vrijdag 13 juli 2012

Prikgat en prikkenbijter

Beugvisserij op kabeljauw en schelvis
De beugvisserij was de belangrijkste tak van zeevisserij in het gebied van Overmaas.
In de beugvisserij werd de vis gevangen met lange lijnen voorzien van haken. De beug was een op zichzelf staand stelsel van lijnen en dwarslijnen, bij elkaar wel 13-16 kilometer lang. Een zomerbeug voor de kabeljauwvangst telde ongeveer 3.600 sneuen met haken. Er waren dus 3.600 stukjes aas nodig. De winterbeug voor de schelvisvangst telde eens zo veel haken.

Aas: de lampetra fluviatilis

Als aas werden verschillende vissoorten gebruikt:  geep, sardijn (sprot) of prik. Later werd ook koelever voor de schelvisvangst gebruikt. Het aas moest in stukken van 1 cm gesneden worden. Het was enorm karwei om een beug van duizenden stukjes aas te voorzien.
In Middelharnis was de prik het meest gebruikte aas. Vanaf het midden van de achttiende eeuw werd de rivierprik  (lampetra fluviatilis)  in het Prikgat (ter plaatse van de woonwijk die nu nog zo genoemd wordt) bewaard. 
Prikken zijn zoetwatervissen die tot de familie der Lampreien of Negenogen behoren. In het voorjaar trekken ze de rivieren op om zich voort te planten. De prikken hebben een langgerekt lichaam en kunnen dus gemakkelijk in moten verdeeld worden. Door hun zilverachtige huid trekken ze kabeljauwen aan (1). De lamprei werd ook wel gegeten getuige de recepten die op internet te vinden zijn.

De rivierprik. Bron:Wikipedia

Prikgat
In de masterscriptie Vissers en ventjagers beschrijft Marco Kuiper (2)  de totstandkoming van het prikgat:
''Op 17 januari 1746 sloten eenentwintig vissers in Middelharnis een contract met Cornelis van der Vlugt over de aanleg van een zogenaamd prikgat in den eeuwkant van sijn land, onder den Oudenlandsen Zeedijk, beoosten de Stoofkreek aan te leggen. De vijver moest minstens tachtig voet lang, vijfentwintig voet breed en zes voet diep zijn. De vijver werd met hout beschoeid en ook op de bodem kwamen houten planken te liggen. Van der Vlugt moest het prikgat suyver en schoon van boodem houden en onderhouden. Ook moest hij twee sluisjes "off verlaatjes tot het in en uijlaaten van waater" aanleggen. Van der Vlugt kreeg van de vissers toestemming om "alle haar paalen en planken, die thans in de kreecq bij de meestoven sijn leggende, te moogen naar sig neemen, om in off aan voorg. prikgat te verwerken naar sijn genoegen." Van der Vlugt moest de volgende zomer gelijk aan de slag want de vijver moest uiterlijk in het voorjaar van 1747 klaar voor gebruik zijn. In de vijver konden de vissers zelf prikken uitzetten om deze er later weer uit te halen. In ruil voor de aanleg en het onderhoud kreeg Cornelis van der Vlugt van elke visser per jaar één krimpkabeljauw en vier stuivers voor iedere tweehonderd prikken die men uit de vijver haalde. Op deze wijze werd dus geregeld dat diegene die het meest gebruik maakte van de vijver, ook het meest betaalde. Waren er anderen – bijvoorbeeld verkopers – die prikken in de vijver wilden bewaren dan moesten ook deze vier stuivers per tweehonderd prikken betalen. De helft van dit geld ging naar Van der Vlugt, de andere helft naar de armendiaconie van Middelharnis. Het contract was bindend zolang de vijver bruikbaar was. De vissers beloofden in het contract om zaken te blijven doen met Van der Vlugt, ook als er eventueel andere prikgaten bij kwamen".
Tot zover de beschrijving van Marco Kuiper. 

