Posts tonen met het label vishandel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vishandel. Alle posts tonen

donderdag 19 september 2013

Betrekkingen tussen Middelharnis en Antwerpen in de negentiende eeuw

Vroege handelsbetrekkingen
Van de zeventiende eeuw tot rond 1840 was Antwerpen een belangrijke afzetmarkt voor verse vis die via Middelharnis werd aangevoerd. Het vervoer werd door kleine schepen van ventjagers gedaan. Er waren dus van oudsher al contacten tussen Middelharnis en Antwerpen. Zie hiervoor de scriptie van Marco Kuiper Vissers en ventjagers.

Reder Jacques van Baelen
In 1859 vertrok Willem Jongejan met zijn gezin vanuit Middelharnis naar Antwerpen (zie tekst van 16 mei 2013 op dit weblog) om als visser in dienst te treden bij reder Jacques van Baelen. Dit was de belangrijkste rederij van Antwerpen wat betreft de zeevisserij.
In 1865 is door het Belgische parlement een commissie ingesteld om onderzoek te doen naar de toestand van de zeevisserij. Een van de commissieleden was de werkgever van Willem Jongejan, Jacques van Baelen reder te Antwerpen (1). Van Baelen was zelf visser geweest, dus een man van de praktijk. 
Uit het rapport van het onderzoek blijkt dat Antwerpen voor 1837 geen sloepen had en dat de eerste sloep hier door Van Baelen in 1838 is geïntroduceerd. In 1866 telde de vloot elf sloepen van zestig tot tachtig ton elk die aan de Jordaenskaai lagen. Een kleine vloot, vergeleken met Oostende waar wel 160 sloepen hun thuishaven hadden.


Zicht op de Scheldebocht vanaf de Rijnkaai te Antwerpen in 1880.
De vaartuigen vooraan zijn Antwerpse sloepen.
Schilder: R. Montgomerij
Afgebeeld in:
Desnerck, Vlaamse visserij en vissersvaartuigen, dl.1 1974.

De Antwerpse zeevisserij
Uit de beschrijving die in het rapport van de visserij in Antwerpen gegeven wordt blijkt dat er op dezelfde manier gewerkt werd als in Middelharnis. Er wordt gevist met haken, de bemanningsleden delen in de winst, de bemanning bestaat uit 11-12 man, men vist op de Doggersbank op 62 graden NB, op schelvis en kabeljauw (hier zijn twee Franse woorden voor: cabillaud voor verse kabeljauw en morue voor gezouten vis). Ook rog, tarbot en heilbot worden gevangen. De reizen duren 2-4 weken. De opbrengst wordt verdeeld in 16 delen: een deel per matroos, een driekwart voor de schipper en voor de jongens 1/3 tot 5/6 per persoon. De kosten van voeding waren ook voor gezamenlijke rekening.

Tussen 1842 en 1867 werden premies verstrekt aan Antwerpse reders voor de hoekwantvisserij, de grote haringvisserij en de zomer-kabeljauwvisserij. De belangrijkste verdediger van de Antwerpse belangen was Jacques van Baelen die zich rond 1865 verzette tegen het afschaffen van de premies.
Rond 1840 begon men met de beugvisserij, men viste op de Hollandse manier met lijnen tot 16 kilometer (2). In 1895 is men gestopt met de zomerkabeljauwvisserij en de visserij op verse vis. De winterkabeljauwvisserij is al in 1871 beëindigd. Op het hoogtepunt 1867/68 bood de Antwerpse vissersvloot werkgelegenheid aan 132 vissers op 13 sloepen.
De sloepen leken veel op de sloepen van Pernis (3). Zie ook de reactie onderaan dit bericht.


Foto van de Brouwersvliet in Antwerpen rond 1870
links twee Antwerpse sloepen
met dank aan Raymond Van Ael te Antwerpen


Middelharnis-Antwerpen
Er waren naast Willem Jongejan meer vissers uit Middelharnis die op een Antwerpse sloep voeren. De Middelharnisse vissers stonden bekend als uitstekende beugvissers. Ze werden aangetrokken door Antwerpse reders om Antwerpse vissers het vak bij te brengen. Hendrik de Korte (4) zegt hier het volgende over:

De Belgen wilden vanuit Antwerpen een beugvisserij oprichten, wat ook enige jaren is gelukt. Vele Middelharnisse vissers hebben van Antwerpen gevaren, omdat België geen geschoold volk had met de beug bekend. Ook in Oostende bedreef men de beugvisserij met hulp van Hollanders omdat men de techniek verleerd was (5).


