zondag 18 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 4, de sloep met hangende spiegel.

 

Tekening 6. Nieuw model sloep met hangende spiegel.



'Nieuw model sloep met hangende spiegel van 1877 tot 1910. Bij bries werd vaak gezeild als links is getekend.
'Van een rif met de zevenkleer', dat is een zevenkledingskluiver. In stagfok één rif en in de bezaan twee voor de loefgierigheid. Hier ingevoerde steng. Lengte 77 voet.'.

Op de tekening de MD 6 Titia Jacoba van rederij Slis. Deze sloep was 77 voet, 21,80 meter, lang en heeft gevaren van 1877 tot 1910. De MD 11 Hendrika Adriana (1883-1910) en de MD 32 Eben Haëzer/ Noordster (1884-1910), beiden van rederij Kolff, waren ook van dit model. Deze twee schepen waren iets groter uitgevoerd, namelijk 80 voet, 22,65 meter, lang. De overhangende spiegel was rond.



De Titia Jacoba uit 1877. Schilderij van een onbekende schilder afkomstig van rederij Slis 
(Maritiem Museum Rotterdam, inv. nr. P 2259)

Een variant op de ronde overhangende spiegel was de vierkante spiegel van de Zeemanshoop uit 1876. 

zaterdag 17 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 5, de schoenersloep.

 

Tekening 7.  Schoenersloep van hout of ijzer



'Schoenersloep van hout of ijzer. Hout 82 voet, ijzer 89 voet lang.
Men ligt op de 'visscherij te steken', d.w.z. de sloep ligt 'bij den wind', en het roer staat vast.Bij goed weer staat de gehele stagfok op, anders een 'punt' vastgemaakt aan het dek. Kluiver heet 'vijfkleer'. Eerste houten sloep in 1888, ijzeren in 1896. Bovenstaande sloep is van ijzer'.


Op de tekening de stalen sloep MD 10 Johanna Hendrika, die heeft gevaren van 1896 tot 1915.

In 1870 bracht rederij Kwak en Zoon uit Zwartewaal een nieuw model sloep in de vaart: een schoenersloep met twee lange masten, de Presto I. Pas in 1888 waren in Middelharnis de eerste schoenersloepen te zien in de haven. De MD 12 Zeemeeuw was een nieuwgebouwde houten schoenersloep van rederij Kolff van 83 voet lang, 23,50 meter. De MD 7 Toekomst en de MD 35 Pionier waren zeer grote tweedehands schoenersloepen uit Antwerpen, 31,4 meter lang.

MD 10 Johanna Hendrika was de eerste stalen schoenersloep van Middelharnis. In Pernis kwamen dergelijke sloepen al vanaf 1886 in gebruik. De sloep kwam in 1896 in de vaart en was 90 voet, 25,32 meter, lang. Het zusterschip van de MD 10 was de MD 14 Paul Kruger van Kolff, nieuwgebouwd in 1900. De tweedehands aankopen MD 7 Burgemeester Mijs, MD 2 Prinses Juliana en MD 6 Wilhelmina zagen er hetzelfde uit.


De MD 10 Johanna Hendrika
(Streekarchief Goeree-Overflakkee)


Houten en stalen schoenersloepen met twee even lange masten noemden de vissers ‘langmasters’. Ze werden uitsluitend voor de beugvisserij gebruikt. Vanaf ongeveer 1905 werden deze schoenersloepen ook wel aangeduid als ‘beugsloepen’. Deze term werd gebruikt om de schoeners te onderscheiden van de multifunctionele sloepen met anderhalve mast voor zowel de beug- als haringvisserij (zie tekening 8). De officiële naam voor alle sloepen van Middelharnis was en bleef ‘bunvischsloep’.


vrijdag 16 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 6, de ijzeren sloep voor de haringvisserij.


