dinsdag 10 april 2012

Vrouwen en het oproer van 1809 in Middelharnis

De Franse tijd
In de periode 1806-1813 werd een groot deel van het Europese continent door keizer Napoleon gedomineerd. Nederland werd geregeerd door de jongere broer van de keizer, Lodewijk Napoleon.

Louis Bonaparte
Bron: Wikimedia

De literatuur over deze periode doet vermoeden dat de bevolking de overheersing door de Fransen lijdzaam onderging. Johan Joor heeft in zijn boek Adelaar en Lam aangetoond dat de bevolking niet bepaald apathisch is geweest. Er was veel protest in de vorm van opruiïng, onwilligheid en onrust. Ook op het eiland was het onrustig, in 1809 wordt melding gemaakt van oproer in Goedereede, Stellendam, Oude-Tonge en Middelharnis (meerdere keren).

Vrouwen en kinderen de straat op
In het oproer in Middelharnis van 4 augustus 1809 hadden vrouwen volgens de rapporten een belangrijk aandeel in de ordeverstoringen, ze werden door het gezag ook uitdrukkelijk als oproerige partij genoemd.
Het gezag van de Fransen werd tegen het einde van de periode meer en meer ondermijnd door de berichten over het oprukken van de Britse troepen. De Engelse invasie in Zeeland dwong het Koninklijk Hollands leger van Lodewijk Napoleon om meer verdedigingswerken uit te voeren. Voor het vervoer van materieel over water had men de vissers van Middelharnis nodig. Een officier met zestig soldaten diende zich in Middelharnis aan om de schippers en hun bemanning te verplichten hun medewerking hieraan te geven. De vissers weigerden te gehoorzamen; het weer was te slecht, het getij ongunstig zodat ze gevaar liepen om in door Engelsen beheerste wateren te komen.
Op het tijdstip dat de vissers zich moesten melden verscheen slechts een enkeling op de kade, de meesten hadden zich verstopt. Er kwam daarentegen wel een nieuwsgierige menigte op de been, voornamelijk vrouwen en kinderen.
De officier wilde een schipper die wel op was komen dagen, Abram Bree, gevangen nemen waarop gevechten tussen de militairen en de menigte ontstonden. De schipper werd bevrijd en vervolgens trok de menigte naar het raadhuis om zich bij het gemeentebestuur te beklagen. Enkele oproerigen begonnen de kerkklok te luiden, ze trokken zo fanatiek aan het touw dat een van de klepels losliet. De officier besloot om zijn manschappen in grote haast uit het dorp terug te trekken.

Er zijn achteraf wel rapporten gemaakt over dit voorval maar veroordelingen zijn er niet uit voort gekomen. De drost van het eiland rapporteerde dat de inwoners geen opstandige aard hebben en dat "het grauw" verantwoordelijk was voor de wanorde,


Literatuur:

Joor, Johan. De Adelaar en het lam; onrust, opruiïng en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de Inlijving bij het Franse Keizerrijk (1806-1813). Amsterdam, 2000. o.a. p.16

Kuiper, M., De visserij van Middelharnis tijdens de Franse Tijd. Leiden, 2009. p. 43. In deze scriptie wordt beschreven wat de invloed van de Franse overheersing op de visserij was en hoe de vissers hierop reageerden.

Dr. J. Verseput heeft 3 artikelen geschreven over de gebeurtenissen van 1809. Hij noemt wel de menigte die naar het raadhuis trok, maar hij benoemt de rol van de vrouwen niet expliciet.
Verseput, J., De ongeregeldheden in Middelharnis in het jaar 1809. In: Jaarboek Wetenschappelijk genootschap Goeree en Overflakkee, 1947.
Verseput, J. Ongeregeldheden te Middelharnis in het jaar 1809. In: Historia 13 (1948), pp. 277-285.
Verseput, J., Gebeurtenissen in Middelharnis in verband met de Engelse invasie in 1809. In: Mededelingen van de Nederlandse vereniging van zeegeschiedenis, 35 (1977) pp. 28-37.



donderdag 5 april 2012

Aagje Proos (1763-1808)

Een uitstapje naar Oude-Tonge in 1804,  toen Aagje Proos een brief schreef aan armvader Cornelis Marinus Sevenhuijsen in Zierikzee. Aagje is in 1763 geboren in Zierikzee. Ze trouwde op haar 21ste met Gillis Kroon uit Oude-Tonge, 23 jaar. Ze kregen twee kinderen Jerina en Maarten die in Zierikzee geboren zijn. Het gezin is in 1789 naar Steenbergen verhuisd en twee maanden daarna naar Oude-Tonge.

