donderdag 19 maart 2020

Redding van de 17-koppige bemanning van het fluitschip Bosschen Hoven uit Hindeloopen door een gaffelvisschuit (Middelharnis 1817)

Op 20 december 1817 werd in Middelharnis een scheepsverklaring opgemaakt door schout Lambertus Kolff. Aldert Jan Engels, oud 60 jaar, wonende te Hindeloopen, schipper van het fluitschip Bosschen Hoven, deed zijn verhaal.
Met zijn schip was hij 7 augustus 1817 het Vlie uitgezeild met als bestemming de Oostzee. Op 29 oktober zeilde hij van Nerva* weer naar de Nederlanden terug met een lading balken. Op 17 december om elf uur 's morgens  ontdekte hij op de hoogte van Egmond aan Zee dat het schip zeer lek was en vol water liep, als gevolg van het stoten op de Engelsche banken. Hij had het roer verloren. Met zijn volk is hij in die hachelijke toestand aan boord gebleven tot vier uur 's avonds en is toen gered door en overgegaan op een gaffelvisschuit varende van Middelharnis, genaamd de Jonge Jannetje en gevoerd door stuurman Joost Abeele.

Voor Kolff verschenen tevens de stuurman van de gaffelschuit Joost Abeele, oud 42 jaar, en de matrozen Mattheus Smit, 60 jaar, Jan Wittekoek, 36 jaar, Jan Fredrik Klaassen, 34 jaar, Jan Smit, 22 jaar, Marinus Trommel, 44 jaar, Teunis de Bloeme, 36 jaar en Arend Witvliet, 26 jaar.  Ze verklaarden dat ze op 17 december om elf uur op de hoogte van Egmond aan Zee het bovengenoemde fluitschip hebben ontmoet. Het schip was al vol water en roerloos. Ze zijn er de hele dag bij gebleven. Om vier uur 's middags hebben ze de schipper en zijn volk ,16 man, aan boord overgenomen 'ten einde dezelve van een anders gewillige dood te bevrijden'. Ze hebben deze personen naar de haven van Middelharnis gebracht, waar ze vandaag om vier uur in de middag aangekomen zijn

Ondertekend door alle comparanten. Marinus Trommel en Arend Witvliet verklaarden niet te kunnen schrijven.



De fluitschepen 't Geele Fortuijn' en De Liefde, tekenaar Reinier Nooms, ca. 1650
Op deze prent staan twee schepen afgebeeld. Het linker schip, het 'Geele Fortuijn', wordt een Ooster-vaerder genoemd. Dat was een schip dat naar de Oostzee voer. De 'Liefde', het rechter schip, was een Noorts-vaerder, een schip gespecialiseerd in de houthandel met Noorwegen. Beide schepen waren fluitschepen, schepen die ontwikkeld waren voor het goedkoop vervoeren van bulkgoederen. Deze schepen werden in de 17e eeuw massaal ingezet in de Oostzeevaart. Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam. 
bron: www.geheugen.delpher.nl 






Aanvankelijk nam men aan dat de bemanning verdronken was, aangezien er lichamen op Texel waren aangespoelld.


Rotterdamsche Courant, 23 december 1817.

Bericht over de redding van de bemanning. De vissers 'hebbende in deze dezelfde ijver betoond als steeds door de visschers van Middelharnas, bij dergelijke gevallen, wordt aan den dag gelegd'.


Rotterdamsche courant, 27 december 1817.



* Nerva, gelegen aan de Oostzee, tegenwoordig in Estland, was van 1721 tot 1920 een Russische stad

Bron:
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 628 Publicatieregister 1817 - 1824, 20 december 1817, volgnummer 36.

zie ook: www.marhisdata.nl  BOSCH EN HOVEN 
- ID 8406

maandag 9 maart 2020

Rijksambtenaren klagen over onwillige vissers (Middelharnis 1818)

In februari 1818 kreeg het gemeentebestuur van Middelharnis een klacht van de directeur van de dienst Convoijen en Licenten uit Rotterdam. Deze dienst had tot taak om de in- en uitvoerrechten en de accijnzen te controleren. Kennelijk kregen de rijksambtenaren niet altijd genoeg medewerking van de vissers als  ze de schepen kwamen controleren.

