woensdag 13 oktober 2021
Vervoer van verse zeevis naar Mechelen via de spoorlijn Terneuzen - Mechelen (1871)
donderdag 9 september 2021
De laatste plompreizen vanuit Middelharnis (1880)
Zie voor de plompvisserij het uitvoerige bericht van 7 januari 2020.
![]() |
| Nieuwsblad Hoeksche Waard e.o., 23 oktober 1880 |
De derde reis eindigde zeer onfortuinlijk. Op 31 oktober 1880 liep de sloep in Middelharnis binnen, zonder vangst en met aanzienlijke schade.
maandag 30 augustus 2021
Conflicten op de Noordzee. Sabotage, geweld, roof en drankmisbruik door vissers rond 1880
Het werd na 1860 steeds drukker op de Noordzee. De liberale handelsprincipes leidden tot afschaffing van vrijwel alle regelgeving voor de visserijsector. De staatsinvloed in de Noordzeelanden was tot een minimum beperkt. Het afschaffen of drastisch verlagen van invoerrechten legde de markten zonder belemmeringen open. Spoorwegverbindingen en het gebruik van ijs zorgden ervoor dat meer gebieden bereikbaar waren als afzetmarkt voor verse vis. De bevolkingsgroei in West-Europa vergrootte de vraag naar allerlei visproducten. Ook waren er technische vernieuwingen in de eens zo traditionele Noordzeevisserij, vooral in de haringvisserij. De drijfnetten van hennep werden vervangen door lichte machinaal gebreide netten, waarmee meer vis kon worden gevangen. Het bijbehorende scheepstype, de logger, was sterk in opkomst.
De vleten en de lijnen van de drijfnetten werden steeds groter. Voor de schrobnetvissers was het soms lastig om de enorme drijfnetten te ontwijken. Maar vaak ging het om moedwillige vernieling. De meeste conflicten deden zich voor in de maanden september tot en met november als de haringschepen zich tussen de schrobnetvissers bevonden.
De klachten betroffen vooral de Britse vissers. Engeland Schotland en de Kanaaleilanden hadden in 1881 gezamenlijk een vloot van 25.300 schepen (zowel schrobnetvissers als drijfnetvissers). Ze waren alomtegenwoordig. Anderzijds klaagden de Engelse vissers over het gedrag van Franse, Nederlandse en Belgische vissers. Vooral de Oostendse vissers waren berucht. Zij bevestigden vaak op hun voorsteven een vlijmscherp werktuig (the Belgian devil), speciaal om de drijfnetten door te snijden.
Drankmisbruik aan boord van vissersschepen droeg ertoe bij dat conflicten op de spits gedreven werden, Op de Noordzee deden verschillende drijvende drankwinkels goede zaken met de vissers. Acht van deze schepen hadden een Nederlandse thuishaven. Vijf schepen kwamen uit Schiedam. Zij deden ook aan ruilhandel waardoor ze veel verse vis meebrachten, Ook handelden ze in allerlei buitgemaakt vistuig dat in Nieuwediep volop verkocht werd.
In 1870 beschouwde de Nederlandse regering de misstanden op de Noordzee nog als incidenten. Het Engelse parlement nam het onderwerp serieus en liet een onderzoek instellen. In 1880 verscheen het rapport van W.H. Higgin op basis van 116 interviews met betrokkenen. Dit rapport leidde tot de internationale conferentie van Noordzeelanden (Groot-Britannië, Duitsland, Denemarken, Nederland, België en Frankrijk) in Den Haag op 8 oktober 1881, onder voorzitterschap van E.N. Rahusen (voorzitter van de College der Zeevisscherijen). Hieruit vloeide de Noordzee-conventie van 1882 voort, die in 1884 door Nederland werd geratificeerd.
De 39 artikelen handelden over de territoriale grenzen (3 zeemijlen), politiebepalingen, toezicht en handhaving. Alle schepen moesten voortaan een registratienummer voeren, voorafgegaan door de lettercode van de thuishaven. Schrobnetvissers moesten voorrang geven aan drijfnetvissers en aan beugers. En het in bezit hebben van werktuigen als de beruchte "devil' was strafbaar.
Nederland stelde twee marineschepen ter beschikking voor politietoezicht.
Alleen over de handel in sterke drank waren geen afspraken gemaakt. Het ging te zeer tegen het vrijhandelsprincipe in om de drankschepen aan banden te leggen. Maar in 1887 kwam er alsnog een tweede verdrag speciaal over dit onderwerp. De Schiedamse afgevaardigde in de Tweede Kamer was hier uiteraard zeer tegen gekant. Drank mocht niet langer geruild worden tegen verse vis of vistuig.
De internationale overeenkomsten hadden effect. De overheden van de landen rond de Noordzee wisten na 1884 de misstanden te beperken. Het gezag van het internationale politietoezicht groeide met de jaren.