De volgende stuurlieden ondertekenden het contract:


Buijs, Willem 
Cijsje, Pieter Arentsz 
Dalen, Hendrik van 
Eck, Bastiaan Bastiaansz 
Ek, Jacob Florusze 

Heest, Willem van 
Kanse, Jacob Jansz 
Kooning, Aren Abelsz 
Kooning, Jan Gerritsz 
Kooning, Leendert
Koote, Cornelis 
Koote, Willem 
Masteluijn, Hendrik 
Pas, Cornelis Hendriksz
Pas, Joost Arentz 
Roij, Willem 
Spaan, Drik 
Staapel, Jacob Matthijsz 
Tuijter, Leendert Jansz
Visser, Bastiaan Thomasz 
Visser, Jacob Gabrielsz 

Het is niet bekend tot wanneer het prikgat in gebruik geweest is. Prikken werden uit Woudrichem en Werkendam aangevoerd. Ook Engelse prikken uit de Theems-monding werden van oudsher in de Nederlandse zeevisserij gebruikt.

De prikkenbijter
Voor een reis van tien dagen waren ongeveer duizend prikken nodig die tot gebruik in een bak in leven gehouden moesten worden. De vissen hebben zuignapjes waarmee ze zich vast kunnen zetten aan de wand van de bak waardoor ze dood gaan. Het jongste bemanningslid had tot taak om met een stok de prikken in beweging te houden om te voorkomen dat ze zich vast zouden zuigen. Als er voldoende deining was dan ging dit vanzelf maar bij kalme zee en zolang het schip in de haven lag moest de koffiekoker (Middelharnis) of de speeljongen (Vlaardingen) in de bak roeren. Voor gebruik moesten de prikken gedood worden. Arjanus Faasse (3) vertelt:


Men zegt wel dat de kleine jongens aan boord deze tussen de tanden aan de kop door moesten bijten. Ik hoefde dat nooit te doen. De matrozen bij ons aan boord, gooiden de gladde vissen in een bak met zaagsel gevuld, en dan konden zij ze gemakkelijk in de stevige handen pakken om ze met een forse klap h.s. dood te slaan. Dan werden ze aan mootjes gesneden om ze aan de beug te prikken.

Op het schip van Wijnand Hoogendijk uit Vlaardingen in de roman 'Brood uit het water' van Fenand van den Oever ging het er anders aan toe. De speeljongen Dirk Muis moest als eerste opstaan. "Hij was nog een kind. In zijn witte gezicht vochten een paar grote ogen tegen de slaap" (4).
 
Dirk Muis wist nu dat het griezeligste werk van hem verlangd werd. Hij durfde feitelijk niet. Met een ontzettende angst had hij tegen dit ogenblik opgezien... Hij nam er eentje op. De prik, kronkelig en glad als een aal, woelde in zijn handen. Het mòest. Hij greep haar beet, bracht het dier naar de mond en gaf de prik op de kop een dodelijke knauw met zijn hoektanden. Krak, krak hoorde hij. Een straaltje bitter bloed spoot tegen zijn gehemelte. Bah. Hij haalde het dier uit zijn mond. Wijnand pakte het beet, bestudeerde het even en gaf een goedkeurend knikje. En zonder te vragen hoe hij het vond, moest hij doorgaan.

 Floor van den Nieuwendijk vertelt (5):
Je had aas: makreel, zoute geep, koelever. En prikken in de tijd van de schelvis. Die prikken moest je als jongen allemaal doodbijten. Een stok met een kurk moest je uren aan elkaar dat water in beweging houden. Je moest een uur eerder op om de prikken dood te bijten, dan zat het bloed in je strot, dat was niet zo’n lekker baantje. Je moest, je wist niet anders.
Het verhaal van Van den Nieuwendijk is in tegenspraak met wat Faasse vertelt. Floor is in 1905 geboren en heeft zijn leerschool gehad op sloepen uit Maassluis. Ook andere oud-vissers hebben in interviews en krantenartikelen vertelt dat het op de vloot van Middelharnis niet de gewoonte was om prikken dood te bijten.


De prikkenbijter komt ook voor in het boek 'Het psalmenoproer' van Maarten 't Hart
Hij schrijft dat de prikkenbijter aan het eind van de werkzaamheden een dadel of een zelfs een verse vijg kreeg om de vieze smaak te verdringen. Zijn boek Psalmenoproer gaat over Maassluis in de achttiende eeuw. De uitdrukking ‘zorg dat je de prikken levend houdt’ betekende in Maassluis zoveel als 'zorg dat je in goede conditie blijft' (7).