De rampen met de Antwerpse sloepen Josephine in 1863 en De Hoop in 1865
Twee inwoners van Middelharnis zijn tijdens de hevige storm van 3 en 4 december 1863 als bemanningslid van de Antwerpse sloep Josephine verdronken. De stuurman van deze sloep heette volgens de Nederlandse huwelijksbijlagen Weerman (Weiremans, Weeremans). Het Handelsblad van Antwerpen vermeldt J. Francke als 'patron' op 29 december 1863 ; het was een sloep van de bovengenoemde reder J. van Baelen en Co. 
Van de sloep Van Baele konden alle bemanningsleden worden gered.
In deze storm vergingen ook de Eben Haëzer en de Vrouwe Aplonia uit Middelharnis met man en muis en vele sloepen uit andere vissersplaatsen. Zie de tekst van 7 november 2013.

De sloep De Hoop uit Antwerpen verging in januari 1865 met aan boord Willem Jongejan. (Bron: Handelsblad van Antwerpen, 29 en 30 januari 1865).

Latere contacten
In 1888 werden twee Antwerpse schepen aan de vloot van Middelharnis toegevoegd, de A11 Avenir en de A12 Pionier van de rederij weduwe Manroij voor rekening van K.J. Meijer uit Middelharnis.

Noot: zie ook de aanvullingen in de reactie van Raymond van Ael uit Antwerpen onderaan dit bericht.
1. Rapport de la commission chargée de faire une enquête sur la situation de la pêche maritime en Belgique. Chambre des Représentants, Séance de 17 mai 1866. p.5.26,
2. Gaston Desnerck en Roland Desnerck. Vlaamse visserij en vissersvaartuigen. 2 dln, 1974. deel 1 p. 221-226.. Op p. 224 een overzicht van de vlootgegevens (sloepen en bemanningsleden).
3. idem. deel 2, p. 193-200. Andere reders waren: J. van den Bemden, wed. H. van den Bemden. Er waren ook schipper-eigenaren.
4. H. de Korte Johsz. Iets over de visserij van Middelharnis. Eilanden-nieuws 1947, deel 5.
5, Desnerck, deel 1 , p. 18

donderdag 18 juli 2013

Cornelis Jordaan (1807-1864) en Teuntje van Prooijen (1811-1902)

Ouders
Cornelis Jordaan is een zoon van Leendert Jordaan en Bastiaantje van Eck. Hij is geboren op 20 november 1807 in Middelharnis. Cornelis was de jongste, hij had een zus die Geertje heette en een zus Josina die met Johannis van Dongen is getrouwd, zie de tekst van 15 maart 2013 op dit weblog. Zijn broers heetten Hendrik en Leendert.
Teuntje van Prooijen is een dochter van Teunis van Prooijen en Jannetje van Gelder, ze is op 25 augustus 1811 geboren.

Huwelijk en kinderen
Cornelis en Teuntje trouwden op 3 november 1833. Hij was 25 jaar en arbeider van beroep, zij was 22 jaar en arbeidster. De vader van Cornelis was toen al overleden, de vader van Teuntje was arbeider.
Ze kregen tussen 1834 en 1853 negen kinderen, zes jongens en drie meisjes. .
Op 15 mei 1834 werd Leendert geboren, ca.1836 Teunis, in 1838 Jan, in 1840 Johannis, op 24 september 1848 Cornelis en in 1853 Pieter. Bastiana is van 1843, Jannetje van 1845 en Adriaantje van 1851.
Hoewel de ouders niet uit vissersfamilies kwamen werden de zonen allemaal visser. Er was in de jaren zestig van de negentiende eeuw ruimte voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt van vissers. Jordaan, Van den Hoek, Van Dongen zijn families die niet van oudsher in de visserij actief waren.
Jan en Johannis Jordaan hebben op enig moment het vissersberoep vaarwel gezegd en zijn koopman geworden. In het bevolkingsregister van 1860 staat vader Cornelis overigens niet meer als arbeider maar als viskoopman.

