donderdag 18 februari 2021

Verzoekschrift aan de Eerste Kamer van G.C.M. Kolff en 41 andere reders en belanghebbenden bij de visserij over de Belgische invoerrechten (Middelharnis 1851)

In 1842 voerde de regering van België hoge invoerrechten in op buitenlandse vis. De visserij van Middelharnis en van andere Hollandse vissersplaatsen was grotendeels afhankelijk van de export naar België. Tussen 1842 en 1861 stuurde de visserijsector een stroom aan verzoekschriften naar het Nederlandse parlement om de kamerleden te vragen zich in te zetten voor verlaging danwel afschaffing van de rechten. Onderstaande tekst werd ondertekend door 42 personen uit Middelharnis.

 

Aan de Heeren leden van de Eerste kamer der Staten-Generaal

 

 Mijne Heeren,

De Ondergeteekenden, allen Reeders en belanghebbenden bij de zeevisscherijen, woonende te Middelharnis, Provincie Zuid-Holland, nemen de vrijheid zich tot Ue te wenden opdat, indien mogelijk, hunnen ondergang en die van de geheele visscherij in ons vaderland nog bijtijds moge worden afgewend.

Reeds vroeger en met name in de jaren 1842 en 1844, namen Reeders en belanghebbenden bij de visscherijen de vrijheid zich tot Ue te wenden, toen met het verzoek dat represailles genomen mogten worden wegens de zware belastingen in België op den invoer van versche en gezouten visch gelegen en door brochures en vlugschriften de belangrijkheid, de uitgebreidheid en het nut der Nederlansche visscherijen aangetoond. Reeds toen werd betoogd dat zonder den uitvoer naar België onze visscherijen eenen gewissen spoedigen ondergang tegemoet gingen. En helaas de uitkomst heeft doen zien, en leert nog dagelijks, dat het voorgespiegelde toneel niet overdreven, niet met te zwarte kleuren geschetst was; immers verarming allerwege, minder welvaart in alle visschersplaatsen op te merken doet zich zien en de vaartuigen, het eenige middel van bestaan voor zoo vele duizenden, voor meenige jaren nog duizenden guldens waardig, vinden bijna geen koopers meer, ja zelfs aandeelen worden verkocht tegen eene waarde van drieduizend guldens het ­geheele schip, hetwelk bij den aanbouw zestienduizend gulden koste en bij het bloeijen der zaken nog weinig minder waarde hebben zoude. Maar wat alles bewijst: sedert 1832 zijn geen nieuwe vaartuigen meer aangebouwd kunnen worden en onder dezelfde omstandigheden bestaat het vooruitzigt niet, dat er ooit meer nieuwe schepen zullen worden uitgerust, zoo dat na verloop van weinige jaren een tak van nijverheid geheel zal zijn te gronde gegaan, welke vroeger, en zoo te regt, wordt aangemerkt als een goudmijn voor het vaderland en als de nuttigste van alle uitgeoefenden, omdat met betrekkelijk gering kapitaal aan vele handen werk aan vele monden brood wordt verschaft.

Dit onheil kan nog worden afgewend, nog is onze zaak niet reddeloos wanneer slechts onze Vertegenwoordigers gehoor willen geven aan den roepstem van zoovelen welke allen vrijheid vragen om hun beroep uit te oefenen en daardoor brood te verdienen, maar ook ­zonder deze vrijheid daarvan verstoken zullen worden en van alles beroofd, niet in staat zullen zijn in hun onderhoud te voorzien, tot den bedelstaf zullen vervallen. Geene beschermende regten, geen onverstand wordt door ons gevraagd, zonder deze kunnen nog onze visscherijen blijven bestaan, alleen vragen wij vrijheid in onze handelingen, geene beperkende regten, als nu zijn voorgedragen in het nieuw aan Ue goedkeuring onderworpen handelsverdrag met België.