In de literatuur over dit onderwerp komen de beugvissers niet aan de orde. Evenals het drijfnet was de beug een vistuig dat uitgestrekt en statisch was. De vissers konden er niet mee wegvaren als er gevaar dreigde.
In het voorjaar van 1875 brachten Engelse vissers schade toe aan het vistuig van sloepen uit Middelharnis. "Onze visschers klagen echter zeer over den moedwil van sommige Engelsche visschers, die niet zelden groote schade aan hun vischtuig toebrengen. Wenschelijk ware het dat door onze Regeering daarover bij het Engelsche gouvernement worde geklaagd".
![]() |
| Nieuwe Vlaardingsche Courant, 1 mei 1875 |
De eerste rapportage van het marineschip Argus waarin Middelharnisse schepen met kenteken voorkomen dateert uit 1883. Uit het rapport van Luitenant ter zee der 1e klasse A. G. Ellis, commandant van Z.M. gaffelschoener Argus, aan de Directeur en Commandant der Marine te Willemsoord blijkt dat twee sloepen schade hadden opgelopen aan hun viswant.
'Op den middag van 5 Juli loodde ik de Doggersbank aan op 3“ 24' WL. en bekruiste ik die bank, in verband met de uitkomsten, in het vorige jaar, omstreeks hetzelfde tijdstip, door de Argus verkregen. Ik had dan ook het geluk de vischsloepen 1 en 2 van Middelharnis en 9 en 10 van Zwartewaal aan te loopen, daar deze tot de laatst overgeblevenen hehoorende, binnen twee dagen huiswaarts zouden gaan, ten einde het vischwant te herstellen en nieuwen voorraad zomeraas te halen. Eene vischsloep, die eene verloren reis naar de Gronden had gemaakt, zou evenwel op het terrein blijven. Wat klachten betrof, deelde mij de schipper van M. D. 1 mede, dat op 22 Mei j.l. een Engelsche schrobnetvisscher zijn vischwant had stuk gemaakt en daarvan meegenomen 1 joon, 1 dreg, 1 lood, 1 bakenlijn en 1 lijnwant. Door den groten afstand was het hem niet mogelijk geweest het letterteeken van bedoelde visscher op te nemen, doch waarschijnlijk zou de schipper van de Onbestendigheid (M.D. 5) mij daaromtrent meer inlichtingen kunnen geven, daar ook van dit vaartuig, bij dezelfde gelegenheid, vischtuig was ontvreemd.' [...]
Gegevens over de betrokken sloepen, alledrie van rederij P.L. Slis en Zoon:
Meer gevallen van schade aan Middelharnisse sloepen worden in de jaarboeken niet vermeld. In de loop van de jaren zien we steeds vaker de opmerking: 'overtredingen der conventie werden niet waargenomen'.
De Middelharnisse vissers waren niet alleen slachtoffer van sabotage. Uit een bericht in de Heldersche en Nieuwedieper Courant van 7 december 1888 blijkt dat ze zich zelf ook schuldig maakten aan heling. Een visser bood een vleet en vissersgereedschap aan bij een koopman in Nieuwediep. Het bleek dat de benodigdheden afkomstig waren van een Engels vissersschip uit Yarmouth. De verkoop ging niet door en er werd proces-verbaal opgemaakt.Later bleek dat ook andere Middelharnisse vissers, die inmiddels al uit Nieuwediep vertrokken waren, een uit zee opgeviste vleet in Nieuwediep hadden verkocht.
| Heldersche en Nieuwedieper Courant , 7 december 1888 |
1. Jaarboek van de Koninklijke Nederlandsche zeemagt, 1882-1883, 340-341
Literatuur:
Bouwe Hijma, 'Roof, geweld en drankmisbruik onder de vissers op de Noordzee in de tweede helft van de 19e eeuw', Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis (1981) 43, 15-34.
G. Teitler, 'Een mijlpaal voorbij. Nederland en de Noordzee-conventie, 1882-1910', Tijdschrift voor zeegeschiedenis, 11(1992)1, 59-71.
Anita van Dissel, 'Met Argusogen bekeken. Politietoezicht op de Noordzee-visserij (eind negentiende eeuw)', in: Leo Akveld e.a. (redactie), In het kielzog. Maritiem-historische studies aangeboden aan Jaap R. Bruijn bij zijn vertrek als hoogleraar zeegeschiedenis aan de Universiteit van Leiden (Amsterdam 2003) 258-269.
woensdag 18 augustus 2021
Visafslag en ventjagers van Middelharnis. Een overzicht
Middelharnis richtte in 1598 een visafslag op die voor het hele Zuidwesten van Nederland van groot belang zou worden worden voor de handel in verse zeevis.
Onderstaande links leiden naar berichten over het thema visafslag en ventjagerij.
