maandag 17 januari 2022

Boek "De vergeten vissers van Middelharnis" uitverkocht.

In november 2018 verscheen:

Rinus van Dam, Marlies Jongejan en Pieter Koster.
De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938).

Het boek werd uitgegeven door uitgeverij De Bataafsche Leeuw in Amsterdam, onder auspiciën van het Streekmuseum Goeree-Overflakkee. De oplage was 500 exemplaren. Inmiddels is het boek door de boekhandels niet meer te bestellen. Soms wordt een exemplaar aangeboden op www.boekwinkeltjes.nl






Het boek bevat onder andere de namen van 287 vissers uit Middelharnis die sinds 1717 bij de uitoefening van hun beroep zijn omgekomen.
Sinds de verschijning van het boek zijn de namen van nog vijf personen achterhaald, waarmee het aantal op 292 komt. Het betreft vissers die op een schip uit een andere haven werkzaam waren:

1885: Cornelis Oosterling (zie tekst op dit weblog van 4 februari 2019)

1888: Cornelis Koster (zie tekst op dit weblog van 20 januari 2019)

1898: Cornelis Gootjes (zie tekst op dit weblogvan 9 januari 2019)

1913: Glijn Langbroek  (zie tekst op dit weblog van 8 januari 2019)

1934: Job Langbroek (zie tekst op dit weblog van 22 januari 2020)


Zie voor een overzicht van alle aanvullingen en correcties de tekst van 12 februari 2019 op dit weblog.


Marlies Jongejan
17 januari 2022




zondag 28 november 2021

Garnalenvissers van Middelharnis (1877-1888)

Vanaf ongeveer 1860 was de garnalenvisserij sterk in opkomst. De garnalen werden eerst gekookt en vervolgens in grote hoeveelheid naar Engeland geëxporteerd.

Pernis had in 1865 en 1866, naast een aantal sloepen en bezaanschuiten voor de zeevisserij, ook twintig hengsten voor de garnalenvangst in bedrijf. In 1872 waren het zestien kleine vaartuigen die 'een goeden oogst verkregen' . Middelharnis stapte enkele jaren later in.

De garnalenhandel concentreerde zich in Hellevoetsluis. In 1876 deden tachtig schuiten Hellevoetsluis aan. De schepen waren bemand met twee, drie of vier personen en ze brachten 8.000 manden garnalen aan (1).

Wat betreft Middelharnis lezen we voor het eerst in het jaarverslag van de gemeente uit 1877 over garnalenvisserij. Vijf  vaartuigen hebben de garnalenvisserij uitgeoefend in het Goereese Gat. 
In 1878 lezen we dat de garnalenvisserij van geringe betekenis blijft.
In 1879 wordt vermeld dat aan de garnalenvisserij geen uitbreiding is gegeven. Het betekent weinig voor de gemeente.
In 1881: de garnalenvisserij door enige kleine vaartuigen uitgeoefend, leverde wederom ongunstige resultaten op.
In 1885 oefenden enkele kleine vaartuigen uit Middelharnis gedurende een gedeelte van het jaar de garnalen- en later de steurvisserij (!) uit, met onbevredigende uitslag. 
1886: De garnalenvisserij gedurende enige weken door enkele botters en hoogaarzen uitgeoefend gaf weer een ongunstige resultaat.
1887: De garnalenvisserij door enkele botters en hoogaarzen uitgeoefend gaf weer slechte uitkomsten.
(3)

In 1883 deden 64 vaartuigen Hellevoetsluis aan om garnalen op de afslag te brengen, waarvan er zeven in Hellevoetsluis zelf thuishoorden (2)  De andere schepen kwamen uit Stellendam, Ouddorp, Goedereede en Tholen. En dus ook een handvol uit Middelharnis.


Vlaardingsche Courant, 30 april 1884


Volgens de Vlaardingsche Courant van 6 juni 1888 bestond de Middelharnisse vloot uit zes schepen.  In het jaar 1888 was de vangst buitengewoon slecht. 


Het nieuws van de dag, 6 juni 1888

Een bericht over de Texelse vissers, eveneens van 6 juni 1888.


Rotterdamsch Nieuwsblad, 6 juni 1888


Ook in Zeeland werden volop garnalen gevangen. 

