Posts tonen met het label Cholera 1855. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cholera 1855. Alle posts tonen

woensdag 3 april 2013

Vissersfamilies nader bestudeerd: de bemanning van de sloep Middelharnis

Over de twaalfkoppige bemanning van de sloep  de Middelharnis die op 12 november 1872 is vergaan heb ik al veel gegevens verzameld. Najaar 2012 zijn op dit weblog berichten geplaatst over de gezinnen van de afzonderlijke bemanningsleden.

Uit deze informatie is het volgende af te leiden.

Leeftijd van de bemanning
Het jongste bemanningslid was Bastiaan de Moei, 14 jaar oud. Schipper Cornelis Smit was met 51 jaar de oudste, hij scheelde maar een paar maanden met Pieter Dubbeld. Gemiddelde leeftijd was 32 jaar.

Gehuwd en ongehuwd
De drie jongste bemanningsleden (14,15 en 22)  waren ongehuwd, negen bemanningsleden waren gehuwd. Van de negen gehuwden waren er twee voor de tweede keer getrouwd, nadat ze eerder weduwnaar geworden waren. 
Er zijn dus gegevens over elf huwelijken.

Beroep van de vaders
Vissers traden in het voetspoor van hun vader, maar niet altijd. Van de twaalf bemanningsleden waren er negen zonen van een visser. Pieter de Man was de zoon van een landarbeider uit Dirksland. Arend de Waard was de zoon van een binnenschipper en mijn overgrootvader Simon de Moeij was de zoon van een onbekende vader, kleinzoon van een visser.

Huwelijkspatroon
Vissers trouwden veelal met vissersdochters, maar ook niet altijd. Van de elf bruiden waren er zeven vissersdochters, een dochter van de havenmeester, twee dochters van landarbeiders en een dochter van een bouwman (boer). Toch kunnen we concluderen dat er overwegend sprake was van trouwen binnen dezelfde beroepsgroep (beroepsendogamie).
Woonplaats: De landarbeiderszoon uit Dirksland trouwde met een vissersdochter. De andere vissers kwamen allemaal uit Middelharnis. Eén van de bruiden kwam uit Dirksland, alle andere bruiden uit Middelharnis. Dorpsendogamie heet het als de huwelijkspartners overwegend uit hetzelfde dorp komen.
Beroep bruid: Twee van de elf bruiden waren dienstbode van beroep toen ze trouwden, de andere negen hadden geen beroep.
Woensdag was de favoriete huwelijksdag. Zes van de elf huwelijken werden op woensdag gesloten. Op maandag werd er niet getrouwd, de andere dagen komen elk een keer voor. Eén van de huwelijken werd op zondag 26 december 1847 gesloten. 
Favoriete huwelijksmaand was april met vier huwelijken en in oktober werden twee huwelijken gesloten. In februari, juni, juli en november werd er niet getrouwd, de vissers waren dan op zee. In alle andere maanden werd telkens één huwelijk gesloten.
De gemiddelde huwelijksleeftijd van de negen eerste huwelijken was voor de mannen 23,3 jaar en voor de vrouwen 22,4 jaar.

Geboortenpatroon en zuigelingensterfte
Het was niet ongebruikelijk dat de bruid zwanger was ten tijde van het huwelijk en dat de zwangerschap soms al ver gevorderd was. In drie van de elf gezinnen was dit het geval en werd het eerste kind binnen vier maanden na de huwelijksdatum geboren.
In vakjargon: 27% voorechtelijk verwekte eerstgeborenen.
De vrouwen van de bemanningsleden van de Middelharnis hebben bij elkaar 54 kinderen gekregen. Daarvan zijn vier kinderen (7,5%) doodgeboren in 1844, 1855, 1856 en 1866. Dit waren allemaal kinderen van hetzelfde bemanningslid. 
Van de vijftig levendgeboren kinderen zijn er vier (8%) overleden voordat ze een jaar oud waren. Eén werd nog geen maand oud, de anderen drie maanden, drieënhalve maand en vijf maanden. Het ging om drie jongens en een meisje.
Geen van de huwelijken bleef kinderloos.
De geboortemaand van de  kinderen. De geboortes zijn niet gelijkmatig over het jaar gespreid, dan zouden er 4-5 in elke maand geboren zijn. Twintig van de 54 kinderen zijn in de periode augustus tot en met oktober geboren, dus verwekt in de maanden november - februari als de vissers vaker en langer thuis waren. Acht kinderen zijn in januari geboren, in april/mei verwekt.
Er lijkt dus een verband met het seizoenspatroon in de visserij.
De vrouwen stonden er vaak alleen voor omdat de mannen op zee waren tijdens de bevalling.
(nog bekijken in de aktes wie er aangifte deed, meestal de vroedmeester denk ik).
Het heeft weinig zin om het gemiddelde aantal kinderen per gezin te bekijken, omdat de leeftijden van de vissers erg uiteen liepen. De gezinnen van de oudste bemanningsleden Cornelis Smit en Pieter Dubbeld waren voltooid in 1872. Gerrit Smit was nog maar net in het voorjaar voor de ramp getrouwd,