Waarschouwing
Bij Schout en Gemeenteraad van Middelharnis door den missive van den heer Directeur der Convoijen en Licenten te Rotterdam van den 25 dezer maand no. 46, klagten ingekomen zijnde over de onwilligheid van sommige visschers dezer gemeente om zich met hunne vaartuigen aan eene pligtmatige recherche te onderwerpen.
Zoo brengen schout en gemeenteraad voornoemd het zelve ter kennisse van de belanghebbenden met ernstige aanmaning tevens aan alle visschers in deze gemeente om zich voortaan bij het doen van visitiatie door de lands ambtenaren op een bescheiden wijze te gedragen en zich aan de zoo min mogelijk vertragende visitatien te onderwerpen.
Daar integendeel door zich hier aan opzettelijk te onttreken, 's Rijks ambtenaren in de uitoefening hunner functie werden verhindert en zijlieden zich daar door schuldig maken aan de straf, zoo wel bij de algemeene wet op de invordering der indirecte belastingen van 15 september 1816 als bij art. 25 der wet op de heffing der regten van in en uitvoer van den 3e oktober 1816 bepaald.
Schout en Gemeenteraad vertrouwen dat alle belanghebbenden in deze hunne verpligting zullen kennen en gevoelen de nadeelige gevolgen die uit eene eigendunkelijke overtuiging deze, voor het vervolg zoo voor de overtreders zelf als voor de geheele visscherij zouden kunnen voortvloeijen, zich mitsdien voortaan van de bij de wet bepaalde visitatien van 's rijksambtenaren, in geene deele zullen onttrekken.
Middelharnis den 28 februarij 1818 en tenzelven dage gepubliceerd en geaffigeerd.
was getekend, 
A. van Weel Az
L. Kolff



Bron:
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 628 Publicatieregister 1817 - 1824, 28 februari 1818.

zondag 16 februari 2020

Reprimande voor stuurman Willem Missel wegens onmenslievend gedrag (Middelharnis 1814)

In mei 1814 ontving de gemeenteraad van Middelharnis een schrijven van de gouverneur van Zuid-Holland. De gouverneur had een klacht ontvangen van de secretaris van staat tot de zaken van de Marine. 
Het betrof het onmenslievend gedrag van schipper Willem Missel die op 3 mei 1814 geweigerd had bijstand te verlenen aan de loodsboot Rotterdam. De loodsboot had het ongeluk een gat in de boeg te stoten, even boven water. De gouverneur verzocht het gemeentebestuur om de schipper te 'reprimandeeren'  vanwege deze weigering en hem erop te wijzen dat
hij als Mensch en als Christen verpligt is alle vaartuigen, wanneer die in gevaar zijn bij stand te geven, welke verpligting hem als lid der Maatschappij nog zwaarder opligt  wanneer die hulp ten behoeve van een van 's Lands vaartuigen wordt ingeroepen
De gemeenteraad behandelde het verzoek in de raadsvergadering van 27 mei 1814. Het besluit was om de visser-stuurman op het matje te roepen zodra hij terugkwam van de visserij voor een reprimande ten overstaan van drie leden van het gemeentebestuur. Aldus geschiedde op 1 juni 1814 in aanwezigheid van de leden Schenk, Nijgh, Van der Vlugt en Van Gent. De stuurman antwoordde dat hij niet de mogelijkheid had gehad om hulp te bieden en gaf daarvoor voldoende redenen (die niet nader omschreven zijn).  Hij beloofde in de toekomst alle hulp te zullen bieden aan wie daaraan behoefte had. De gouverneur ontving als antwoord op zijn brief een verslag van het gemeentebestuur met een 'favorabel' rapport over stuurman Missel.