1. H.C. Redeke. De Noordzeevisserij. Amsterdam, 1935 .
2. Marco Kuiper. Vissers en ventjagers. p.32-33 en Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 427, 17 januari 1746,
evenals Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr. 28, 17 januari 1746
3. Arjanus Faasse. Zee en eiland,108. 
4..Fenand van den Oever. Brood uit het water, 59-60
5. Interview met een inwoner van Middelharnis, ZB1900 E 09A
6. Maarten 't Hart. Psalmenoproer. Amsterdam, 2006. p. 70

Zie ook het bericht van 26 september 2014 over het verbond tussen de prik en de beugvisserij.

Brood uit het water, een roman over de visserij (Vlaardingen)

Op een regenachtige dag heb ik van de week de roman 'Brood uit het water' van Fenand van den Oever gelezen. Dit boek was ook bij oud-vissers uit Middelharnis bekend. Een van hen, Jacob Sala, noemt de titel in een interview.
Jacob Sala, ging na de teloorgang van de beugvisserij in Middelharnis samen met zijn broer bij schipper  Bram Jongejan op een Pernisser sloep varen. Daarna kwam hij bij de Holland Amerika lijn en vervolgens ging hij in Vlaardingen werk zoeken. Zodoende kwam hij weer in de beugvisserij terecht. In de beugvisserij in Vlaardingen verdiende hij weinig,  maar in de zomerse haringvisserij van  8-9 dagen per reis, verdiende hij meer dan bij de HAL. Hij voer bij reder Hoogendijk.  In
1930 kwam er grote werkeloosheid in visserij,  hij kreeg geen werk meer want de reders moesten van gemeente zoveel mogelijk Vlaardingers aannemen. Toen is hij op het land gaan werken.  

Over deze crisisperiode gaat de roman 'Brood uit water'.
Fenand van den Oever heeft nog twee andere romans op zijn naam staan met de visserij als thema: 'Laat mij maar zwerven' en 'De zee is ons land'. Voor Middelharnis missen we een dergelijke bron, maar voor zover Van den Oever over de beugvisserij schrijft is het wel vergelijkbaar.
De twee hoofdpersonen van 'Brood uit het water' zijn de legendarische schipper van het oude stempel Wijnand Hoogendijk de kabeljauwkoning die het beugen niet kon laten en aankomend schipper Arend-Michiel van Roon de haringkoning met zijn vernieuwende opvattingen.
Een mooi verhaal op de grens van de oude en de nieuwe tijd zo rond 1925. Er waren al loggers en trawlers op stoom, maar een aantal reders hield vast aan de traditionele schepen en ook de meeste bemanningsleden waren niet zo voor vernieuwing.
Door de tegenvallende opbrengsten verarmde een groot deel van de bevolking.
De roman met illustraties  van Anton Pieck geeft een doorkijkje in het leven aan boord, de spanning over de opbrengsten, de vangstmethoden en geeft ook de sfeer aan boord goed weer. 


't Vrondel, logies van de bemanning
op de sloepen van Middelharnis was de naam Vrongele
tekening van Anton Pieck, p. 39 van het boek
Brood uit het water, Fenand van den Oever
Een van de matrozen kwam uit Egmond en zorgde met zijn harmonica voor wat vrolijkheid. Een andere matroos haalde voortdurend het geloof erbij en zon veel psalmen en las in de Christelijke Zeevaarder. Een derde matroos was een vakbondsman die zijn opvattingen over het kapitaal niet onder stoelen of banken stak. De tragiek van man over boord  en de gevolgen voor de weduwe en wezen; de oude man die op zijn laatste reis aan een oog blind wordt van het zout, het komt allemaal aan bod. Maar het is vooral de drankzuchtige en nukkige heerser Wijnand Hoogendijk die de sfeer bepaalt. Ondertussen werkt Arend-Michiel met succes aan zijn loopbaan; op zijn twintigste jaar is hij al schipper en kan hij zijn eigen ideeën toepassen.