Kindersterfte
Van de vijftig levendgeboren kinderen zijn er vier als zuigeling overleden. Twee kinderen van veertien en vijftien waren aan boord van de sloep.
Negen kinderen van bemanningsleden overleden voor hun zesde jaar: twee van ruim een jaar, twee van twee jaar, vier van drie jaar en een van zes jaar. Het ging om vier meisjes en vijf jongens. 
Een van de oorzaken was de cholera: Catalijntje de Man was ruim een jaar en Lena de Moeij was drie toen ze tijdens de epidemie van 1855 overleden zijn. Cornelis de Moei was bijna drie toen hij slachtoffer werd van epidemie van 1866.
Van de vijftig kinderen hebben er vijfendertig de volwassen leeftijd bereikt.


Familieleden op zee gebleven
Ook voor en na de scheepsramp van 1872 hebben enkele van de betrokken gezinnen te maken gehad met verdrinking van familieleden.
De oudere broer van Pieter de Man, Abraham, was aan boord van de sloep Wisselvalligheid, die in 1867 met man en muis vergaan is.
Cornelis Smit, zoon van de schipper van de sloep Middelharnis, is in 1868 overboord geslagen van deze sloep.
Cornelis de Moei is op 28 november 1888 verdronken, overboord gevallen van de sloep Zeemanshoop

woensdag 19 december 2012

Reder Johannis Meijer Veerman (1808-1892)

Johannis Meijer Veerman was rond 1870 reder van de sloepen Middelharnis, Op Hoop van Zegen en Ulbo. Veerman was met drie sloepen een kleine reder.

Ouders, broer en zussen
Johannis Meijer Veerman was een zoon van Willem Leonard Veerman, die koopman was, en van Huibertje Meijer. W.L. Veerman was in het begin van de negentiende eeuw vele jaren pachter van de visafslag. Hij overleed op 19 oktober 1850, 84 jaar oud. De moeder van Johannis was 69 jaar toen ze 
tijdens de cholera-epidemie op 7 juli 1849 overleed.
Johannis had een broer Leonardus Eliza Veerman, die in 1828 op 25-jarige leeftijd overleed en een zus Sara Magdalena, overleden op 3 maart 1855, 49 jaar oud. Zijn zus Johanna Veerman is in 1807 geboren en overleden op 27 maart 1891.

Levensloop van Johannis
Johannis bleef vrijgezel en woonde samen met zijn zus Johanna aan de Voorstraat in Middelharnis.  We komen zijn naam vaak tegen in de akten van de burgerlijke stand als aangever en als secretaris. Veerman was als gemeentesecretaris een vooraanstaand persoon in de dorpsgemeenschap, een sociaal voelend man die als vraagbaak fungeerde en die hulp bood bij formaliteiten waar mensen mee te maken kregen.
Johannis was voogd van verschillende kinderen uit vissersfamilies. Zo werd hij voogd van Adriaantje Koning toen haar moeder Sara Koning in 1849 overleed. Ook was hij voogd van Leendert Jan Hotting.
Veerman was een vermogend man. Bij zijn overlijden in 1892 liet hij 30.000 gulden na aan de Nederlands Hervormde kerk en 10.000 gulden aan de diaconie

Reder
Sinds 1853 was Veerman boekhouder van de sloep de Hoop. Deze sloep was eigendom van meerdere personen.
In 1865 liet Veerman de sloep Middelharnis bouwen bij de scheepswerf L. van Dam & Co. in Vlaardingen. In 1869 volgde de Ulbo, eveneens besteld bij de werf van Van Dam. Veerman werkte samen met de firma Wed. C. Kolff en Zoon, die contractueel de opdrachtgever was voor deze sloep. In 1870 liet Veerman de Op Hoop van Zegen bouwen op de werf van Peeman in Middelharnis.