Wij hebben berust in de opheffing der premiën tot aanmoediging van ons sedert 1826 toegestaan, toen noodig en nuttig geoordeeld – zelfs niettegenstaande wij nog vereenigt met België geene belemmeringen ondervonden, en ook Engeland nog zijn markten openstelde voor door ons gevangen tarbot – omdat wij hoopten dat waar ons iets werd ontnomen, gewis van eene andere zijde met groote zorg aan onze belangen zouden worden gedacht en deze behartigd – omdat wij ons durfden vlijen dat waar het eene ons werd ontnomen omdat het streed met de leer der staathuishoudkunde, het andere om deze zelfde leer ons zoude worden gegeven: vrijheid van in en uitvoer zonder belemmeringen – helaas onze hoop was ijdel, onze verwachtingen werden teleurgesteld, het nieuwe handelsverdrag gaf ons niets, de regten door België op den invoer van versche en gezouten visch geheven bleven dezelfden ook nu, en onze procenten zullen  blijven met dertig en veertig procent bij een gemiddelde waarde van het ingevoerde, terwijl de zwaarst belaste producten van België hier ingevoerd slechts tien procent zullen moeten betalen. Men zegge niet dat ook voor Nederland dezelfde invoerbelasting op visch bij invoer uit België hier te lande wordt geheven en dat het niet wel kan worden geëischt dat België op dat punt meer vrijgevig zij dan Nederland. Want, en wij hebben vroeger eerbiedig hierom gevraagd, gelijk wij ook thans onze bede aan Ue herhalen: geeft gelijke regten aan de Belgen als aan ons, maar dan ook wederzijdsche vrije invoer van versche en gezouten visch – en wij zullen bloeijen, duizenden met ons zullen den Regering dank weten dat welvaart wordt hersteld, waar thans geen brood bijna meer wordt verdiend.

En mogt al dit ons verzoek niet kunnen worden toegestaan mogt geene vrijheid van invoer der versche visch in beide Rijken te verkrijgen zijn, dat dan de waarde der visch worde belast, niet de zwaarte of hoeveelheid. Onbillijker, onregtvaardiger belasting is niet denkbaar dan de thans bestaande en nu weer voorgedragene. Van de slechtste visch wordt het meeste inkomende regt betaald, van de minste waarde wordt het meest geheven. Of weegt niet doode visch even zwaar als levende visch ? Weegt niet kabellaauw wanneer dezelfde schaars is even zwaar als wanneer de markt  door duizenden wordt overstelpt ? En toch is de belasting bij invoer even hoog. Toch moest circa vijftig cents van elke kabellaauw worden betaald, of de verkooper er eene gulden dan wel drie gulden op de markt voor ontvangt, van hier het drukkende dezer belasting. De voorbeelden toch zijn niet zeldzaam dat bij geringe waarde over visch honderd percent aan inkomende regten moet worden betaald, zoodat eene geringe verdienste geheel door dezelve wordt verslonden. Terwijl bij hooge waarde, wanneer het meeste zoude kunnen worden uitgekeerd, eene betrekkelijk geringe belasting wordt gevorderd.

Wat dan ook moge worden besloten, wij verzoeken Ue ernstig maar tevens eerbiedig om, al ware het dan ook dat geene verandering in het bedrag der inkomende regten mogt kunnen worden gebragt, dat dezelve alsdan geheven worden van de waarde der verschillende vischsoorten en dus percentsgewijs,  de waarde der verschillende vischsoorten gemiddeld met derzelve zwaarte vergeleken en daarnaar vastgesteld. En wij zullen althans niet meer in de droevige noodzakelijkheid gebragt kunnen worden om het zuurverdiende, met zooveel zorg, kommer en moeite verkregene geheel aan België weg te schenken, en nog daar te boven toe te geven, om eene belasting te kwijten, zwaarder dan de waarde daarvoor op de markten verkregen. Omdat daarbij alleen de zwaarte en hoeveelheid in aanmerking kwam, zoo als nu en dan in de laatste jaren en met name nog in het laatste jaar heeft plaats gehad.