Tekening 8. IJzeren sloep voor haringvisserij



'IJzeren sloep voor haringvisserij, 89 voet lang, van 1902 tot 1914. Tot 1923 alleen voor beug. Sloep ligt 'aan de vleet'. Gaffel is van de mast, en om te zeilen, wordt een driehoekig zeil gebezigd. Voor uit of thuis zeilen, volledig tuig. Kluifhout ligt in een 'mik'. Achterzeil van 2 reven op, voor 'op de wind' te liggen.'

Met de ijzeren sloep voor de beug- en haringvisserij kwam de sloep met anderhalve mast weer terug in de haven. De grote voormast werd bij deze sloepen gestreken als de drijfnetten uitgezet werden. Deze sloepen werden soms ook het hele jaar voor de beugvisserij ingezet zonder op haringvangst te gaan.

De MD 13 Voorlichter, aangekocht in 1901, en de MD 3 Anna, aangekocht in 1902, waren tweedehands schepen uit Vlaardingen.  Beide schepen waren van rederij Kolff. De MD 4 Theodora Emmerentia van rederij Slis was een nieuw schip dat in 1904 aan de vloot werd toegevoegd. 


De MD 4 Theodora Emmerentia aan het Vingerling
(Streekarchief Goeree-Overflakkee)

In 1910 volgde de MD 11 Oranje Nassau van Kolff en in 1911 de MD 8 Albatros van Slis. Allebei  nieuwgebouwde schepen. De lengte was 90 voet, 25,32 meter.

In 1916 gingen de MD 13 Voorlichter en de MD 11 Oranje Nassau nog op haring vissen. Dit was het laatste jaar van de haringvisserij vanuit Middelharnis.  De MD 11 Oranje Nassau werd daarna tot september 1923 alleen voor de beugvisserij ingezet.


donderdag 15 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 7, de hoeker.

 

Tekening 9. Hoeker



'Hoeker. Van 1843 tot 1870. Alleen voor haringvisserij (naar een tekening)
In 1843 werd met drie van deze vaartuigen een proef genomen voor haringvisserij. Omstreeks 1870 uit de vaart genomen'.

 

De reders van Middelharnis hadden tussen 1829 en 1871 diverse hoeker-getuigde ofwel dwars-getuigde schepen in de vaart. De eerste schepen met hoekertuig die naar Middelharnis kwamen waren de hoekerbuis Waakzaamheid en de hoeker-getuigde sloep Zeeland. Jacob Slis kocht de beide tweedehands schepen in 1829 in Zierikzee. Ook de in 1831 gebouwde sloep Dankbaarheid  van Kolff was dwars-getuigd. 

Slis kocht in 1843 twee tweedehands hoekers aan, de Onbestendigheid en de Bedachtzaamheid. De heren Kolff kochten in 1843 in Pernis de koopvaardijhoeker ’t Dorp Pernis. Het schip werd omgedoopt tot de Middelharnis. Dit zijn de hoekers waar De Korte op doelt.

Alleen schepen met hoekertuig waren tot 1857 toegelaten voor de haringvisserij. Jacob Slis begon de haringvisserij in 1834 met de hoekerbuis Waakzaamheid. 


Thuisreis van de wel gebouwd hoekerbuis genaamd De Waakzaamheit
gevoert door H. Verschoor. Aquarel door Arij Stolk, ca. 1836.
Museum Vlaardingen. S 0058


In 1838 ging ook de Zeeland met de haringvloot mee. De firma Wed. C. Kolff en Zoon rustte in 1842 voor het eerst Dankbaarheid uit. De hoekers Middelharnis, Onbestendigheid en Bedachtzaamheid kwamen erbij, terwijl de Zeeland afgedankt werd.

De Middelharnis, de Onbestendigheid en de Waakzaamheid hadden geen bun en konden dus niet voor de visserij ter verse gebruikt worden. Ze werden in de winter op de kant gelegd.  

De hoeker Onbestendigheid maakte in 1870 haar laatste reis.


woensdag 14 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 8, sloepen in bedrijf.

Op tekening 10 en tekening 11 is de beugvisserij uitgebeeld. We zien de twee belangrijkste activiteiten: het uitzetten van de beug (het 'schieten') en het inhalen van de beug. De  Korte benoemt de taken van de verschillende bemanningsleden.

