donderdag 3 oktober 2013

Pieter Groen (1797-1884) en Hendrikje Springvloed (1800-1874)

Ouders
Pieter Groen was een zoon van Cornelis Groen en Laurijntje Mijnheer (overleden 1812). Cornelis was visser van beroep.  In 1814 is dochter Pietertje Groen op twaalfjarige leeftijd overleden, Arend Groen (1806-1854) overleed in Veenhuizen.
Hendrikje Springvloed kwam uit Sommelsdijk, ze was een dochter van Jacob Springvloed en Klaartje Pas (overleden 1806).

Huwelijk en kinderen
Het huwelijk tussen Pieter en Hendrikje was op 7 mei 1822. Pieter was visser, 24 jaar oud en Hendrikje was 22 jaar. Getuigen waren allen vissers: Jan Pas, Leendert van der Waal en Jan Wittekoek. De vaders van bruid en bruidegom waren aanwezig, de moeders waren allebei al overleden.
Het eerste kind werd Cornelis genoemd, hij werd op 30 augustus 1822 geboren, vier maanden na het huwelijk. Hij overleed in 1826, vier jaar oud.  Jacob was de tweede, hij werd op 9 september 1824 geboren en overleed in 1828, drie jaar oud.
In 1827 volgde opnieuw een Cornelis en op 24 mei 1830 werd Jacob geboren. In 1833 volgde Pieter, in 1836 Laurens (overleden in 1839), in 1838 Klaas.
Klaas Groen is op 9 juni 1849 ten tijde van de cholera-epidemie overleden, hij was tien jaar.
Van de zeven zonen van Pieter en Hendrikje hebben er drie de kindertijd overleefd.

Huwelijk van de kinderen
Cornelis Groen was trouwde in 1850 toen hij 22 jaar was. De bruid was Janna de Blok, twintig jaar oud. Jacob Groen trouwde in 1856 met Martina de Reus uit Sommelsdijk, ze waren 25 en 24 jaar oud. Pieter Groen is in 1858 met Kommertje Dubbeld getrouwd, dochter van Machiel Dubbeld en Maria van der Kamp. Ze waren 25 en 24 jaar oud.
De zoons werden alle drie visser.

De scheepsramp met de Eben Haëzer 1863: Jacob Groen omgekomen
Jacob Groen (1830-1863) was een van de opvarenden van de sloep Eben Haëzer , schipper Bastiaan Dubbeld, die begin december 1863 met man en muis verging. Zie eerdere berichten op dit weblog.

Nabestaanden van Jacob Groen
De ouders van Jacob waren nog in leven ten tijde van de ramp. Zijn vrouw Martina de Reus bleef met twee kleine kinderen achter. De oudste zoon Pieter is in 1857 geboren en maar enkele weken oud geworden. Dochter Hendrikje is in 1859 geboren, ze was vier jaar toen Jacob overleed. Noach Groen (genoemd naar Noach de Reus, de vader van Martina) is in 1860 geboren, hij was drie jaar ten tijde van de scheepsramp
Martina trouwde op 27 juni 1868 opnieuw met een visser (1). Hij heette Johannes Magchiel Goris Verolme. Ze was toen 37 jaar oud. Samen kregen ze in 1870 nog een dochter die Fransje heette. Zij werd maar enkele maanden oud. 

Noach Groen werd kleermaker, hij was ongehuwd en is in 1890 overleden toen hij 29 jaar was.
Martina de Reus overleed in 1898, ze was 66 jaar oud.
Hendrikje Groen was ongehuwd, ze was winkelierster in de 2e Weistraat en overleed in 1914.

Ongeval op de Adriana Lumina 1894: Paulus Groen overleden
Een zoon van Cornelis Groen, de oudere broer van bovenvermelde Jacob, heette Paulus Groen (1867-1894). Hij is op zaterdag 22 december 1894 overboord gevallen van de MD 13 Adriana Lumina, schipper Johannis de Korte. Hij was 27 jaar oud.