Ventjager Stoffel Dirkse Visser bij Fort St. Philippe in 1723
Vismaat en hoeveelheden per vissoort 18e eeuw
Ventjagers uit Sommelsdijk 18e eeuw
De palingrederij van Middelharnis
Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal
Met verse kabeljauw en schelvis naar Zeeland (18e -19e eeuw)
Arnemuidse ventjagers in Middelharnis
De laatste ventjagers in de haven ca.1895
De laatste aanvoer van zoute vis 1913
woensdag 11 augustus 2021
Met verse kabeljauw en schelvis naar Zeeland (18e -19e eeuw)
De vraag is hoe de Zeeuwse steden Middelburg en Vlissingen in de achttiende eeuw van verse kabeljauw, schelvis en andere zeevis voorzien werden.
Enkele Arnemuidse vissers, die in de zomer en de herfst de schrobnetvisserij bedreven, fungeerden in de winter en in het voorjaar als ventjager. Ze vervoerden zeevis uit Holland naar Middelburg. Deze Arnemuidse kordevissers bezochten in de winter en in het voorjaar de visafslag van Middelharnis. De bronnen hebben betrekking op de jaren 1775 tot 1840 (zie blogtekst van 1 december 2018).
Van de visafslag van Vlissingen zijn lijsten van rond 1770 bewaard gebleven. Hier voerden de kordevissers voornamelijk platvis aan. Deze vis was niet alleen voor lokale consumptie bedoeld want ook Antwerpse vishandelaren (zoals Govaarts, Adriaansen en Van den Ende die ook de afslag van Middelharnis bezochten) deden Vlissingen aan.
In maart 1768 bezocht de Middelharnisse stuurman Klaas Spaan met zijn gaffelschuit de visafslag van Vlissingen en verkocht voor 124,40 gulden aan kabeljauw, schelvis, leng en rog.
De Vlissingse visser Jacob Naerebout kocht in december 1769 op de visafslag in Middelharnis voor 166 gulden aan vis: schelvis (80 snees van elk 20 stuks, samen 132 gulden), 12 stuks kabeljauw (van 2 gulden per stuk maakt 24 gulden), 8 vleten voor 4 gulden en 4 puntjes roggen (1,50 per stuk maakt 6 gulden).
![]() |
| De lading van Jacob Naerebout, aangekocht in 'Middelharnas' Zeeuws Archief, archief Familie Mauritz, inv. nr. 5133, scan 4. |
Regelmatig brachten Vlissingse vissers een partij vis op de afslag waarbij de aantekening 'Zoutelande' werd geplaatst. Aangezien Zoutelande geen vissershaven had gaat het hier mogelijk om vis die op zee gekocht werd van de stuurlieden van gaffelschuiten uit Middelharnis, Pernis of Zwartewaal.(2) Dit zou kunnen verklaren waarom de gaffelschuit van Jacob Bree zich in december 1808 voor de kust van Walcheren bevond (waar vrijwel de hele bemanning omkwam in een storm).
In 1789 kochten de Veerse reders Corin en Willem Neve twee gaffelschuiten uit Pernis. Ze trokken hiervoor stuurlieden en bemanningsleden uit Pernis aan.(3) In 1818 kocht een groep Middelburgse kooplieden twee gaffelschuiten uit Delfshaven. Ze stelden stuurlieden uit Middelharnis aan: Roeland Waterman en Johannis Bree (zie bericht van 10 juni 2019).
Voor het antwoord op de vraag waar Middelburg en Vlissingen hun verse kabeljauw, schelvis en andere zeevis vandaan haalden beschikken we over enkele summiere aanwijzingen.
1. A.P. van Vliet, Vissers in oorlogstijd. De Zeeuwse zeevisserij in de jaren 1568-1648 (Middelburg 2003).
2. Zeeuws Archief, Familie Mauritz, inv. nr. 5133. Stukken betreffende de visserij en het viscomptoir, 1768-1771.
zaterdag 7 augustus 2021
Ventjagers uit Sommelsdijk in de achttiende eeuw
Aan het nieuwe Diep koomen lieden van Sommelsdyk met levendige kabeljaauw, in zulke ruime vaartuigen, dat er wel vyf honderd levendige kabeljaauwen in kunnen zwemmen; zy koopen de kabeljaauw van de visschers, die dezelve uit zee brengen, en zenden er dagelyks met kleiner vaartuigen zoo veel naar Amsterdam, dat zy dezelve op prys kunnen houden;aldaar aan het nieuwe Diep kan men eene kabeljaauw voor een ryksdaalder koopen, het geen op deeze wyze geschiedt;de visscher steekt met een vork in de bun naar een visch, en die hy gestoken heeft moet men nemen, het zy dezelve groot of klein is; zoo wel de kooper als verkooper moeten zich vergenoegen met het geene het geval geeft.