Streekarchief Goeree-Overflakkee,  Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 602 (Notulen van de openbare vergaderingen van de raad, 1 juni 1814) en nr. 640 (Ingekomen stukken 1814).

woensdag 22 januari 2020

Job Langbroek (1876-1934)

Een nagekomen aanvulling op het boek De vergeten vissers van Middelharnis  p. 296. (zie voor de lijst met aanvullingen en correcties het bericht van 12 februari 2019 op dit weblog)


1934: Job Langbroek
werd op 13 januari 1876 geboren te Middelharnis als zoon van Maarten Cornelis Langbroek (1850-1914) en Jannetje Wielhouwer (1849-1887). Na het overlijden van zijn moeder en zijn broer en zus in december 1887 bleef hij alleen met zijn vader achter. 

Vader en zoon verhuisden naar Stellendam en waren daar werkzaam als visser, Job specifiek als botvisser. Job was ongehuwd en woonde in bij het echtpaar Marinus van Dam (1878-1940) en Petronella Maria Huijser (1881-1940). Marinus was ook visser van beroep.

Job was op 13 september 1934 op 150 meter uit de wal even buiten de haven van Stellendam met zijn roeiboot SL 51 Op Hoop op bot aan het vissen. De motorkotter SL 44, schipper H. Brinkman, kreeg kort na het uitvaren pech en keerde terug naar de haven. Kort daarop werd weer uitgevaren. De bemanning was bezig met de motor. Aan het roer stond een veertienjarige jongen, die de roeiboot niet opmerkte. De roeiboot met Job werd overvaren. Verschillende reddingspogingen mochten niet baten. Het stoffelijk overschot werd in de loop van de middag opgedregd en naar de familie Van Dam gebracht. Justitie heeft het ongeval onderzocht en in het Van Weelziekenhuis te Dirksland werd sectie verricht.
Job Langbroek was 58 jaar oud.

Nieuwe Vlaardingsche Courant, 5 december 1934.




Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 

Genealogische gegevens van Pieter Koster

woensdag 15 januari 2020

Vrouwenlevens. Enkele portretten (Middelharnis 17e - 20e eeuw)

Verspreid tussen de vele teksten over vissersgezinnen, reders en stuurlieden zijn enkele berichten te vinden waarin het leven van een aantal opvallende vrouwen centraal staat. Ze vormen een willekeurig gezelschap, afkomstig uit verschillende rangen en standen.



Teuntje Willemse Langbroek (1670-1713), dievegge






Tannetje de Man (1841-1924), winkelierster















dinsdag 7 januari 2020

Plomptuig en plompvisserij. Schelvisvangst in de 19e eeuw (Middelharnis, Zierikzee, Antwerpen)

In 1821 schreef het Flakkeesch Maand-blad over de introductie van een nieuw soort vistuig op de schepen van Middelharnis:
Het was vanouds de gewoonte om in augustus, september en oktober stil te liggen. Dankzij de vrede die in Europa heerst heeft men, na een proef die vorige jaar genomen is, vier schuiten afgezonden ter visvangst op de kusten van Engeland, met het door de vissers aldaar gebruikelijke vistuig, in plaats van met de beuge. Onder die uitgeruste schepen bevinden zich twee sloepen, welke soort vaartuigen bijzonder voor deze visserij geschikt zijn. Door een van de schuiten is reeds een duizendtal schelvissen alhier aangebracht, een andere schuit bracht er nog meer aan op de markt in Antwerpen’.(1)
Deze nieuwe herfstteelt kreeg de naam plompvisserij.