Maas- en Scheldebode, 28 december 1894

Nabestaanden van Paulus Groen
Paulus Groen was op 28 oktober 1892 getrouwd met Pietertje Hoogmoed uit Sommelsdijk. Ze waren 24 en 23 jaar oud. Paulus stond als C.G. ingeschreven en Pietertje als N.H. Ze woonden in de Nieuwstraat. Op 20 juli 1894 werd zoon Cornelis geboren, hij was nog maar een half jaar oud toen zijn vader verongelukte.

Pietertje verhuisde met Cornelis naar een van de Weistraatjes en ging met haar vader, moeder en zuster samenwonen. Haar vader was bouwknecht, geboren in 1837.
Cornelis Groen werd sigarenmaker. Hij trouwde met Arendje Krijger, ze woonden op het Spuiplein.



1. Op 26 mei 1868 publiceerde de Nederlandsche Staatscourant het  "regstvermoeden van overlijden" van Jacob Groen waardoor juridisch de weg vrij was voor een nieuw huwelijk.

Genealogische gegevens van Joke van Rumpt

Merkwaardige voorvallen op de Adriana Lumina 1883-1884

Over de MD 13 Adriana Lumina , een sloep van rederij Kolff met als schipper Cornelis Muije, verscheen een opmerkelijk bericht in de Zierikzeesche Courant van 13 februari 1884. 


Zierikzeesche Courant, 13 december 1884




zondag 22 september 2013

Het ongeluk in de haven van Middelharnis met de jongens van de sloep Twee Cornelissen, 12 juni 1886

De Twee Cornelissen met schipper Maarten Langbroek werd begin april 1886 door de Vlaardinger logger Gorinchem I in Nieuwediep binnengesleept. De sloep was met een gebroken mast dwars van Texel aangetroffen (bericht in Heldersche en Nieuwedieper Courant, 2 april 1886). 

Twee maanden later voltrok zich bij thuiskomst een drama. Op 12 juni 1886 kwamen Pieter van der Valk (20) en Jan Hendrik Vermaas (18) om in de haven van Middelharnis. 
Zie bericht van 22 september 2013.

Zoals indertijd gebruikelijk was werd de gebeurtenis op rijm gezet en in druk uitgegeven. In het Eilanden-nieuws van 12 mei 1995 heeft Jan Both de gebeurtenis gememoreerd en de tekst van het gedicht weergegeven.











Marinus Faasse en Pleun Meijboom overleefden het ongeluk.
Pleun Meijboom hield het vissersberoep voor gezien. Enkele jaren later is hij alsnog omgekomen. Hij verdronk op 12 januari 1891 bij Bilbao, 21 jaar oud. Hij was aan boord van de SS Rhenania.

Jan Hendrik Vermaas (1849-1912) en Neeltje Schoolenberg (1847-1925)

Jan Hendrik Vermaas en Neeltje Schoolenberg zijn op 25 september 1867 in Dordrecht getrouwd. Hij was toen achttien en zij twintig jaar oud. Jan Hendrik was zeilmaker.
Twee maanden na het huwelijk werd zoon Jan Hendrik in Dordrecht geboren. Daarna volgden Herbert Jan, Elizabeth en Pieternella. 

Zeilmaker in Middelharnis
Op 19 juni 1871 kwamen Jan Hendrik en Neeltje met vier kinderen naar Middelharnis waar Jan Hendrik als zeilmaker ging werken. Pieternella was toen net twee maanden oud. Het gezin ging in de Vissersstraat wonen. Omdat deze huizen eigendom waren van reder Kolff neem ik aan dat Jan Hendrik voor Kolff ging werken. 
De visserij in Middelharnis stond aan het begin van een nieuwe bloeiperiode, de perspectieven om hier een goede boterham te verdienen waren gunstig.
In Middelharnis kreeg het echtpaar nog zeven kinderen:  Leendert, Christina, Neeltje, Nicolaas, Christiaan, Jannetje Hendrika en Cornelia Catherina Wilhelmina (1).