Sommigen vonden hun bestaan in de zalm- en elftvangst op de rivier of door het vervoer van visch, welke zij van de visschers van het nabijgelegen Middelharnis kochten, naar Braband, Vlaanderen en zelfs wel naar Engeland. De gaffelschepen, hiertoe gebezigd, werden gebouwd op de hier toen bestaande scheepstimmerwerf
De ventjagerij, de bouw van visschuiten (6) en de riviervisserij op zalm en elft vragen om meer historisch onderzoek in samenhang met de visserijgeschiedenis van Middelharnis.
donderdag 24 juni 2021
Visserij en vishandel van Middelharnis (1466-1923)
Het weblog Arjaentje bestaat sinds januari 2012 en bevat voornamelijk informatie over de visserijgeschiedenis van Middelharnis en de vissersfamilies. Veel personen en instanties hebben bijgedragen aan het weblog door gegevens of foto's voor gebruik af te staan, waarvoor dank.
Dit is het 500ste bericht (maar zeker niet het laatste). Een goed moment voor een overzicht van de geschiedenis van de visserij en de vishandel van Middelharnis.
Een deel van de gebruikte literatuur is via links in de tekst (in rood) op te vragen.
Visserij en vishandel van Middelharnis (1466-1923)
De belangrijkste afzetmarkt was het gewest Brabant met de steden Antwerpen, Mechelen, Brussel en Leuven. De route van de ventjagers liep via de getijderivieren naar het zuiden. In Mechelen leefde de vis nog steeds. In Brussel aangekomen was de vis niet meer in leven, maar nog wel vers.
De visserij ter verse in de herfst, in de winter en in het vroege voorjaar en de vier b’s, (beugvisserij, bunschepen, Brabant en bekwame vissers) bleven door de eeuwen heen constant.
![]() |
| Visschuit op de toren van het raadhuis
van Middelharnis. Museumexemplaar (Streekmuseum Goeree-Overflakkee) |
1466-1650: Opkomst van de visserij en de visafslag. Oorlog op zee
Het dorp Middelharnis is in 1466 gesticht. Bepalend voor het succes als vissersplaats en als centrum van de vishandel waren:
1. De gunstige ligging ten opzichte van de zee
2. De aanwezigheid van een goede haven. De haven was aangelegd als uitwatering voor de nieuwe polder, maar was ook geschikt als vissershaven
3. De gunstige ligging ten opzichte van de Brabantse afzetmarkt
![]() |
| .Kaart van Zeeland in 1598 door Abraham Ortelius (1527-1598). |
Sint Petrus, patroonheilige van de vissers, kreeg een altaar in de nieuw gebouwde kerk. Dit is een teken dat zich in Middelharnis al gelijk vissers vestigden. De vroegste vermelding van Brabantse ventjagers die vis opkochten bij het havenhoofd van Middelharnis dateert uit 1603.
Het dorp werd moeilijk bereikbaar omdat de haven verzandde. Om de verbetering van de haven te financieren kwam in 1598 de visafslag tot stand. De pachtopbrengst van de afslag leverde voldoende geld op om de haven goed toegankelijk te houden. De stuurmannen van de zestien visschuiten stemden ermee in om voortaan afslagrecht te betalen.
Duinkerker kapers brachten gedurende de hele Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) grote schade toe aan de visserij. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) leefde de visserij op. Toen de oorlog na 1621 weer uitbrak zijn verschillende vissersschepen uit Middelharnis in handen van kapers gevallen. Op heel Flakkee werd geld ingezameld om losgelden voor de opvarenden te kunnen betalen. De diaconie van Middelharnis betaalde ook dikwijls losgeld om vissers die in Duinkerken gevangen zaten uit te kopen . In de periode 1626-1637 zijn zes vissersschepen verloren gegaan of geplunderd. Minimaal vier vissers overleden aan hun verwondingen of door ontberingen.
1650-1711: Opbloei van
de visserij. Opnieuw oorlog op zee
Tussen 1652 en 1674 woedden er drie oorlogen tussen Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Engelse kapers waren zeer actief op de Noordzee. Ze hadden het onder meer voorzien op vissersschepen.
In 1678 besloten de ambachtsheren van Middelharnis dat alle vis die door het Goereese Gat aangevoerd werd onder het afslagrecht van Middelharnis viel. Dat gold ook voor vis die stuurlieden en ventjagers op het water verhandelden. Vanwege de toegenomen handel kwam er in 1682 een nieuw reglement (de 'keur') voor de afslag. Twintig stuurlieden van visschuiten ondertekenden de keur.
Deze voorspoedige ontwikkeling kwam door de Negenjarige Oorlog (1688-1697) tot stilstand. De Republiek streed deze keer aan de kant van de Engelsen tegen de Fransen. De vissers van Middelharnis ondervonden veel schade en overlast door de Duinkerker kapers. Meestal wisten ze aan de kapers te ontsnappen door snel het Goereese Gat in te varen met achterlating van hun viswant. De verzekeringspremies waren hoog. Eén schuit uit Middelharnis werd gekaapt, naar Duinkerken opgebracht en na het betalen van losgeld vrijgekocht.