De ramp met de Lucretia Adelaide in 1865
Leendert Jordaan (1834-1865), de oudste zoon van Cornelis en Teuntje, was een van de bemanningsleden van de sloep Lucretia Adelaïde die op 19 of 20 februari 1865 met man en muis is vergaan.
Nabestaanden van Leendert Jordaan:
Leendert was op 8 januari 1858 gehuwd met Aaltje Koote (1829-1900). Aaltje en Leendert hadden twee kinderen, Teuntje uit 1858 en Leendert uit 1861. Aaltje heeft een verklaring van het vermoedelijk overlijden van Leendert bij de rechtbank aangevraagd. Ze is in 1873 met de beide kinderen naar de V.S. vertrokken. Daar is ze in 1875 in Oceana (Michigan) hertrouwd met Adrianus Lijdens (1827-1915), afkomstig uit Sommelsdijk. Ze is in 1900 in Jamestown (Michigan) overleden, 71 jaar oud.
Teuntje Jordaan (1858-1935) is in 1883 in Fremont (Michigan) getrouwd met Gerrit Kloet (1856-1940) uit Stad aan 't Haringvliet. Zij kregen acht kinderen.
Leendert Jordaan (1861-1934) trouwde in 1886 met Minke Siebes (1866-1916). Zij kregen tien kinderen. Zie de gegevens in de reactie op deze blogtekst.



Fragmenten uit de Nederlandsche Staatscourant
31 januari 1868
Aaltje Koote vraagt Verklaring van Vermoedelijk Overlijden
van Leendert Jordaan.

In dezelfde tijd (na 1861 en voor 1870)  is ook de op een na jongste zoon Cornelis Jordaan (1848-1865) om het leven gekomen. Het is zeer aannemelijk dat hij op dezelfde sloep als zijn oudere broer werkte, maar het is ook mogelijk dat hij op een van de sloepen die in 1863 vergaan zijn het leven liet. De Van Dongens van de Eben Haëzer , vergaan in 1863, waren neven van deze broers Jordaan.

De ramp met de MD 3 Anna in 1912
Pieter Jordaan (1853-1912) is altijd visser gebleven, in tegenstelling tot zijn broers Jan en Johannis die koopman werden. Pieter is omgekomen bij de ramp met de MD 3 Anna op 20 januari 1912. Hij was gehuwd met Maatje van den Bogert (1852-1923). Ook hun zoon Marinus Lauwrens Jordaan (1894-1912) was aan boord van deze sloep die met man en muis is vergaan (1).

Noot :
Teunis Jordaan is in 1866 weduwnaar geworden, hij hertrouwde in 1867 met Trijntje Dupree, de weduwe van Anthony van Dongen

1. Foto van Marinus Lauwrens Jordaan. Zie: Fons Grasveld. Het lot van de MD3 Anna. Met medewerking van Jan van de Voort.. Hilversum,2014. p. 118. Over het leven van weduwe Maatje van den Boogert, zie p.124

donderdag 16 mei 2013

Laurens van der Put (1882-1911), Cornelia Viskil (1883-1955) en Dirk Koster (1867-1930)

Ouders
Laurens van der Put is geboren op 14 december 1882 te Middelharnis, zoon van Huibrecht van der Put  die visser was en Jannetje Witvliet, dochter van Mattheus Witvliet (zie tekst van 4 mei 2013)
Cornelia Viskil is geboren op 27 januari 1883. Haar ouders waren Willem Viskil en Pietronella Hollaar. Zie het vorige bericht van 12 mei 2013 op dit weblog

De ramp met de Zeemanshoop
De vader van Cornelia, Willem Viskil, was schipper van de MD 18 Zeemanshoop van de Rederij Kolff. De sloep is omstreeks Sinterklaas 1895 met man en muis vergaan. Het laatst was zij gezien bij het Zand op de Doggersbank. De gehele, uit dertien personen bestaande, bemanning kwam om het leven. Zeven vrouwen verloren hun echtgenoot en zestien kinderen hun vader. Voor hun levensonderhoud werd een beroep gedaan op liefdadigheid. De koningin schonk honderd gulden aan de weduwen en wezen (1).

Cornelia Viskil was bijna dertien jaar oud toen haar vader omgekomen is.

