Posts tonen met het label migratie vissers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label migratie vissers. Alle posts tonen

donderdag 21 maart 2013

Waar zijn de vissers gebleven ? (Velsen - IJmuiden)

Vertrek van vissersfamilies uit Middelharnis
Voor zijn boek "Middelharnis een eilandgemeente" heeft Dr. J. Verseput het gehele bevolkingsregister van Middelharnis 1890-1921 doorgenomen en het vertrek van vissers uit deze gemeente in kaart gebracht. Op 25 februari 2012 heb ik op dit weblog al twee stukjes over de migratie van vissers geschreven.

De visserij liep in Middelharnis op zijn eind en er dienden zich in de stad Rotterdam nieuwe bestaansmogelijkheden aan. Maar veel vissers bleven hun beroep trouw, zij gingen naar Maassluis, Vlaardingen of Velsen.

Van de 162 vissers (meest gezinnen) die tussen 1890 en 1920 vertrokken zijn er
- 80 naar Rotterdam gegaan
- 35 naar Velsen (IJmuiden)
- 13 naar Vlaardingen 
 9 naar Maassluis en nog een aantal naar andere plaatsen.

Voor een aantal gezinnen was Rotterdam een tussenstation, ze zijn uit Rotterdam naar IJmuiden verhuisd.

Nieuwediep
De haven van Nieuwediep bij Den Helder is eind achttiende eeuw aangelegd als veilige haven voor de koopvaardij en is begin negentiende eeuw ook als marinehaven gaan fungeren. Ook vissers wisten deze haven als vluchthaven te vinden en als plek om hun vooraden aan te vullen.
Nieuwediep werd vanaf de jaren 1860 een belangrijke haven voor de vissers van Middelharnis  Er ontstond hier een levendige vishandel. Door de spoorlijn naar Alkmaar (vanaf 1865) en later naar Amsterdam (1878) werden de vervoersmogelijkheden vanuit Den Helder - Nieuwediep verder verruimd.
Johannes Cornelis Slis van de redersfamilie uit Middelharnis begon in 1880 een zeevishandel samen met zijn compagnon Van Oterendorp. Ze hebben hun groothandel in 1898 naar IJmuiden verplaatst.

Vissers nemen bezit van IJmuiden
In 1876 kwam het Noordzeekanaal gereed waarmee een kortere verbinding tussen Amsterdam en de Noordzee werd gerealiseerd.  IJmuiden was een nieuwe plaats die aan de zuidkant van het kanaal is ontstaan uit een nederzetting van dijkwerkers. Het idee was dat IJmuiden "het mooiste een aantrekkelijkste toeristenoord langs de Nederlandse kust" zou worden. Men ging ervan uit dat passagiersschepen IJmuiden zouden aandoen en dat rijke toeristen hier zouden willen passagieren. Er werden hotels en restaurants gebouwd ten behoeve van deze doelgroep. Maar Amsterdam duldde geen concurrentie en er kwam een verbod op het debarkeren van passagiers. IJmuiden werd geen toeristenoord maar wel de belangrijkste vissershaven van Nederland met alle voorzieningen voor de zee,vissers waaronder veel cafés (1).

IJmuiden was de enige haven tussen Hoek van Holland en Den Helder en bood een gunstige ligplaats bij slecht weer. Eerst legden schepen uit Zandvoort en Egmond aan, al snel gevolgd door de sloepen uit Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. In een artikel in de IJmuider Courant van 30 oktober 1926 wordt (vermoedelijk door Hendrik de Korte, het artikel is ondertekend met K.) beschreven dat de komst van de beugvissers naar IJmuiden heel bepalend is geweest voor de opkomst van IJmuiden als vissershaven.  In het Verslag van de toestand der zeevisserijen uit 1878, p. 59 lezen we dat de vissers van Middelharnis in de winter van 1877-78 IJmuiden aandeden:

Bij ijsgang in de Goeree en te Nieuwediep was de haven van IJmuiden het toevluchtsoord. De vissers konden daar veilig binnenkomen en vangst verkopen. Intussen is de vishandel daar ter plaatse nog zeer ongeregeld, zodat de kopers van elders die daarheen kwamen de vis veelal tegen lage prijs konden verlangen.


In de behoefte aan een visafslag werd het jaar erna al voorzien.
Op 25 oktober 1879 was de MD 6 Titia Jacoba met schipper Maarten van Delft het eerste schip dat haar lading zeevis verkocht op de eerste (particuliere) visafslag van IJmuiden (3).

De nieuwe haven bleek een enorme aantrekkingskracht op zeevissers van de hele Nederlandse kust uit te oefenen. Er ontstond zo'n grote toeloop van schepen dat besloten werd een aparte vissershaven aan te leggen. Deze haven is in 1896 opgeleverd en al snel daarna uitgebreid.
De factoren die IJmuiden tot een succes maakten waren de gunstige ligging ten opzichte van de visgronden en de markten, de transportmogelijkheden via het kanaal, de aanwezigheid van het Staatsvisschershavenbedrijf dat voor snelle lossing en verkoop zorgde, de spoorweg tot aan de haven, industrieterreinen met ijs- en machinefabrieken, herstelwerkplaatsen, mandenmakerijen etc in de directe omgeving, voldoende transportarbeiders, ijsvoorraden, uitgebreide relaties voor afzet van vis in binnen- en buitenland (2)


Uit onderstaand bericht blijkt dat er in 1891 drie havens waren waar de sloepen van Middelharnis vis aanbrachten: IJmuiden, Nieuwediep en Middelharnis. Vanuit Nieuwediep en IJmuiden was vervoer per spoorlijn mogelijk. Vanuit Middelharnis werd de verse vis met bunschepen naar België vervoerd.