Mogten wij het geluk hebben dat deze onze laatste poging aandacht trok, dat het dringende van onze toestand Ue belangstelling opwekte, wij zouwen in dit geval eerbiedig om een enqûete durven verzoeken, opdat daarvoor onze zaak duidelijker nog en helderder Ue zoude worden, door mededeelingen en bescheiden welke, hoewel belangrijk genoeg, door ons bij dit verzoek niet zijn kunnen gevoegd worden en alhier de belangstelling opgewekt en verlevendigd in onze tak van nijverheid welke in de laatste jaren helaas al te dikwijls en te veel is achtergesteld aan den wel aanzienlijke maar daarom naar evenredigheid toch niet altijd aan meerder handen bestaan verschaffende of nuttigen groothandel.

Velen met ons zien angstig den uitslag der beraadslagingen over dit voor ons zoo belangrijk punt tegemoet, moge dit verzoekschrift hebben geleid om Ue een gunstige beslissing te doen nemen voor zooveelen als daarop hunne laatste hoop hebben gevestigd.

 

Middelharnis

November 1851

 

[handtekeningen]

Kolff van Oosterwijk

G.C.M. Kolff

A.W. Schenk

J. Kom

J. Meijer Veerman

Job.s Meijer

A.C. Kolff

S. Peeman

A.G.P. van Anemaet

C. Langbroek

B [Boers]

J. Langbroek Czn

Jac Nipius

Jan Visser

P. Waterman

Jb van de Rovaart

P. Nipius

M. Buurveld

J. Vermeer

P. van der Linde

P.C. van den Broek

D.H. van Es

J.E. van den Broek

Arij van der Staal

H. Langbroek

Mattheus Witvliet

J.J.J. Scheer

M. Waterman

H. van der Sloot

A. Jzn. de Waard

S. de Waard

C. Buurveld

Job Langbroek

G. Nieuwland

J.J. Krijger

J. Langbroek Mzn

..  van Vrijberge

H. Witvliet Mzn

 

P. Roodzant

 

Gerrit Zoon

 

L. Matze

 

J.F. Hartogs

 

Nationaal Archief Den Haag, Eerste Kamer der Staten-Generaal, nummer toegang 2.02.13, inventaris nummer 328. Ingekomen stuk Zitting 1851-1852,  bij de vergadering van 10 december 1851.


N.B. De reders Jacob en Pieter Leendert Slis zijn opvallend afwezig. Ook de stuurlieden die voor deze reders werkten tekenden niet. De  reders Kolff en de stuurlieden van hun schepen tekenden wel.

 

 

zaterdag 30 januari 2021

Sollicitatiebrief van Izak van den Nieuwendijk als stuurman bij de Nieuwe Visscherij in Zierikzee (Middelharnis 1818)

In de reeks brieven van stuurlieden (zie berichten op dit weblog van 22 maart en 24 maart 2019) een brief van Izak van den Nieuwendijk. 

Middelharnis 6 november [1818]

Mijn heer

Ik adreese mij al[s] stollestant met een vrindelijk verzoek als stuerman naar u nieuwe sloepen. Ik ben onbekent bij u maar u kan informasie naar mij doen in Middelharnis maar anders Jillis Vis kent mij ook heel goet die hier ook woonagtig is. Ik zou als stollestant zelf wel komen want de tijd laat het niet toe want ik vaare op de nieuwe sloep. Mijn naam is Isak van den Nieuwendijk wo[o]nagtig te Middelharnis.



foto: Isaac Van der Male


Het is niets geworden met de sollicitatie. Izak's broer Maarten is wel schipper geworden in Zierikzee (zie  bericht  op dit weblog van 22 maart 2015). 
Izak van den Nieuwendijk is een zoon van Arend Klaasz van den Nieuwendijk en Maatje Isaacse Bleijker. Izak is gedoopt op 19 mei 1770. Hij trouwde met Geertruij Matse. Na het overlijden van Geertruij is Izak in 1813 hertrouwd met Lijntje Koek uit Goedereede. Izak was ten tijde van zijn tweede huwelijk schipper bij de keizerlijke douane te Goedereede. Daarna kwam hij weer als visser naar Middelharnis. Hij is overleden op 58 jarige leeftijd in Middelharnis op 13 november 1829, Lijntje overleed in 1843.