Aagje en haar gezin behoorden tot de arme inwoners van de stad Zierikzee. Toen ze verhuisden werd door de armkamer voor Aagje en haar zoon en dochter een zogenaamde akte van indemniteit opgemaakt, waarmee ze altijd nog in Zierikzee aan konden kloppen voor ondersteuning. In 1804 is het zover gekomen dat ze vanuit Oude-Tonge de armvader in Zierikzee om geld vraagt om de dokter te betalen.

"Ik kan zoo niet langer sokkele"
Aagje doet in haar brief uit de doeken aan welke kwalen ze lijdt: "een teering ziekte en een bloetspoeginge" . Ze heeft al twee jaar gedokterd. Ze heeft nu alweer tien weken op bed gelegen en kan zich niet meer redden. Ook heeft ze een zoontje verloren. Ze kan zo niet langer "sokkele". Het is al de tweede brief die ze schrijft, op de eerste brief kreeg ze geen antwoord en ze "dreigt" zelf naar Zierikzee te komen.

De postzak van de Jonge Pieter
De eilanden vielen in 1804 onder Franse heerschappij en Frankrijk was in oorlog met Engeland. Op 16 maart 1804 verscheen een vijandelijke Engelse sloep bij het havenhoofd van Zierikzee. De Engelsen overmeesterden het beurtschip de Jonge Pieter dat net de haven van Zierikzee wilde binnenvaren. Het beurtschip werd gekaapt en meegevoerd naar Engeland. Aan boord was ook de brief van Aagje Proos aan de armmeester van Zierikzee.

 

Gebied waar het beurtschip De Jonge Pieter voer. Detail kaart uit 1808
 door D. Veelwaard naar een tekening van J.M.Verkuyl (collectie Zeeuwse Bibliotheek)


Sailing letters
De brief van Aagje is niet in Zierikzee maar in Engeland aangekomen waar hij met tienduizenden andere brieven in het archief bewaard is. Ze heeft dus nooit antwoord gehad.
De afgelopen jaren is een selectie uit gekaapte brieven uitgegeven in de serie Sailing Letters Journal. In het vierde deel uit 2011 heeft Liesbeth van der Geest, een collega van mij bij de Zeeuwse Bibliotheek, dit ontroerende verhaal van Aagje Proos beschreven.




Erik van der Doe, Perry Moree en Dirk Tang (red.): De gekaapte kaper. Brieven en scheepspapieren uit de Europese handelsvaart. Zutphen, 2011

Ongehuwde betovergrootmoeders

In de stamreeks  van mijn grootouders van vaderskant Jongejan en de Moei komt aan allebei de kanten een ongehuwde moeder voor. Betovergrootmoeder Francina de Moeij kreeg in 1825 een zoon, ze was toen 26. Ze noemde hem Simon. Niet duidelijk is waar deze voornaam vandaan komt, in ieder geval niet uit haar directe familie. De vader van Simon is onbekend.
Betovergrootmoeder Sara Koning was 28 jaar toen ze in 1832 een dochtertje kreeg:  Adriaantje, genoemd naar haar zus die jong overleden was. Wie de vader was van Adriaantje is niet bekend.

Buiten de echt
Buitenechtelijke geboorten waren in deze tijd niet uitzonderlijk. In Middelharnis was in de eerste helft van de 19e eeuw ongeveer 1 op de 25 kinderen buitenechtelijk of onwettig zoals het ook wel genoemd wordt.  4% buitenechtelijke geboorten is tamelijk hoog.
In Noord-Holland is het verschijnsel buitenechtelijke geboorten uitgebreid onderzocht.
23 gemeenten hadden tussen 1812 en 1836 meer dan 4,5 % buitenechtelijke geboorten; 20 gemeenten tussen 3,5 en 4,5 %; de meeste gemeenten, 102, hadden minder dan 3,5%.(1)

In het jaar 1825 toen Simon de Moeij werd geboren kwamen in Middelharnis nog zes andere kinderen ter wereld van onbekende vaders. Ze heetten:  Hendrik Kinderdijk, Jan Troelja, Cornelis van der Valk, Neeltje Dubbelt, Maria van Brussel en Pietertje Hartog.