Maas- en Scheldebode, 13 maart 1891

Verhuizing naar IJmuiden
Dat de sloepen de vis in IJmuiden brachten had economisch gezien grote voordelen. Maar het betekende wel dat de mannen tussen de winterreizen op verse vis (die tien tot veertien dagen duurden) niet steeds naar huis kwamen. Als regel kwam men maar een keer in de zes weken met de trein en de boot naar Middelharnis. Veel vissers waren gehecht aan hun geboorteplaats en gingen pas weg toen het echt niet anders kon. Een aantal gezinnen is echter al voor 1900 naar de gemeente Velsen verhuisd. Of ze woonden eerst in Rotterdam om daarna naar IJmuiden te verhuizen.

Niet iedereen die verhuisde is in IJmuiden gebleven. Het gezin van Kornelis Groen en Francina de Moeij bijvoorbeeld is in januari 1894 naar Velsen vertrokken om in oktober 1895 weer terug te keren in Middelharnis. Er is dus ook sprake geweest van retourmigratie.

IJmuiden werd op den duur door veel inwoners van oude vissersdorpen tot woonplaats gekozen. Vissersfamilies uit Nieuwediep, Volendam, Urk, Texel, Maassluis, Egmond en ook uit de zuidelijker gelegen plaatsen Pernis, Zwartewaal en Middelharnis kwamen in IJmuiden te wonen. Nieuwe inwoners  werden niet altijd geregistreerd.
Een familie uit Middelharnis, bestaande uit man, vrouw en zes kinderen, kwam met een sloep naar IJmuiden, bouwde daar in het duin een primitieve woning en meldde zich bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zij leefden er vijftien jaar ongestoord om eerst in 1895 - er ging een dochter trouwen- tot de ontdekking te komen dat zij niet als bewoners van de gemeente Velsen stonden ingeschreven (3).
Bleven veel vissers aanvankelijk nog door de sterke gebondenheid met het oude milieu in de eigen plaats wonen, in de jaren '20 toen ook de woningvoorziening beter werd kwamen meer en meer bemanningsleden in IJmuiden wonen.

Een aantal familiebeschrijvingen op dit weblog eindigt met het vertrek van familieleden naar Velsen. Teunis Roodzant, Gerrit Jongejan, Hendrik Viskil, Gerrit Langbroek, Johannes de Korte en Jan Krijger  vertrokken allemaal met hun gezin naar Velsen waar de nieuwe vissershaven een grote stimulans vormde voor de visserij. 
We nemen een kijkje in Velsen rond 1930 aan de hand van een proefschrift uit die tijd, om te zien waar de Menheerse vissers terecht kwamen (1).

IJmuiden groeit
Velsen is in de negende eeuw gesticht en was oorspronkelijk een agrarische gemeente in de ongerepte duinstreek bij Amsterdam. Ook de kern Santpoort is al van oude datum. Veel rijke families uit de stad hadden hun buitenplaatsen in de omgeving van Velsen. 
Het Noordzeekanaal is tussen 1865 en 1876 gegraven; de duinstreek tussen Haarlem en Oegstgeest werd door het kanaal doorsneden. Aan de zuidkant van het kanaal ontstond een langgerekt lint van bewoning langs de spoorlijn Velsen-IJmuiden, met  IJmuiden, IJmuiden-Oost en Velserbroek als kernen. De gezinnen uit Middelharnis kwamen terecht in een 'arbeidersnederzetting op grote schaal', in de woorden van mw. van den Bergh van Eijsinga.

Ik citeer het proefschrift van mw. van den Bergh van Eijsinga (p.15)
Geen enkel park, geen plantsoen, niets dan huizen, winkels, garages, kantoren, pakhuizen; waar men komt: het type van een arbeidersnederzetting op groote schaal. IJmuiden is in het Westelijk deel een typische visscherij-centrum: groote pakhuizen, ijsfabrieken, afslagplaatsen; tussen Visschers- en Haringhaven niets dan kleine en grote bedrijven en fabrieken, die met de visscherij direct samenhangen.
Je zou veronderstellen dat de nabijheid van de duinen tegenwicht bood aan het verstedelijkt karakter voor degenen die van landschappelijk schoon hielden, maar nee: de duinen waren door de eigenaar afgesloten.
Door de bewoners werd het toch wel wat anders beleefd dan door de schrijfster van het proefschrift. De familie Andries van den Doel die vanuit Middelharnis eerst een aantal jaren in Rotterdam-Feyenoord had gewoond heeft IJmuiden als een groene oase ervaren en genoten zeer van het duingebied Breesaap (4).
IJmuiden zelf had weinig grote winkels, de inwoners waren op Haarlem georiënteerd en op IJmuiden-Oost dat een grotere winkelstand had. De verbindingen waren goed, een zijtak van de elektrische trein liep naar IJmuiden en er waren twee veerdiensten over het kanaal. De belangrijkste industrieën waren de Hoogovens aan de noordkant van het kanaal en de papierfabriek van Van Gelder.
In 1890 had IJmuiden 1583 inwoners, in 1910 was het aantal verdubbeld (3102) en in 1921 was het aantal inwoners 10.699. 
Een enorme expansie dus, zeker vergeleken met de stagnatie van de groei in Middelharnis: 4158 inwoners in 1890 en 4305 in 1920. 

Er woonden in 1889 in IJmuiden 25 vissers en in 1909 waren het er 575.
Onder invloed van de vestiging van vissersgezinnen nam het protestantse deel van de bevolking verhoudingsgewijs toe (p.83 van het proefschrift).


IJmuiden en omgeving 1933
Detail van kaart behorend bij
proefschrift van L.M. van den Bergh van  Eysinga

Beroepen
De vissers die uit de oude vissersplaatsen naar IJmuiden kwamen vonden werk in hun oude beroep, nu niet op zeilschepen maar als dekpersoneel op de moderne stoomtrawlers. Ze waren gehuwd en hadden vaak een eigen huisje, zo blijkt uit het onderzoek (p. 105). 
Het personeel in de machinekamer bestond uit arbeiders die uit de grote steden afkomstig waren. Er was dus aan boord van de trawlers een groot verschil in herkomst en in werkzaamheden onder de bemanning.
Er waren voor mannelijke familieleden die geen visser werden tal van andere mogelijkheden: vislosser of visknecht (verpakken van vis), los werkman, walbaas (3) en ook de werkgelegenheid in de handel en de middenstand nam sterk toe. Voor vrouwen was er werk in de chocolade-, zeep- of conservenfabrieken, op kantoor of in de winkel. Ik weet niet welk werk de vissersdochters gingen doen, maar er waren mogelijkheden.
Het loon lag in de visserij wat lager dan in de industrie.