Een bericht uit 1879 uit Arnemuiden:
De vissersvloot bestaat thans uit 35 schuiten, die van Vlissingen uit 5.
Op de uitvoerlijst van garnalen staat Engeland bovenaan. In 1879 wordt 500 ton naar Londen verscheept, voor een groot deel via Vlissingen, doch ook via Terneuzen. De handel naar België en Frankrijk loopt voornamelijk via Terneuzen en Breskens. De vissers maken normaal 3 tot 7 gulden per korf of mand van 17 kg. De vangst van garnalen is dit jaar uitstekend. In september en oktober komt het voor dat de garnalen zo overvloedig voorkomen, dat men in één getij de grootste hoogaars geheel kan vullen. De prijzen voor de garnalen lopen dit jaar sterk uiteen. Het loon van de garnalenvissers ligt in deze tijd op hetzelfde niveau als dat van de botvissers, waarbij men niet veel verder komt dan 35 gulden per week per schuit.

Een bericht uit 1886 uit Arnemuiden:
Over het algemeen is de garnalenvisserij thans erg wisselvallig, hoewel niet direct ongunstig. De prijzen zijn begin dit jaar zeer goed. Een Arnemuidse visser, die in één getij 7 manden garnalen vangt en naar Londen zendt, maakt ƒ 15 per mand. Dit is evenwel een uitzondering, want de prijzen dalen spoedig en blijven vrij laag.
De vissersvloot van Arnemuiden, Vlissingen en Breskens vangt dit jaar op de Westerschelde bij elkaar cirka 800.000 kg garnalen. De hoogste prijs per mand van ƒ 4 wordt maar zelden bedongen.(3)


In 1887 hadden vier botters en twee hoogaarzen Middelharnis als thuishaven (zie bericht van 25 april 2021). 

Na 1888 vernemen we niets meer over garnalen- en steurvissers uit Middelharnis. 


Hein de Waard geb. 1889 vertelde in 1970 over het vissen op steur.  Steur kwam het Haringvliet op om te paaien. Voordat de tramhaven er was, was er een kreek. Hier werd op steur gevist door de zogeheten steurdrijvers met een soort haringvleet.  De vissen kregen een touw door de kieuwen. Ze werden naar Hardinxveld vervoerd. Zalmvisserij is hier ook nog geprobeerd (4).

1. Verslag van de toestand der zeevisscherijen (1866) 50, (1872) 46, (1876) 56, (1883) 98.

2. SGO, Archief Gemeente Middelharnis inv. nrs. 817-818. Verslagen van de toestand der gemeente Middelharnis (1877 -1887)

3. http://www.kroniek.arnehistorie.com/31-jaren-1870-1947/artikelen-1870-1879/213-1879.

4. Interview met Hendrik (Hein) de Waard door J. Boomsma, ZB 1900 E 10A


woensdag 13 oktober 2021

Vervoer van verse zeevis naar Mechelen via de spoorlijn Terneuzen - Mechelen (1871)

Belgische spoorwegmaatschappijen namen het initiatief om Zeeuws-Vlaanderen aan te sluiten op het Belgische spoorwegnet. De Société Anonyme du Chemin de Fer de Gand à Terneuzen startte in 1869 de verbinding Gent-Terneuzen.  De Société Anonyme du Chemin de Fer International de Malines à Terneuzen opende in 1871 de lijn Mechelen-Hulst-Terneuzen. 

150 jaar geleden, op 26 augustus 1871, werd deze lijn in gebruik genomen.

Verse zeevis van de schepen van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal ging van oudsher naar de Brabantse steden Antwerpen, Mechelen, Leuven en Brussel. De vis werd over water via het Kreekrak vervoerd. Na de afdamming van het Kreekrak in 1867 ging de route via het Kanaal door Zuid-Beveland. In deze jaren werd ook veel vis afgezet in Nieuwediep en in Grimsby.

De nieuwe spoorlijn Terneuzen-Mechelen leek een aantrekkelijk alternatief voor de stuurlieden van de sloepen van Middelharnis.