Zuigelingensterfte
Kinderen van ongehuwde moeders hadden minder kans om de volwassen leeftijd te bereiken dan andere kinderen. Dit is een bekend verschijnsel uit de literatuur en we zien het ook in Middelharnis terug. 
Jan Troelja is maar twee maanden oud geworden, Cornelis van der Valk stierf direct na de geboorte, Neeltje Dubbelt werd vijf maanden oud, Pietertje Hartog maar drie maanden. Alleen Hendrik Kinderdijk, Simon de Moeij en Maria van Brussel (drie van de zeven) overleefden het zo riskante eerste levensjaar.
In het jaar dat Adriaantje Koning werd geboren, 1832, was zij het enige buitenechtelijke kind dat in Middelharnis werd ingeschreven. Van de zes kinderen van ongehuwde moeders uit 1831 bijvoorbeeld zijn er ook weer vier tijdens het eerste levensjaar overleden. Gemiddeld over de eerste helft van de negentiende eeuw stierf 40% van de kinderen uit een buitenechtelijke relatie voor het eerste levensjaar.
Ik weet niet precies hoe hoog de zuigelingensterfte voor alle kinderen in Middelharnis was, meestal lag het in andere gemeenten rond de 25% , voor buitenechtelijke kinderen ligt het ca. 15% hoger.

Achtergronden
Over buitenechtelijkheid zijn interessante studies verschenen. Het was in de vroege negentiende eeuw niet zozeer een uiting van afwijkend gedrag of van losbandigheid. Veeleer gaat het om verbroken huwelijksbeloften, tegenvallende inkomsten waardoor van een huwelijk werd afgezien of het overlijden van de man. In overwegend protestantse dorpen lag het percentage onwettigheid hoger dan in katholieke dorpen, de katholieke moraal was toen al erg stringent op dit punt.
Van Francina de Moeij wordt in de familie aangenomen dat zij op het punt stond te trouwen met een molenaar en dat deze aanstaande bruidegom overleden is door een ongeluk. Ik hoop deze molenaar nog eens op het spoor te komen; misschien heette hij wel Simon ....





1. J. Kok. Langs verboden wegen; de achtergronden van buitenechtelijke geboorten in Noord-Holland 1812-1914. Hilversum, 1991.  p.29, kaart 2.

woensdag 28 maart 2012

Vissen en trouwen

Als vervolg op de tekst "Onze visschers trouwen jong" van 18 maart 2012 een aantal gegevens die inzicht geven in het seizoenspatroon van de huwelijkssluiting.

Jaarcyclus visserij
De jaarcyclus in de visserij kende gedurende de 19e eeuw een vast patroon, dat alleen op onderdelen wat werd aangepast in de loop van de eeuw.
De wintervisserij liep tot ongeveer half januari. Dan werd er tot Pasen op rog en vleet gevist. Daarna werden de schepen gereedgemaakt voor de verre zomerreizen. In het begin van de 19e eeuw tot werd er ook 's-zomers verse vis aangevoerd. Ongeveer 1845 stapte men over op lange zoutreizen. De eerste reis van begin mei tot begin juli en de tweede van half juli tot eind september. De vis (kabeljauw, schelvis) werd aan boord gezouten of gedroogd (heilbot). Vanaf 1895 werd er in de zomer nog maar één zoutreis ondernomen van ongeveer half juni tot eind september. De vissers waren dan 14 weken weg. In oktober werden de schepen gereedgemaakt voor de wintervaart op verse vis. In november voer  de vloot weer uit; er werden nog een aantal kortere reizen gemaakt tot half januari (1).


Jaarcyclus huwelijken
De meeste huwelijken van vissers werden in april en mei gesloten, voor aanvang van de zomerreizen. Tot 1850 zijn er nog wel wat huwelijken in juni en augustus gesloten maar daarna vrijwel niet meer. Het moment van terugkeer van de zomerreis in oktober was ook een geliefd moment om te trouwen, en daarnaast was de decembermaand in trek.