Scheepsrampen en ongevallen
Ook op de IJmuider vloot voeren was en bleef het beroep van visser zeer gevaarlijk. Meer dan twintig vissers die van origine uit Middelharnis kwamen zijn omgekomen op een IJmuider vissersvaartuig, zie het bericht van 22 september 2014 op dit weblog; het zijn de bekende namen uit de families de Bloeme, van den Doel, van Dongen, Dubbeld, van Gelder, van den Hoek, de Koning, Krijger, Langbroek, Roodzant, Sala. Veel scheepsongevallen gebeurden in de Eerste Wereldoorlog of in de jaren erna als gevolg van het ontploffen van mijnen.

Connecties
Ik stel me zo voor dat de gezinnen uit Middelharnis die al in de jaren '90 van de negentiende eeuw naar IJmuiden gingen, als kwartiermakers fungeerden voor degenen die later kwamen. Het ligt voor de hand dat zij hun plaatsgenoten wegwijs maakten in IJmuiden, hielpen bij het zoeken van werk als bemanningslid of aan de wal en bij het vinden van een woning.

Een moeder berichtte haar getrouwde dochter in Middelharnis (3):
Ik heb een huisje voor je gehuurd, dus je kan naar IJmuiden komen. Maar bezint voor je begint. Denk in de eerste plaats aan je kinderen. Want neem dit van je moeder aan, in Sodom en Gomorra kan het niet erger geweest zijn dan hier bij ons
Jan Koster, tot 1896 visser in Middelharnis, begon een vishandel. Het was een succesvolle onderneming die in de loop der jaren uitgegroeid is tot een van de grootste vishandels in IJmuiden. Zie voor meer informatie het volgende bericht op dit weblog.
Gerrit Langbroek (geb. 1862) die op 5 juni 1907 naar Velsen verhuisde heeft dertig jaar bij de groothandel firma Jan Koster gewerkt.

Bakker van Es van de Westdijk in Middelharnis, schoonzoon van Jan Krijger, volgde in 1912 zijn klandizie en zijn schoonouders naar IJmuiden.



IJmuider Courant 31 dec 1931

In het boek "Het kofjekokertje en het spookschip van Middelharnis" beschrijft Cor van den Tol dat de hoofdpersoon en zijn vader tussen de reizen door bij de familie Groen in IJmuiden verbleven. Dit moet een ervaring zijn die rond de eeuwwisseling door velen gedeeld werd.

Jan Krijger Jzn. woonde al vijf jaar in IJmuiden toen hij in 1901 trouwde met Suzanna de Korte, uit Middelharnis die in 1899 naar IJmuiden verhuisd was. Ze kenden elkaar vast al van jongs af aan.  Jan Krijger Sr. en Arendje Born woonden al bijna dertig jaar in IJmuiden toen ze ter gelegenheid van hun diamanten bruiloft de bemanning van een sloep uit Middelharnis op bezoek kregen.

Zo maar wat voorbeelden van hoe Middelharnis zich in IJmuiden manifesteerde. Deze connecties waren denk ik erg belangrijk voor de oudere generatie. Noodgedwongen hadden de vissers en hun gezinnen de stap moeten nemen om de geboorteplaats te verlaten en zich te vestigen in een vreemde omgeving. Door de contacten met vroegere plaatsgenoten waren er toch nog vertrouwde mensen en vertrouwde klanken in de buurt. Ze bleven Menheersenaars.

Voor de jongere generatie gold dit alles niet. Zij vonden al gauw huwelijkspartners buiten de eigen kring en zullen zich meer IJmuidenaars dan Menheersenaars gevoeld hebben.


1. Conny Braam. De onweerstaanbare bastaard. 2002. nawoord p. 345-351.
Onderdeel van haar romantrilogie over IJmuiden. De woede van Abraham verscheen in 2000 en Het schandaal in 2004.
2. L.M. van den Bergh van Eysinga. Bijdrage tot de Sociaal-Geographische Kennis der Gemeente Velsen. Utrecht, 1933. Proefschrift. p.101,102.
3. C. van Es. Bles voor de kop. Geschiedenis en volksleven van IJmuiden.67, 85, 86. Onder de walbazen vinden we de namen Langbroek en Jongejan, 130.
4. Mededeling van de heer P.L. Koster Haarlem

Met dank aan Piet Koster Eindhoven voor gegevens over de familie Koster.


dinsdag 19 maart 2013

Jan Krijger (1839-1925) en Arendje Born (1839-1929)

Op 23 april 1923 stapte wethouder Dunnebier van de gemeente Velsen het huisje van Jan Krijger en Arendje Born binnen om het paar te feliciteren met hun zestigjarig huwelijk. Dit was nog maar een van de hoogtepunten in de reeks van festiviteiten die waren georganiseerd voor het diamanten bruidspaar. Hieronder het uitgebreide verslag uit de IJmuider Courant van 25 april 1923.
De dag werd opgeluisterd met een eerbetoon door de sloep Oranje Nassau uit Middelharnis, de plaats waar het echtpaar vandaan kwam en waar ze in 1863 getrouwd waren. De volledige bemanning kwam bij het echtpaar op bezoek. De sloep moest helaas op het laatste moment de vlag halfstok hijsen toen het bericht gekomen was dat reder Cornelis Kolff (1860-1923) overleden was. Het was een van de laatste reizen van deze sloep want op 22 september 1923 meldde de IJmuider Courant dat de Oranje Nassau uit de vaart genomen was, waarmee een definitief einde kwam aan de beugvisserij vanuit Middelharnis.


