maandag 12 november 2012

Cornelis Smit (1821-1872), Jannetje van der Put (1821-1846) en Adriaantje Boon (1827-1908)

Ouders
Cornelis Smit is een zoon van Jakob Smit (visser) en Tannetje Witvliet. De vader van Jakob heette Cornelis (zie berichten van 14 november 2014 en 12 januari 2016). De vader van Tannetje was Mattheus Witvliet, hij is in 1811 overleden. Haar moeder heette Geertruij van der Daf, ze was dagwerkster.

Mattheus Smit (1825-1850)  was ook een  zoon van Jakob en Tannetje, geboren op 23 april 1825.  Hij is op 27 december 1850 overboord geslagen en verdronken op 53 graden NB (1).
Jannetje van der Put is een dochter van Cornelis van der Put en Arentje de Bloeme. Hun zoon Laurens van der Put (1828-1889) is in 1889 verdronken. De vader van Cornelis heette ook Laurens van der Put (1775-1803). Hij is bij de haven van Middelharnis overboord gevallen van een bezaanschuit waar hij mee uit vissen ging.

Huwelijk van Cornelis Smit en Jannetje van der Put
Het huwelijk is gesloten op 12 april 1843. Op 14 augustus 1843 is Tannetje Witvliet Smit geboren en op 18 december 1844 Cornelis Smit. 
Jannetje van der Put is op 4 oktober 1846 overleden.

Huwelijk van Cornelis Smit en Adriaantje Boon
Ruim een jaar later, op 26 december 1847, is Cornelis hertrouwd met Adriaantje Boon (geb. 17 oktober 1827)  Met Tannetje en Cornelis uit het eerste huwelijk van Cornelis woonden ze op de Oostdijk in Middelharnis. 



Huwelijksakte Middelharnis 1847 nr. 15


Adriaantje Boon is een dochter van Gerrit Boon (visser, geboren 1773) en Maria van den Berg.
Kinderen uit het huwelijk van Cornelis Smit en Adriaantje Boon: Gerrit in 1849, Jacob in 1852, Mattheus in 1854, Marinus in 1857, Maria in 1859, Hendrik in 1861, Leendert in 1863, Magdalena in 1865 en Maartje in 1867.
Bij elkaar had Cornelis Smit elf kinderen die allemaal in leven bleven wat voor deze tijd heel bijzonder was. Temeer daar het gezin op de Oostdijk woonde, een ongezonde woonomgeving waar de cholera in 1866 veel slachtoffers maakte.

Tannetje Witvliet Smit (1843-1912) en Arend de Waard (1842-1872)
De oudste dochter van Cornelis uit zijn eerste huwelijk trouwde op 17 oktober 1866 met Arend de Waard, visser. De vader van Arend was schipper en heette Simon.Ze kregen drie kinderen: Simon in 1868, Cornelis in 1870 en Lena in 1872. In de geboorteakte van Simon is per ongeluk een andere vader ingevuld, dit is in 1887 gecorrigeerd op verzoek van Tannetje.
Op 12 november 1872 is Arend de Waard verdronken toen de sloep Middelharnis verging.

Cornelis Smit (1844-1868) en Elizabeth Lodder (1847-1875)
Cornelis, zoon uit het eerste huwelijk van Cornelis Smit met Jannetje van der Put, trouwde op 23 april 1868 met Elizabeth Lodder uit Sommelsdijk. Ze waren 23 en twintig jaar oud. Cornelis was visser.
Op 25 mei 1868, dus een maand na de het huwelijk, is Cornelis verdronken. Hij is overboord gevallen van de vissloep Middelharnis op 56 NB. Vermoedelijk de sloep waarop ook zijn vader voer (2). Elizabeth was toen nog maar net in verwachting want op 19 januari 1869 is dochter Adriaantje Cornelia geboren. Ze is deels vernoemd naar haar vader. 
Op 27 september 1872 is Elizabeth Lodder hertrouwd met Jan Wittekoek, arbeider. Samen kregen ze in maart 1873 een zoon Leendert Wittekoek die maar een half jaar oud geworden is. Ze woonden in de Nieuwstraat.
Elizabeth overleed in 1875 toen ze 28 jaar oud was. Jan Wittekoek is weer bij zijn ouders (Leendert Wittekoek en Hendrina de Koning) gaan wonen. Hij werd slager en later, net als zijn vader, nachtwaker. Na het overlijden van zijn ouders bleef hij met zijn halfbroer Leendert Buurveld in de Nieuwstraat wonen. Op 22 april 1898 trouwde hij met Cornelia Groen (1864-1948). Jan Wittekoek is op 19 juni 1934 overleden.
Adriaantje Cornelia Smit is na het overlijden van haar moeder in het Burgerweeshuis opgenomen en in 1891 getrouwd met Simon Verhage (3). Simon is een zoon van Neeltje de Waard, Neeltje is een zus van bovenvermelde Arend de Waard die ook in 1872 verdronk.