De visafslag van Middelharnis keerde van 1812 tot 1845 jaarlijks een premie uit van twaalf gulden aan de stuurman die de eerste duizend schelvissen op de afslag bracht. Over de uitbetaling ontstond in december 1824 een verschil van mening. Twee stuurlieden maakten er aanspraak op. Jan Smit omdat hij de eerste duizend schelvissen ’met de zoogenaamde plomp’ had gevangen en Cornelis Sloot omdat hij de eerste duizend schelvissen aan de beug gevangen had. Ze kregen voor deze keer elk zes gulden, maar voortaan gold de regel dat het schip dat de eerste duizend schelvissen met de beug aanbracht recht had op de premie van twaalf gulden.(2) Jan Smit was stuurman van een nieuwe sloep; Cornelis Sloot voer op een gaffelschuit. Toch gingen er ook gaffelschuiten 'plompen'. De bemanning van de gaffelschuit van Jacob Bree was in 1825 bezig met de plompvisserij toen het door een storm werd overvallen. Volgens berichtgeving over de scheepsramp had de gaffelschuit zich ‘naar eene bijzondere visscherij begeven, welke voor de visschepen van het oude maaksel zeer gevaarlijk beschouwd wordt’. Niet de plompvisserij maar de storm was de oorzaak van de scheepsramp. (3).
Ds. B. Boers schreef in 1843 dat de plompteelt voor het eerst in 1818 ingevoerd werd, in navolging van de Engelsen. Hij situeerde de visgronden voor de plompvisserij ‘niet ver van de Engelse kust’. Hij typeerde de plompvisserij als de ‘gevaarlijkste en tevens minst voordelige voor de reders’. In zijn tijd bestond de vloot uit sloepen en waren de gaffelschuiten zoals die van Jacob Bree al verleden tijd.(4) In november 1872 was de sloep Middelharnis tegelijk met de Vijf Gebroeders uit Middelharnis naar de omgeving van Terschelling uitgevaren voor de plompvisserij op schelvis. De sloep is in de nacht overvaren door een groot koopvaardijschip en met man en muis vergaan.(3).

Hendrik de Korte heeft de techniek van het plompen in 1947 uitvoerig beschreven:

Bij de visserij met de plomp, gaan de vissers zoeken naar een plaats waar haringkuit op de zeebodem ligt. Dit doen zij, door telkens het dieplood uit te werpen. Van onderaan dit lood zit een stuk vet. Valt nu het lood op haringkuit, zo blijft er wat van aan dit vet hangen. Nu ging men aan het vissen. Ving men nu enige schelvissen, zo liet de schipper “Op hoop van zegen", het anker vallen. De meeste zeilen werden nu geborgen en de eigenlijke visserij nam een aanvang. Soms ving men weinig of niets, en moest het anker worden gelicht, er een betere plaats worden gezocht, en soms had men de vissen voor het ,,halen”. Het plompvistuig bestond uit een half ronde ijzeren beugel. In het midden zat een dieploodje en aan beide einden een z.g. stel, dat is een eind dun touw ongeveer 1 ½ m lang. Aan ieder stel bevond zich een vishaak voorzien van aas. Het aas bestond uit van de schelp ontdane mossels. Deze mossels werden levend in netten in het bun bewaard. Van voor tot achter nam nu de bemanning plaats en begon men te ,,plompen", door de plomp naar de zeebodem te laten zakken, hem een weinig op te halen, en dan zacht op en neer te bewegen. Men kon dus twee vissen tegelijk vangen. Het is wel gebeurd, dat men in één dag het bun vol schelvis had. Des nachts werd niet gevist. Had men goed weder bij het ,.thuiszeilen", zo kon het gebeuren, dat men met een bun levende schelvis voor het havenhoofd ten anker kwam, waar de vis dan verkocht en gelost werd’ (5).
Vanuit Middelharnis heeft de plompvisserij zich via stuurlieden uit Middelharnis naar de vloot van Zierikzee verspreid. De sloep de Hoop met schipper Jan van Dueren ging bijvoorbeeld in 1822 in oktober en november met de plomp vissen (6). Antwerpse vissers namen deze techniek over. Waarschijnlijk via de Middelharnisse en Zierikzeese vissers die op de sloepen van Antwerpen werkten vanaf 1839. De Vlaamse historicus Frans Bly vermeldt in 1931:
De plomplijnen bestaan uit lijnen, waaraan halfcirkelvormige ijzeren stangen (plompen of plompbogen genoemd) worden vastgemaakt, aan de hoeken waarvan dunnere lijntjes (sneuen of stelletjes) met geäasde hoeken worden geknoopt. Een stuk lood waar het plompijzer door vaart, bevordert het zinken van 't vangtuig. De plompvisscherij werd tot 1895 door Antwerpse visschers uitgeoefend. (7)
Gaston en Roland Desnerck schreven in 1974:
De laatste Vlaamse vissersvaartuigen die met de plomplijn visten waren de Antwerpse sloepen. Het vistuig bestond uit plomplijnen waaraan halfcirkelvormige ijzeren stangen, of plompen, waren vastgemaakt ; aan de hoeken daarvan waren haken geknoopt. Met deze plompen werd schelvis gevangen. De haken van de schelvislijn waren gewoonlijk op 1,60 m van elkaar. (8)
De catalogus van de tentoonstelling van visserijgereedschappen in 1861 vermeldt dat de firma P. van Dragt en Co. uit Amsterdam 'tien stuks plomp-vischhoeken' liet zien. Een Noors bedrijf stelde een haak en lijn voor de plompvisserij ten toon (9)
In de jaren 1869-1880 verschenen, vooral in de Vlaardingsche Courant, regelmatig berichten over de plompvisserij. Altijd in relatie tot sloepen uit Middelharnis.