IJmuider Courant 25 april 1923

Jan Krijger
Jan is een zoon van Pieter Krijger, visser, en Maartje Beket. Hij is geboren op 12 september 1839 in Middelharnis. Hij is al op zijn negende jaar op de beugvisserij gaan werken, dat was dus ca. 1848. In die tijd heeft hij gevaren op de sloep Kleine Maria van reder Kolff.
Zijn vader Pieter Krijger (1819-1870) overleed op 19 januari 1870 (akte 43,1870) aan boord van de sloep Noord Over.  Pieter is geboren op 13 september 1819. Hij was vijftig jaar toen hij overleed. Wat de doodsoorzaak was is niet bekend.

Huwelijk en kinderen
Jan en Arendje zijn op 23 mei 1863 in Sommelsdijk getrouwd, allebei 23 en 24 jaar oud. Arendje was dienstbode. Ze hadden vier jaar gespaard om te kunnen trouwen, vertelde ze in 1923. De vader van Arendje was Maarten Born, arbeider, haar moeder was Dina de Jonge.
Zes zonen van Jan en Arendje bereikten de volwassen leeftijd: Pieter (1864), Maarten (1866), Adrianus (1871), Dirk (1873), Jan (1876), Job (1881). Dochter Dina Wilhelmina is in 1868 geboren.
Een zoon Job en een dochter Dina Wilhelmina zijn kort na de geboorte overleden.

Vertrek naar Velsen - IJmuiden
Op 25 maart 1896 is het gezin naar de gemeente Velsen verhuisd. Jan Krijger was toen 56 jaar oud. Jan heeft kennelijk niet lang meer als visser gewerkt. In 1899 was hij arbeider van beroep en in 1904 koopman. De verhuizing naar Velsen bood vooral de zonen uit het gezin toekomstperspectief ,doordat de visserijsector hier tot grote bloei kwam, dankzij de nieuw aangelegde vissershaven van IJmuiden



Gezicht op de visserhaven van IJmuiden in 1901
uit: Beeldbank Noord-Hollands Archief


Huwelijk van de kinderen
Dina Wilhelmina trouwde in  februari 1889 in Middelharnis met Willem Johannis van Es uit Dirksland. Dit gezin met zeven kinderen heeft tot 17 mei 1912 in Middelharnis gewoond. Van Es was broodbakker op de Westdijk. Hij heeft zijn beroep in IJmuiden voortgezet.

Pieter en Maarten waren nog voor de verhuizing in 1887 in Middelharnis getrouwd. Zij verhuisden wel mee naar Velsen waar Maarten in 1899 hertrouwde met een dochter van een smid uit Amsterdam omdat zijn vrouw Jannetje Gebuis in 1895 overleden was.
De bruid van Jan Krijger die in 1901 trouwde was de 22-jarige Suzanna de Korte, geboren in Middelharnis, dochter van Johannis de Korte en Neeltje de Waard (zie tekst op dit weblog van 19 februari 2012). Dit gezin was in 1899 in IJmuiden komen wonen.
Adrianus  was stuurman en trouwde in 1904 , Job was zeeman en trouwde ook in 1904. Hun partners kwamen uit Terschelling en Anna Paulowna. Dirk was varensgezel, wachtman in de haven en later cafébaas (bierhuishouder) in de Bloemstraat, trouwde in 1908 met een Gijsbertha Engelhart uit Velsen.

Oudedag
In 1923 waren Jan en Arendje 83 en 84. Ze kregen elk fl. 2,50 ouderdomsrente per week. Ook de vijf gehuwde kinderen en 46 kleinkinderen steunden hun (groot)ouders. Hun woning Neptunusstraat 10  waar ze vanaf het begin woonden wordt omschreven als een poppenhuisje  dat "kraak- en kraakzindelijk" is.
Twee jaar na het feest, op 20 juni 1925, is Jan overleden. Hij was 85 jaar oud.
Arendje is heel oud geworden, op 14 augustus 1929 overleed ze op negentigjarige leeftijd.

Scheepsramp van 1920 met de Bruinvisch IJmuiden: Jan Krijger omgekomen.
Zoon Jan Krijger (1876-1920) was schipper op de stoomtrawler de Bruinvisch IJM 69 die op of na 25 september 1920 met man en muis is vergaan. Hij is geboren op 25 juni 1876 in Middelharnis. Hij was 44 jaar.

IJmuider Courant 20 oktober 1920
Familieleden op zee gebleven
We zagen al dat de vader van Jan Krijger op zee overleden is in 1870. Zoon Jan kwam in 1920 om. 
In de vierde generatie viel ook een slachtoffer: kleinzoon Jan Krijger (1891-1928 ). Hij was een zoon van Pieter Krijger en Kommertje van Groningen, geboren op 26 januari 1891, 37 jaar toen hij omkwam. Hij trouwde in Velsen op 21 juni 1923 met Keetje Pronk geboren in Den Haag (Scheveningen). Zij kregen drie kinderen: Cornelis (1925-1941), Jan (1926) en Kommer (1929-1996), geboren op 21 januari 1929, bijna twee maanden na het verongelukken van zijn vader. Jan was bemanningslid van de stoomtrawler IJM 58 Amplitudo. Op 15 november 1928 vertrok de Amplitudo uit IJmuiden ter visvangst en werd de 27e terugverwacht. De Raad voor de Scheepvaart nam in zijn uitspraak van 23 februari 1929 aan dat de Amplitudo in de nacht van 23 op 24 november 1928 is vergaan en dat de ramp verband hield met de hevige storm uit het westen die die nacht heeft gewoed. Alle elf bemanningsleden zijn omgekomen.
Salomon Krijger (1863-1915 ) , geboren op 3 april 1863, was een veel jongere broer van Jan Krijger. Salomon is in Middelharnis met Adriaantje Koert (1862-1927) gehuwd. Het gezin is naar Maassluis verhuisd. Vier van de vijf kinderen uit dit gezin zijn jong overleden. Salomon was onder meer kok op een stoomtrawler (1). Op de overlijdensakte van Adriaantje uit 1927 (Velsen, akte 86) staat vermeld "verblijfplaats van Salomon Krijger is onbekend en men weet niet of hij nog in leven is".
Salomon Krijger was kok op de stoomtrawler IJM 215 Letty die op of na 4 juni 1915 is vergaan. De trawler is het laatst gezien bij Doggersbank op 4 juni en is daarna hoogstwaarschijnlijk op een mijn gelopen. Salomon was 52 jaar toen hij overleed, zijn woonplaats was Maassluis. Hij liet een vrouw en een kind achter (2).