Maas- en Scheldebode, 27 december 1895


Bij deze scheepsramp kwam ook een oom van Laurens van der Put om, Cornelis van der Put (1863-1895).


Huwelijk en kinderen
Laurens werd visser. Laurens en Cornelia trouwden op 12 oktober 1906 te Middelharnis. Getuigen bij het huwelijk waren: Jasper Viskil, 49, visser, oom van de bruid; Mattheus Witvliet, 82, visser en oom (2) van de bruidegom, Leendert Koote, 42, brievenbesteller en oom van de bruid, en Jan de Koning, 39, visser, allen wonende te Middelharnis.*
Het echtpaar ging wonen aan de Oostelijke Achterweg nr. 41 boven. Later verhuisden zij naar de Visscherstraat C 170. Op 27 juni 1907 werd zoon Huibrecht geboren en op 6 september 1908 dochter Pietronella.

Verhuizing naar Rotterdam en terug naar Middelharnis
Op 19 maart 1910 vertrok het gezin naar Rotterdam en ging wonen in de Stampioenstraat 30b. In deze buurt woonden ook de zus van Laurens, Dirkje van der Put en haar man Andries van den Doel. Evenals zijn zwager Andries was het beroep van Laurens in Rotterdam bootwerker. Het duurde maar kort: op 12 oktober 1910 werd het gezin weer ingeschreven in Middelharnis, Westdijk B 294. Laurens ging weer werken als visser.

Laurens in Engeland overleden
In september 1911 was het schip van Laurens in Engeland, in North Shields aan de monding van de Tyne, ten westen van Newcastle upon Tyne. Hij had aan boord paratyfus opgelopen en was opgenomen in een ziekenhuis in Engeland. De op 18 september 1911 afgegeven overlijdensakte van het district Tynemouth geeft als doodsoorzaak: Enteric Fever, Perforated Ulcer and Peritonitis, dus: buiktyfus (die zowel  door tyfus als door paratyfus  veroorzaakt kan zijn), een geperforeerde  maagzweer  en buikvliesontsteking. Laurens is op drie maanden na 29 jaar oud geworden.


Maas- en Scheldebode, 27 september 1911


De nabestaanden
Cornelia bleef met twee jonge kinderen achter.
Op 3 december 1912 trokken haar broer Jasper Viskil en zus Willemptje  Viskil bij haar in. Zij woonden in de Visserstraat C 150, later 158. 
In november 1913 plaatste Cornelia een advertentie namens de weduwen van de bemanning van de MD3 Anna (vergaan januari 1912als dankbetuiging voor de gulle gaven. Het is aannemelijk dat Laurens ook bemanningslid van de Anna was ten tijde van zijn overlijden. Waarschijnlijk heeft Cornelia daarom meegedeeld in de opbrengst.
Op 30 april 1921 is Cornelia (toen 38) te Middelharnis hertrouwd met de 53-jarige Dirk Koster, zoon van Cornelis Koster en Huibertje Boeser.

Dirk Koster
Dirk was van beroep aanvankelijk diepzee-visser, later koopman in vis. Hij had als bijnaam: “de Lord”, maar waarom is niet duidelijk. Dirk was weduwnaar van Jacomina van Gelder (1869-1919). Dirk en Jacomina hadden een zoon, Cornelis Koster geboren op 19 juni 1902 in Middelharnis.
Zoon Cornelis Koster vertrok naar IJmuiden. Hij trouwde 1923 in Velsen met Neeltje Jongejan, 21 jaar (4). Zij kregen twee kinderen. Cornelis was schilder van beroep.

Dirk Koster overleed op februari 1930 in Sommelsdijk, 62 jaar oud.
Cornelia Viskil zette kennelijk zijn bedrijf voort: zij had als beroep: winkelierster in vis. Cornelia Viskil overleed op 13 juni 1955 te Middelharnis.