Om te kijken of dit patroon afwijkt van dat van de rest van de bevolking van Middelharnis is meer informatie nodig. Vergelijkingsmateriaal van andere streken is ook interessant. Het voorjaar springt er waarschijnlijk altijd en overal wel uit qua aantal huwelijken.

bron:
Lijst 55 huwelijken vanuit genealogische gegevens
J. Verseput, Middelharnis, een eilandgemeente. p.101-103

Gijsbert Jongejan (1779-1819), Lena van Gelder (1781-1811) en Huibertje van Gelder (1789- 1817)

Ouders
Gijsbert  Jongejan is de jongste zoon van Pieter Cornelisz. Jongejan. Zie het bericht "Een mennoniet en zijn nazaten" van 31 januari 2012 over de oorsprong van de families Jongejan in Middelharnis.  Deze tak van de familie is nog niet aan bod geweest, tot nu toe heb ik de nazaten van Arie Pietersz, de broer van Gijsbert gevolgd. Pieter Cornelisz. Jongejan was getrouwd met Lijntje Gijsberts Tieleman (1741-1815).
Lena van Gelder en Huibertje van Gelder zijn allebei dochters van Frans Arensz. van Gelder en Maria Jacobs Smit (1754-1817). Het gezin bestond uit tien kinderen.
Vader Frans van Gelder (1753-1816) is op 25 december 1816 voor de Maas op volle zee overboord gevallen van de gaffelschuit Den Eersteling schipper Arend de Waardt en verdronken (overlijdensakte 49, 1816). Hij was 63 jaar.
Gijsbert Jongejan komt in de "liste civique" van 1811 voor als visser.

Huwelijken en kinderen, overlijden ouders
Op 12 augustus 1803 trouwde Gijsbert met Lena van Gelder. Hij was toen 24, zij 22 jaar oud.
Uit dit huwelijk zijn geboren: een kind dat op 11 februari 1804 begraven is (6 maanden na het huwelijk geboren, ongedoopt, dus kort na de geboorte overleden). Pieter Jongejan is op 6 november 1806 geboren, in 1808 een doodgeboren kind en in 1810 werd Frans Jongejan geboren.
In 1811, anderhalf jaar na de geboorte van Frans, is Lena overleden, ze was 39 jaar oud.
Gijsbert hertrouwde op 28 december 1815 met Huibertje van Gelder, een jongere zus van Lena. Zij had op 2 maart 1813 een zoon gekregen, die als Dirk van der Slik is aangegeven zonder dat de naam van de vader vermeld is. Dirk is maar enkele maanden oud geworden, op 19 maart 1813 overleden. Uit het huwelijk tussen Gijsbert en Huibertje is een zoon Arend Jongejan geboren op 23 februari 1816, dus twee maanden na het huwelijk.
Huibertje is in 1817 overleden. Gijsbert bleef toen achter met drie jonge zonen: Pieter uit 1806,  Frans uit 1810 en Arend uit 1816.

De ramp met de gaffelschuit van Pieter van den Tol
Gijsbert is omgekomen in maart 1819 toen de gaffelschuit van Pieter van den Tol met de hele equipage verging (1). Vissers van Terschelling hebben nog een gedeelte van het wrak gezien. Behalve Gijsbert behoorde ook zijn zwager Teunis Sloot, de man van zijn zus Maria, tot de slachtoffers. Zie hiervoor de tekst van op dit blog van 22 juni 2013. De genealogie Jongejan vermeldt 23 maart 1819 als datum van overlijden van Gijsbert (bron onbekend).

Mogelijk was ook de oudste zoon Pieter Jongejan (1806-   ), toen twaalf jaar oud, aan boord.


De kinderen
De levensloop van Pieter Jongejan (1806) is niet te traceren. 

- Arend was drie jaar oud toen hij wees werd. Van hem weten we dat hij op 5 maart 1863 in Den Helder is getrouwd met Aaltje Bijl, geboren 18 mei 1840, dochter van Pieter Bijl die visser was en Jantje Berends. Aren(d) was zeeman. Hij was dus al 47 jaar toen hij trouwde. Zoon Willem Jongejan was al voor het huwelijk (5 maart 1861) geboren en werd erkend bij het huwelijk. Op 9 december 1863 werd Arie geboren. Arend is in 1895 overleden.