1. Gegevens over gezin Salomon Krijger in genealogische databank Maassluis.
2. Jaarverslag Visscherijinspectie 1915.

woensdag 6 maart 2013

Maarten Langbroek (1826-1863) en Maria Jongejan (1827-1902)

Ouders, broers en zussen
Maarten Langbroek is een zoon van Cornelis Langbroek en Neeltje Hotting. Hij is geboren op 5 september 1826.
Maarten had alleen broers: Jeroen uit 1814, Gerrit uit 1816, Geleijn uit 1817 en Leendert Jan uit 1830.  Hendrik en Leendert zijn jong overleden.
Vader Cornelis en de zoons Jeroen, Gerrit, Geleijn en Maarten waren allemaal visser-stuurman. 
Leendert Jan trouwde in 1857 met Lientje Jongejan (1834-1861)een dochter van Gerrit Jongejan en Trijntje Duprée. Zie het bericht op dit weblog van 21 april 2012. 
Maria Jongejan, de vrouw van Maarten, is een zus van Lientje.

Huwelijk en kinderen
Maarten en Maria zijn op 2 mei 1850 getrouwd, ze waren allebei 23 jaar oud. De ouders van Maria waren toen al overleden. Maarten was op jonge leeftijd, al ten tijde van zijn huwelijk,  visser-stuurman. Op 14 juli 1851 is Neeltje geboren. In 1857 is Trijntje geboren, zij heeft maar twee maanden geleefd. In 1858 is weer een Trijntje geboren, in 1860 Cornelia en op 28 januari 1862 Gerrit.

Scheepsramp 1863 met de Vrouwe Aplonia; overlijden van Maarten en zijn neef Arend
In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde er een hevige storm op de Noordzee die de ondergang van tal van vissersschepen heeft veroorzaakt, waaronder de Eben Haëzer en Vrouwe Aplonia uit Middelharnis, allebei sloepen van reder Slis. 26 bemanningsleden verloren het leven.Maarten Langbroek was de schipper van de Vrouwe Aplonia.
In die jaren is ook een jongen Arend Langbroek (1845-1863) omgekomen, een zoon van Gerrit Langbroek en Magdalena Breeman (1). Het is zeer waarschijnlijk dat hij aan boord was bij zijn oom.

Nabestaanden
Maria Jongejan bleef achter met vier kinderen waarvan de oudste twaalf en de jongste bijna twee jaar was. Ze is een winkeltje begonnen aan het Vingerling om in haar levensonderhoud te voorzien. Dat was op het adres Vingerling C 15 . Later trokken dochter Neeltje, schoonzoon Kornelis Rooij en zwager Leendert Jan Langbroek bij haar in.
- Neeltje is in 27 oktober 1876 getrouwd met Kornelis Rooij, visser. Ze hadden geen kinderen.
- Trijntje is  11 mei 1881 met Simon de Ruiter getrouwd. Simon was schipper op de sloep Ulbo van Kolff, en ze woonden in de Vissersstraat. Op  30 november 1900 is het gezin (vier zoons en een dochter) naar Rotterdam verhuisd waarna Simon vanuit Vlaardingen voer.
- Gerrit werd visser en trouwde met Dana Oosters, 20 jaar uit Sommelsdijk 15 oktober 1886. Dit gezin (drie zoons, twee dochters) is op 5 juni 1907 naar Velsen verhuisd. Ze woonden in de Carolinestraat 7 in IJmuiden. Op 16 oktober 1936 besteedde de IJmuider Courant aandacht aan het vijftigjarig huwelijk van Gerrit en Dana. Gerrit werkte toen nog steeds, hij was al dertig jaar in dienst bij de firma Jan Koster die ook uit Middelharnis kwam.
- Cornelia trouwde op 18 mei1888 met Frans van der Vlugt geboren in Dirksland. Frans was arbeider. Ze hadden een dochter (Riekje). Cornelia  Langbroek is in 1921 in Sommelsdijk overleden.


1. Arend Langbroek en Maarten Langbroek zijn beiden ambtshalve uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Bij het huwelijk van Neeltje, huwelijksakte  Middelharnis nr. 28 van 1876, is een verklaring overlegd waaruit blijkt dat Maarten aan boord was van de Vrouwe Aplonia

zondag 3 maart 2013

Cornelis Vogelaar (1814-1863) en Rachel van Eck (1820-1894)

Ouders
Cornelis Vogelaar is op 14 januari 1814 geboren, zoon van Cornelis Vogelaar en Geertje Knape. Vader Cornelis was visser, hij kwam uit een familie die in de achttiende eeuw in Middelharnis meer vissers voortbracht.
Rachel van Eck was een dochter van Simon van Eck die arbeider was en Bastiana van Eck. Rachel is geboren in Stad aan 't Haringvliet maar woonde ten tijde van haar huwelijk in Sommelsdijk. Ze was naaister van beroep.

Huwelijk en kinderen
Cornelis Vogelaar en Rachel van Eck trouwden op 30 november 1841 in Sommelsdijk, ze waren 27 en 20 jaar oud.
Kort na het huwelijk op 10 januari 1842,werd zoon Krijn Cornelis geboren, in 1843 volgde Simon, in 1846 Cornelis, in 1851 Florus Kornelis, in 1855 Bastiana, in 1858 Geerit en in 1862 Maatje.
Vergeleken met andere gezinnen in Middelharnis in deze tijd is het uitzonderlijk dat er in dit gezin geen zuigelingen of jonge kinderen zijn overleden en ook is het bijzonder dat de cholera in 1849 en in 1855 aan het gezin van Cornelis en Rachel voorbij is gegaan.
In 1863 sloeg het noodlot echter toe.