De eerste sloep die Terneuzen aandeed was de Noord Over op 6 november 1871. Stuurman Laurens van der Put besomde hier 584 gulden.
Op 7 december 1871 kwamen de Middelharnis, stuurman Cornelis Smit en de Hendrika Adriana, stuurman Jeroen Langbroek, met verse vis in Terneuzen aan. Ze besomden resp. 290 gulden en 273 gulden (1).

Wie de vis kocht is niet bekend. Het bleef bij een eerste verkenning van de mogelijkheden. Meer vermeldingen van Middelharnisse sloepen in Terneuzen zijn tot dusver niet aangetroffen.

Overigens werd ook al in de zeer strenge winter van 1870-71 vis in Terneuzen aangebracht. De haven van Middelharnis was onbereikbaar en de sloepen weken uit naar Huisduinen, Egmond, Scheveningen, Terneuzen en Oostende (Visscherij-courant, 8 januari 1871).


1. Archief voormalige gemeente Middelharnis, Staten Slis en Kolff.

donderdag 9 september 2021

De laatste plompreizen vanuit Middelharnis (1880)

Zie voor de plompvisserij het uitvoerige bericht van 7 januari 2020.

De sloepen van Middelharnis maakten tot ongeveer 1865 als regel één zoutreis in de zomer om begin september met de plompvisserij te beginnen. Naarmate de prijzen voor gezouten vis stegen werd vaker de voorkeur gegeven aan een tweede zoutreis, ten koste van de plompvisserij. 

In 1879 bleef de plompvisserij achterwege 'uit hoofde van de goede uitkomsten der zomervaart'.

In 1880 ging één sloep op plompvisserij 'omdat zij door het overlijden van een der matrozen de zomerbeugvaart moest afbreken'. Het ging om de 46-jarige Dirk Koster die overleed op 19 augustus 1880 op 55 graden 30 minuten noorderbreedte aan boord van de sloep MD 6 Titia Jacoba van rederij Slis, schipper Maarten van Delft.


Titia Jacoba, inv. nr. P2259, Maritiem Museum Rotterdam


De plompreizen van de Titia Jacoba in het najaar van 1880 haalden alledrie de krant.
De eerste reis, die op 6 oktober 1880 in Antwerpen eindigde, was bijzonder succesvol. Door gebrek aan concurrentie was de besomming zeer hoog. De Goessche Courant wist te melden dat er 3.000 gulden vrij geld besomd was. 
Slis noteerde 1.380 gulden in de boeken.



Goessche Courant, 12 oktober 1880

De tweede reis leidde ook naar Antwerpen. Nu besomde Maarten van Delft 850 gulden.  Slis noteerde eveneens 850 gulden op 19 oktober.


Nieuwsblad Hoeksche Waard e.o., 23 oktober 1880


De derde reis eindigde zeer onfortuinlijk. Op 31 oktober 1880 liep de sloep in Middelharnis binnen, zonder vangst en met aanzienlijke schade.


Vlaardingsche Courant, 10 november 1880



Met deze reis kwam voorgoed een einde aan de plompvisserij.

maandag 30 augustus 2021

Conflicten op de Noordzee. Sabotage, geweld, roof en drankmisbruik door vissers rond 1880

Het werd na 1860 steeds drukker op de Noordzee. De liberale handelsprincipes leidden tot afschaffing van vrijwel alle regelgeving voor de visserijsector. De  staatsinvloed in de Noordzeelanden was tot een minimum beperkt. Het afschaffen of drastisch verlagen van invoerrechten legde de markten zonder belemmeringen open. Spoorwegverbindingen en het gebruik van ijs zorgden ervoor dat meer gebieden bereikbaar waren als afzetmarkt voor verse vis. De bevolkingsgroei in West-Europa vergrootte de vraag naar allerlei visproducten. Ook waren er technische vernieuwingen in de eens zo traditionele Noordzeevisserij, vooral in de haringvisserij. De drijfnetten van hennep werden vervangen door lichte machinaal gebreide netten, waarmee meer vis kon worden gevangen. Het bijbehorende scheepstype, de logger, was sterk in opkomst.

De vleten en de lijnen van de drijfnetten werden steeds groter. Voor de schrobnetvissers was het soms lastig om de enorme drijfnetten te ontwijken. Maar vaak ging het om moedwillige vernieling. De meeste conflicten deden zich voor in de maanden september tot en met november als de haringschepen zich tussen de schrobnetvissers bevonden.