![]() |
| Gezicht op Duinkerken vanaf de zee, circa 1700 |
Na enkele vreedzame jaren barstte de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) los. Opnieuw vocht de Republiek aan de kant van de Engelsen. Oostendse en Duinkerker kapers bedreigden de vissers. Tenminste één stuurman uit Middelharnis werd door kapers gevangengenomen en na betaling van losgeld vrijgekocht. In 1707 kwam een akkoord tot stand om verse visschepen van de strijdende partijen over en weer vrij door te laten. Dit kwam de visserij ten goede. In 1708 telde de vissersvloot van Middelharnis 21 schepen. Sinds 1682 was de omvang van de vloot stabiel gebleven, maar er waren intussen wel grotere schepen aangeschaft. De gaffelschuit was het meest gebruikte scheepstype.
1711-1750: De gouden eeuw van Middelharnis deel 1.
In de achttiende eeuw bloeiden de vishandel en visserij. Middelharnis was een levendig dorp. Naast vissers en ventjagers verdienden ook veel ambachtslui en neringdoenden een goede boterham. De welvaart was als altijd ongelijk verdeeld. Het was niet voor alle inwoners een 'gouden eeuw'.
![]() |
| De vismarkt van Billingsgate in Londen Uit: Microcosmos of London, 1808. |
In de eerste helft van de achttiende eeuw werd de visafslag van Middelharnis de belangrijkste afslag voor verse vis in het zuidwesten van de Republiek. Stuurlieden overal vandaan verkochten de vis op het water aan ventjagers. De ventjagers kochten op krediet en rekenden pas af op het viskantoor in het dorp als ze een volgende keer weer vis kwamen kopen. De ventjagers konden zodoende meteen doorvaren met de verse waar.
![]() |
| Fragment van: Gezicht op de vismarkt van Antwerpen Jean-François Daumont (uitgever), (Museum aan de Stroom) |
De rivierprik werd in de beugvisserij altijd in de eerste maanden van het jaar als aas gebruikt voor de kabeljauwvangst. De prikken kochten de boekhouders meestal in Woudrichem. Net als Vlaardingen en Maassluis kreeg ook Middelharnis een prikgat. In dit reservoir, onderaan de Oudelandse zeedijk, werden de prikken bewaard tot ze voor de visserij nodig waren. In 1746 sloten eenentwintig stuurlieden een contract over het gebruik van het prikgat.
Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) vielen Franse troepen in april 1747 de Republiek binnen. De Fransen bezetten Bergen op Zoom en Zeeuws-Vlaanderen. Allerlei Hollandse en Zeeuwse schepen vormden een verdedigingslinie op de Westerschelde en op de Oosterschelde. Ook elf visschuiten uit Middelharnis werden hiervoor ingehuurd. De vishandel naar Brabant stagneerde maandenlang.
De tarbothandel werd vanaf 1779 uitgebreid met palinghandel. De Middelharnisse palingrederij gebruikte het al aanwezige handelsnetwerk in Londen. Tarbot was er niet het hele jaar. Met het vervoer van paling konden de schuiten van de handelaren alle maanden doorvaren. De paling werd opgekocht rondom de Zuiderzee.
De Vierde Engelse oorlog (1780-1784) had grote impact. De visserij lag stil omdat Engelse kaperschepen de Noordzee onveilig maakten. De inwoners van Middelharnis vervielen in de loop van 1781 tot grote armoede. Om weer naar zee te kunnen zijn dertig schuiten van vissers en ventjagers in 1782 onder Oostenrijkse vlag gebracht (geneutraliseerd). De schepen werden op papier verkocht aan inwoners van de Zuidelijke Nederlanden. Dit gebied viel onder het bestuur van het neutrale Oostenrijk. De stuurlieden schreven zich in als inwoner van de stad Gent. De visschuiten behielden Middelharnis als thuishaven. In 1783 kochten de oorspronkelijke eigenaren de visschuiten weer terug.
Een visschuit zijnde een Zwartewaalse gaffelaar uit: Verzameling van vier en tachtig stuks Hollandsche schepen, door G. Groenewegen. Rotterdam, 1789. |
Een dorp dat in florissante staat verkeert. Zo typeerde een officiële commissie Middelharnis in 1757. Het dorp had deze voorspoed te danken aan de vangst van verse vis, waarmee ‘importante commercie’ zowel met Engeland als met Brabant bedreven werd. In heel Holland ‘wordt geen zo vischrijke plaats gevonden’ luidde het in 1789. En in 1798 lezen we dat de visserij aan de bewoners een ‘byna ongeloovelyke drokte en bezigheden’ verschaft. Deze schrijver stelde dat Middelharnis ‘in florissantie menig een stad voorby streeft’.
1794-1813: Franse en Engelse kapers. Restricties. Frans bestuur
Het jaar 1794 markeert het begin van twee decennia waarin de visserij belemmerd werd door de oorlog op zee (gaffelschuiten en kaperschepen).
Frankrijk verklaarde in 1793 de oorlog aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De vissers hadden veel te duchten van Franse kapers. In 1794 werd een gaffelschuit uit Middelharnis ‘genoomen en in de grond gehakt’. Het Duinkerker kaperschip zette de bemanning van de gaffelschuit in Noorwegen aan wal.