Overlijden van Cornelis; de scheepsramp met de sloep Josephine 1863
In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde in het Noordzeegebied een verschrikkelijke storm die de ondergang van veel vissersschepen heeft veroorzaakt. Twee sloepen uit Middelharnis, de Vrouwe Aplonia en de Eben Haëzer vergingen met elk dertien bemanningsleden aan boord. Later bleek dat nog twee vissers uit Middelharnis die tot de bemanning van de Antwerpse sloep Josephine hoorden waren verdronken, hun namen zijn Cornelis Vogelaar (1) en Johannis de Waard (2). De stuurman heette J. Francke (Handelsblad van Antwerpen, 29 december 1863).


Antwerpse sloep Josephine
schilderij van C.L. Weyts, 1855
collectie MAS nr. AS.1929.007.002
link naar de afbeelding MAS


De Middelharnisse vissers stonden bekend als uitstekende vaklui gespecialiseerd in de beugvisserij op o.a. kabeljauw, een teelt die in deze jaren winstgevend was. Ik vermoed dat de beide ervaren matrozen van 49 en 48 jaar oud op de Belgische sloep werkten om hun kennis en kunde op de Belgen over te brengen.

Overlijden van Krijn Cornelis en Florus Kornelis; de scheepsramp met de sloep Wisselvalligheid 1867
In de nacht van 16 op 17 januari 1867 is de sloep Wisselvalligheid van reder P.L. Slis uit Middelharnis, schipper Abraham van Eck, door een aanvaring onder de Nederlandse kust vergaan. Aan boord de oudste zoon van Cornelis en Rachel, Krijn Cornelis Vogelaar (1842-1867), 25 jaar oud (3). Ook zijn jongere broer Florus Kornelis Vogelaar (1851-1867) op vijftienjarige leeftijd bij deze ramp omgekomen (4). Hij is geboren 16 juli 1851.
In de oproep in de kranten om geld in te zamelen is namelijk sprake van een weduwe die haar man verloor bij een vorige scheepsramp en twee zonen bij deze ramp.

Weduwe Rachel van Eck
Rachel bleef in 1863 met zeven kinderen achter waarvan de jongste één jaar was en de oudste 21. Hoe ze de eerste jaren na de dood van Cornelis in haar levensonderhoud voorzag is niet bekend, de oudste zoons hebben haar vermoedelijk ondersteund en mogelijk kon ze als naaister zelf wat verdienen. Na de ramp met de Wisselvalligheid waren twee zoons haar ontvallen en kwam de zorg voor het gezin op de zoons Cornelis en Simon neer.
Rachel is in januari 1871 toen ze vijftig jaar oud was hertrouwd met de weduwnaar Bastiaan van der Meijde. Bastiaan overleed in 1888. Daarna is Rachel bij haar dochter Maatje die in 1885 gehuwd was met Jan Cornelis Visser in huis gekomen. Ze is in 1891 met het Maatje en haar gezin naar Rotterdam verhuisd waar ze in 1894 overleden is.

Krijn Cornelis Vogelaar (1842-1867) en Pietertje Brijs (1840-1921)
De oudste zoon van Cornelis en Rachel trouwde op 26 november 1864, een jaar na het overlijden van zijn vader, met Pietertje Brijs (Bris), een dochter van een schippersknecht uit Middelharnis. Haar ouders waren Adrianus Brijs en Cornelia Anna Troelja. Ze waren 22 en 24 jaar oud toen ze trouwden.
Op 2 juli 1866 werd Adrianus Kornelis geboren, in hetzelfde jaar als mijn grootouders Jongejan-de Moei. Hij was nog maar een half jaar oud toen zijn vader omgekomen is bij de ramp met de sloep Wisselvalligheid.



Krijn Cornelis Vogelaar (1842 -1867)
Scan uit het boek: C. Hameeteman, Middelharnis
een eeuw in foto's en herinneringen

Pietertje Brijs was 81 jaar oud toen ze in 1921 overleed. Ze is nooit hertrouwd. De eerste jaren kreeg ze van reder Slis ongeveer 1,50 per week, daarna heeft hij de weduwen van de bemanning van de Wisselvalligheid bij het Burgerlijk Armbestuur aanbevolen (5).
Ze heeft o.a. aan de Voorstraat gewoond en had geen beroep. Het bijschrift bij onderstaande foto vermeldt dat  Pietertje in een van de Weistraatjes woonde en dat ze lange tijd een eenzaam bestaan heeft geleid. Op latere leeftijd is ze bij haar broer Sijbrand (hij was visser) ingetrokken.



Pietertje Brijs (1840-1921)
Scan uit het boek: C. Hameeteman, Middelharnis
een eeuw in foto's en herinneringen

Adrianus Kornelis is geen visser maar schoenmaker en later koopman geworden. Hij noemde zijn oudste zonen Cornelis en Krijn Cornelis. In 1948 is hij in Middelharnis overleden

Huwelijken en vertrek uit Middelharnis.
Behalve Krijn Cornelis en Florus Kornelis werden ook Simon en Cornelis visser. De beide dochters trouwden met een visser.
Simon trouwde in april 1871 met Elizabeth Born, een dochter van een bouwknecht. Scheepsreder P.L. Slis was getuige bij het huwelijk. Het gezin was Christelijk Gereformeerd, alleen Simon bleef Nederlands Hervormd. Simon en zijn gezin zijn in 1894 naar Rotterdam verhuisd.
Cornelis trouwde met Annetje van den Nieuwendijk, een vissersdochter. Arendje van den Nieuwendijk gehuwd met Jacob Jongejan (zie tekst van 11 februari 2012 op dit weblog) was een zus van haar. Ze hebben kort in Maassluis gewoond waar de oudste zoon Cornelis is geboren. Van 1880 tot 1894 was Cornelis visser in Middelharnis, in de winter van 1881/82 was hij schipper op de Hellevoetse sloep Zeemanshoop (zie bericht van mei 2018). Cornelis is eveneens in 1894 naar Rotterdam vertrokken.
Bastiana Vogelaar is in 1876 met visser Teunis van Dongen getrouwd. Bastiana is jong overleden in 1892 toen ze 36 jaar oud was.
Geerit was metselaar en trouwde met Teuntje Campfens, een dienstbode uit Nieuwe-Tonge. Dit gezin is in 1891 naar Charlois verhuisd.
Maatje trouwde met Jan Cornelis Visser die visser was. Ze zijn in 1891 naar Rotterdam vertrokken.