Vlaardingsche Courant, 16 oktober 1869


Ook het jaarlijkse Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen maakte in deze jaren ook melding van de plompvisserij van Middelharnis. Een voorbeeld uit 1874:

De zestiende sloep, welke te laat van de zomer-beugvisscherij terugkwam om nog eene tweede reis te kunnen ondernemen, heeft daarna voor de plompvisscherij gediend, en van half September tot het einde van October met buitengewoon gunstig gevolg vier reizen op schelvisch gedaan. Zij besomde in dien tijd niet minder dan f 3,200. Bij deze visscherij, welke in den regel weinig oplevert, komt alles aan op goed weder. In het vorige jaar mislukte ze voor de drie sloepen, welke er zich mede bezig hielden, geheel en al. (10)
'Trawlvisserij werkt moordend'
De resultaten van de plompvisserij liepen terug. De laatste vermelding in de kranten is van 1880. In De Telegraaf van 28 juni 1936 gaf een onbekende auteur zijn visie op de ondergang van de plompvisserij. 
Onder de veelzeggende kop 'Trawlvisserij werkt moordend' gaf hij een beschrijving van de verdwenen plompvisserij. In oktober werd op de Welbank en de Doggersbank gevist. Waar zich haringkuit bevondt gingen de schepen voor anker. Ze haalden op zo'n teeltplaats 2.000 tot 3.000 schelvissen binnen. Het bedrijf werd voornamelijk door Hollandse maar ook wel door Belgische vissers uitgeoefend, aldus De Telegraaf in 1936.


De oorsprong van het negentiende eeuwse plomptuig

Op een tekening van Antoon van den Wijngaerde uit 1548, onderdeel van het Panorama van Walcheren, is vistuig te zien dat uit twee lijnen met haken bestaat, die door een staaf verbonden zijn. Aan de staaf is een stuk lood te zien. Volgens Jules van Beylen is dit een afbeelding van het plomptuig.(11)

Detail uit: Antoon van den Wijngaerde. Zelandiae descriptio, 1548 
Detail uit het Visboek van Adriaen Coenen 34/429.


Vergelijkbaar tuig is te zien in het visboek van Adriaan Coenen uit 1579 (12). Hier lijkt in het midden van de staaf geen lood te zien. De tekst erboven luitdt: 'dese stelt om de zood', dat wil zeggen dat er voor eigen gebruik een 'zoode visch' gevangen wordt.

In het scheepsjournaal van schout-bij-nacht  H. Brunsveldt uit 1667 wordt het  woord plompen voor het eerst vermeld. Het schip bevindt zich bij de noordhoek van de Faeröer eilanden, waar de bemanning bij rustig weer voor eigen gebruik kabeljauw en heilbot vangt.
Vrijdag 5 augustus/ 26 juli, 1667:

Snaghs al weederom met stilte en goed weeder / dan in de dagwacht mistigh, dogh omtrent vroeghcost begonde het weederom op te claeren, met slappe coelte en d' lucht westelijck, sackten al soo naar d' noordthoeck van Ferro maar mackten weynih schott, alsoo de gaeten omtrent het lant seer trocken, conden darom weijnigh vertijeren (vorderen), weynigh daar naa trock den mist weederom seer sterck, en geheel stil, soo dat ons volck aen het plompen tegen (togen), en vingen veel cabbliau oock heijlbott, dit duierde den geheelen dagh soo dat tegens den avont weederom eenige scheepen saagen l dan ('t) duierde, seer kleynen tijdt, en all weederom met mist betrocken, en stilte en (de lucht) geheel geel.(13) 

In de achttiende eeuw komen we het plompen als term niet tegen. J. Ploeg vermeldt in zijn boek over de achttiende eeuwse visschuiten van het Overmase wel de plomp, maar neemt daarbij de tekening uit 1548 op met verwijzing naar Van Beylen.(14) In de inventarislijsten van het op de schuiten aanwezige vistuig komt het plomptuig niet voor.