De vissers uit Middelharnis hielden op zondag rustdag, er werd niet gevist en de schipper ging voor in de kerkdienst op basis van de Christelijke Zeevaarder. Dat  was in Vlaardingen niet zo, althans niet in deze roman.
De figuren uit het boek moeten voor de Vlaardingers in 1946 wel heel herkenbaar zijn geweest . Het is ook als toneelstuk bewerkt en opgevoerd in 1994.

Interview met een inwoner uit Middelharnis, ZB 1900 E 10B

Fenand van den Oever. Brood uit het water; met illustraties van Anton Pieck
Nijkerk, Callenbach, [1946].

zondag 3 juni 2012

Laurens Johannes Bol (1898-1994) en Elizabeth Smit (1904-1987)

Laurens Johannes Bol is in Ooltgensplaat geboren op 23 januari 1898. Hij was een zoon van Leentje Maria Dijkers (geboren Ooltgensplaat 15 november 1867) en Johannes Bol (geboren in Roosendaal op 17 mei 1862). Leentje Maria Dijkers was een kleindochter van Maarten Dijkers (zie de blogtekst van 29 februari 2012). Haar vader, Laurens Dijkers, was de derde zoon van Maarten Dijkers en Sijtje van de Roovaart. Laurens Dijkers is in 1826 geboren en in 1906 in Ooltgensplaat overleden. 





Laurens Bol was een achterneef van mijn opa. Een ver familielid dus, waar ik over schrijf omdat ik hem persoonlijk heb gekend. Op vrijdag 15 april 1994 heb ik zijn crematie bijgewoond in het crematorium in Dordrecht. Enkele jaren daarvoor bezocht ik hem in zijn serviceflat in Dordrecht, zijn vrouw was toen al overleden. We hadden het erover dat zijn moeder Dijkers heet en mijn moeder ook, maar hoe het precies zat wist ik toen niet.

Laurens Bol was kunsthistoricus en museumdirecteur. Hij begon zijn loopbaan als onderwijzer in Stellendam. In 1920 werd hij in Middelburg aangesteld. Laurens voelde zich bijzonder aangetrokken tot de kunstgeschiedenis en hij begon naast zijn werk als onderwijzer onderzoek te doen naar de oude schilderkunst van Middelburg. 'Middelburg is mijn stad' zei hij, hij bleef er bijna 30 jaar tot 1949. Hij heeft tal van oude Middelburgse meesters in de schijnwerpers geplaatst: Adriaen Coorte, de familie Bosschaert, Balthasar van der Ast, Jacob van Geel, Philips Angel van Middelburg. Hij schreef in het kunsthistorische tijdschrift Oud-Holland en ook voor NRC.

Laurens was autodidact op kunsthistorisch gebied; door zijn onderzoek in Middelburg en zijn  publicaties werd hij een gezaghebbend kunsthistoricus. In 1949 werd hij benoemd als directeur van het Dordrechts museum waar hij de collectie aanzienlijk uitbreidde en zeer druk bezochte tentoonstellingen organiseerde.

Toen ik in 1976 in de Provinciale Bibliotheek van Zeeland kwam te werken was daar Meneer Bol. Na zijn pensionering kwam hij elke week een dag met de trein naar Middelburg om zijn onderzoek naar de Middelburgse meesters uit te breiden. In 1984 werd in Amsterdam de tentoonstelling "Masters of Middelburg" , die grotendeels op het onderzoek van Bol gebaseerd was, aan hem opgedragen.

Laurens Bol en Elizabeth Bol-Smit
1986 ter gelegenheid van de uitreiking van de penning
van het Zeeuws Genootschap 12-06-1986
Uit: PZC

Een aardige bescheiden man, heel beminnelijk en vriendelijk voor de medewerkers van de bibliotheek. Ik leerde hem wat beter kennen en we raakten aan de praat over Flakkee en over zijn jeugd. Over Ooltgensplaat had hij in de jaren dertig af en toe iets in NRC geschreven, deze knipsels mocht de bibliotheek van hem hebben. Ook in het nieuwe gebouw in de Zeeuwse Bibliotheek is hij nog geweest, maar de reis werd hem op den duur te zwaar. Hij was denk ik negentig jaar toen hij zijn reizen naar zijn geliefde Middelburg moest staken.