De klachten betroffen vooral de Britse vissers. Engeland Schotland en de Kanaaleilanden hadden in 1881 gezamenlijk een vloot van 25.300 schepen (zowel schrobnetvissers als drijfnetvissers). Ze waren alomtegenwoordig. Anderzijds klaagden de Engelse vissers over het gedrag van Franse, Nederlandse en Belgische vissers. Vooral de Oostendse vissers waren berucht. Zij bevestigden vaak op hun voorsteven een vlijmscherp werktuig (the Belgian devil), speciaal om de drijfnetten door te snijden.



The Belgian "devil". Uit: The Anglers' Journal, 20 februari 1886. p. 85

Drankmisbruik aan boord van vissersschepen droeg ertoe bij dat conflicten op de spits gedreven werden, Op de Noordzee deden verschillende drijvende drankwinkels goede zaken met de vissers. Acht van deze schepen hadden een Nederlandse thuishaven. Vijf schepen kwamen uit Schiedam. Zij deden ook aan ruilhandel waardoor ze veel verse vis meebrachten, Ook handelden ze in allerlei buitgemaakt vistuig dat in Nieuwediep volop verkocht werd.

In 1870 beschouwde de Nederlandse regering de misstanden op de Noordzee nog als incidenten. Het Engelse parlement nam het onderwerp serieus en liet een onderzoek instellen. In 1880 verscheen het rapport van W.H. Higgin op basis van 116 interviews met betrokkenen. Dit rapport leidde tot de internationale conferentie van Noordzeelanden (Groot-Britannië, Duitsland, Denemarken, Nederland, België en Frankrijk) in Den Haag op 8 oktober 1881, onder voorzitterschap van E.N. Rahusen (voorzitter van de College der Zeevisscherijen). Hieruit vloeide de Noordzee-conventie van 1882 voort, die in 1884 door Nederland werd geratificeerd.

De 39 artikelen handelden over de territoriale grenzen (3 zeemijlen), politiebepalingen, toezicht en handhaving. Alle schepen moesten voortaan een registratienummer voeren, voorafgegaan door de lettercode van de thuishaven. Schrobnetvissers moesten voorrang geven aan drijfnetvissers en aan beugers. En het in bezit hebben van werktuigen als de beruchte "devil' was strafbaar.

Nederland stelde twee marineschepen ter beschikking voor politietoezicht.

Alleen over de handel in sterke drank waren geen afspraken gemaakt. Het ging te zeer tegen het vrijhandelsprincipe in om de drankschepen aan banden te leggen. Maar in 1887 kwam er alsnog een tweede verdrag speciaal over dit onderwerp. De Schiedamse afgevaardigde in de Tweede Kamer was hier uiteraard zeer tegen gekant. Drank mocht niet langer geruild worden tegen verse vis of vistuig. 

De internationale overeenkomsten hadden effect.  De overheden van de landen rond de Noordzee wisten na 1884 de misstanden te beperken. Het gezag van het internationale politietoezicht groeide met de jaren.

In de literatuur over dit onderwerp komen de beugvissers niet aan de orde. Evenals het drijfnet was de beug een vistuig dat uitgestrekt en statisch was. De vissers konden er niet mee wegvaren als er gevaar dreigde. 

In het voorjaar van 1875 brachten Engelse vissers schade toe aan het vistuig van sloepen uit Middelharnis. "Onze visschers klagen echter zeer over den moedwil van sommige Engelsche visschers, die niet zelden groote schade aan hun vischtuig toebrengen. Wenschelijk ware het dat door onze Regeering daarover bij het Engelsche gouvernement worde geklaagd".


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 1 mei 1875

De eerste rapportage van het marineschip Argus waarin Middelharnisse schepen met kenteken voorkomen dateert uit 1883. Uit het rapport van Luitenant ter zee der 1e klasse A. G. Ellis, commandant van Z.M. gaffelschoener Argus, aan de Directeur en Commandant der Marine te Willemsoord blijkt dat twee sloepen schade hadden opgelopen aan hun viswant.