Tekst van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje

1. Een aantal gegevens is afkomstig van Piet Koster te Eindhoven
2. Mattheus Witvliet was geen oom, maar de grootvader van Laurens en dat is dus onjuist vermeld in de trouwakte. 
3. Uit overlevering (bron ?) is het volgende verhaal bekend: Laurens sprak geen Engels en daarom begreep hij niet waarom hij alleen maar lichte kost kreeg. Hij klaagde hierover bij zijn collega's die hem toen peren brachten. Die kon hij (nog) niet verdragen. Een paar dagen na het eten hiervan is hij overleden.
4. Neeltje Jongejan, geboren in Velsen 23 oktober 1902 is een dochter van Arij Jongejan en Cornelia Schmidt. Zie tekst op dit weblog van 12 november 2012

donderdag 21 maart 2013

Waar zijn de vissers gebleven ? (Velsen - IJmuiden)

Vertrek van vissersfamilies uit Middelharnis
Voor zijn boek "Middelharnis een eilandgemeente" heeft Dr. J. Verseput het gehele bevolkingsregister van Middelharnis 1890-1921 doorgenomen en het vertrek van vissers uit deze gemeente in kaart gebracht. Op 25 februari 2012 heb ik op dit weblog al twee stukjes over de migratie van vissers geschreven.

De visserij liep in Middelharnis op zijn eind en er dienden zich in de stad Rotterdam nieuwe bestaansmogelijkheden aan. Maar veel vissers bleven hun beroep trouw, zij gingen naar Maassluis, Vlaardingen of Velsen.

Van de 162 vissers (meest gezinnen) die tussen 1890 en 1920 vertrokken zijn er
- 80 naar Rotterdam gegaan
- 35 naar Velsen (IJmuiden)
- 13 naar Vlaardingen 
 9 naar Maassluis en nog een aantal naar andere plaatsen.

Voor een aantal gezinnen was Rotterdam een tussenstation, ze zijn uit Rotterdam naar IJmuiden verhuisd.

Nieuwediep
De haven van Nieuwediep bij Den Helder is eind achttiende eeuw aangelegd als veilige haven voor de koopvaardij en is begin negentiende eeuw ook als marinehaven gaan fungeren. Ook vissers wisten deze haven als vluchthaven te vinden en als plek om hun vooraden aan te vullen.
Nieuwediep werd vanaf de jaren 1860 een belangrijke haven voor de vissers van Middelharnis  Er ontstond hier een levendige vishandel. Door de spoorlijn naar Alkmaar (vanaf 1865) en later naar Amsterdam (1878) werden de vervoersmogelijkheden vanuit Den Helder - Nieuwediep verder verruimd.
Johannes Cornelis Slis van de redersfamilie uit Middelharnis begon in 1880 een zeevishandel samen met zijn compagnon Van Oterendorp. Ze hebben hun groothandel in 1898 naar IJmuiden verplaatst.

Vissers nemen bezit van IJmuiden
In 1876 kwam het Noordzeekanaal gereed waarmee een kortere verbinding tussen Amsterdam en de Noordzee werd gerealiseerd.  IJmuiden was een nieuwe plaats die aan de zuidkant van het kanaal is ontstaan uit een nederzetting van dijkwerkers. Het idee was dat IJmuiden "het mooiste een aantrekkelijkste toeristenoord langs de Nederlandse kust" zou worden. Men ging ervan uit dat passagiersschepen IJmuiden zouden aandoen en dat rijke toeristen hier zouden willen passagieren. Er werden hotels en restaurants gebouwd ten behoeve van deze doelgroep. Maar Amsterdam duldde geen concurrentie en er kwam een verbod op het debarkeren van passagiers. IJmuiden werd geen toeristenoord maar wel de belangrijkste vissershaven van Nederland met alle voorzieningen voor de zee,vissers waaronder veel cafés (1).

IJmuiden was de enige haven tussen Hoek van Holland en Den Helder en bood een gunstige ligplaats bij slecht weer. Eerst legden schepen uit Zandvoort en Egmond aan, al snel gevolgd door de sloepen uit Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. In een artikel in de IJmuider Courant van 30 oktober 1926 wordt (vermoedelijk door Hendrik de Korte, het artikel is ondertekend met K.) beschreven dat de komst van de beugvissers naar IJmuiden heel bepalend is geweest voor de opkomst van IJmuiden als vissershaven.  In het Verslag van de toestand der zeevisserijen uit 1878, p. 59 lezen we dat de vissers van Middelharnis in de winter van 1877-78 IJmuiden aandeden:

Bij ijsgang in de Goeree en te Nieuwediep was de haven van IJmuiden het toevluchtsoord. De vissers konden daar veilig binnenkomen en vangst verkopen. Intussen is de vishandel daar ter plaatse nog zeer ongeregeld, zodat de kopers van elders die daarheen kwamen de vis veelal tegen lage prijs konden verlangen.