Op tekening 12, de laatste van deze serie, staat een sloep onder stormzeilen afgebeeld.


Tekening 10. Middelharnisse vissers de beug schietend.





'Middelharnisse vissers de beug schietend. A. Schipper aan het roer; B. Stuurman, die voelt dat de beug strak genoeg staat, roept tot; C. de 'schotter': "paai weg"; D. Jongen, de bochten van het want oplichtend voor klaar uitgooien; E.  Matroos, een nieuwe bak want aanbrengend; F. Matroos, klaar bij een boei, die aanstonds overboord moet (aan stuurboord); G. Plaats voor jongen, die 's-nachts met een lantaarn de schotter bijlicht; H. Bak want, die de schotter uitgooit.'



Tekening 11. Middelharnissche visschers de beug inhalende




'Middelharnisse vissers de beug inhalende. A. Waterspiegel; B. Zeebodem; C. Sloep voor de wind aan de beug; D. Richting van de stroom; E. Beuglijn, waaraan een kabeljauw en twee schelvissen. Derde matroos van voren af, schept met een net de kabeljauw op. Vierde matroos zal hem in het bun werpen. Schipper aan het roer, Stuurman trekt de stagfok tegen om vaart te minderen. F. Inbakker, schiet de ingehaalde beuglijnen in aasbakken op, en geeft deze naar omlaag om geaasd en gespleet te worden; G. Boei met lijn, waarvan de dreg aan de beug verbonden is.'
De handelingen die beschreven worden hebben betrekking op de versvaart. De vangst wordt namelijk in de bun geworpen en niet gesneden en gezouten.

De sloep op de tekening is de MD 1 Luctor et Emergo, in 1876 gebouwd voor Pernis en in 1897 aangekocht door Slis. De sloep is in 1910 vergaan.



Tekening 12. Middelharnissche sloep onder stormzeilen





‘Middelharnisse sloep onder stormzeilen.
Stormkluiver (driekleeds). Puntje stagfok aan het dek vastgemaakt.
Grootzeil van 3 reven. Bezaan van 3 reven. Achter het schuilkleedje staan de twee man der wacht. Het roer staat vast, en de sloep ligt 'als een meeuw op de zee’

H. de Korte Johsz. IJmuiden 1940


De sloep op de tekening is de MD 12 Zeemeeuw, een houten schoenersloep die van 1888 tot 1912 voor rederij Kolff heeft gevaren.

dinsdag 13 juni 2023

Middelharnissche Visschersvaartuigen. Het beeldverhaal van Hendrik de Korte. Deel 9, de inrichting van de MD 11 Hendrika Adriana.

De laatste tekening in de reeks van Hendrik de Korte bevat vijf schetsen van de inrichting van een sloep. Het betreft een sloep met hangende spiegel. De titel van deze afzonderlijke tekening luidt:

Inrichting Middelharnissche beugsloep Hendrika Adriana te Vlaardingen gebouwd, 80 voet lang, 1883.

Afbeelding I.  (zijaanzicht)

 1. Kabelgat 2. Volkslogies 3. Bergplaats steenkolen 4. Voordurk (bergplaats voor watervaten) 5. Ballastruimte 6. Voorbun 7. Middelbun 8. Achterbun 9. Bunbak 10. Voorop den deken 11. Achterop den deken 12. Achterdurk (toel.: durk is de plaats in het schip waar het vuil zich verzameld) 13. Vischhok 14. Ballastruimte 15. IJshok 16. Ballastruimte 17. Kajuit 18. Achterpiek 19. Kap volkslogies 20. Voormast 21. Ankerspil 22. Achtermast 23. Helmstok 24. Been van het spil 25. Bunschilden 26. Uitneembaar gedeelte voor het uitscheppen van de visch (zetteboorden).


Waarschijnlijk is deze tekening gebruikt voor de vervaardiging van onderstaand model. 