De vissers van Middelharnis hielden zich een deel van het jaar bezig met de tarbotvisserij en de handel in tarbot voor de Engelse markt. Ze hadden veel contact met Engelse vissers. Daaardoor kenden ze elkaars vistechnieken. Bij het overnemen van de techniek voor de commerciële visserij op schelvis namen ze niet de Engelse naam over. Ze gebruikten een reeds bestaande term (het plompen) van een vergelijkbare techniek, die tot dusver alleen gebruikt was voor het vissen voor eigen gebruik. 

De vermelding van het overnemen van deze techniek van Engelse vissers leidde naar een Engels handboek uit 1875 met een beschrijving van de 'sprool rig'. Deze beschrijving komt in alle opzichten overeen met het negentiende eeuwse plomptuig.

The Sprool Rig consists of a dip-lead of from two to five pounds' weight, of the shape of a ship's hand-lead, having a hole an inch or so below the hole in the top.Through the lower hole a bow of three-eighths galvanised iron is thrust, which measures from 20 inches to 2 feet across ; and loops being lashed on to the ends, the snood and hooks are fastened thereto.The bow of iron is considerably arched—almost, in fact, half a circle—and as it is not a fixture the ends turn upwards as the gear descends, and drop downwards when the lead reaches the bottom, maintaining the same position in ascending. The lead is prevented sliding beyond the centre of the bow by two leather washers of the size of a sixpence, which are them selves kept in their places on either side of the lead by collars of sail-twine, lashed tightly round the bow outside the lead sufficiently to allow room for it to work. It is much used in Cod, Haddock, and Whiting-fishing in the North Sea. A snood of from 4 to 6 feet is attached to either end of the bow, and the manner of using is to sound and then haul up just clear of the bottom. It should be fitted with swivels of brass. The Cod smacks are hove to, and, as they slowly drift along, 6 or 8 lines are worked from the weather side. For light fishing one and two pound sinkers are sufficiently heavy, and the bow may be used one foot across.(15)

Helaas bevat het boek geen tekening van dit tuig, wel een tekening van een vergelijkbaar tuig, de 'kentish rig'. Het plomptuig moet er ook zo uitgezien hebben, maar dan met een beugel in de vorm van een halve cirkel waaraan de lijnen zaten.



The Kentish Rig. Uit: J.S. Wilcocks, The sea-fisherman, 38


De vissers van de Faeröer gebruiken nog altijd handlijnen die ze 'balance' lijnen noemen. Als voordeel van deze lijnen wordt de veerkrachtige constructie genoemd waarmee plotselinge snokken, veroorzaakt door tegenspartelende vis, kunnen worden gedempt. Onderdeel van dit tuig is een halve cirkel van metaal.




Faroër balance fishing line.
Uit: Andreas von Brandt, 
Fish catching methods of the world',
Farnham, 1984. 80.
 


Conclusie
Vistuig voor de bodemvisserij met twee handlijnen en haken was in de Lage Landen al in de zestiende eeuw bekend en werd gebruikt om voor eigen consumptie een 'zoode visch' te vangen (te plompen).
In Engeland werd dergelijk vistuig verder ontwikkeld en ingezet voor de commerciële visserij op kabeljauw, schelvis en wijting. Dit tuig, 'sprool rig' genaamd, werd vanaf 1818 door de vissers van Middelharnis gebruikt voor de commerciële schelvisvisserij  (plompvisserij) in de maanden september - november. De vissers van Zierikzee en later van Antwerpen namen deze techniek over. Niet bekend is of het ook elders in Holland of Vlaanderen werd toegepast.