Izak behoorde in 1818 tot de bemanning van de eerste sloep van Middelharnis, Vrouw Aplonia.


Bron:Zeeuws Archief (ZA), toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee (1817)1818-1835, inv. nr. 219, ingekomen stukken 1818, nr. 11.

dinsdag 12 januari 2021

De dramatische ondergang van de zeillogger Helene IJM312 (1918)

In De Ouwe Waerelt, het historische tijdschrift voor Goeree-Overflakkee “De Motte”, van december 2020, verscheen een artikel getiteld:

“De ondergang van de Helene IJM312, Reconstructie van een oorlogsmisdaad op zee”. 

Het artikel beoogt een meer gedetailleerd verslag van de gebeurtenissen rond het tot zinken brengen van deze IJmuidense zeillogger, die ook bemanningsleden uit Middelharnis aan boord had. Weliswaar was ook reeds aandacht besteed aan dit tragische voorval in het boek De Vergeten Vissers van Middelharnis (p. 284-285), maar de exacte toedracht was bij de samenstelling van dat boek nog niet bekend.

Bij nader onderzoek is gebleken dat de Helene niet door een torpedotreffer, maar als gevolg van kanonvuur tot zinken werd gebracht. Wat deze ondergang, die plaats vond tijdens de Eerste Wereldoorlog op 9 juni 1918, echter zo bijzonder maakt, is de misdadige manier waarop deze zeillogger aan haar einde kwam. Twee facetten hiervan springen in het oog: het gedrag van de Duitse onderzeebootcommandant, Kapitänleutnant Freiherr Degenhart von Loë, en de positie in de Noordzee waar dit drama plaats vond.

Simon de Ruiter, de uit Middelharnis afkomstige schipper van de Helene wist, zoals iedere visser, dat de Duitsers een zogenaamd Sperrgebiet hadden ingesteld op de Noordzee. Niet alleen vijandelijke schepen, maar ook neutrale konden zonder voorafgaande waarschuwing door Duitse onderzeeërs tot zinken worden gebracht. Dit Sperrgebiet was een reactie op de Britse blokkade van de Duitse havens in Noordzee. Als tegemoetkoming aan de neutrale Nederlandse visserij was een vrije zone ingesteld. Zolang vissersschepen binnen een strook van 20 zeemijlen uit de Nederlandse kust bleven, met een voortzetting in van het zeegebied oostelijk van 4 graden oosterlengte, zouden zij met rust worden gelaten. 



Het door Duitsland ingestelde Sperrgebiet in de Noordzee in 1918. Het horizontale lijntje bij de pijl geeft de bandbreedte aan van de opgegeven posities waar de "Helene" tot zinken werd gebracht.


Nu is het zo dat de meeste vis in de Noordzee zich bevindt in het westelijk gedeelte, iets wat ook in onze tijd in het kader van de Brexit nog een belangrijk strijdpunt is- zij het met veranderde tegenspelers. De schippers probeerden dus hun vangst zo veel mogelijk te halen uit een gebied aan de veilige, oostelijke zijde van 04.00 graden oosterlengte. Dat dit mis kon gaan bleek op 9 juni van het laatste oorlogsjaar 1918. Na een aantal ontmoetingen met Britse oorlogsschepen die goed afliepen, werd de zeillogger Helene met haar negenkoppige bemanning kort na 07.30 uur beschoten door de Duitse onderzeeër U100 onder commando van Freiherr Degenhart von Loë. 

Freiherr Degenhart van Loë, commandant van de "U 100"


Op zich is dit geen uitzonderlijk geval. Dit gebeurde vaker en meestal kreeg de bemanning de gelegenheid het schip vooraf te verlaten. Het gevaar met schip en al in de lucht te vliegen door aanvaring met een zeemijn was veel groter.