Adriaantje Cornelia Smit en Simon Verhage woonden in de 3e Weistraatje.


Adriaantje Cornelia Smit (1869-1933)

Simon Verhage (1867-  )


Gerrit Smit (1849-1872) en Adriaantje Schilperoord (1849-1928)

Huwelijksakte Middelharnis 1872 nr.10


Het gezin van Gerrit en Adriaantje (geboren 13 februari 1849) trof vier jaar later precies hetzelfde lot als het gezin van Cornelis en Elizabeth. Ze zijn gehuwd op 24 april 1872. Gerrit was visser.  Op 12 november 1872 is hij verdronken, 22 jaar oud, toen de sloep Middelharnis met man en muis verging.
Twee maanden na het overlijden van Gerrit werd zoon Gerrit Cornelis Marinus Smit op 14 januari 1873 geboren. Hij is genoemd naar de beide overleden broers en naar zijn grootvader.

Op 6 november 1875 is er een zoon van Adriaantje geboren die als Klaas Smit werd aangegeven. Dit is in 1877 veranderd in Klaas de Jong, toen Adriaantje hertrouwde met Klaas de Jong. Samen kregen ze negen kinderen.

Scheepsramp met de Middelharnis 1872, overlijden van 4 familieleden
Op 12 november 1872 is de sloep Middelharnis van reder Johannes Meijer Veerman ter hoogte van Terschelling vergaan. Doordat een andere sloep in de buurt voer is de toedracht vrij nauwkeurig bekend. De Middelharnis werd aangevaren door een bark tijdens een sneeuwstorm. Alle opvarenden verloren het leven.
Cornelis Smit (1821-1872) schipper 50 jaar oud, Gerrit Smit (1849-1872) 22 jaar oud en Marinus (1857-1872) 15 jaar oud waren onder de slachtoffers. Ook Arend de Waard, de man van Tannetje was aan boord, hij was 30 jaar.
Daarmee was het gezin van de schipper zeer zwaar getroffen.

Zierikzeesche Nieuwsbode, 7 december 1872


De nabestaanden
Adriaantje Boon was 45 jaar oud toen haar man en haar zonen Gerrit en Marinus verdronken zijn. Haar stiefzoon Cornelis was vier jaar daarvoor verdronken. Ze had twee jonge schoondochters en een stiefdochter die weduwe geworden waren.
Jacob was toen met 20 jaar de oudste zoon, Mattheus was 17, Maria was 13, Hendrik 11. Leendert, Magdalena en Maartje waren nog beneden de 10 jaar.
Er is in december 1872 een grootscheepse liefdadigheidsactie gehouden met een oproep in het Algemeen Handelsblad en tal van inzamelpunten in het land. De opbrengst was wellicht voldoende om de eerste jaren door te komen en een nieuwe start te maken.


Rouwklacht, gedicht van Ds. W.C. Huizer


Adriaantje staat als "zonder beroep" geregistreerd in de huwelijksaktes van Mattheus in 1877 en Maria in 1880. Dochter Maria is op jonge leeftijd winkelierster geworden. Vermoedelijk werd het gezin door de oudste kinderen onderhouden.
Jacob werd machinist, hij is vertrokken naar Hellevoetsluis en later naar Den Haag. Mattheus trouwde op 22-jarige leeftijd in Hellevoetsluis, zijn beroep was stuurman. Hendrik trok naar Opmeer in 1878 en later naar Hellevoetsluis. Hij was onderwijzer.
In oktober 1883 is een groot deel van het gezin naar Den Haag (Scheveningen ?) verhuisd: zoon Jacob met moeder Adriaantje en de dochters Magdalena en Maartje. Leendert verhuisde eerst naar Rotterdam en later ook naar Den Haag waar hij kleermaker werd.
Maria Smit was ten tijde van haar huwelijk winkelierster, ze trouwde in 1880 op 21-jarige leeftijd met timmerman Nicolaas van der Slik (ook vermeld als koopman in aardappelen).
De weduwe van Arend de Waard, Tannetje Witvliet Smit, woonde voor haar vertrek naar Vlaardingen op 6 september 1882 op de Westdijk B324. Zoon Simon trouwde in 1893 in Vlaardingen. Cornelis is in 1897 in Maassluis getrouwd met Willemina Mostert. Hij is in 1930 in Rotterdam overleden. Tannetje is in 1912 in Rotterdam overleden. Ze woonde daar met dochter Lena en schoonzoon Hendrik Johannes Schoon.