Marlies Jongejan, met medewerking van Raymond van Ael, Floris Bennema en Jan van de Voort.

1. Flakkee’s Maand-blad, 1(1821)9.
2. U.J. Mijs, De vischafslag van Middelharnis, 85; SAGO, AGM, 603, vergadering 8 december 1824.
3. Staatscourant, 6 december 1825. Zie ook: Pieter Koster, ‘In een treurig bezwaar gewikkeld’; Marlies Jongejan, 'De bemanning van de sloep Middelharnis', 
in: Van Dam, Jongejan, Koster, De vergeten vissers van Middelharnis, 117 en 213.
4. B. Boers, Beschrijving van het Eiland Goedereede en Overflakkee (Sommelsdijk 1843), 271-272.
5. Hendrik de Korte Johsz, ‘Iets over de visserij van Middelharnis’, Eilanden-nieuws, 26 juli 1947
6. Marlies Jongejan, ‘Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren’,in: Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland), 44(2019) 30.
7. Frans Bly, Verklarende vakwoordenlijst van de zee-visscherij. Leuven, 1931, 201-202. Alfabetisch onder ''schelvisvangst".
8.Gaston Desnerck en Roland Desnerck, Vlaamse visserij en vissersvaartuigen, 1974, deel 2, 477.
9. Catalogus van de tentoonstelling van visscherij-gereedschappen, gehoudern door het Collegie voor de zeevisscherijen... (Leiden 1861) 42 en 49.
10. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1874, 52.

11. Jules van Beylen. 'Zelandiae descriptio'. In: Mededelingen van de Marine academie van België, jaargang 1956/57, 81- 114. 
12. Visboek van Adriaen Coenen, 34/429 via galerij.kb.nl. Floris Bennema signaleerde de overeenkomst tussen de beide 16e eeuwse tekeningen.
13. S. Haagsma, ‘Scheepsjournaal van den schout-bij-nacht H. Brunsveldt, Ao. 1667. In. De Navorscher, 48 (1898) 232 . Gesignaleerd door Jan van de Voort. http://www.dbnl.org/arch/_nav001189801_01/pag/_nav001189801_01.pdf
14. J. Ploeg. Bezanen en gaffelaars. Schepen van ’t Overmaas, visschuiten van de Zuid-Hollandse eilanden uit de jaren 1600-1850. Emmen, 2008. 32
15. J.C. Wilcocks. The sea-fisherman, comprising the chief methods of hook and line fishing in the british and other seas, and remarks on nets, boats and boating. 3e editie. Londen, 1875. 37-38.

16. Mededeling van Raymond van Ael, gebaseerd op het boek van Andreas von Brandt, Fish catching methods of the world', Farnham, (Surrey) Fishing News Books Ltd, England, 1984. 80.

N.B. Zowel in de tekst uit de Telegraaf van 1936 als in de tekst van Hendrik de Korte wordt vermeld dat de schepen voor anker gingen bij het plompvissen.  Raymond van Ael reageert als volgt: een schip dat gaat plompen (of kollen) gaat niet voor anker, maar laat zich stilletjes verlijeren om te voorkomen dat de langs loefzijde uitgeworpen lijnen onder het schip terechtkomen komen, eventueel kan een waterzeil worden uitgezet maar zeker geen anker.

zaterdag 21 december 2019

De palingrederij van Middelharnis (1779-1807). Vervoer van paling naar Londen

De palinghandel op Londen is een tot nu toe onbekende episode uit de visserijgeschiedenis van Middelharnis. Op het eerste gezicht geen voor de hand liggende nering omdat de vissers van Middelharnis niet op paling visten. 
In het decembernummer 2019 van De Ouwe Waerelt een artikel waarin wordt beschreven dat enkele ventjagers en reders uit Middelharnis zich in het laatste kwart van de achttiende eeuw, naast de tarbothandel, ook op de palinghandel toelegden. Aan de orde komt de vraag wat de reden was om zich hiermee bezig te gaan houden, wie de sleutelfiguren in de palingnegotie waren, hoe de palingrederij functioneerde en welke schepen voor het vervoer ingezet werden. Aan de palinghandel kwam halverwege de Bataafs Franse periode (1795-1813) door oorlogsomstandigheden een eind. 
De laatste jaren stonden in het teken van een slepende rechtszaak van schipper Maarten Vermaas tegen boekhouder Leendert van den Tol van de ‘Paling-Rheederij van Middelharnis’.