- Frans Jongejan is visser geworden. Hij trouwde op 7 december 1833 met Maatje van Duuren, hij was toen 23 jaar en zij 22. Zij kregen in 1835 een dochtertje Lena dat na 2,5 maand overleed. In 1837 werd Jacoba geboren, in 1840 Gijsbert en in 1843 Jan. Tijdens de cholera-epidemie van 1849 zijn de kinderen alle drie overleden op 7 en 8 juni. Ze waren 13, 8 en 7 jaar oud.
Frans Jongejan is in 1895 op 85-jarige leeftijd overleden, Maatje van Du(u)ren was hem in 1890 voorgegaan, 78 jaar oud. Ze hebben dus nog veertig jaar geleefd na het overlijden van hun kinderen.




1. Huwelijksbijlage 1833 akte 17, huwelijk van Frans Jongejan met Maatje van Duuren

genealogische gegevens komen uit de genealogie Jongejan van Van Evelingen  en van Atie en Harry de Hamer-Boogerman over de familie van Gelder en over Arend Jongejan
.

Herinneringen aan Meutje Jannetje en Opoe Koster in de Vissersstraat

Dit zijn de herinneringen van Piet Koster aan meutje Jannetje en Opoe Koster in de Vissersstraat

Zusters de Waard trouwen met weduwnaars
De zusters Jannetje de Waard (1872-1954) en Maria Elisabeth de Waard (1874-1957) behoorden tot de oudste bewoners van de Vissersstraat. In de nacht van 1 februari 1953 moesten zij hun woning voor het snel stijgende water verlaten.
Ze hadden een groot deel van hun leven hier gewoond. Jannetje was in 1918 op 46-jarige leeftijd getrouwd met Cornelis Gleijn van Assen, die weduwnaar was geworden en een groot gezin had. Maria Elisabeth verving op 43 jarige leeftijd in 1917 haar zuster Johanna die in 1912 overleden was in het gezin van Piet-Leen Koster. Jannetje en Maria Elisabeth zijn zelf kinderloos gebleven en zorgden voor de gezinnen van beide weduwnaars.

Schipper Ary de Waard (1870-1896)
De meisjes de Waard stonden bekend als "stijf", want ze lachten nooit. Dit kwam misschien ook wel omdat in 1896 hun oudere broer Ary onder vreselijk droevige omstandigheden omgekomen was.
Schipper Arij de Waard was op 20 september 1896 op de sloep Pionier met een grote vangst zoute vis aan boord op de terugreis. In het Goereese Gat is de sloep "lek gestoten en gezonken". Een schipper behoorde zo lang mogelijk op zijn sloep te blijven en Arij weigerde ondanks het aandringen van zijn bemanningsleden, zijn schip te verlaten. Hij verdronk in het Goereese Gat.
Arij de Waard is 5 oktober 1894 getrouwd met Helena Cornelia Langbroek. Hun eerste kindje Arend Janse leefde slechts 5 maanden, hun dochtertje Lijntje was een half jaar toen haar vader verdronk.

Jannetje en Maria Elisabeth
Die onverzettelijkheid van Ary was ook een karaktereigenschap van zijn beide zusters. Voor de meeste bewoners van de Vissersstraat waren zij vooral  ingetogen en onopvallende vrouwen. Jannetje woonde aan de westkant van de Vissersstraat en Maria Elisabeth aan de oostkant, en zij kwamen nooit bij elkaar over de vloer. Niet dat ze onenigheid met elkaar hadden, ze konden alleen niet zo goed met elkaar overweg en zij waren ook erg verschillend. Maria Koster, stiefdochter van Maria Elisabeth, woonde bij haar stiefmoeder in, ze had in de woonkamer een negotiewinkeltje. Maria verzorgde haar stiefmoeder, die slecht ter been was en onderhield wekelijks de contacten met tante Jannetje, zodat de zusters op de hoogte van elkaars doen en laten bleven. Maria deed ook boodschappen voor Jannetje. Zwager Kees (van Assen), de man van Jannetje, stond bij Maria Elisabeth in hoog aanzien.
Kees was een sterke, rustige en vriendelijke man die regelmatig langs kwam om de bleik (het grasveld) achter het huisje aan het water met een grote zeis te maaien. Hij deed ook ander noodzakelijk onderhoud aan de waterkant, want het saswater kwam bij vloed regelmatig in de bleik te staan.
Kees was landarbeider van beroep en een toonbeeld van plichtsbesef. Vóór dag en dauw liep hij zijn levenlang elke dag minstens anderhalf uur naar het land van boer Mosselman, ver buiten het dorp, en keerde dan 's-avonds weer te voet terug. En als het 's zomers druk was in het land, zagen wij hem 's avonds pas om 9 uur over de kaai naar huis lopen. Dat hield hij vol tot op hoge leeftijd, want Kees bleef sterk, rustig en vriendelijk en de mensen, die hem kenden, zeiden : "Kees denkt dat hij zelf niet dood gaat". Kees liet de mensen praten en ging zijn eigen gang.