Elizabeth Bol-Smit en Laurens Bol zijn een leven lang samen geweest, het echtpaar had geen kinderen. Elizabeth Smit (geboren in Hellevoetsluis op 13 februari 1904) was kunstschilder. In 1984 is een boek uitgegeven met haar werk onder de titel "In Vogelvlucht, schilderijen, tekeningen, gedichten". Elizabeth Bol was bevriend met de bekende dichteres Vasalis, zo staat vermeld in de de biografie van Vasalis die in 2011 door Maaike Meijer is gepubliceerd.


Elizabth Bol-Smit
NRC 24-2-1967







Laurens Bol
portret getekend door Elizabeth Bol-Smit


Literatuur:
- Dijkers-review 10(1996) p. 252
- Laurens Bol in memoriam door Saskia de Bodt





zondag 6 mei 2012

Vissers en vissersvrouwen konden schrijven, alfabetisme in Middelharnis

Veel ouders waren in de negentiende eeuw van mening dat de vaardigheid om te lezen en te schrijven hun kinderen verder zou helpen  in de maatschappij. Kinderen gingen als regel naar de lagere school , al was er op het platteland in de zomer veel verzuim.
Aan de hand van de gegevens uit de Historische Steekproef Nederlandse bevolking heeft Onno Boonstra de mate van analfabetisme per gemeente vastgesteld. Iemand wordt als analfabeet beschouwd als hij niet in staat is om een handtekening te zetten onder een aangifte voor de burgelijke stand. De handtekening is een goede maat om alfabeten van analfabeten te scheiden. Het zetten van een handtekening is een vorm van schrijven, en in de negentiende eeuw werd op school pas schrijven geleerd nadat de leerlingen hadden leren lezen. Iemand die kan schrijven kan ook lezen en is dus alfabeet, aldus Boonstra.



Percentage analfabete mannen per gemeente, geboren tussen 1800 en 1825
figuur 2 uit artikel van Boonstra p. 143


In de gemeenten die als een donkere vlek zijn afgebeeld kwamen in de 19e eeuw de meeste analfabeten onder de mannelijke bevolking voor.
lichtgrijs = minder dan 10% analfabeten
middengrijs = 10-20%
donkergrijs= 20-30%
zwart = meer dan 30% analfabeten

Het donkere vlekje middden boven is Stad aan 't Haringvliet. De lichte vlek links daarvan is Middelharnis. Vroeg in de 19e eeuw was hier al minder dan 10% analfbetisme onder de mannelijke bevolking.
Analfabetisme was het hoogste onder ongeschoolde en laaggeschoolde arbeiders en onder vrouwen. In de loop van de negentiende eeuw vervaagde het verschil tussen de klassen en tussen de sexen, aan het eind van de eeuw was het analfabetisme vrijwel verdwenen.

In de akten van geboorte, sterfte en huwelijk wordt sporadisch vermeld dat iemand geen handtekening kan zetten omdat hij of zij niet geleerd heeft te schrijven. Het betreft dan vrijwel altijd iemand die van beroep arbeider is. Vissers behoorden ook in dit opzicht tot een andere sociale klasse dan de landarbeiders.

De vissers, hun bruiden en de vaders en moeders zetten vanaf het begin van de negentiende eeuw meestal een keurige handtekening.
Hieronder een afbeelding van de eerste huwelijkakte uit de Burgerlijke Stand van Middelharnis. Huwelijk tussen Machiel van de Rovaart, visser, 24 jaar en Adriana Verhagen 24 jaar. Zij hebben allebei hun handtekening gezet. De vader van Machiel is visser Jacob van de Rovaart, zijn moeder heet Adriana Verhagen. De vader van de bruid is Wouter Verhagen, visser. De moeder van de bruid, Adriana Wafelbakker is al overleden ten tijde van het huwelijk.
Van de ouders ontbreken de handtekeningen.