Na een uiteenzetting over de Hollandse en Friese palinghandel op Londen in de zeventiende en achttiende eeuw volgt een beschrijving van de schepen die hiervoor gebruikt werden. Het blijkt dat de ventjagersschuiten die in Zuidwest Nederland voor handen waren door het gebruik van palingkaren ook geschikt waren om paling mee te vervoeren.


Schilderij met zes palingaken, afgemeerd aan een steiger (Dutch Mooring) in de Theems in Londen. Olieverf op doek door een anonieme kunstenaar, 19e eeuw (Fries Scheepvaartmuseum, Sneek, inv. nr. FSM G-020).


De Middelharnisse ventjagers die zich met de palinghandel bezighielden maakten gebruik van het handelsnetwerk dat ze in Londen hadden. Ze brachten namelijk ook al decennialang tarbot op de vismarkt van Billingsgate. Ze kenden de vaarroute naar Londen en waren goed geïnformeerd over de opbrengsten en over het functioneren van de Friese palinghandel. Tarbot was er niet het hele jaar. Door ook paling te vervoeren konden de schuiten alle maanden doorvaren.
De uitvalsbasis voor de palinghandel door Middelharnisse ventjagers was de vestingstad Muiden aan de Zuiderzee bij Amsterdam. Cornelis Vermaas, afkomstig uit Middelharnis, vestigde zich hier in 1784 als tussenpersoon voor de inkoop van paling en tarbot.

De schuit Jonge Johanna, omschreven als bezaanpalingschuit, is in 1779 gebouwd en heeft 27 jaar dienst gedaan voor een groep  van acht reders die gezamenlijk de ‘Paling-Rheederij van Middelharnis’ vormden.  Boekhouder was Leendert van den Tol.
Naast deze palingrederij hield ook Joost Boeter zich bezig met vervoer van paling naar Londen met een schip waar Leendert van den Tol eveneens boekhouder van was. Mogelijk was er nog een derde schuit voor dit doel in bedrijf.





Model van de Pernisse bezaanschuit Johannes Cornelis, 1804. (Maritiem Museum, Rotterdam inv. nr. M 64).

Cornelis Vermaas (1745-1807), diens broer Maarten Vermaas (1746-1826), Joost Boeter (1746-1807) en boekhouder Leendert van den Tol (1752-1808) waren de sleutelfiguren van de palinghandel op Londen. 

In het artikel wordt de loopbaan van schipper Maarten Vermaas gevolgd vanaf 1782. Hij kwam in 1803 in conflict met boekhouder Leendert van den Tol, de rijkste en machtigste man van het dorp. Het conflict leidde tot een rechtszaak, eerst voor de schepenrechtbank van Middelharnis en vervolgens voor het Hof van Holland. Met uitzondering van Maarten Vermaas overleden alle hoofdpersonen nog voor het Hof een uitspraak kon doen. Tot oktober 1809 zijn stukken in deze zaak geproduceerd. Tot een uitspraak is het nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft de inlijving van ons land bij het Franse Keizerrijk in 1810 ervoor gezorgd dat het recht niet zijn normale loop kon nemen.

Van deze slepende rechtszaak zijn veel processtukken in de archieven bewaard gebleven. Dankzij het feit dat Maarten Vermaas zich tegen Leendert van den Tol keerde kon de geschiedenis van de palingrederij  aan de hand van deze stukken gereconstrueerd worden.

Publicatie:

Marlies Jongejan, 'De palingrederij van Middelharnis (1779-1807). Vervoer van paling naar Londen'. In: De Ouwe Waerelt, 19(2019)58, 24-31.

De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl
Losse nummers: € 8,95, te koop bij Van der Boom - Boeken en Muziek, Voorstraat 41, 3245 BG Middelharnis


Link naar de volledige tekst van het artikel