Willemsoord, 5 augustus 1883:

'Op den middag van 5 Juli loodde ik de Doggersbank aan op 3“ 24' WL. en bekruiste ik die bank, in verband met de uitkomsten, in het vorige jaar, omstreeks hetzelfde tijdstip, door de Argus verkregen. Ik had dan ook het geluk de vischsloepen 1 en 2 van Middelharnis en 9 en 10 van Zwartewaal aan te loopen, daar deze tot de laatst overgeblevenen hehoorende, binnen twee dagen huiswaarts zouden gaan, ten einde het vischwant te herstellen en nieuwen voorraad zomeraas te halen. Eene vischsloep, die eene verloren reis naar de Gronden had gemaakt, zou evenwel op het terrein blijven. Wat klachten betrof, deelde mij de schipper van M. D. 1 mede, dat op 22 Mei j.l. een Engelsche schrobnetvisscher zijn vischwant had stuk gemaakt en daarvan meegenomen 1 joon, 1 dreg, 1 lood, 1 bakenlijn en 1 lijnwant. Door den groten afstand was het hem niet mogelijk geweest het letterteeken van bedoelde visscher op te nemen, doch waarschijnlijk zou de schipper van de Onbestendigheid (M.D. 5) mij daaromtrent meer inlichtingen kunnen geven, daar ook van dit vaartuig, bij dezelfde gelegenheid, vischtuig was ontvreemd.' [...]
'Later met de Argus te Grimsby liggende, nam ik kennis van een schrijven van de firma P. L. Slis en Zoon te Middelharnis aan haren vertegenwoordiger aldaar, den heer Thomas C. Hill, inhoudende de klacht van schipper D. van Eck, voerende de Onbestendigheid. Volgens dien schipper moet zich de zaak hebben toegedragen aldus: Op 22 Mei j.l. op schot willende gaan, kwam de schrobnetvloot van Hull in zicht, en besloot de schipper, uit vrees voor schade, slechts de halve beug te schieten. Bij het ophalen bleek deze stuk te zijn, doch bracht de smack H 1343 eenig want terug, dat aan het schrobnet was vastgeraakt, en gaf op de vraag van schipper van Eck, waar het overige was, nl. joon, bakenlijn, dreg en de overige lijn, ten antwoord dat dit alles moest zijn aan boord van de Smack H 998 (Rainbow), eigenaar de Hr. J. Gillatt. Toen de Rainbow hierop werd aangepraaid, ontkende deze vischtuig van de Onbestendigheid aan boord te hebben en voegde aan die verklaring toe, dat hij wel de boei had gehad, doch deze weder over boord had gegooid. Deze toevoeging geschiedde eerst na de bedreiging van schipper van Eck, dat hij hem langs zijde zou komen' 
'Zoolang hetzelfde vischterrein wordt bewerkt door schrobnetvisschers en visschers met de beug en het drijfnet, zullen gevallen als hierboven aangegeven werden, trots de beste maatregelen van nationale en internationale politie, wel altijd blijven voorkomen. Waar dezelfde belangen spreken, en gelijkelijk wordt gewerkt, heerscht in den regel goede harmonie. Dit blijkt o. a. uit de weinig voorkomende geschillen tusschen de Hollandsche en Engelsche beugvisschers, die een gedeelte van het jaar gelijktijdig op de Doggersbank werken'. (1)

Gegevens over de betrokken sloepen, alledrie van rederij P.L. Slis en Zoon:

MD 1 Waakzaamheid, stuurman Jacob van den Hoek (11 juli teruggekeerd)
MD 2 Maria Cornelia, stuurman Izak van den Nieuwendijk (13 juli teruggekeerd)
MD 5 Onbestendigheid, stuurman Daniël van Eck (14 juli teruggekeerd)

Meer gevallen van schade aan Middelharnisse sloepen worden in de jaarboeken niet vermeld. In de loop van de jaren zien we steeds vaker de opmerking: 'overtredingen der conventie werden niet waargenomen'.