De getuigen:
Jan Buurveld, 44 jaar, visser,met handtekening
Beschier Gijzen, 37 jaar, visser, met handtekening
Adrianus van de Rovaart, 38 jaar, visser, met handtekening
Joost van de Rovaart, 29 jaar, visser, geen handtekening





Eerste huwelijksakte uit de Burgerlijke Stand van Middelharnis
20 februari 1812


Gegevens ontleend aan:
Boonstra, Onno. Functioneel analfabetisme in Nederland 1775-1900. In: Maas, Ineke, Marco H.D. van Leeuwen en Kees Mandemakers (red.). Honderdvijftig jaar levenslopen; De Historische Steekproef Nederlandse bevolking.  Amsterdam, 2008.  pp. 127-146

zaterdag 28 april 2012

De Nutsbibliotheek van Middelharnis-Sommelsdijk. Ook voor vissers.

Leescultuur
Naar de leescultuur op Goeree-Overflakkee in de negentiende eeuw is door Herman Paul onderzoek gedaan (1). Vanaf 1800 heeft zich - ook op Goeree-Overflakkee- de zogeheten "leesrevolutie" voltrokken. Deze term, afkomstig van de Duitse historicus Rolf Engelsing, slaat op de toenemende belangstelling van mensen voor het lezen van boeken, kranten en tijdschriften. Er kwam een breder lezerspubliek, lectuur kwam gemakkelijker binnen het handbereik van de burgerij en er kwamen steeds meer ontspannende boeken en boeken die gericht waren op de "volksopvoeding".
Ook op Goeree-Overflakkee, een geïsoleerd gebied waar het grootste deel van de laagopgeleide bevolking in de landbouw de kost verdiende, kwamen volksbibliotheken en leesgezelschappen van de grond.

Lager onderwijs
Voor de 21.000 inwoners van Goeree-Overflakkee waren er rond 1840 veertien openbare lagere scholen met 's zomers 1.440 leerlingen en in de winter 2.270 leerlingen (cijfers gebaseerd op Ds. Boers). In de zomer moest er op het land gewerkt worden of in de huishouding. De kwaliteit van het onderwijs was soms ver onder de maat. Op de school in Middelharnis lag in 1873 het zwaartepunt op zingen.
Schoolbibliotheken vormden een stimulans voor het lezen, alleen waren die bibliotheken soms heel beperkt. In Middelharnis omvatte de schoolbibliotheek in 1874 maar 24 boeken, de onderwijzer vroeg de gemeenteraad om 100 gulden voor de bibliotheek.

Leesgezelschappen
Ooltgensplaat, Oude-Tonge, Nieuwe-Tonge, Sommelsdijk en Goedereede kenden één of meer leesgezelschappen voor de hogere burgerij.
Het oudste leesgezelschap was de Onderlinge Vriendschap te Sommelsdijk uit 1825, opgericht door acht jonge mannen die niet alleen boeken lazen, maar ook spreekbeurten hielden. Op 7 december 1841 hield het lid J. Jongejan een spreekbeurt over "de ontwikkeling en voortgang van onzen geest in dit en in een volgend leven". Jacob Jongejan was drukker in Sommelsdijk (o.a. van het boek van Ds. Boers) en bibliothecaris van de Nutsbibliotheek van 1837-1868 (2).

Nutsbibliotheek
Het departement Middelharnis-Sommelsdijk van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen werd in 1810 opgericht en opende in hetzelfde jaar een bibliotheek.

Uitleningen:
1818:  690 aan 127 lezers
1827:1.600
1832:2.000
1837:2.312
1843:3.000 aan 60 lezers
1900: 3.000 aan 100 lezers.

De collectie bestond uit tweedehands boeken onder andere van particulieren en van het leesgezelschap Onderlinge Vriendschap in Sommelsdijk. Ook het Hoofdbestuur van het Nut in Amsterdam stuurde regelmatig boekjes op soms in grote aantallen om op het eiland te verspreiden (bijvoorbeeld 200 boekjes over koepokinenting in 1815).
Het bestuur van het departement koos op den duur voor een onafhankelijke koers, zonder advies, toezicht en "boekenkisten" van het hoofdbestuur. Men wilde naar eigen inzicht handelen, rekening houdend met "plaatselijke toestanden".
Wat deze plaatselijke keuze voor de selectie van boeken betekende, is niet duidelijk; er zijn alleen catalogi uit 1894 en later bewaard gebleven. Dat er prekenbundels, een kinderbijbel en de beschrijving van het eiland Goeree-Overflakkee door dominee Boers in de collectie zaten ligt voor de hand.
Uit de catalogus van 1894 blijkt dat de doelstellingen van volksopvoeding en educatie op de achtergrond waren geraakt: 64% (473 boeken) van de collectie bestond uit romans waaronder 22 romans van E. Marlitt, A. Trollope en G.P.R. James. Sir Walter Scott en Jules Verne waren ook goed vertegenwoordigd. Van de 24 poëzieboeken noemen we Ten Kate, Van Alphen, Beets en Tollens. De categorie godsdienst, zedenleer, opvoeding en onderwijs telde 69 titels. Het aandeel van de ontspannende lectuur nam tussen 1894 en 1921 toe naar 73% van de collectie (die groeide van 738 naar 1.112 banden).