Simon Vogelaar (1843-1935)

Waar zijn de vissers gebleven ?
Deze vraag stelt Dr. J. Verseput zich in zijn boek “Middelharnis een eilandgemeente” (5).
Tussen 1890 en 1894 zijn veertig vissersgezinnen uit Middelharnis vertrokken waarvan een groot deel naar Rotterdam. Onder hen drie kinderen uit het gezin van Cornelis Vogelaar en Rachel van Eck.



Met dank aan Florus Vogelaar voor de foto van zijn overgrootvader Simon.
zie Stamboom Vogelaar


1. Akte van bekendheid met het overlijden van Cornelis Vogelaar o.a. huwelijksbijlage Simon Vogelaar, Sommelsdijk 1871, akte 10.
2. Johannis de Waard geb. 25 september 1815, gehuwd met Lena van Eck. 
Zie akte van bekendheid met het overlijden van de vader, huwelijksbijlage Maartje de Waard, Middelharnis 1867, akte 12.. 
3. Zie o.a. Geregtelijke aankondiging, Nederlandsche Staatscourant 10 november 1869 met de namen van zeven omgekomen bemanningsleden en hun weduwen.
4. De naam van Florus Kornelis is in het bevolkingsregister van Middelharnis 1861-1890 in 1871 ambtshalve doorgehaald, een procedure die voorgeschreven was voor vermiste personen. 
5. Verseput, J., Middelharnis, een eilandgemeente.p. 105-106. Zie ook de twee teksten op dit weblog van 25 februari 2012.

zaterdag 25 februari 2012

Waar zijn de vissers gebleven ? (vervolg)

In  zijn boek “Middelharnis een eilandgemeente” (1)  doet Dr. J. Verseput verslag van zijn onderzoek in het bevolkingsregister van Middelharnis van de jaren 1890 tot 1920

In 1890 stonden er nog 392 vissers en 7 zeilmakers in het bevolkingsregister.

Van de 392 vissers waren er in 1920:
-          86 overleden, waarvan 38 verdronken
-          144 in Middelharnis blijven wonen
-          162 weggetrokken

Van de 144 die in 1920 nog in Middelharnis woonden hadden er 8 een ander beroep, bijvoorbeeld vishandelaar of los werkman.  
Van de overige 136 waren er 86 ouder dan 46 jaar en was ook een groot deel in dienst van reders in Vlaardingen, Katwijk of andere vissersplaatsen zonder dat ze daar gingen wonen.

Een voorbeeld hiervan vinden we in de Maas- en Scheldebode van 14 juli 1923:



Van de 162 vissers die tussen 1890 en 1920 vertrokken zijn er
- 80 naar Rotterdam gegaan,
- 35 naar Velsen/IJmuiden (de nieuwe vissershaven is in 1897 in gebruik genomen).
- 13 naar Vlaardingen ,
-  9 naar Maassluis en nog een aantal naar andere plaatsen.

Van de 7 zeilmakers uit 1890 zijn er vier vertrokken naar Velsen, Vlaardingen, Maassluis en Rotterdam.

Meer dan 40% van de vissers uit Middelharnis is dus in de periode  1890-1920 naar elders vertrokken, waarvan 20% naar Rotterdam.

De 13 gezinnen van oudooms en oudtantes waarvan er  7 in Middelharnis bleven,  4 naar Rotterdam vertrokken, 1 naar Velsen en 1 (de zeilmaker) naar Maassluis, weerspiegelen deze beweging heel nauwkeurig.

Bij de volkstelling van 1930 waren er nog 33 veelal oudere vissers over.  Of hierbij ook de “oude beugers”, die nog dagelijks op het Haringvliet uit vissen gingen,  zijn meegeteld is niet duidelijk.



Verseput, J., Middelharnis, een eilandgemeente.p.105-106

Waar zijn de vissers gebleven ?

Waar zijn de vissers gebleven ?

Deze vraag stelt Dr. J. Verseput zich in zijn boek “Middelharnis een eilandgemeente” (1).
De geschiedenis van de kinderen van Simon de Moeij en Lena van Eck en van Gerrit Jongejan en Adriaantje Koning De dertien kinderen zijn tussen 1851 (Francina de Moeij) en 1875 (Abraham Jongejan) geboren.

Kinderen van Simon de Moeij en Lena van Eck
Uit het gezin van Simon de Moeij en Lena van Eck hebben vijf kinderen de volwassen leeftijd bereikt; zij hebben alle vijf een gezin gesticht.
Twee van de vijf kinderen bleven in Middelharnis wonen. De dochters Lena Cornelia (geb. 1866) en Francina (1851) trouwden met een visser en bleven tot het eind van hun leven in Middelharnis wonen. Maar Francina de Moeij en Kornelis Groen hebben wel anderhalf jaar in Velsen gewoond in 1894-1895.
Drie kinderen zijn vertrokken, maar wel nadat ze eerst  in Middelharnis waren getrouwd. Suzanna met een partner uit Stad aan het Haringvliet, Simon en Bastiaan Simon met  dochters van vissers.
Suzanna (1859) is als eerste van Flakkee weggegaan.  Ze is 1878 getrouwd in Middelharnis. De eerste kinderen zijn in Middelharnis geboren, in 1882 zijn ze vertrokken.  In 1884 is een dochter in Delfshaven geboren., de volgende dochter werd in Rotterdam geboren.
De kinderen van Simon (1860) zijn in Middelharnis geboren,  hij is niet direct na zijn huwelijk in 1887 naar Rotterdam vertrokken, maar pas in 1912. Hij was dus al boven de vijftig.
Bastiaan Simon (1873) werkte al voor zijn huwelijk in Rotterdam als stoombootkapitein en verliet Middelharnis  met zijn vrouw, gelijk na hun huwelijk in 1899.