1. Akte 101, overlijden Middelharnis 1850, overlijden aangegeven door visser-stuurman Maarten Langbroek 24 jaar en Abraham Trommel, visser 52 jaar.

2. Akte 27, overlijden Middelharnis 1868, 25 mei overleden, overlijden aangegeven op 30 mei 1868 door Rokus de Groot, visser 33 jaar en Adrianus van der Poel, visser 51 jaar.

3. Bevolkingsregister 1861-1890. scan 8, 1080,1081 via genver.nl idem 1890-1921, scan 1837.

Foto's met dank aan Kees van Groningen, Doetinchem.

vrijdag 2 november 2012

Adrianus Cornelis Jongejan (1881-1910) en Gerritje Brom (1880-1957)






MD 1 Luctor et Emergo aan het Vingerling in Middelharnis
Foto S. van der Plaat
Bron: Maritiem Digitaal, Maritiem Museum Rotterdam



Voorouders van Adrianus Cornelis Jongejan
Adrianus Cornelis was een achterkleinzoon van Gerrit Jongejan en Trijntje Dupré. Zie de tekst op dit weblog van 21 april 2012.
De zoon van Gerrit en Trijntje, Arij Jongejan, is in 1851 hertrouwd met Elizabeth van Dijk (1829-1901), ze kregen samen tien kinderen van wie er maar weinig in leven bleven. Gerrit (1852) en Jannetje (1853) overleden kort na de geboorte. Er is drie keer een zoon Willem geboren die alledrie maar enkele weken geleefd hebben. Jannetje uit 1859 is in 1882 met Abraham de Groot getrouwd, een visser uit Zwartewaal. Maria overleed enkele weken na de geboorte, Willem (1864-1947) was mandenmaker, hij bleef ongehuwd en is in Haarlem overleden. Maria Jongejan geb 1865 trouwde met Cornelis Boon, visser/stuurman.
Gerrit Jongejan geboren in 1854 is de vader van Adrianus Cornelis.

Ouders, broers en zussen
Gerrit Jongejan (1854-1945) was visser en trouwde in 1878 met Neeltje Brijs, dochter van Adrianus Brijs. Ze verhuisden in november 1910 met de drie jongste zonen naar Velsen. Waarschijnlijk was de dood van Adrianus Cornelis in januari van dat jaar de aanleiding om naar Velsen te verhuizen waar de de oudste zoon Arij al woonde.

Het gezin:
In 1878 is de ouste zoon van Gerrit en Neeltje, Arij Jongejan, geboren.  Hij is in 1896 naar Velsen vertrokken, zijn beroep was havenarbeider. In 1902 is hij in Velsen met Cornelia Schmidt getrouwd.
Adrianus Cornelis is de tweede zoon, geboren in 1881.
Elizabeth van 1883 is in 1907 getrouwd met Johannis van Dongen, visser.
Cornelia Anna uit 1886 trouwde met Jacob Prins, opperman.
Willem Jongejan (1889-1956) bleef ongehuwd, was los arbeider en is in 1910 naar Velsen vertrokken.
Sijbrand Jongejan (1892-1966) was visknecht, is ook in 1910 naar Velsen vertrokken, in 1917 gehuwd in Middelharnis met Arendje Kattestaart. Haar vader was ook in 1910 verdronken als bemanningslid van de Luctor et Emergo.
Gerrit Jongejan (1895-1963) is eveneens in 1910 verhuisd naar Velsen, werd schilder/behanger en is in Velsen in 1923 gehuwd met Burgje Visser, geboren in Pernis.

Huwelijk en kinderen
Adrianus Cornelis Jongejan trouwde op 15 juni 1905 met Gerritje Brom geboren in 1880, dochter van Joost Brom en Ida Doornhein.
Op 22 februari 1907 werd zoon Gerrit Jongejan geboren.

Scheepsramp Luctor en Emergo 1910, overlijden van Adrianus
In januari 1910 verging de vissloep MD 1 Luctor et Emergo tijdens noodweer in de omgeving van de Doggersbank. De dertien bemanningsleden verdronken waaronder Adrianus Cornelis Jongejan. Zie voor beschrijving het bericht van 13 februari 2012.