Maria Elisabeth Koster- de Waard

Op bezoek bij meutje Jannetje
Als Jannetje jarig was geweest moesten wij, achterneefjes, de volgende zaterdag bij meutje Jannetje op bezoek. Meutje Jannetje was nog strenger dan opoe Koster (Maria Elisabeth de Waard), maar ook vriendelijker. Je klompen mochten niet in het "voorhuus" staan maar bleven buiten op het "straetje". Meutje Jannetje was erg gesteld op haar spulletjes. Het was er bijzonder schoon en netjes en in de kamer stond alles onbeweeglijk op zijn vaste plaats. Voordat je op een stoel mocht gaan zitten werd er een krant op gelegd, het "pluus" moest schoon blijven. Een kopje thee en een koekje. "Hoe gaat het met je vader en met je moeder?" "Doe je goed je best op school?".
Meutje Jannetje was heel anders dan opoe Koster, zij wilde alles van je weten en ze las in tegenstelling tot haar zuster, ijverig de krant en in godsdienstige boeken. In de hoek van de kamer tikte een statige klok. Die klok was al bekend bij ons, want tante Marie en vader hadden erover verteld, het was geen gewone hangklok met gewichten maar een echte Friesche staartklok. Als oom Kees de kamer binnenkwam zei hij weinig tegen ons, want hij was van nature zwijgzaam. Maar als hij zag dat we naar de klok keken, verbrak hij de stilte en zei steevast : "dat is een klok met een echte bim-bam-slag". We keken dan naar de grote wijzer, eerst kwam de voorslag, net of de tik even ophield. En dan klonk de "bim-bam", geen dreunende gongslagen zoals bij opoe, het leken meer zilveren belletjes die door de kamer dwarrelden, die even later ophielden en weer overgingen in een gewone tik alsof er niets was gebeurd. Dan zocht meutje Jannetje naar een beursje in een kastje. "Voor in je spaarpot". Bij opoe kregen we soms een dubbeltje, ze zei er dan bij:  "ik hoef zelf niets meer te hebben" en tante Marie voegde er aan toe: "je opoe wil alles weggeven", ze dacht daar dus anders over. Bij meutje Jannetje kregen we weleens een kwartje, maar niet altijd, want een kwartje was in 1947 veel geld.


Jannetje van Assen-de Waard
Naar de kerk
Opoe en meutje Jannetje hadden zo hun vaste gewoontes. 's Zondags gingen ze bijvoorbeeld(tweemaal) een half uur te vroeg naar de kerk. Zij gingen naar "de kleine kerk" in de Hoflaan en je moest erg vroeg zijn om de eerste te zijn, want er waren meer mensen die een half uur te vroeg naar de kerk gingen. Als kind begrepen we deze gewoonte niet zo goed, want onze moeder had het altijd zo druk, dat wij meestal pas een minuut voor tijd of nog later de kerk binnen kwamen en naar een zitplaats moesten zoeken. Een enkele keer gingen we met opoe en tante Marie mee.
Ze zaten altijd achter in de kerk rechts in het middenvak en we zagen de mensen dan één voor één binnen komen. Links in het middenvak, een bank vóór opoe en tante Marie, zat meutje Jannetje. Net als in de Vissersstraat, niet bij elkaar. Oom Kees zat helemaal achterin het mannenvak, rechts of links dat weet ik niet meer.
Zowel opoe als meutje Jannetje waren zeer godsdienstig. Opoe praatte daar nooit over, maar meutje Jannetje wel. In de oorlog was haar geliefde leraar ds H. Visser niet bij alle kerkleden even geliefd, maar ds Visser deed wel zijn naam eer aan en bezocht veelvuldig de Vissersstraat.
Vroeger was het een verschrikkelijk voorteken als de dominee in de Vissersstraat voorbij kwam. Angstig wachtten de vrouwen dan af. Bij wie zou hij naar binnen gaan? Gelukkig was die tijd voorbij.  Dominees behoorden in de oorlog nog steeds tot de notabelen van het dorp en ds Visser liep in deftig zwart pak met een sjieke wandelstok met zilveren handvat door de arme Vissersstraat. Dat vond neef Aren wel erg potsierlijk en ongepast voor een predikant van "de kleine kerk" en stak dit bij zijn tante niet onder stoelen of banken. Maar Jannetje was daar niet van gediend. "Maar Aren, dat is toch wel erg verkeerd van je, om dat te zeggen, de dominee komt hier als een herder van zijn schapen". En vol eerbied en verontwaardiging wees zij met opgestoken vinger naar de deurknop van haar woonkamer: "Dáár heeft zijn herdersstaf gehangen".