Bastiaan Simon de Moei aan het werk in Rotterdam

Kinderen van Gerrit Jongejan en Adriaantje Koning
Uit het gezin van Gerrit Jongejan en Adriaantje Koning hebben tien kinderen de volwassen leeftijd bereikt; negen daarvan hebben een gezin gesticht. Eén dochter bleef ongehuwd, ze had een snoepwinkeltje in Middelharnis. Zeven van de tien kinderen zijn in Middelharnis gebleven. 
Vier dochters  Sara (1855),  Bastiana Maria (1864), Adriaantje (1870) en Willemtje (1872)  trouwden met vissers in Middelharnis en bleven daar ook heel hun leven wonen. Lijntje bleef ongehuwd, ook zij bleef in haar geboorteplaats. Gerrit (1861) was visser en verdronk in 1910; Cornelis (1866) was visser en is in Middelharnis gebleven.

Drie kinderen vertrokken naar elders nadat ze in Middelharnis waren getrouwd met een partner uit een vissersfamilie. Geertrui (1857) vertrok met haar man en gezin rond 1910 naar Velsen. Zij waren toen al  ongeveer vijftig jaar oud.
Jacob (1859), zeilmaker,  vertrok na  het overlijden van zijn vrouw in 1903 naar Maassluis
Abraham (1875), stuurman, is in 1925 naar Rotterdam vertrokken toen hij vijftig jaar was.

Rotterdam, Velsen en Maassluis
Van de dertien gezinnen zijn:
-         7 gezinnen  in Middelharnis gebleven (waarvan 1 gezin na anderhalf jaar teruggekomen uit Velsen)
-          4 gezinnen naar Rotterdam verhuisd
-          1 gezin naar Velsen verhuisd
-          1 gezin naar Maassluis verhuisd

Met uitzondering van Bastiaan Simon de Moei, die 27 was toen hij naar Rotterdam ging, waren ze allemaal al veel ouder toen ze vertrokken (boven de veertig en boven de vijftig)
Bastiaan Simon is door zijn vertrek van het eiland op de maatschappelijke laddder gestegen is. Hij werd sleepbootkapitein . Teunis Roodzant (de man van Geertruij Jongejan) stond op latere leeftijd als los werkman te boek. Bram Jongejan begon een waterkokerij. Vergeleken met de status die een schipper had, was waterkoker een beroep dat lager in aanzien stond.

De kale cijfers over het vertrek van de vissers uit Middelharnis zeggen weinig. In de voorbeelden uit deze families zien we de verschillende patronen. Kornelis Groen en zijn gezin keerden na anderhalf jaar in Velsen weer terug; Teunis Roodzant volgde zijn zoons die al in IJmuiden werkten, Simon de Moei was al 52 toen hij vertrok. Wellicht was de kans op het vinden van werk voor zijn kinderen een drijfveer. Bram Jongejan trok pas weg toen er in 1925 helemaal geen werk meer was in de visserij. Hij was toen vijftig
Het gaat dus niet per definitie om jonge mannen die het initiatief namen om te vertrekken.


1. Verseput, J., Middelharnis, een eilandgemeente.p. 105-106

woensdag 22 februari 2012

De waereld is grôôt genog

Maarten van Delft, geboren 1890 (zoon van Sara Jongejan en Geerit van Delft, zie tekst van 10 februari 2012 op dit weblog) groeide op in de tijd dat de visserij in Middelharnis al op zijn retour was.
Vanaf 1890 neemt het aantal mensen dat een bestaan buiten het eiland zoekt toe. Voor een jongen van zijn leeftijd was de keuze voor het beroep van visser in 1900 al niet meer vanzelfsprekend.  Men was er zich van bewust dat er ook mogelijkheden buiten de vissersgemeenschap waren en dat het beroep van visser, dat al generaties lang  door dezelfde families werd uitgeoefend, weinig toekomstperspectief bood.
Zijn vader was visser en bij zijn oom die schipper was maakte hij zijn “speelreisje” toen hij tien was, bedoeld om te proberen of het beviel. De reis viel tegen. Hij wilde net als zijn broer timmerman worden, maar kon geen leerplaats vinden op Flakkee en ging toch naar zee.
De bemanningsleden van een sloep waren altijd “aandeelhouder” geweest: ze deelden in de opbrengst van de vangst en ook in het verlies. De besomming werd –na aftrek van de kosten-  in 18 delen verdeeld. De reder kreeg 6 delen, de schipper 1 1/6, de matrozen elk 1 deel en de rest ging naar de overige bemanningsleden,  de jongens.  Varen “op zegen” of “op deel”  heette dit systeem. Toen schakelden de reders over op een andere beloning: de monsterrol.  Vissers werden van onderaannemer nu werknemer in loondienst. Aan de traditionele arbeidsverhoudingen kwam een eind.
Maarten voelde er niks voor om voor een jaar te monsteren. Toen de schipper er 100 gulden bij deed ging hij akkoord, hij verdiende als 20-jarige bij Kobus van den Hoek 300 gulden per jaar. Hij moest daarvoor in voor- en najaar ook nog vier weken aan het onderhoud van het schip werken.
De crisis in visserij vanaf ca.1910 is volgens Maarten ook te wijten aan de arbeidsomstandigheden. Soms moest je op een schip 30-40 uur  achter elkaar werken, er was geen CAO.
Hein Dubbeld en Maarten van Delft stopten ermee en de sloep kon door personeelsgebrek niet uitvaren. Reder Slis beklaagde zich bij de vader van Maarten, maar hij was al 21 en zijn motto werd:
“De waereld is grôôt genog” 
Hij zag mogelijkheden om te veranderen, veel vissers uit Middelharnis waren hem voorgegaan. Maarten van Delft is naar Rotterdam vertrokken en daar bootwerker geworden. Later ging hij naar IJmuiden.


bron:
Interview met een inwoner uit Middelharnis, ZB 1900E08B