Lezerspubliek
De secretaris van het Nut meldde in 1890 dat  "de lezers behooren tot de burgerklasse, arbeidende stand en visschers". De vissers vormden een bijzonder publiek aangezien ze boeken meenamen op de lange zomerreizen. Een mooie service van de Nutsbibliotheek!
In de boeken zal waarschijnlijk alleen op zondag gelezen zijn, omdat daar verder aan boord geen tijd voor was. Een oud-visser vertelt (3).

Op zondag werd er niet gevist. Er werd uit de Bijbel gelezen, er stonden een of twee personen op wacht. Twee keer per dag werd een uur kerkdienst gehouden. 
Voor de godsdienstoefeningen aan boord werd het boek "De Christelijke Zeevaart" van N.S. van Leeuwaarden gebruikt.



Visser vermoedelijk uit Middelharnis, ca. 1885
op de tafel een boek, foto afkomstig van de familie De Moei


© Marlies Jongejan, maart 2024


1. Paul, Herman. Leescultuur op Goeree-Overflakkee in de negentiende eeuw. In: De Negentiende Eeuw; documentatieblad Werkgroep 19e eeuw. 24(2000)2, 98-121.
2. Vos, K. Gedenkschrift ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het departement Middelharnis-Sommelsdijk der maatschappij tot nut van 't algemeen uit aantn. van Jan van Schouwen Cz. (Middelharnis 1910), 31-36. 
3. Interview met een inwoner uit Middelharnis ZB 1903A11b

maandag 23 april 2012

Weduwen in Middelharnis 1869

Omdat vrouwen meestal ouder worden dan mannen en ook omdat mannen vaker hertrouwen  zijn er altijd meer weduwen dan weduwnaars. In de negentiende eeuw werden regelmatig volkstellingen gehouden waar ook de burgerlijke staat van alle inwoners keurig genoteerd werd. Tegenwoordig staan die tellingen op een website. Zo kunnen we terugzoeken hoeveel weduwen en weduwnaars er op een bepaalde datum waren. Helaas zijn de gegevens per gemeente niet voor alle jaren beschikbaar. Voor de periode 1840-1869 heb ik ze wel teruggevonden op de website volkstellingen.

In de beschrijvingen van de vissersfamilies uit Middelharnis zijn we veel vrouwen tegengekomen die weduwe zijn geworden toen hun de man omgekomen was bij een scheepsramp. Het is logisch om te denken dan er in Middelharnis meer weduwen waren dan gemiddeld in Nederland.
Dit blijkt voor een aantal aantal jaren inderdaad zo te zijn. Landelijk waren er twee weduwen op één weduwnaar. In Middelharnis in 1869 vijf weduwen op twee weduwnaars.
Voor 1849 moeten we bij de hoge cijfers eerder denken aan sterfte door de aardappelcrisis en de cholera als oorzaak dan aan scheepsrampen.


weduwnaarsweduwenverhoudingverhouding
MiddelharnisNederland
1840511132,22,3
1849591502,52,1
1859581302,22,1
1869501232,52
Verhouding tussen het aantal weduwen en het aantal weduwnaars
in Middelharnis en in heel Nederland 1840-1869


In de jaren '60 van de negentiende eeuw zijn de volgende sloepen uit Middelharnis met de volledige bemanning van twaalf tot dertien personen vergaan.
- Vrouw Aplonia in 1863 (ca. 10 weduwen)
- Eben Haëzer in 1863 (ca. 9 weduwen)
- Lucretia Adelaïde in 1865 (6 weduwen)
- Wisselvalligheid in 1867 (9 weduwen)


Het in verhouding grote aantal weduwen in 1869 is dus mede veroorzaakt door deze scheepsrampen.