In dit geval was echter sprake van misdadig gedrag door de onderzeebootcommandant. In plaats van de bemanning te waarschuwen en de gelegenheid te geven het schip in de scheepsboot te verlaten, begon de onderzeeër vanaf een afstand van ongeveer anderhalve mijl met het boordkanon op de Helene te schieten, waarbij het derde schot doel trof. In de huid van het vissersschip ontstond een gat ter grootte van een harington. Vier bemanningsleden waren intussen al in de scheepsboot gegaan. Van hen werden Gerardus van Gelder en Jan Smit, beiden afkomstig uit Middelharnis, en Pieter Schagen uit Velseroord, dodelijk getroffen. Cornelis Langbroek raakte door een granaatsplinter gewond. Nadat de Helene met nog enige aanvullende kanonschoten tot zinken was gebracht, werd de bemanning in de als gevolg van granaatscherven lekkende scheepsboot aan zijn lot overgelaten. Na een lange tocht met de opgelapte scheepsboot, bereikte de negenkoppige bemanning van de Helene, waarvan drie dood en één gewond, deels zeilend deels roeiend, de IJmuidense zeillogger Katrina IJM87. Daarna werden zij met de telegrafisch opgeroepen sleepboot Witte Zee naar IJmuiden overgebracht

Nu komt de kwestie aan de orde, of de Duitse onderzeebootcommandant het recht had de Nederlandse zeillogge tot zinken te benen. Volgens de eerste opgave van schipper De Ruiter was de positie van de Helene 55.40N 03.00O. Later werd in het verslag van de Raad voor de Scheepvaart de positie 55.40N 04.03O opgegeven. De IJmuider Courant vermeldt op 15 juni dat de beschieting plaats vond op 55.40N 04.20ON. In het scheepsjournaal van de U100 was de positie 55.38N 02.55O ingevuld. Uiteindelijk was de conclusie van de Raad voor de Scheepvaart dat de beschieting waarschijnlijk plaats had gevonden in het door de Duitsers onveilig verklaarde gebied, dus ten westen van 4 graden oosterlengte.

Nu was de aanduiding van de geografische lengte bepaald op basis van gegist bestek, dus niet helemaal zuiver. Laten we aannemen dat de conclusie van de Raad van de Scheepvaart juist was. Dan nog was het grootste knelpunt niet waar en waarom, maar hoe …

De manier waarop de beschieting plaats vond en het feit dat de bemanning van de Helene aan zijn lot was overgelaten, bestempelt dit incident tot een oorlogsmisdaad. In plaats van de door Kapitanleutnant Freiherr von Loë verkregen decoratie met het Eisern Kreuz en de latere bevordering tot de hogere rang bij de Kriegsmarine van Korvettenkapitän, was een aantal jaren achter de tralies een betere beloning geweest voor deze adellijke schurk.


tekst: Rinus van Dam



Publicatie:
Rinus van Dam, “De ondergang van de Helene IJM312, Reconstructie van een oorlogsmisdaad op zee”. ' In: De Ouwe Waerelt, 20(2020)61, 14-19.

De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nlLosse nummers: € 9,95. abonnement/lidmaatschap € 30,- per jaar.

dinsdag 1 september 2020

Vistechnieken op de schepen van Middelharnis

Vistechnieken op de schepen van Middelharnis

De vissers van Middelharnis werkten met vistuig dat bestond uit lange lijnen en haken. Bij deze visserij is altijd aas nodig om de vissen te vangen. De beugvisserij was de belangrijkste techniek. In de negentiende eeuw kwamen daar de plompvisserij en de kolvisserij bij. De traapvisserij was een bijkomende vistechniek voor als de schepen onderweg waren.

In de negentiende en de twintigste eeuw namen soms enkele schepen uit Middelharnis deel aan de haringvisserij. Hierbij werd gebruik gemaakt van grote drijfnetten die samen de vleet vormden.