In januari 1795 raakten Engeland en Frankrijk in oorlog. De Bataafse Republiek werd als zusterrepubliek van Frankrijk meegezogen in de oorlog tegen Engeland.
De vissersvloot van Middelharnis ging in 1795 onder neutrale Deense vlag varen om de visserij voort te kunnen zetten. De formaliteiten konden ter plaatse geregeld worden omdat de belangrijkste reder van Middelharnis tot viceconsul van Denemarken gebombardeerd was. In 1798 kaapten de Engelsen desondanks een gaffelschuit uit Middelharnis met een kostbare lading van 514 stuks tarbot, bestemd voor Londen.
![]() |
| Pruisische scheepsbrief voor de gaffelschuit Jonge Maria, Mattheus Smit. Uit: NA, HCA, 32, 1513, 3136 32 |
Tijdens een korte periode van vrede in 1802-03 werd de visserij weer op de oude voet voortgezet. Maar in juni 1803 brak de zeeoorlog opnieuw uit. De schepen en de bemanningen zijn onder de neutrale Pruisische vlag gebracht. Dit voorkwam niet dat tussen 1804 en 1806 twaalf gaffelschuiten uit Middelharnis gekaapt zijn, waarvan er zeven terugkeerden. Deze zeven stuurlieden hadden ten overstaan van de rechtbank in Londen aannemelijk gemaakt dat ze Pruisisch waren. Vijf schuiten werden op een publieke veiling in Engeland verkocht. In april 1810 zijn voor de monding van de Maas twee gaffelschuiten uit Middelharnis door Engelse schepen genomen. Ook deze schuiten zijn verloren gegaan. Een in 1813 gekaapte gaffelschuit keerde behouden terug, nadat de bemanning maandenlang in Engelse gevangenschap doorgebracht had.
![]() |
| Een rechtbank in Londen in het begin van de 19e eeuw Uit: Microcosmos of London, 1808. |
Het risico om gekaapt te worden was groot. Ook kreeg de visserij restricties opgelegd, zoals het verbod om langer dan een dag weg te blijven of om buiten de zeegaten te komen. In 1809 moesten vissersschepen uit Middelharnis vierhonderd Franse militairen vanuit Stellendam overvaren. Een groep van zestig soldaten diende zich in het dorp aan om de vissers te dwingen mee te werken. De vissers weigerden te gehoorzamen. Tijdens dit oproer van 1809 ontstonden gevechten tussen de militairen en een menigte van voornamelijk vrouwen en kinderen. De militairen trokken zich terug.
Na de inlijving van ons land bij Frankrijk in 1810 voerden alle vissersschepen verplicht de Franse vlag. De schepen stonden rechtstreeks onder militair gezag. Ze werden regelmatig gevorderd voor transporten van militaire goederen. Een deel van de vissers kreeg dienstplicht opgelegd want voor de Franse marine was veel mankracht nodig.
Er heerste grote armoede in het dorp. In de winter van 1803-04 was de nood zo hoog dat overal in het land opgeroepen werd om Middelharnis en andere vissersdorpen te ondersteunen. Niet alleen de vissers verarmden. De neringdoenden en ambachtslieden zagen het kapitaal dat ze in de schepen gestoken hadden verdampen. De eenzijdig op de visserij gerichte dorpseconomie viel in duigen. Aan het eind van de oorlog was nog maar de helft van de 32 gaffelschuiten over. De Bataafs Franse tijd (1794-1813) was een periode van ‘algeheele kwijning’ voor de visserij.
1813-1830: Moeizaam herstel en modernisering.
![]() |
Scheepsmodel van de eerste sloep Vrouw Aplonia door Rens Langbroek (Streekmuseum Goeree-Overflakkee) |
Na 1813 was er in Middelharnis onvoldoende werk voor vissers omdat de vloot ingekrompen was. Een aantal vissers is vanaf 1818 op de vloot van Zierikzee gaan werken. Hier kwamen in korte tijd tien sloepen in de vaart. Vissers uit Vlaardingen, Maassluis, Pernis en Middelharnis bemanden de nieuwe sloepen. Minimaal 26 vissers uit Middelharnis, onder wie drie schippers, werkten korte of langere tijd in Zierikzee.
Tijdens de zoutreizen in de zomer werd met kollijnen (handlijnen) gevist. Zoutreizen leverden meestal weinig op door het grote aanbod aan gezouten kabeljauw en bijgevolg lage prijzen. De kabeljauwvisserij rond IJsland was voor Middelharnis van weinig belang. In de jaren 1829 tot en met 1833 is er vijf keer een schip naar IJsland geweest.
1830-1863: Onzekere tijden. Aanhoudende stagnatie
In 1830 begon de Belgische Opstand die tot de Afscheiding van België zou leiden. In Middelharnis, dat grotendeels afhankelijk was van de Brabantse steden, kwam de klap hard aan.