Watersnood
Omdat de huisjes in de Vissersstraat zo laag gelegen waren en het zoute water binnen enkele uren tegen de dakgoten zou klotsen, zijn de bewoners in de nacht van de watersnoodramp als eersten gewaarschuwd en geëvacueerd. Zelfs de hulpbehoevende mensen konden zo tijdig een veilig onderkomen vinden. Opoe Koster moest uit huis gedragen worden en ze werd tijdens de evacuatie in Rotterdam geopereerd van haar jarenlange verwaarloosde liesbreuk.  Met veel tegenzin verhuisde zij daarna naar een woning in de "Vluchtheuvel" bij de Langeweg, waar zij geriefelijker woonde, maar niet naar haar zin, want haar hart lag in de onbewoonbaar verklaarde Vissersstraat.

Overlijden
Opoe Koster overleed vier jaar na de ramp op 83-jarige leeftijd. Jannetje werd bij familie (?) opgenomen en stierf al een jaar na de ramp op 82-jarige leeftijd. Op een dag heeft neef Aren het van-horen-zeggen vernomen: "de klok van meutje Jannetje is voor een "habbekrats" aan een opkoper verkocht, wat zonde, wat zonde". Oom Kees van Assen werd 88 jaar. Op zekere dag werd hij vermist en ver van zijn woonplaats, erg in de war, teruggevonden, op weg naar het land van zijn baas was hij de weg kwijtgeraakt.


Deze bijdrage sluit aan op een eerder bericht : "Toen Piet Leen Koster thuiskwam... " van 25 februari 2012. 


foto's en tekst van Piet Koster, Eindhoven

donderdag 22 maart 2012

Cornelis Jongejan (1858-1938) en Pieternella Springvloed (1861-1938)

Cornelis Jongejan, een ver familielid, en zijn vrouw Pieternella Springvloed kwam ik tegen in een fotoboek en op internet.

Cornelis Jongejan is eveneens een nazaat van Arie Pietersz  Jongejan (zie de tekst van 31 januari 2012). Hij stamt af van Cornelis, de oudste zoon van Arie Pietersz. uit diens eerste huwelijk met Cornelia Jillis Kolff. 

Cornelis is een zoon van Jacob Jongejan en Lena van Prooijen. Hij trouwde op 19 juli 1883 in Sommelsdijk met Pieternella Springvloed.

In deze tak van de familie Jongejan vinden we geen vissers maar landarbeiders (bouwknecht, arbeider), in Sommelsdijk en in Middelharnis.

Het echtpaar woonde in het derde Weistraatje. De Weistraatjes zijn in de het laatste kwart van de negentiende eeuw gebouwd en in 1971 afgebroken. In de drie straatjes stonden 63 huisjes.


De foto is ongeveer in 1930 genomen.


Uit: Middelharnis in vroeger tijden, deel 1, van Jaap Reedijk

Cornelis Jongejan en Pieternella Springvloed
met twee dochters

Dochter Willempje Jongejan (1888-1969)
en haar echtgenoot Cornelis Jan Noordijk

met dank aan de heer Seine Seigers voor foto 2 en foto 3.