De nabestaanden
De ouders en drie broers van Adrianus zijn eind 1910 naar Velsen verhuisd zoals hierboven beschreven.De vader van Adrianus, Gerrit Jongejan, is op 1 mei 1945 in Tilburg overleden op negentigjarige leeftijd. Hij was weduwnaar van Neeltje Brijs.
Gerritje Brom is in 1957 in Dirksland overleden, ze heeft op verschillende plekken in Middelharnis gewoond: Zandpad 76 en Westdijk 52.
Zoon Gerrit trouwde in 1932 met Jannetje Volwerk, geb. 1909, dochter van Cornelis Volwerk (1881-1918) en Jannetje van Gelder (1879-1953).

donderdag 1 november 2012

Kasper Bonjoannij (1866-1916) en Jannetje van Gelder (1865- ?)

De familie Bonjoannij
Bartholomeus Bonjoannij was kleermaker, gehuwd met Anna Wilders. Zoon Kasper (1799-1860) werd in Rotterdam geboren. Bartholomeus is dus van Rotterdam naar Middelharnis gekomen. Uit welke windstreek deze familie oorspronkelijk kwam weet ik niet.  In 1814 kwam  een kind van het echtpaar dood ter wereld in Middelharnis en in 1816 werd zoon Matthijs in Middelharnis geboren.
Zoon Kasper was koopman en trouwde in 1835 in Middelharnis met Pietertje Waterman, ongehuwde moeder van Lena Waterman geboren 1833. Kasper Bonjoannij en Pietertje Waterman kregen zes kinderen waarvan alleen Abraham uit 1841 de kindertijd overleefde,

Abraham Bonjoannij was arbeider, hij trouwde op 26 september 1863 met Jannetje Philippina de Jong die in 1842 in Den Bommel geboren is. Op 22 november 1863 en op 3 april 1865 werden kinderen van het echtpaar levenloos geboren. Op 8 februari 1866 werd Kasper geboren. Hij was nog maar 5 maanden oud toen zijn vader op 20 juli 1866 overleed. Abraham Bonjoannij werd 25 jaar oud. Vermoedelijk was hij een slachtoffer van de cholera-epidemie die in 1866 in Middelharnis heerste.

Leendert Adrianus Koudijzer (1877-1895), de ramp met de Zeemanshoop
Jannetje Philippina de Jong hertrouwde in 1868 met Adrianus Koudijzer die visser was. Zij kregen drie kinderen: Jacomina, Maria Lena en Leendert Adrianus.
Leendert Adrianus Koudijzer, geboren 12 oktober 1877, was een van de bemanningsleden van de de sloep Zeemanshoop die in december 1895 vergaan is. Hij was achttien jaar toen hij verdronken is.

Kasper Bonjoannij groeide dus op in het gezin van een visser. Zijn moeder overleed in 1885. 

Jannetje van Gelder
Kasper Bonjoannij trouwde met Jannetje van Gelder. Zij is geboren in 1865, een dochter van Daniël van Gelder, visser en Klaartje de Koning vissersdochter. Daniël en Klaartje trouwden op 23 april 1863.
De oudste zoon Willem werd in 1864 geboren, hij heeft maar kort geleefd. Jannetje van Gelder is in 1865 geboren, Adriaantje in 1868, Jasperina in 1871 en Willem in 1874. De jongste, Lena Cornelia uit 1877, overleed in 1884 toen ze zeven jaar oud was.
Willem werd visser, trouwde in 1894 in Sommelsdijk. Jasperina trouwde in 1895 met Klaas de Jong.
Adriaantje van Gelder trouwde in 1897 met Pieter Jongejan, koopman/verzekeringsagent, zoon van Hendrik Jongejan en Hester Jacoba Don. (zie tekst op dit blog van 29 oktober 2012).

Huwelijk
Kasper Bonjoannij (in Middelharnis uitgesproken als Bonne Wannie) was visser. Het huwelijk met Jannetje van Gelder was op 12 april 1893.  In 1895 werd hun eerste kind doodgeboren. Dochter Jannetje Philippina Bonjoannij werd op 25 oktober 1896 geboren. 

Overlijden van Kasper
Kasper Bonjoannij  is op 19 januari 1916 verdronken toen hij samen met Krijn Viskil overboord sloeg van de stalen sloep MD 14 Paul Kruger, schipper Leen Koster. Hij was toen bijna vijftig jaar oud.
In de krant heb ik alleen de terugkeer van de sloep in IJmuiden teruggevonden.



Vooruit, 26 januari 1916


Voor Kasper Bonjoannij werd geen overlijdensadvertentie gezet voor zover ik weet. Die van Krijn Viskil heb ik wel gevonden. Zie tekst op dit weblog van 11 mei 2013.