Beugvisserij

De beugvisserij is een gecompliceerde vistechniek. De beug bestond uit verticale lijnen (baaklijnen) die om de 1.500 meter met een anker in zee gezet werden. Boven elke baaklijn dreef een joon (een op het water drijvend tonnetje) als boei, zodat de ligging van de beug zichtbaar was. Aan de onderkant van de baaklijn, op de bodem dus, werden beuglijnen bevestigd die een lange horizontale lijn vormden. De beuglijn was voorzien van sneuen (korte zijlijntjes van anderhalve meter) met aan elke sneu een vishaak. Aan een volledige beug van twaalf kilometer lang zaten 3.600 haken. Een beug voor de schelvisvangst telde het dubbele aantal haken. Aan elke haak moest een stukje aas bevestigd worden, wat op zich al een heel karwei was. De beug werd één keer per dag uitgezet en weer ingehaald. Na het uitzetten van de beug voer het schip terug naar het beginpunt, waarna het inhalen begon.

In november en december werd er met de beug op schelvis gevist. Van december tot april/ mei visten ze met de beug op kabeljauw, leng (een aan kabeljauw verwante vis), schelvis, rog, vleet (een vissoort verwant aan rog) en heilbot. De vis werd vers en zo mogelijk nog levend aangevoerd. In de achttiende eeuw werd van april tot en met augustus veel met de beug op tarbot gevist. De tarbotvisserij nam af en stopte rond 1845.



Een volledige beug. Bovenaan de jonen, links het anker,
verticaal de bakenlijnen, horizontaal aan de onderkant de beuglijnen.
(Uit: Hoogendijk, De Grootvisscherij, 221)








Middelharnisse vissers de beug schietend.
(Tekening van Hendrik de Korte)


Kolvisserij

Kol is fijn gehekelde hennep waaruit vislijnen vervaardigd werden. Kollijnen waren handlijnen van ongeveer honderd meter lang, verzwaard met lood. De kollijnen werden vanaf de scheepsrand door de bemanning heen en weer bewogen. Aan het eind van de handlijn was een lijntje bevestigd met aan het einde een lange kolhaak met aas. Die kolhaak bestond deels uit een blinkend tinnen visje om de vis te lokken. Het koltuig werd met de hand op en neer bewogen totdat de vis toehapte. Het schip ging tijdens het vissen niet ten anker, maar dreef achter een waterzeil dat als drijfanker diende. Deze techniek vroeg minder voorbereiding dan de beugvisserij en als er weinig gevangen werd kon men eenvoudig op een andere plek gaan vissen.

Na de introductie van de sloep in 1817 schakelde Middelharnis in het voorjaar en in de zomer gedeeltelijk over van de versvaart op de zoutvaart. Bij de visserij ter zoute op kabeljauw werd het koltuig algemeen toegepast. De vis werd aan boord verwerkt, gezouten en in tonnen gepakt. Naast kabeljauw werd een beperkte hoeveelheid leng, koolvis en platvis ingezouten.

De kolvisserij was tot en met 1861 een belangrijke vistechniek. De opbrengst voldeed op den duur niet meer aan de verwachtingen. Daarom zijn de in zomer van 1862 alle sloepen van Middelharnis met de beug in plaats van met de kol gaan vissen.

Toch werd het kollen niet geheel afgeschaft. Met de beug vissen vroeg meer aas dan met de kol vissen. Soms was er een tekort aan aas (geep)  en moest men noodgedwongen met de kol vissen. Ook werd de kol nog aanvullend gebruikt: ‘Als de beug binnen is beginnen de Middelharnisser vissers met een kollijn te vissen, waarmee ook behoorlijk goed gevangen wordt’, lezen we in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 5 september 1904.  In de zomer van 1904, de vangsten waren toen al enorm verminderd, werd er met de kollijnen zelfs meer gevangen dan met de beug.



Kolhaak met tinnen visje, negentiende eeuw
(Museum Vlaardingen, inv. nr. 00610).