In de behoefte aan een visafslag werd het jaar erna al voorzien.
Op 25 oktober 1879 was de MD 6 Titia Jacoba met schipper Maarten van Delft het eerste schip dat haar lading zeevis verkocht op de eerste (particuliere) visafslag van IJmuiden (3).

De nieuwe haven bleek een enorme aantrekkingskracht op zeevissers van de hele Nederlandse kust uit te oefenen. Er ontstond zo'n grote toeloop van schepen dat besloten werd een aparte vissershaven aan te leggen. Deze haven is in 1896 opgeleverd en al snel daarna uitgebreid.
De factoren die IJmuiden tot een succes maakten waren de gunstige ligging ten opzichte van de visgronden en de markten, de transportmogelijkheden via het kanaal, de aanwezigheid van het Staatsvisschershavenbedrijf dat voor snelle lossing en verkoop zorgde, de spoorweg tot aan de haven, industrieterreinen met ijs- en machinefabrieken, herstelwerkplaatsen, mandenmakerijen etc in de directe omgeving, voldoende transportarbeiders, ijsvoorraden, uitgebreide relaties voor afzet van vis in binnen- en buitenland (2)


Uit onderstaand bericht blijkt dat er in 1891 drie havens waren waar de sloepen van Middelharnis vis aanbrachten: IJmuiden, Nieuwediep en Middelharnis. Vanuit Nieuwediep en IJmuiden was vervoer per spoorlijn mogelijk. Vanuit Middelharnis werd de verse vis met bunschepen naar België vervoerd.


Maas- en Scheldebode, 13 maart 1891

Verhuizing naar IJmuiden
Dat de sloepen de vis in IJmuiden brachten had economisch gezien grote voordelen. Maar het betekende wel dat de mannen tussen de winterreizen op verse vis (die tien tot veertien dagen duurden) niet steeds naar huis kwamen. Als regel kwam men maar een keer in de zes weken met de trein en de boot naar Middelharnis. Veel vissers waren gehecht aan hun geboorteplaats en gingen pas weg toen het echt niet anders kon. Een aantal gezinnen is echter al voor 1900 naar de gemeente Velsen verhuisd. Of ze woonden eerst in Rotterdam om daarna naar IJmuiden te verhuizen.

Niet iedereen die verhuisde is in IJmuiden gebleven. Het gezin van Kornelis Groen en Francina de Moeij bijvoorbeeld is in januari 1894 naar Velsen vertrokken om in oktober 1895 weer terug te keren in Middelharnis. Er is dus ook sprake geweest van retourmigratie.

IJmuiden werd op den duur door veel inwoners van oude vissersdorpen tot woonplaats gekozen. Vissersfamilies uit Nieuwediep, Volendam, Urk, Texel, Maassluis, Egmond en ook uit de zuidelijker gelegen plaatsen Pernis, Zwartewaal en Middelharnis kwamen in IJmuiden te wonen. Nieuwe inwoners  werden niet altijd geregistreerd.
Een familie uit Middelharnis, bestaande uit man, vrouw en zes kinderen, kwam met een sloep naar IJmuiden, bouwde daar in het duin een primitieve woning en meldde zich bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zij leefden er vijftien jaar ongestoord om eerst in 1895 - er ging een dochter trouwen- tot de ontdekking te komen dat zij niet als bewoners van de gemeente Velsen stonden ingeschreven (3).
Bleven veel vissers aanvankelijk nog door de sterke gebondenheid met het oude milieu in de eigen plaats wonen, in de jaren '20 toen ook de woningvoorziening beter werd kwamen meer en meer bemanningsleden in IJmuiden wonen.

Een aantal familiebeschrijvingen op dit weblog eindigt met het vertrek van familieleden naar Velsen. Teunis Roodzant, Gerrit Jongejan, Hendrik Viskil, Gerrit Langbroek, Johannes de Korte en Jan Krijger  vertrokken allemaal met hun gezin naar Velsen waar de nieuwe vissershaven een grote stimulans vormde voor de visserij. 
We nemen een kijkje in Velsen rond 1930 aan de hand van een proefschrift uit die tijd, om te zien waar de Menheerse vissers terecht kwamen (1).