MD 14 Paul Kruger op de werf

Huwelijk van Jannetje Philippina Bonjoannij
De enige dochter van Kasper  en Jannetje trouwde op 21 juni 1918 met Cornelis van der Sluis, diepzeevisser geb. 1897. Ze was met haar exotische naam volledig opgenomen in de vissersgemeenschap. Cornelis was een zoon van Jan van der Sluis, visser. Getuigen bij het huwelijk waren Willem van Wijk, stuurman en Cornelis Koster, visser.
In 1919 werd dochter Jannetje van der Sluis geboren.


Fragment uit een interview uit 1970.
Kasper Bonjoannij en Krijn Viskil voeren bij de ouwe Leen Koster. Ze zijn verdronken bij het overhalen van de zeilen, waarschijnlijk handen tussen de blokken dat prakkezeren ze. We zaten de trein hierover te praten. Stopten in Leiden, Leen Koster werd gevraagd door een mede-passagier waarom hij moest overhalen. Koster zei dat hij uit de vaargeul wilde blijven. Toen kregen deze weduwen ook een uitkering, omdat het ongeval verband hield met de oorlog. Dus uitkering voor oorlogsslachtoffer (1e wereldoorlog) daar gingen ze werk van maken. Ze kregen pensioen als oorlogsweduwen, 16 gulden in de week.
Interview van Kees Koster en Gerrit Langbroek met J. Boomsma uit 1970. ZB 1903 A 07 

In het bevolkingsregister werd de naam van Kasper in 1919 "ambtshalve doorgehaald" wat wil zeggen dat er geen overlijdensacte gemaakt is maar dat er bij de volkstelling van 1919 een administratieve correctie is gemaakt.

maandag 29 oktober 2012

Jacob Jongejan (1865-1936) en Aletta Petronella van der Waal (1868-1918)

Ouders, broers en zussen
Jacob was de oudste zoon van Hendrik Jongejan en  Hester Jakoba Don (zie tekst op dit weblog van 29 oktober 2012).
Jacob was een neef van mijn grootvader Cornelis Jongejan die van dezelfde leeftijd was (1866 geboren).
De vader van Aletta Petronella van der Waal was Bastiaan van der Waal, haar moeder heette Klasina den Hollander. Bastiaan was werkman, hij gaf in 1891 schriftelijk toestemming voor het huwelijk aangezien hij in Patterson woonde.


Huwelijk en kinderen
Jacob Jongejan en Aletta Petronella van der Waal trouwden in 1891. De oom van Jacob, Gerrit Jongejan (mijn overgrootvader) was getuige bij het huwelijk.
Zoon Hendrik werd geboren in 1894, Klaasje in 1896, Pieter in 1899, Pietertje in 1902, Jacob in 1904, Bastiaan in 1905 en Arij in 1909.

De kinderen
Wat is er bekend van deze achterneven en -nichten van Pa ?
Hendrik Jongejan werd metselaar, trouwde met Neeltje Kievit en ze kregen twee dochters. Hendrik overleed in 1979.
Klaasje bleef ongehuwd en is op 94-jarige leeftijd in 1992 in Sommelsdijk overleden.

Pieter was een slachtoffer van de Spaanse griep. Hij overleed op 10 november 1918.
Pietertje is in 1931 met Johannis Jordaan getrouwd. Over Bastiaan  heb ik geen gegevens. Arij is in 1992 in Middelharnis overleden. Jacob werd landarbeider en trouwde met Geertrui Schilperoort. Zij kregen drie dochters.

Ik vermoed dat de voornamen Bastiaan en Aletta in deze tak van de familie aan de kleinkinderen  zijn doorgegeven .

Spaanse griep
Ook in dit gezin sloeg de epidemie van 1918 hard toe. Aletta Petronella overleed op 8 november 1918. Ze was toen vijftig jaar oud, de jongste zoon Arij was op dat moment negen. Twee dagen later overleed Pieter Jongejan op negentienjarige leeftijd.


Onze Eilanden, 16 november 1918
Pieternella Jongejan geb 3-2-1918 was een kleindochter van
Cornelis Jongejan en Pieternella Springvloed zie bericht van
22 maart 2012

Hendrik Jongejan (1836-1921) en Hester Jakoba Don (1838-1907)

Ouders, broers en zussen
Hendrik Jongejan is een jongere broer van mijn overgrootvader Gerrit Jongejan. Allebei zonen van Jacob Jongejan en Geertruij Touw (zie teksten op dit weblog van 5 februari 2012).