Plompvisserij

Een met de kolvisserij vergelijkbare techniek met handlijnen was de plompvisserij. De plomp werd in Middelharnis vanaf ongeveer 1818 van september tot in november voor de schelvisvangst gebruikt. De techniek werd overgenomen van Engelse vissers. Het plompvistuig bestond uit een lange lijn met daaraan een half ronde ijzeren beugel. In het midden van de beugel zat een stuk lood om de beugel in balans te houden. Een elke kant bevond zich een ‘stel’, dat is een stuk dun touw van ongeveer anderhalve meter lang met een vishaak. Men kon dus twee vissen tegelijk vangen. In 1880 is de plompvisserij gestopt. Daarna werd uitsluitend nog met de beug gevist.


Faroër balance fishing line, vergelijkbaar met het plompvistuig
(Uit: Andreas von Brandt, Fish catching methods of the world, 1984, 80)


Traapvisserij

De traap, in Middelharnis droep genoemd, was een makreellijn. Aan een met lood verzwaarde lijn van circa 250 meter lang hingen een of meer stokjes met elk een zijlijn of stel van 3,5 tot 4 meter, voorzien van een vishaak met aas. Men viste er niet mee op bodemvis, maar op hoger zwemmende vissen, zoals makreel knorhaan, wijting of andere kleine rondvis. Men gebruikte de traap tijdens het zeilen. De vaarsnelheid mocht niet te hoog, maar ook niet te laag zijn. In het eerste geval zweefde de traap te dicht bij de oppervlakte, in het tweede geval zakte zij te diep in het water. Het vissen met de traap was voor de vissers van Middelharnis geen hoofdzaak maar bijzaak. De traap werd gebruikt om op aas te vissen of om voor eigen gebruik een zoodje vis te vangen.



De traap.
(Uit: J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars, 32)


Hendrik de Korte vertelde hoe het vissen met de traap er rond 1900 in de praktijk aan toe ging:

‘De matrozen en de twee grote jongens gaan nu ook naar de kooi en de drie kleinsten krijgen nu de wacht. De ,,koffiekoker" moet nu de levers in de ton steken, en de ,,ketellapper" de ,,zwembalk" te drogen leggen waar daar maar plaats voor is. Ook moeten zij op den ,,droep" (vistuig om makreel te vangen) passen en die nu en dan eens ophalen.’


Vleetvisserij

Van 1834 tot 1872 en van 1904 tot 1916 namen enkele schepen uit Middelharnis aan de haringvangst deel. De netten waarmee op haring werd gevist waren drijfnetten. Het drijfnet bestond uit een aantal netten van zestien meter hoog en dertig meter lang. Dit samenstel noemde men de vleet. De vleet kon wel vier kilometer lang zijn en hing als een gordijn in zee. Onderaan was de vleet verzwaard en aan de bovenkant was de speerreep aangebracht, een lijn met kurken en drijvers die met het schip verbonden was. De vleet werd door het achteruitvarende schip ‘geschoten’ (uitgezet). De haring zwom tegen het gordijn en bleef in de mazen hangen. Ondermaatse vis ontsnapte door de mazen. Na enkele uren wachten haalde men de vleet in. Tot 1866 werden netten van hennep gebruikt, daarna kwamen de lichtere katoenen netten in zwang.



Afbeelding van een vleet




© Marlies Jongejan, 20 november 2023



Verantwoording
A.Hoogendijk Jz., De grootvisscherij op de Noordzee (Haarlem 1893), 204-206, 249-251. 
H. de Korte Johsz, ‘Iets over de visserij van Middelharnis’, aflevering 16-20, Eilanden-nieuws, 8 11, 18, 25 en 29 oktober 1947.
J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars. Schepen van ’t Overmaas. Visschuiten van de Zuid-Hollandse eilanden uit de jaren 1600 – 1850 (Emmen 2008) 31-32.
J.P. van de Voort, Vissers van de Noordzee. Het Nederlandse visserijbedrijf in geschiedenis en volksleven (’s-Gravenhage 1975) 14-15.


























zondag 30 augustus 2020

De traap (draap, droep), een vergeten vistuig

Van de oude vistechnieken met lijnen en haken zijn de beug en de kol het bekendste. Minder bekend zijn de plomp en de traap. Begin dit jaar hebben we het vistuig voor de plompvisserij besproken (zie bericht op dit weblog van 7 januari 2020). Nu volgt een korte uiteenzetting over de traap, ook wel draap of droep genoemd.