De zeven jaar oude sloep Middelharnis verging in november 1872 met man en muis.
Tijdens de winter van 1875-76 waren de besommingen laag. De tegenvallende opbrengsten hielden aan tot en met de winter van 1879-80. Het was door de lage verdiensten lastig om aan mensen te komen. Een deel van de vissers gingen liever voor meer geld als haringvisser werken. De kleine rederij van Veerman kon het niet meer bolwerken. De grotere reders Slis en Kolff bleven over. In 1878 stopte Veerman als reder. De Op Hoop van Zegen (MD 16) en de Ulbo (MD 15) gingen over naar de firma Kolff.

De haven van Middelharnis in 1890
Op de achtergrond de MD 16 Op Hoop van Zegen


Lijnbaan en taanderij
Johannis Meijer Veerman kocht in 1853 samen met de firma wed. C. Kolff en Zoon de touwslagerij aan het Beneden Zandpad. Ook hadden de compagnons samen een taanderij voor het conserveren van touwwerk in eigendom.

© Marlies Jongejan, maart 2024

dinsdag 31 januari 2012

Cholera in Middelharnis

Cholera asiatica
In 1832 en 1833 kreeg Nederland met een golf aan sterfgevallen te maken die het gevolg waren van cholera. De cholera asiatica of Aziatische braakloop was in de medische wetenschap al eeuwen bekend uit India en omstreken maar had zich nog niet in Nederland geopenbaard.
Vanaf 1817 breidde de ziekte zich langzaam in westelijke richting uit.
De directeur-generaal voor de marine kondigde op 16 juli 1831 maatregelen aan om te voorkomen dat de vaartuigen van Zwartewaal, Pernis, Maassluis en Middelharnis cholerabesmetting over zouden brengen.

Gezien hebbende eenen brief van Gecommitteerden der IJslandsche en Kabeljaauw visscherij in Zuidholland, van 15 den dezer, daarbij, voorstellende het nemen van voorzorgen ter wering der cholera morbus , welke na gehoudene communicatie, met van besmette plaatsen gekomene schepen zou kunnen worden overgebragt door: 3. Die schepen, welke speciaal van Middelharnis op eenigen afstand van onze kusten op tarbot visschcn, om die op zee aan Engelsche visschers te verkoopen, of wel, om die in Engeland op de markten te gaan renten, welke alle soorten, van koopvaarders aan boord krijgen , als mede die bezaanschuiten en schokkers,, die uit al onze zeegaten, vooral Texel en het Vlie, dagelijks ter versche vischvangsl varen, daardoor zeer ligt in aanraking met vreemde schepen kunnen komen, of drijvende goederen kunnen visschen; heeft goedgevonden te bepalen , zoo als geschiedt bij deze: Dat de boven opgenoemde visschersvaartuigen, welke gewoon zijn, op het vertoon van hun visschers- of zoogenaamde zoutvlaggetje, zonder eenige ondervraging, of in- of uitklaring, de uiterste wachten passeren, bij derzelver binnenkomst hier te lande , zullen worden onderworpen aan eene visitatie, ten einde te onderzoeken of dezelve ook met besmette of verdachte plaatsen hebben aangedaan, of met besmette schepen, of van die plaatsen komende, in communicatie zijn geweest; zullende gemelde vaartuigen, wanneer dit geen plaats heeft gehad, en bij die visitatie gezond bevonden, hunne destinatie dadelijk kunnen vervolgen; terwijl wanneer zulks plaats mogt hebben gehad dezelve aan eene observatie quaranteine van drie dagen zullen worden onderworpen, en verder, naar bevind van zaken, over dezelve zal worden beschikt.
Bron: bijvoegsel staatsblad, 1831, 341.
Dat er wezenlijk sedert eenen geruimen tijd veelvuldige overtredingen van de strand- en quarantaine-wetten door Scheveningers waren gepleegd , blijkt uit verscheidene omstandigheden. Doctor KIEHL voert in zjn rapport aan , dat , volgens opgave van den heer Varkevisser, Commissaris van Politie te Scheveningen , vele van onze Scheveningsche visschers hunne vangst hebben verkocht aan visschers van Middelharnis, welke onmiddellijk met dezelve naar Londen zijn gevaren, en dat een der Scheveningsche Sindics zijne seinvlag opgestoken hebbende, om de gemeenschap tusschen Scheveningsche schepen en die van Middelharnis te beletten , een schipper van Middelharnis hem in den nacht heeft willen overzeilen (1)
Ondanks de maatregelen kwam de cholera in juli 1832 in Scheveningen aan land. De ziekte werd kort daarna een epidemie in heel Nederland; in oktober waren er al 3.000 doden.
Het ziektebeeld was angstaanjagend, mensen werden ziek, kregen diarree en stierven binnen één of twee dagen. Hun lichaam werd in enkele uren gesloopt. Niemand begreep de oorzaak van de ziekte, de medici kwamen met allerlei verklaringen. Vergiftigde lucht, afkomstig van rottende materie (miasma) en een ziekmakende stof (contagium) die van de ene persoon op de andere werd overgebracht werden lang als oorzaak gezien.
Het intekenen van de ziektegevallen per plaats op cholerakaarten (medische topografie) toonde "dat de dood zich in de schamele woningen bijzonder thuis voelde en de huizen van de aanzienlijken ontweek". Er werd wel een verband met slechte woon- en leefomstandigheden gelegd maar de exacte oorzaak was in 1832 nog niet bekend.
Pas in 1883 werd ontdekt dat de cholerabacterie de boosdoener is en vervuild drinkwater de bron van besmetting.
Vanaf dat moment kon de overheid gerichte voorzorgsmaatregelen nemen.