Gerrit van den Nieuwendijk was één van de bemanningsleden van de Lucetia Adelaïde die in 1865 met man en muis in verging. Na de dood van Gerrit begint zijn weduwe Jannetje de Waard een winkeltje in een kelderwoning aan de Nieuwstraat (zie ook de tekst van 20 februari 2012). Jannetje de Waard was dus één van de weduwen van 1869.

Door de ramp met de sloep Middelharnis in 1872 werden negen vrouwen weduwe.
Bij de Zeemanshoop 1895 waren het er zeven, bij de Luctor et Emergo in 1910 zes en bij de ramp met de Anne in 1912 werden acht vrouwen weduwe (1).

Bron:
www.volkstellingen.nl

1. Aantallen weduwen ontleend aan krantenberichten ten tijde van de scheepsrampen.

zaterdag 21 april 2012

Leendert de Waard (1795-1828) en Elisabeth Breeman (1800-1863)

Ouders
Leendert de Waard is een zoon van Jan de Waard, stuurman, en Johanna Visser. Leendert is geboren op 6 april 1795. Zie bericht op dit weblog van 1 maart 2016.
Elisabeth Breeman is op 18 juni 1800 geboren, dochter van Jacob Breeman en Klaasje Vlietland.


Huwelijk en kinderen
Elisabeth Breeman en Leendert de Waard trouwden op 5 september 1819, hij was 24 en zij 19 jaar oud. 
Drie maanden na het huwelijk is op 16 december 1819 dochter Johanna geboren. Aaltje volgt op 7 mei 1822, Elisabeth op 6 mei 1824, Klaasje op 25 september 1825 (overleden 19 maart 1826), Jan op 25 oktober 1826 en Leendert op 27 juni 1828.

De scheepsramp van 1828
Leendert de Waard is al op jonge leeftijd schipper geworden waarmee hij de verantwoordelijkheid over het schip en de twaalfkoppige bemanning had. Op 5 maart 1828 is zijn sloep Catharina Elisabeth bij Egmond in een storm vergaan. Zijn broer Johannis was met zijn schip in de nabijheid maar verloor hem uit het oog. Onderstaand artikel geeft de toedracht van de ramp weer.







Nabestaanden
Zeven weduwen, zestien kinderen, twee moeders, een vader en een zuster werden de jaren erna ondersteund.


Arnhemsche Courant 23 februari 1832


Het departement Middelharnis van de Maatschappij tot nut van 't algemeen heeft de inzamelingsactie gehouden die ook door andere departementen werd opgepakt (1). Minimaal zeven jaar lang werd een jaarlijks een bedrag beschikbaar gesteld, ook om de kinderen naar school te laten gaan.

Elisabeth is dus de eerste jaren geholpen om in haar levensonderhoud te voorzien. In 1839 is ze hertrouwd.
Zoon Leendert is geboren 3 maanden nadat zijn vader was verdronken. Elisabeth Breeman bleef dus achter met vijf kinderen onder de 10 jaar.
Dochter Elisabeth overleed in 1829, 5 jaar oud; Leendert in 1830, 2 jaar oud
In het jaar 1839 is de oudste dochter Johanna getrouwd op 3 september. 
In dezelfde maand op de 23e hertrouwt Elisabeth op 39-jarige leeftijd met Abram van Dalen, weduwnaar 39 jaar. Ze krijgen een dochter Jannetje in 1840. De tweede dochter Aaltje wordt geboren op 12 november 1843; ze wordt maar een dag oud.
Zij was genoemd naar dochter Aaltje de Waard die in januari 1843 overleden was, 20 jaar oud.
Jan de Waard is in 1851 getrouwd.
Elisabeth Breeman en haar tweede man Abram van Dalen zijn allebei in 1863 overleden; zij in januari, hij in april.

1. Vos, K. Gedenkschrift ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het departement Middelharnis-Sommelsdijk der maatschappij tot nut van 't algemeen uit aantn. van Jan van Schouwen Cz. . Middelharnis, 1910.