en balken van grenenhout. De publieke verkoping op last van de opper-strandvonder van de lading vond op 2 maart 1826 in Middelharnis plaats. Het schip zelf werd op 2 augustus 1826 in Middelharnis verkocht.


Rotterd crt. 27 oktober 1825, Opregte Haarlemsche courant, 5 januari 1826. Opregte Haarlemsche courant, 21 februari 1826, 22 juli 1826


Bron: Notarieel archief Middelharnis. Inventarisnummer 5820, volgnummer 11 en 12.