Na de officiële Afscheiding van België in 1839 is met grote voortvarendheid en met financiële steun van de Belgische regering een eigen Antwerpse beugvisserij opgericht. De Antwerpse reders trokken onder meer vissers uit Middelharnis aan. Veertien vissers uit Middelharnis trokken met hun gezin naar Antwerpen (betrekkingen tussen Antwerpen en Middelharnis).
In februari 1842 voerde de nieuwe staat België hoge invoerrechten in op verse vis uit Nederland. Dit was een grote tegenslag voor visserij van Middelharnis. Een nieuw verdrag tussen Nederland en België in 1851 leidde niet tot afschaffing of verlaging van de heffing. De Nederlandse regering schafte inmiddels de premies op de winterbeugvaart geleidelijk af. De reders moesten hun jaarlijkse tegemoetkoming missen. Belanghebbenden uit Middelharnis, 42 in getal, uitten hun teleurstelling in een gezamenlijke brief aan de Eerste Kamer. Middelharnis voelde zich miskocht omdat de premies wel afgeschaft werden en de invoerrechten niet. De briefschrijvers voorspelden de volledige ondergang van de visserij in Middelharnis.
In 1834 is Middelharnis met de haringvisserij begonnen. In Duitsland was veel vraag naar Hollandse haring. De visserij zou hierdoor minder van België afhankelijk zijn. Op het dorp ontbrak het aan vakkennis op het terrein van de haringvisserij. In het begin voeren stuurlieden uit Vlaardingen en Pernis als schipper op de schepen van Middelharnis. De bemanning van de haringschepen bestond voor twee-derde uit Duitse seizoenarbeiders ('bovenlanders' genaamd).
![]() |
Het gezigt van de Haringvissery en jagery door A. Stolk (Museum Vlaardingen) |
De tarbotvangsten liepen steeds verder terug. Rond 1845 stopte de tarbotvisserij helemaal.
Bouw van nieuwe sloepen zat er door de onzekere tijden niet meer in. In Zierikzee, Pernis en Zwartewaal kochten de reders tweedehands schepen. Het werd op den duur een houtje-touwtje vloot met opgelapte schepen en tweedehands aankopen. De vissersvloot bestond in 1843 uit negentien schepen, waarvan zestien bunvissloepen en drie schepen zonder bun (voor de haringvisserij). Na de invoering van de Zeevisserijwet van 1857 mochten ook sloepen aan de haringvisserij deelnemen. In 1857 en 1859 zijn twee nieuwe sloepen gebouwd, die zowel voor de haringvisserij als voor de kabeljauwvisserij geschikt waren.
Een van de Middelharnisse reders liet vanaf ongeveer 1850 verse vis naar Antwerpen vervoeren met zijn eigen bunbotter. De invoerrechten kon hij zo niet omzeilen, maar hij schakelde wel de tussenhandel uit. In 1855 opende de spoorlijn van Antwerpen over Roosendaal naar de haven van Moerdijk. In Moerdijk vestigden zich Belgische vishandelaren. De sloepen van Middelharnis brachten hun vangst vaak naar Moerdijk.
Engeland schafte in 1851 de invoerrechten af. Middelharnisse sloepen waren daarom steeds vaker in Engelse havens als Gravesend en Lowestoft te vinden.
De haven van Middelharnis was rond 1850 alleen nog via een omweg te bereiken. Het eeuwige probleem van de bereikbaarheid was opnieuw erg nijpend geworden. In 1854-1855 werd de haven verlengd, dwars door een zandplaat. Het geld kwam van het Rijk, de Provincie Zuid-Holland en de gemeente.
De vloten van Pernis en Zwartewaal krompen, terwijl Middelharnis na 1835 altijd minimaal vijftien schepen in de vaart hield. Er bleef altijd werk in de visserij. De haringvisserij, de eigen vishandel, de oude schepen en de premies maakten de rederijen nog net rendabel.
Helaas overschaduwden de noodlottige gevolgen van de decemberstormen de positieve stemming. In december 1863 vergingen twee sloepen met volledige bemanning, de grootste scheepsramp uit de visserijgeschiedenis van Middelharnis.
1863-1893: Opleving van de zeevisserij
Op 12 mei 1863 trad eindelijk een nieuw verdrag met België in werking. België verlaagde de invoerrechten drastisch. De eerste periode in de geschiedenis van de visserij van Middelharnis zonder oorlogen en handelspolitieke belemmeringen brak aan. De visserij bloeide tot aan het eind van de jaren 1880.
![]() |
| De sloep Volharding uit Middelharnis (Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam) De sloepen die tot en met 1871 werden gebouwd zagen er uit als de Volharding. |
Vier vissers uit Middelharnis op de foto in Den Helder, circa 1885. Ze zijn verkleed
als marinier (foto afkomstig van de familie De Moei) |
De haven van IJmuiden kwam in 1876 tegelijk met het Noordzeekanaal tot stand. IJmuiden groeide uit tot de belangrijkste marktplaats voor Hollandse vissers. De in 1883 aangelegde spoorlijn kwam tot vlakbij de plaats waar de vis aan land kwam. De vissloepen van Middelharnis, Zwartewaal en Pernis hadden een groot aandeel in de aanvoer. Via het spoor kwam het Duitse Rijk als afzetmarkt voor verse vis onder handbereik. Na Moerdijk en Nieuwediep werd IJmuiden de geëigende plaats om de verse vis aan de markt te brengen.