Opengewerkt model van de sloep MD 38 (fictief registratienummer), schaal 1:20,
door W.C. Ravensbergen naar gegevens van J. Ploeg (1982). (Museum Vlaardingen)


Afbeelding II. Dekplan


1. Betingbalk waarop de “knecht” voor kabel. 2. Luik kabelgat 3. Toegang volklogies 4. Kachelpijp 5. Luiken voordurk 6. Mast met SB en BB voorpomp 7. Luik voordeken 8. Luik achterdeken 9. Uitschep of zijluiken 10. Voorbun 11. Middelbun 12. Achterbun 13. Ankerspil 14 Achterpomp 15. Luik visch-hok 16. Luik ijshok 17. Kompashuisjes 18. Toegang kajuit 19. Achtermast 20. Helmstok 21. Doorloopende dekbalk


Afbeelding III. Dek zoute vischvaart


De kruisjes geven de standplaats der personen aan, kleine cirkels vaten gezouten visch

1. Jongen aan het “spleten 2. Bovenman aan het “spleten” (zorgt voor de stagfok) 3. Matroos aan het “spleten” (zorgt voor de stopmand) 4. 5. 6. en 7. Beug inhalers 7. Gooit een gevangen kabeljauw naar “kapper” 8. 9. Vischsnijder 10. Vischspoelder 11. Inbakker 12. Stuurman aan het roer 13. Schipper de visch inzoutend 14. Snijluik. 15. De boot 16. Groote spoelbalie 17. Manden met visch 18. Bunpomp voor spoelwater 19. Mand voor vaartregeling.

N.B. Een zeer uitvoerige beschrijving van deze handelingen tijdens de zoutvaart is te vinden in: H. de Korte Johsz. 'Iets over de visserij van Middelharnis, Eilanden-nieuws, artikel 16 ( 8 oktober 1947), 17 (11 okober 1947), 18 (18 oktober 1947), 19 (25 oktober 1947) en 20 (29 oktober 1947). Te raadplegen via www.krantenbankzeeland.nl

 

Afbeelding IIII. “Op den deeken” versche vischvaart


Het dek wegdenken. Deken is het bundek (zie 10 en 11 bij afbeelding I). 1. tot 2. Bunbak 3. Spleten 4. Spleten 5. Spleten 6.7.8. Matrozen de beug in het aas zettend 9. Afgeaasde beuglijn klaarstaande 9. Watervat 10. Biervat 11. Bergplaats kleine kabel 12. Waarloze beugtonnen 13. IJsmolen 14. Achterpomp 15. Been van het spil 16. Tonnen gezouten aas 17. Mast met twee pompen 18. Kettingbak 19. Achterdurk 20. Deur naar het vischhok 21. Schot vischhok 22. Bergplaats waarloos touwwerk
Naast deze tekening is een gaffelschuit getekend “begin” en de stalen sloep Johanna Hendrika uit 1896 “einde”.


Afbeelding V. Tuigteekening



1. Stengestag 2. Waterstag 3. Hals en thuishaler 4. Toppenant 5. Groote stag 6. Stagfokval 7. Zeilval 8. Tjikval 9. Voordurk 10. Noklijn 11. Spruiten 12. Voortjikval 13. Voorwant BB 14. Stengewant BB 15. Bakstag 16. Voorschoten 17. Achterwant 18. Toppenantje 19. Achterschoten 20. Achterdurk 21. Achterpiekval 22. Achterzeilval 23. Achtertjikval 24. Achternoklijn 25. Manteldurk 26. Windvaan 27. Bak en scherm roode zijvuur

 © Marlies Jongejan, juni 2023

 

woensdag 4 januari 2023

De MD 13 Voorlichter in Middelharnis (1901-1917)

De stalen sloep MD 13 Voorlichter werd eind 1901 aangekocht door de firma Wed. C. Kolff en Zoon. De sloep was bestemd voor de beug- en haringvisserij. De sloep werd in de zomer van 1902 voor de haringvisserij vanuit Middelharnis ingezet. Het was voor het eerst sinds 1872 dat Middelharnis weer aan de haringvloot deelnam. De schipper was Mattheus den Braber.