Hester Jakoba Don is de jongste dochter van Jakob Don (visser van beroep) en Lena Groen die in 1817 zijn getrouwd. De vader van Lena was Pieter Groen, visser. Haar moeder heette Aletta Abeele. Kinderen van Jakob Don en Lena Groen : Adriana Don uit 1818, Aletta uit 1820, Hester uit 1822 (overleden toen ze 14 was in 1836), Pieter uit 1825, Hendrik uit 1827 (leefde maar twee maanden), Jannetje uit 1829 (kort na de geboorte overleden), Hendrik uit 1830, Klaas uit 1834, Jacob uit 1834 (overleed na 15 maanden) en Hester Jakoba uit 1838.

Huwelijk en kinderen
Hendrik Jongejan en Hester Jakoba Don trouwden op 24 april 1863, hij was 26, zij 24 jaar.
Hendrik was visser, evenals zijn vader.

Op 16 januari 1865 werd de oudste zoon Jacob Jongejan geboren. De tweede zoon heet Pieter en is uit 1866. Dan volgt Geertruij in 1869. Hendrik uit 1871 is na negen maanden overleden en Hendrik uit 1873 is ook maar een paar maanden oud geworden. De derde Hendrik uit 1874 bleef wel in leven. Na hem volgde in 1876 een doodgeboren kind. Arij Jongejan is de jongste zoon geboren in 1877. Vijf van de acht kinderen hebben de kindertijd overleefd.


De kinderen
Alleen de oudste zoon Jacob Jongejan werd visser, hij trouwde in 1891 met Aletta Petronella van der Waal. Pieter werd koopman/verzekeringsagent en hij trouwde in 1897 met Adriaantje van Gelder. Geertruij trouwde in 1894 met Cornelis van Prooijen.  Hendrik was kleermaker en trouwde in 1898 met Gerrigje Molendijk uit Ridderkerk. Zij zijn in 1902 naar Rotterdam vertrokken. Arij  is in 1905 met Trijntje Doornhein uit Nieuwerkerk aan den IJssel getrouwd, ze zijn in 1912 naar Gouda vertrokken.


zondag 21 oktober 2012

Kabeljauw

Mark Kurlansky schreef in 1997 een boek over de kabeljauw onder de titel Cod, a biography of the fish that changed the world.

Mark Kurlansky's boek over de kabeljauwvangst en -consumptie beslaat 1000 jaar en vier werelddelen. Wereldgeschiedenis vanuit de invalshoek van de kabeljauw. Er zijn tal van recensies over dit boek waarin de inhoud kort samengevat wordt op internet te vinden.

De kabeljauw is eeuwenlang van grote economische betekenis geweest voor de vissersplaatsen in het Noord-atlantisch gebied. De dorpen en steden behoorden tot verschillende landen maar ze leefden van dezelfde gemeenschappelijke visgronden.

Ook Middelharnis maakte van ca. 1600 tot 1924 deel uit van deze Noordatlantische economie.

De kabeljauw hoort tot de orde van de Gadidae waartoe ook schelvis, koolvis, heek, wijting, leng en lom behoren. Kenmerkend voor de kabeljauw is dat deze vis zeer geschikt is om te drogen (stokvis) en om in te zouten. Stokvis waarvoor zowel kabeljauw als andere vissoorten worden gebruikt werd al sinds de middeleeuwen op grote schaal verhandeld. Gezouten kabeljauw werd vooral door vissers uit Spanje en Portugal verhandeld, die in het voordeel waren omdat zout hier volop voor handen was. Kabeljauw is ook gedroogd en gezouten nog zeer rijk aan proteïnen en daarom was het geschikt om mee te nemen op lange zeereizen.
Kurlansky beschrijft ook hoe belangrijk kabeljauw was als eiwitbron voor de slaven op de plantages in West-Indië.
Ongeveer alles van de kabeljauw is bruikbaar: keel en wangen als delicatesse, kuit  voor op brood en  de lever verwerkt tot levertraan.

Kabeljauw komt voor op de uitgebreide banken in de Atlantische oceaan en de Noordzee. De Grand Banks bij Newfoundland en New-England, de Doggersbank in de Noordzee en de banken onder IJsland zijn gebieden die lange tijd erg rijk aan kabeljauw geweest zijn. Op deze banken is het hele jaar plankton aanwezig dat aan het begin staat van de voedselketen. Kabeljauw is niet kieskeurig als het om voedsel gaat en goed bestand tegen parasieten. Een overlever dus.

Eeuwenlang werd geloofd dat het niet op kon met de kabeljauw, in de twintigste eeuw kwam de waarheid pijnlijk aan het licht. Door overbevissing werd de kabeljauwstand gedecimeerd. In 1992 kondigde de Canadese regering een moratorium af voor de Grand Banks waardoor 30.000 vissers werkeloos werden. Tussen de ontdekking van deze visgronden door de Basken en de volledige uitputting van de visstand door grote drijvende visfabrieken zit ongeveer 1000 jaar.