De Middelharnisse vissers waren niet alleen slachtoffer van sabotage. Uit een bericht in de Heldersche en Nieuwedieper Courant van 7 december 1888 blijkt dat ze zich zelf ook schuldig maakten aan heling. Een visser bood een vleet en vissersgereedschap aan bij een koopman in Nieuwediep. Het bleek dat de benodigdheden afkomstig waren van een Engels vissersschip uit Yarmouth. De verkoop ging niet door en er werd proces-verbaal opgemaakt.Later bleek dat ook andere Middelharnisse vissers, die inmiddels al uit Nieuwediep vertrokken waren, een uit zee opgeviste vleet in Nieuwediep hadden verkocht.



tegen ook bij de koopman bezwaren schenen

Heldersche en Nieuwedieper Courant , 7 december 1888


1. Jaarboek van de Koninklijke Nederlandsche zeemagt, 1882-1883, 340-341
2. Archief voormalige gemeente Middelharnis, Staten van Slis en Kolff.

Literatuur:

Bouwe Hijma, 'Roof, geweld en drankmisbruik onder de vissers op de Noordzee in de tweede helft van de 19e eeuw', Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis (1981) 43, 15-34.

G. Teitler, 'Een mijlpaal voorbij. Nederland en de Noordzee-conventie, 1882-1910', Tijdschrift voor zeegeschiedenis, 11(1992)1, 59-71.

Anita van Dissel, 'Met Argusogen bekeken. Politietoezicht op de Noordzee-visserij (eind negentiende eeuw)', in: Leo Akveld e.a. (redactie), In het kielzog. Maritiem-historische studies aangeboden aan Jaap R. Bruijn bij zijn vertrek als hoogleraar zeegeschiedenis aan de Universiteit van Leiden (Amsterdam 2003) 258-269.

woensdag 18 augustus 2021

Visafslag en ventjagers van Middelharnis. Een overzicht

Middelharnis richtte in 1598 een visafslag op die voor het hele Zuidwesten van Nederland van groot belang zou worden worden voor de handel in verse zeevis.

De bedoeling was om met de opbrengst werkzaamheden aan de haven te bekostigen. De pachtopbrengsten van de afslag leverden eeuwenlang voldoende geld op om de haven goed toegankelijk te houden. Het afslagrecht bedroeg aanvankelijk een dertigste penning van de besomming. In de zeventiende eeuw liep het afslagrecht op tot 5% en in 1759 tot 7,5 %.

Het dorp wist het monopolie te verwerven voor de afslag van alle vis die via het Goereese Gat aangevoerd werd. Zelfs in de negentiende eeuw bleef dit monopolie nog in stand. Het werd pas in 1846 losgelaten, waarna de afslag in 1856 opgeheven werd.  De ventjagers die op de visafslag kochten kwamen meest uit Brabant of uit Middelharnis zelf. De geschiedenis van de visafslag is uitputtend beschreven door burgemeester Ulbo J. Mijs in zijn boek: De vischafslag van Middelharnis, 1597-1856. Met de desbetreffende ordonnantiën, keuren, ampliatiën, octrooien, contracten, enz., verzameld uit het archief der gemeente (Sommelsdijk 1894)

Ventjagers uit Middelharnis waren in de achttiende eeuw ook actief in de tarbot- en palinghandel op Londen. Over deze handel is de laatste jaren iets meer bekend geworden.

Onderstaande links leiden naar berichten over het thema visafslag en ventjagerij.


Ventjager Stoffel Dirkse Visser bij Fort St. Philippe in 1723

Vismaat en hoeveelheden per vissoort 18e eeuw

Ventjagers uit Sommelsdijk 18e eeuw

De palingrederij van Middelharnis

De visafslag in 1798

Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal

Met verse kabeljauw en schelvis naar Zeeland (18e -19e eeuw)

Arnemuidse ventjagers in Middelharnis

De laatste ventjagers in de haven ca.1895

De laatste aanvoer van zoute vis 1913




 



woensdag 11 augustus 2021

Met verse kabeljauw en schelvis naar Zeeland (18e -19e eeuw)

De zeevisserij van Zeeland verloor gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) aan betekenis. Alleen Zierikzee en Brouwershaven bleven zich toeleggen op de kabeljauwvangst, de haringvisserij verdween helemaal (1). De kabeljauwvisserij ter zoute in de IJslandse wateren werd vanaf circa 1660 een specialiteit van Zierikzee. De schepen die hiervoor gebruikt werden waren koopvaardijhoekers. Voor de kabeljauwvisserij ter verse waren enkele bunhoekers in de vaart, maar dat werden er in de tweede helft van de achttiende eeuw steeds minder. De vissers van Veere en Vlissingen legden zich toe op de kustvisserij (schrobnet- of kordevisserij) op platvis.