IJmuiden groeit
Velsen is in de negende eeuw gesticht en was oorspronkelijk een agrarische gemeente in de ongerepte duinstreek bij Amsterdam. Ook de kern Santpoort is al van oude datum. Veel rijke families uit de stad hadden hun buitenplaatsen in de omgeving van Velsen. 
Het Noordzeekanaal is tussen 1865 en 1876 gegraven; de duinstreek tussen Haarlem en Oegstgeest werd door het kanaal doorsneden. Aan de zuidkant van het kanaal ontstond een langgerekt lint van bewoning langs de spoorlijn Velsen-IJmuiden, met  IJmuiden, IJmuiden-Oost en Velserbroek als kernen. De gezinnen uit Middelharnis kwamen terecht in een 'arbeidersnederzetting op grote schaal', in de woorden van mw. van den Bergh van Eijsinga.

Ik citeer het proefschrift van mw. van den Bergh van Eijsinga (p.15)
Geen enkel park, geen plantsoen, niets dan huizen, winkels, garages, kantoren, pakhuizen; waar men komt: het type van een arbeidersnederzetting op groote schaal. IJmuiden is in het Westelijk deel een typische visscherij-centrum: groote pakhuizen, ijsfabrieken, afslagplaatsen; tussen Visschers- en Haringhaven niets dan kleine en grote bedrijven en fabrieken, die met de visscherij direct samenhangen.
Je zou veronderstellen dat de nabijheid van de duinen tegenwicht bood aan het verstedelijkt karakter voor degenen die van landschappelijk schoon hielden, maar nee: de duinen waren door de eigenaar afgesloten.
Door de bewoners werd het toch wel wat anders beleefd dan door de schrijfster van het proefschrift. De familie Andries van den Doel die vanuit Middelharnis eerst een aantal jaren in Rotterdam-Feyenoord had gewoond heeft IJmuiden als een groene oase ervaren en genoten zeer van het duingebied Breesaap (4).
IJmuiden zelf had weinig grote winkels, de inwoners waren op Haarlem georiënteerd en op IJmuiden-Oost dat een grotere winkelstand had. De verbindingen waren goed, een zijtak van de elektrische trein liep naar IJmuiden en er waren twee veerdiensten over het kanaal. De belangrijkste industrieën waren de Hoogovens aan de noordkant van het kanaal en de papierfabriek van Van Gelder.
In 1890 had IJmuiden 1583 inwoners, in 1910 was het aantal verdubbeld (3102) en in 1921 was het aantal inwoners 10.699. 
Een enorme expansie dus, zeker vergeleken met de stagnatie van de groei in Middelharnis: 4158 inwoners in 1890 en 4305 in 1920. 

Er woonden in 1889 in IJmuiden 25 vissers en in 1909 waren het er 575.
Onder invloed van de vestiging van vissersgezinnen nam het protestantse deel van de bevolking verhoudingsgewijs toe (p.83 van het proefschrift).


IJmuiden en omgeving 1933
Detail van kaart behorend bij
proefschrift van L.M. van den Bergh van  Eysinga

Beroepen
De vissers die uit de oude vissersplaatsen naar IJmuiden kwamen vonden werk in hun oude beroep, nu niet op zeilschepen maar als dekpersoneel op de moderne stoomtrawlers. Ze waren gehuwd en hadden vaak een eigen huisje, zo blijkt uit het onderzoek (p. 105). 
Het personeel in de machinekamer bestond uit arbeiders die uit de grote steden afkomstig waren. Er was dus aan boord van de trawlers een groot verschil in herkomst en in werkzaamheden onder de bemanning.
Er waren voor mannelijke familieleden die geen visser werden tal van andere mogelijkheden: vislosser of visknecht (verpakken van vis), los werkman, walbaas (3) en ook de werkgelegenheid in de handel en de middenstand nam sterk toe. Voor vrouwen was er werk in de chocolade-, zeep- of conservenfabrieken, op kantoor of in de winkel. Ik weet niet welk werk de vissersdochters gingen doen, maar er waren mogelijkheden.
Het loon lag in de visserij wat lager dan in de industrie.