Kabeljauwvangst door vissers uit Middelharnis

In de zeventiende en achttiende eeuw hielden de vissers uit Middelharnis zich met de kustvisserij bezig, er werden nog geen verre zoutreizen gemaakt. De visserij op kabeljauw op de Doggersbank werd in de winter uitgeoefend. De vis werd bewaard in de bun en levend verkocht aan ventjagers voor de afzetmarkt in de Vlaamse steden. De vissen die boven kwamen drijven werden wel gezouten. Naast kabeljauw was  tarbot een hoofdproduct en werd ook rog en schelvis aangevoerd (1).

In de negentiende eeuwse bloeiperiode van de visserij in Middelharnis die duurde van 1863 - 1889 was de beugvisserij op kabeljauw het hoofdbedrijf. In de periode 1880-1884 werd jaarlijks gemiddeld 238 ton gezouten kabeljauw aangevoerd en 33 ton leng. Vanaf 1889 liepen de vangsten terug en in 1901 werd nog maar 26 ton zoute kabeljauw aangevoerd. De "niets ontziende en alles uitputtende wijze waarop de (stoom)trawlers de visplaatsen bevisten" werd in Engeland al snel als de oorzaak van de visarmoede benoemd. 
Als substituut voor de zoute visvangst werd  in Middelharnis nog een tijd geprobeerd om met haringvangst inkomsten te verwerven. Ook werd in 1902 een poging gedaan om met de IJslandvaart mee te doen. Beide pogingen waren weinig succesvol.
Toen in 1909 ook de opbrengsten van de verse visvangst minder werden ging het snel bergafwaarts met de visserij in Middelharnis.
Met zeilen in plaats van stoom en met lijnen in plaats van netten was de concurrentie niet meer vol te houden (2).

 

 

het boek van Mark Kurlansky is in Nederland uitgegeven onder de titel: Kabeljauw, biografie van de vis die de wereld veranderde.

1.Marco Kuiper. Vissers en ventjagers. p. 26,27
2. Dean van der Wekke. De ondergang van de (beug)visserij van Middelharnis. Rotterdam, 1989. Hoofdstuk 6.

zondag 7 oktober 2012

IJslandvaart vanuit Middelharnis

IJslandvaart vanuit Frankrijk
Pêcheurs d'Islande, Une vie sans printemps heette de tentoonstelling in 2006 in het Musée Portuaire in Duinkerken. In het midden van de negentiende eeuw was Duinkerken de belangrijkste Franse haven voor de kabeljauwvisserij op IJsland. Jaarlijks vertrokken in april zo'n 130 schepen met 2000 bemanningsleden. De reis duurde een half jaar.


Retour de pêche à l'Islande, aquarelle Orlando Norie, 1875. 
© Collection du Musée portuaire.

Naast Duinkerken waren ook Vlaamse vissersplaatsen (Oostende vooral) actief in de IJslandvaart, plaatsen langs de Noordfranse kust (o.a.Calais, Boulogne) en Bretonse havens (Paimpol bijvoorbeeld).
In het boek dat bij de tentoonstelling hoort worden alle facetten van de IJslandvaart behandeld. De voorbereidingen voor de "Grand départ", het leven aan boord, het vissen, het verwerken en zouten van de vis, verblijf in het Faskrudsfjord, het leven van de visservrouwen etc.  Een bijzonderheid is dat enkele Duinkerkse vissers hebben gezorgd voor IJslandse nakomelingen die in 1988 een reünie hielden in Duinkerken (1).
Door de roman Pêcheur d'Islande van Pierre Loti uit 1886 heeft de IJslandvisserij vanuit Bretagne brede bekendheid gekregen. 

IJslandvaart vanuit Nederland
Standaardwerk over dit onderwerp is het proefschrift uit 1935 van Marie Simon Thomas (3). In de zeventiende en de achttiende eeuw werd vanuit Enkhuizen, Delfshaven, Schiedam, Zwartewaal, Vlaardingen, Maassluis en Zierikzee in de omgeving van IJsland op kabeljauw gevist. De IJslandvisserij van Maassluis is het thema van het boek Psalmenoproer van Maarten 't Hart.
Aan het eind van de achttiende eeuw werd de concurrentie vanuit Franse havens en vanuit de havens in de Oostenrijkse Nederlanden  (Duinkerken, Oostende en Nieuwpoort) te groot.
De invoerrechten waren hoog en in naburige landen kregen de kabeljauwvissers een premie. Deze steun moesten de vissers in de Republiek ontberen. Daarnaast zorgde de kabeljauwvisserij bij Newfoundland voor een grote aanvoer op de Europese markt. De premie die in 1788 alsnog werd verleend hielp de IJslandvisserij er niet meer bovenop.