Maas- en Scheldebode, 5 december 1901

De Voorlichter was een tweedehands sloep, gebouwd in 1893 als VL 156 Voorlichter op de werf van Bonn en Mees in Katendrecht voor de Vlaardingse 'N.V. de Dogger-maatschappij tot uitoefening van de zeevisscherij' (opgericht in 1891). De directeuren van de Doggermaatschappij waren Ary Hoogendijk Jz en Ary Jan van der Paauw. 


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 28 december 1892

Andere schepen van deze maatschappij heetten Voorloper (1891), Voorwaarts  (1891), Voorbode (1893), Vooruit (1895) en Vooraan (1895). Voor eigen rekening liet Ary Hoogendijk Jz in 1894 de VL 168 Noordster bouwen. Deze sloep kwam in 1902 eveneens naar Middelharnis om als MD 3 Anna in 1903 voor de haringvisserij te worden ingezet.

Het principe van deze schepen was dat ze multi-functioneel waren, dat wil zeggen dat ze zowel voor de haringvisserij als voor de beugvisserij geschikt waren. De sloepen hadden anderhalve mast. De grote mast werd tijdens de haringvisserij gestreken.

De toenmalige betekenis van de term Voorlichter was letterlijk:'licht voor iemand uit laten schijnen, zodat hij kan zien waar de te volgen weg loopt.' Het was een optimistisch, toekomstgericht begrip.


Vlaardingsche Courant, 17 mei 1893


Schippers
De eerste schipper, Mattheus den Braber, bleef tot en met de zomer van 1910 de schipper van de MD 13 Voorlichter. In 1911 en 1912 was Jan de Koning schipper en vanaf 1913 tot en met 1917 Jacob de Korte.

Sloepen voor de haringvisserij
In 1902 voer alleen de MD 13 Voorlichter uit met de haringvloot. In 1903 kwam de MD 3 Anna erbij, als tweede sloep die voor de haringvisserij geschikt was. In 1904  ging de MD 32 Noordster eenmalig met de haringvloot mee. Van 1905 tot en met 1910 voeren de MD 3 en de MD 14 jaarlijks uit voor de haringvisserij.  In 1911 kw
am de MD 11 Oranje Nassau erbij en deed rederij Slis voor het eerst met de haringvisserij mee met de nieuwe MD 8 Albatros. Het aantal haringsloepen vanuit Middelharnis bedroeg in 1912 drie; in 1913 vier en in 1914 vier; in 1915 twee.  In 1916 gingen de MD 13 Voorlichter en de MD 11 Oranje-Nassau nog op haring vissen. 

In 1917 was dit wegens oorlogomstandigheden niet meer mogelijk. 

Rederij Kolff verkocht de MD 13 Voorlichter eind 1917 aan de heren Van Witzenburg en Smith in Vlaardingen.


Maas- en Scheldebode, 28 november 1917


MD 13 Voorlichter in de haven van Middelharnis, winter 1917-18,
in afwachting van transport naar Vlaardingen
 (uitsnede van een foto van het Maritiem Museum Rotterdam iF1309)

De sloep werd al snel doorverkocht aan de N.V Vrachtvaart- en Visscherij-Maatschappij Wilhelmina onder directie van W. van Heijst en T. van Yperen. Het schip werd op de werf van Gebr. van der Windt in Vlaardingen omgebouwd voor de vrachtvaart.

De nieuwe naam werd Wilhelmina.

Vlaardingsche Courant, 5 januari 1918

Het 'vrachtloggerschip' Wilhelmina maakte reizen naar Frankrijk, Engeland en Noorwegen. De kapitein was D. van der Zwan.


Rotterdamsch Nieuwsblad, 3 februari 1920


De N.V. Wilhelmina werd in 1922 geliquideerd. Wat er daarna met de 'vrachtlogger' Wilhelmina is gebeurd, is nog niet bekend.


De Maasbode, 18 juni 1922