Middelharnis
Vanaf 1832 deden zich met  tussenpozen  cholera-epidemieën voor  waaraan veel mensen overleden. Over de epidemie van 1832 in Middelharnis is weinig bekend. In de genealogie van de familie de Moei vond ik de vermelding dat  visser/ schipper Johannes de Waard aan de cholera overleden is. Hij is op 27 augustus 1833 overleden op 36-jarige leeftijd.
Op 6 november 1832 waren er in Middelharnis 42 mensen besmet geweest en 15 mensen overleden. 27 mensen herstelden.


D.J.A. Arntzenius. Bijdragen tot den kennis en behandeling
der Aziatischen braakloop in Nederland. Amsterdam, 1832

In Middelharnis stierven in 1849 binnen drie maanden 122 mensen. Bij de volgende epidemie in september 1855 stierven 30 mensen en in 1866 93 mensen.




Zierikzeesche Nieuwsbode 25 juni 1849
Bron: KrantenbankZeeland


Onder de slachtoffers van 1849 bevinden zich Dirk van Eck, 5 jaar oud overleden op 9 juni en zijn moeder Lena Hotting (e.v. Bastiaan van Eck), 40 jaar oud, overleden op 1 juli.
Ook een drietal kleinkinderen van Gijsbert Jongejan (1779-1819) uit het gezin van Frans Jongejan (visser) en Maatje van Duuren zijn kort na elkaar in 1849 overleden.
Gijsbert , 8 jaar oud overleed op 7 juni, Jacoba Jongejan, 11 jaar oud op 8 juni, en Jan, 5 jaar oud,  ook op 8 juni. Het echtpaar was op slag kinderloos; hun oudste dochter Lena was al in 1835 nog geen drie maanden na de geboorte overleden.

Sara Koning, de moeder van overgrootmoeder Adriaantje Koning, overleed op 15 juni 1849 op 44-jarige leeftijd. Waarschijnlijk stierf ook zij aan de cholera.


Literatuur:
Both, J.C. Herinneringen aan de cholera van 1866. In: De Ouwe Waerelt. 8(2008)22, pp. 10-16.
Rixoort, K. van. Van epidemieën, heelmeesters en een legaat. In: De Ouwe Waerelt. 2(2002)5, pp. 2-6.
Woud, Auke van der. Koninkrijk vol sloppen : achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Amsterdam, 2010. p.236-238

1. J.F. d'Aumerie, Herinneringen uit de Cholera-epidemie te Scheveningen en proeve eener oplossing der raadsels van de Aziatische cholera ('s-Gravenhage 1833) 25.