In het boek van Marie Simon Thomas wordt Middelharnis vermeld in het laatste hoofdstuk dat over de negentiende eeuw gaat. Het College van Gecommitteerden tot de IJslandsche kabeljauwvisscherij in Zuid-Holland hield vanaf 1818 lijsten bij van schepen, reders en aangebrachte vis. Het aantal schepen lag tussen 1818 en 1836 meestal tussen de 10 en 15 per jaar waarvan de meeste uit Maassluis en Vlaardingen. Delfshaven was meestal met een schip vertegenwoordigd, Zwartewaal rond 1830 met een tot vier en Pernis rond 1830 met een tot vijf schepen per jaar.

IJslandvaart vanuit Middelharnis in 1829, 1830, 1831, 1832 en 1833
In dezelfde tijd dat Zwartewaal en Pernis schepen naar IJsland stuurden ging ook vier keer een sloep uit Middelharnis naar IJsland. Thomas vermeldt Middelharnis in 1829 tot en met 1833 telkens met één schip (Bijlage N).
In de bron, dat wil zeggen het archief van de Gecommiteerden van de IJslandse en kabeljauwvisserij in Zuid-Holland, vinden we meer gegevens.  De
 reis in 1829 werd ondernomen met de nieuwe sloep Vrouw Pietertje), stuurman Jan de Waard, boekhouder L. Kolff van Oosterwijk. Aan de reizen van 1830 tot en met 1833 nam de hoekerbuis Waakzaamheid van Jacob Slis deel.

Aankondiging door reder Lambertus Kolff van Oosterwijk dat hij
in april 1829 een sloep naar IJsland zal sturen. Het begeleidend schrijven van
Cornelis Kolff, neef van Lambertus, is gedateerd 21 februari 1829.
Nationaal Archief, toegang 311.05,  inv. nr. 15.

Na 1837 gingen er uit Zuid-Holland meestal nog twee of drie schepen per jaar naar IJsland. Vanaf 1850 ging het nog slechts om enkele incidentele weinig succesvolle pogingen, zoals die van reder Kolff uit Middelharnis in 1902.


IJslandvaart vanuit Middelharnis in 1902
In 1902 hebben twee sloepen uit Middelharnis in de IJslandse wateren gevist. 
In een artikel van Jan Both in De Ouwe Waerelt  wordt de reis in 1902 van de beide stalen sloepen van rederij Wed. C. Kolff en Zoon beschreven.  De MD 10 Johanna Hendrika schipper, Leendert Koster en de MD 14 Paul Kruger, schipper Hein Langbroek vertrokken op 29 april 1902. De schepen zijn op 21 juli teruggekeerd dus het was een reis van korte duur, maar de afgelegde afstand was enorm. De schepen zijn 1500 mijl ver weg geweest. 
Vanwege de onbekendheid met de vaart op IJsland was er een loods aan boord. Bij Hein Langbroek was het een Engelsman en bij Leen Koster een Fransman (5).
Van deze reis zijn egodocumenten in de vorm van brieven en gedichten bewaard gebleven 
Matthijs Visser was een van de opvarenden van de MD 10. Hij schreef een gedicht over de  reis (2).
Matthijs Visser (1864-1942)
foto: Streekarchief Goeree-Overflakkee


In 1932 waren de rollen omgekeerd: drie moderne IJslandse trawlers brachten hun vis aan de wal in IJmuiden


1. Jean-Pierre Mélis. Grande pêche, T. 1. Goélettes flamand à l'Islande. 2006
2. J.C. Both. Een visreis naar IJsland. In: De Ouwe Waerelt, 12(2012)35, 12-17.

3. Marie Simon Thomas. Onze IJslandsvaarders in de 17de en 18de eeuw; bijdrage tot de geschiedenis van de nederlandsche handel en visscherij. Amsterdam, 1935. Proefschrift Utrecht.
4. Maarten 't Hart. Psalmenoproer. Amsterdam, 2006.
5. interview met Kees Koster en Gerrit Langbroek, ZB, 1903 A 7.

C. de Jong, Barend Faasse's rijmbeschrijving van zijn visreis naar IJsland in 1902. Mededelingen zeegeschiedenis.1979, 103-109.

bron: Nationaal Archief,, toegang 311.05, College van Gecommitteerden tot de IJslandsche kabeljauwvisscherij in Zuid-Holland, inv. nr. 1, p. 271, 301, inv. nr. 2, p. 27, 40, 44. 

In inv. nr. 15 (1829) aanvraag van L. Kolff van Oosterwijk.