De vraag is hoe de Zeeuwse steden Middelburg en Vlissingen in de achttiende eeuw van verse kabeljauw, schelvis en andere zeevis voorzien werden.

Enkele Arnemuidse vissers, die in de zomer en de herfst de schrobnetvisserij bedreven, fungeerden in de winter en in het voorjaar als ventjager. Ze vervoerden zeevis uit Holland naar Middelburg. Deze Arnemuidse kordevissers bezochten in de winter en in het voorjaar de visafslag van Middelharnis. De bronnen hebben betrekking op de jaren 1775 tot 1840 (zie blogtekst van 1 december 2018).

Van de visafslag van Vlissingen zijn lijsten van rond 1770 bewaard gebleven. Hier voerden de kordevissers voornamelijk platvis aan. Deze vis was niet alleen voor lokale consumptie bedoeld want ook Antwerpse vishandelaren (zoals Govaarts, Adriaansen en Van den Ende die ook de afslag van Middelharnis bezochten) deden Vlissingen aan.
In maart 1768 bezocht de Middelharnisse stuurman Klaas Spaan met zijn gaffelschuit de visafslag van Vlissingen en verkocht voor 124,40 gulden aan kabeljauw, schelvis, leng en rog.

De Vlissingse visser Jacob Naerebout kocht in december 1769 op de visafslag in Middelharnis voor 166 gulden aan vis: schelvis (80 snees van elk 20 stuks, samen 132 gulden), 12 stuks kabeljauw (van 2 gulden per stuk maakt 24 gulden), 8 vleten voor 4 gulden en 4 puntjes roggen (1,50 per stuk maakt 6 gulden).
Hij verkocht de vis in Vlissingen en moest nogmaals afslagrecht betalen. Een deel van de lading ging naar Middelburg.

De lading van Jacob Naerebout, aangekocht in 'Middelharnas'
Zeeuws Archief, archief Familie Mauritz, inv. nr. 5133, scan 4.


Regelmatig brachten Vlissingse vissers een partij vis op de afslag waarbij de aantekening 'Zoutelande' werd geplaatst. Aangezien Zoutelande geen vissershaven had gaat het hier mogelijk om vis die op zee gekocht werd van de stuurlieden van gaffelschuiten uit Middelharnis, Pernis of Zwartewaal.(2) Dit zou kunnen verklaren waarom de gaffelschuit van Jacob Bree zich in december 1808 voor de kust van Walcheren bevond (waar vrijwel de hele bemanning omkwam in een storm).

In 1789 kochten de Veerse reders Corin en Willem Neve twee gaffelschuiten uit Pernis. Ze trokken hiervoor stuurlieden en bemanningsleden uit Pernis aan.(3) In 1818 kocht een groep Middelburgse kooplieden twee gaffelschuiten uit Delfshaven. Ze stelden stuurlieden uit Middelharnis aan: Roeland Waterman en Johannis Bree (zie bericht van 10 juni 2019).
In beide gevallen was het achterliggende idee waarschijnlijk om zelf in de aanvoer van verse zeevis te voorzien.

Voor het antwoord op de vraag waar Middelburg en Vlissingen hun verse kabeljauw, schelvis en andere zeevis vandaan haalden beschikken we over enkele summiere aanwijzingen.
Die wijzen in de richting van de vissers van het Overmase (Middelharnis, Pernis en Zwartewaal) en de visafslag van Middelharnis (de grootste afslag voor verse zeevis in Zuidwest Nederland).


1. A.P. van Vliet, Vissers in oorlogstijd. De Zeeuwse zeevisserij in de jaren 1568-1648 (Middelburg 2003).
2. Zeeuws Archief, Familie Mauritz, inv. nr. 5133. Stukken betreffende de visserij en het viscomptoir, 1768-1771.
3. Kees Leeman. De geschiedenis van de Veerse visserij 1250 -1961 (Middelburg, 2e herziene en uitgebreide uitgave 1997), p. 29