![]() |
| Kinderen in de Vissersstraat ca. 1900 (Streekarchief Goeree-Overflakkee) |
De werkomstandigheden voor de vissers van Middelharnis veranderden sterk. Ze kwamen minder in de thuishaven en ze maakten kennis met de moderne wereld van spoorlijnen en telegraaf. Door de enorme groei van de internationale Noordzeevloot ontstonden spanningen tussen de vissers van verschillende nationaliteiten. Roof, geweld, drankmisbruik en sabotage hebben geleid tot meer regelgeving en ook tot politietoezicht op de Noordzee.
Na een bloeiperiode van vijfentwintig jaar zette de neergang van de visserij van Middelharnis aan het eind van de jaren 1880 in. De sloepen voerden in de zomer steeds minder tonnen gezouten vis aan. De handel in verse zeevis speelde zich in Noord-Holland af. In de jaren 1890-1895 drong in het dorp het besef door dat er sprake was van een structurele achteruitgang.
1893-1923: Overbevissing. Opkomst van IJmuiden. Einde van de beugvisserij.
In 1896 kwam de nieuwe vissershaven van IJmuiden gereed. In 1899 is de spoorlijn tot aan deze nieuwe haven doorgetrokken. IJmuiden werd de onbetwiste koploper onder de marktplaatsen. Door:
1. De gunstige ligging ten opzichte van de visgronden
2. De grote, goed bereikbare en ijsvrije vissershaven
3. De voorzieningen: Rijksvisafslag, spoorweg, ijsfabrieken en visserijschool
| IJmuiden en omgeving 1933 Detail van kaart behorend bij proefschrift van L.M. van den Bergh van Eysinga |
Rond 1895 bestond de vloot van Middelharnis grotendeels uit verouderde sloepen. De reders kochten tweedehands sloepen in Pernis om de alleroudste sloepen te vervangen. Ze investeerden rond 1900 te weinig in de vernieuwing van de vloot van Middelharnis. Slis en Kolff kochten aandelen in drie rederijen met stoomschepen in Rotterdam, Vlaardingen en IJmuiden.
![]() |
| De vangst van de MD 4 Volharding wordt overgeladen in een botter, 1890 (Streekarchief Goeree-Overflakkee) |
![]() |
| Jan van der Sluis (geb. 1854) en zijn zoons Kees (geb. 1897) en Adrianus (geb.1888) (Streekarchief Goeree-Overflakkee) |
In de jaren 1903 tot en met 1907 zette de achteruitgang niet verder door. Maar daarna liepen de besommingen verder terug, ook tijdens de versvaart. De vissers verdienden te weinig om een gezin te kunnen onderhouden. Door de slechte verdiensten en door de scheepsrampen van 1910 en 1912 was er minder animo om nog naar zee te gaan. Soms konden sloepen door gebrek aan bemanningsleden niet meer uitvaren. De reders voerden in het najaar van 1912 het monsteren in om de vissers door een schriftelijk contract een heel jaar aan zich te binnen. Veel vissers en een deel van de schippers voelden hier niets voor. Ze vertrokken uit het dorp of zochten ander werk.
![]() |
| De stalen vissloep MD 8 Albatros liep op 15 maart 1911 van stapel (foto afkomstig van Piet Koster, Eindhoven) |
De zeevisserij van Middelharnis heeft zich in de loop van de eeuwen bewogen tussen de uitersten van ‘groote florissantie’ en ‘algeheele kwijning’. Altijd was er hoop op betere tijden, zelfs als oorlogen en handelsbelemmeringen de visnering jarenlang frustreerden. Steeds bracht men de veerkracht op om opnieuw te beginnen en de bakens te verzetten.
Het einde van de beugvisserij naderde onontkoombaar. De traditionele visgronden raakten door de trawlvisserij uitgeput. Met de beug viel nauwelijks meer iets te vangen. Bunschepen voor het vervoer van levende vis raakten in onbruik omdat de havens steeds meer vervuilden. Ook de opkomst van de spoorwegen en van IJmuiden waren onontkoombaar.
De ligging van Middelharnis aan de vaarroute naar de Belgische afzetmarkt bepaalde door de eeuwen heen het succes van de vishandel en de visserij. Het vervoer over water was anno 1900 niet meer de snelste en goedkoopste manier van transport. De spoorwegen namen het over. De wereld was veranderd en het dorp lag nu in een uithoek. Dit betekende het einde van Middelharnis als vissersplaats.