In het boek Vissers van de Noordzee vinden we de volgende uitleg:
Een andere vorm van hoekwantvisserij was het vissen met de traap of makreellijn, in Middelharnis weer 'droep' geheten. Aan een met lood verzwaarde lijn hingen een of meer stokjes met elk een zijlijn of stel, voorzien van een vishaak met aas. Met viste er niet mee op bodemvis, maar op hoger zwemmende vissen, zoals makreel. Men gebruikte de traap tijdens het naar huis zeilen. De vaarsnelheid mocht niet te hoog, maar ook niet te laag zijn. In het eerste geval zweefde de traap te dicht bij de oppervlakte, in het tweede geval zakte zij te diep in het water. (1)
De naam Trapegeer, een evenwijdig aan de kustlijn gelegen zandbank op nauwelijks anderhalve kilometer van de zeedijk van De Panne, is te herleiden tot de traapvisserij.

De traapvisserij is als vorm van hoekwantvisserij ongetwijfeld een zeer oude visserijmethode. Reeds in 1300 werden er te Kales (Calais) 55.000 stuks makreel ontscheept. Deze en andere vissoorten, werden gevangen met het hoekwant. De traapvisserij werd voornamelijk langs de kust bedreven. In volle diepe zee kon de methode niet worden toegepast en was men aangewezen op handlijnen, zoals de ‘kollijn’ die gehanteerd werd door de IJslandvaarders (2).

Het vissen met de traap was voor de vissers van Middelharnis geen hoofdzaak maar bijzaak. De traap werd gebruikt om op aas te vissen en om voor eigen gebruik een zoodje vis te vangen.


Afbeelding van de traap. Uit: J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars, p. 32


De draap is een henneplijn van 1 cm doorsnede en hoogstens 250m. lang. Aan het ondereinde hing een draaplood van 4 1/2 kg. Dicht bij het lood waren in de draaplijn 2 of meer traapstokjes (houtjes gesneden uit hoepels) bevestigd, waaraan vislijntjes van 3,5 tot 4 meter lengte vastgemaakt werden, die waren voorzien van een geaasde traaphaak. Het draapvistuig werd tijdens de (thuis)vaart overboord gehangen en zweefde dan op een zekere hoogte door het water. Men ving er de hoog zwemmende makreel, knorhaan, wijting of andere kleine rondvis mee, veelal met het doel om deze als aas te gebruiken.(3)
De gaffelschuit Twee Gebroeders uit Middelharnis werd in 1750 te koop aangeboden. Tot het inventaris behoorden twee draaploden, ongetwijfeld het duurste onderdeel van het vistuig.(4)

Hendrik de Korte vertelt hoe het vissen met de traap rond 1900 er in de praktijk aan toe ging:
De matrozen en de twee grote jongens gaan nu ook naar de kooi en de drie kleinsten krijgen nu de wacht. De ,,koffiekoker" moet nu de levers in de ton steken, en de ,,ketellapper" de ,,zwembalk" te drogen leggen waar daar maar plaats voor is. Ook moeten zij op den ,,droep" (vistuig om makreel te vangen) passen en die nu en dan eens ophalen (5).


1. J.P. van de Voort. Vissers van de Noordzee. Het Nederlandse visserijbedrijf in geschiedenis en volksleven. 's-Gravenhage, 1975. p. 14.
2. De Grote Rede: Nieuws over onze Kust en Zee, 14 (2005).Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ): Oostende. 17-19 (via vliz.be)
3. J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars. Emmen, 2008, p. 31-32.
4. idem, p. 177
5. Hendrik de Korte, Iets over de visserij van Middelharnis, aflevering 20, Eilanden-nieuws, 29 oktober 1947.