Scheepsrampen en ongevallen
Ook op de IJmuider vloot voeren was en bleef het beroep van visser zeer gevaarlijk. Meer dan twintig vissers die van origine uit Middelharnis kwamen zijn omgekomen op een IJmuider vissersvaartuig, zie het bericht van 22 september 2014 op dit weblog; het zijn de bekende namen uit de families de Bloeme, van den Doel, van Dongen, Dubbeld, van Gelder, van den Hoek, de Koning, Krijger, Langbroek, Roodzant, Sala. Veel scheepsongevallen gebeurden in de Eerste Wereldoorlog of in de jaren erna als gevolg van het ontploffen van mijnen.

Connecties
Ik stel me zo voor dat de gezinnen uit Middelharnis die al in de jaren '90 van de negentiende eeuw naar IJmuiden gingen, als kwartiermakers fungeerden voor degenen die later kwamen. Het ligt voor de hand dat zij hun plaatsgenoten wegwijs maakten in IJmuiden, hielpen bij het zoeken van werk als bemanningslid of aan de wal en bij het vinden van een woning.

Een moeder berichtte haar getrouwde dochter in Middelharnis (3):
Ik heb een huisje voor je gehuurd, dus je kan naar IJmuiden komen. Maar bezint voor je begint. Denk in de eerste plaats aan je kinderen. Want neem dit van je moeder aan, in Sodom en Gomorra kan het niet erger geweest zijn dan hier bij ons
Jan Koster, tot 1896 visser in Middelharnis, begon een vishandel. Het was een succesvolle onderneming die in de loop der jaren uitgegroeid is tot een van de grootste vishandels in IJmuiden. Zie voor meer informatie het volgende bericht op dit weblog.
Gerrit Langbroek (geb. 1862) die op 5 juni 1907 naar Velsen verhuisde heeft dertig jaar bij de groothandel firma Jan Koster gewerkt.

Bakker van Es van de Westdijk in Middelharnis, schoonzoon van Jan Krijger, volgde in 1912 zijn klandizie en zijn schoonouders naar IJmuiden.



IJmuider Courant 31 dec 1931

In het boek "Het kofjekokertje en het spookschip van Middelharnis" beschrijft Cor van den Tol dat de hoofdpersoon en zijn vader tussen de reizen door bij de familie Groen in IJmuiden verbleven. Dit moet een ervaring zijn die rond de eeuwwisseling door velen gedeeld werd.

Jan Krijger Jzn. woonde al vijf jaar in IJmuiden toen hij in 1901 trouwde met Suzanna de Korte, uit Middelharnis die in 1899 naar IJmuiden verhuisd was. Ze kenden elkaar vast al van jongs af aan.  Jan Krijger Sr. en Arendje Born woonden al bijna dertig jaar in IJmuiden toen ze ter gelegenheid van hun diamanten bruiloft de bemanning van een sloep uit Middelharnis op bezoek kregen.

Zo maar wat voorbeelden van hoe Middelharnis zich in IJmuiden manifesteerde. Deze connecties waren denk ik erg belangrijk voor de oudere generatie. Noodgedwongen hadden de vissers en hun gezinnen de stap moeten nemen om de geboorteplaats te verlaten en zich te vestigen in een vreemde omgeving. Door de contacten met vroegere plaatsgenoten waren er toch nog vertrouwde mensen en vertrouwde klanken in de buurt. Ze bleven Menheersenaars.

Voor de jongere generatie gold dit alles niet. Zij vonden al gauw huwelijkspartners buiten de eigen kring en zullen zich meer IJmuidenaars dan Menheersenaars gevoeld hebben.


1. Conny Braam. De onweerstaanbare bastaard. 2002. nawoord p. 345-351.
Onderdeel van haar romantrilogie over IJmuiden. De woede van Abraham verscheen in 2000 en Het schandaal in 2004.
2. L.M. van den Bergh van Eysinga. Bijdrage tot de Sociaal-Geographische Kennis der Gemeente Velsen. Utrecht, 1933. Proefschrift. p.101,102.
3. C. van Es. Bles voor de kop. Geschiedenis en volksleven van IJmuiden.67, 85, 86. Onder de walbazen vinden we de namen Langbroek en Jongejan, 130.
4. Mededeling van de heer P.L. Koster Haarlem

Met dank aan Piet Koster Eindhoven voor gegevens over de familie Koster.