Zonen werden visser
Jan Hendrik, Nicolaas en Christiaan werden visser. Een logische stap: de kinderen groeiden op in de vissersbuurt en waren dus van jongs af aan vertrouwd met de visserij. En er was genoeg werk, ook voor jongens die niet uit de traditionele vissersfamilies kwamen.
Zoals zoveel gezinnen in Middelharnis werd ook dit gezin zwaar getroffen : twee zonen zijn bij de uitoefening van dit beroep omgekomen.

Ongeluk in de haven van Middelharnis
Jan Hendrik Vermaas (1867-1886)  verdronk op achttienjarige leeftijd in de haven van Middelharnis. 
Van de toedracht van het ongeval op 12 juli 1886 staat een verslag in de Maas- en Scheldebode van 15 juli. De MD12 Twee Cornelissen was een sloep van reder Kolff.
Zie ook het gedicht in het volgende bericht.




Pieter van der Valk (1866-1886) was twintig jaar toen hij verdronk, hij was een zoon van Jacob van der Valk (koetsier van beroep) en Adriana van Alphen.
Het lichaam van Jan Hendrik Vermaas is begin september 1886 gevonden op het Kraaijensteinse gors, gemeente Sommelsdijk. 

Het dochtertje dat op 12 september 1886 in het gezin Vermaas werd geboren werd naar haar overleden broer vernoemd: Jannetje Hendrika.

De ramp met de Zeemanshoop
Nicolaas Vermaas (1882-1895) is op dertienjarige leeftijd omgekomen. Hij was aan boord van de sloep MD18 Zeemanshoop, schipper Willem Viskil, die in de nacht van 6 op 7 december 1895 met man en muis is vergaan.
Nicolaas was het op een na jongste bemanningslid van de Zeemanshoop. Barend Kattestaart (1883-1895) was met twaalf jaar de jongste aan boord. Mijn overgrootvader Gerrit Jongejan was het oudste bemanningslid, hij was 63.

Voor de ramp met de Zeemanshoop zie o.a. de berichten van 5 februari 2012, 11 en 16 mei 2013 op dit weblog.


Enkele foto's van later datum
De meeste kinderen van Jan Hendrik en Neeltje verlieten het eiland. Terug naar Dordrecht waar ze familie hadden, of zoals zovelen naar Rotterdam. Jannetje Hendrika is altijd in Middelharnis gebleven. Ze trouwde in 1908 met Adrianus Krijgsman.


Christiaan Vermaas geb.1884 en zijn vrouw Koba
het echtpaar woonde in Spangen (Rotterdam)


Jannetje Hendrika Krijgsman-Vermaas geb. 1886 de foto is uit 1967


1. Zie genealogie Wouter Claes voor de geboortedata van de kinderen.
Met dank aan Johan Everaers voor de beide foto's.
 






donderdag 19 september 2013

Betrekkingen tussen Middelharnis en Antwerpen in de negentiende eeuw

Vroege handelsbetrekkingen
Van de zeventiende eeuw tot rond 1840 was Antwerpen een belangrijke afzetmarkt voor verse vis die via Middelharnis werd aangevoerd. Het vervoer werd door kleine schepen van ventjagers gedaan. Er waren dus van oudsher al contacten tussen Middelharnis en Antwerpen. Zie hiervoor de scriptie van Marco Kuiper Vissers en ventjagers.

Reder Jacques van Baelen
In 1859 vertrok Willem Jongejan met zijn gezin vanuit Middelharnis naar Antwerpen (zie tekst van 16 mei 2013 op dit weblog) om als visser in dienst te treden bij reder Jacques van Baelen. Dit was de belangrijkste rederij van Antwerpen wat betreft de zeevisserij.
In 1865 is door het Belgische parlement een commissie ingesteld om onderzoek te doen naar de toestand van de zeevisserij. Een van de commissieleden was de werkgever van Willem Jongejan, Jacques van Baelen reder te Antwerpen (1). Van Baelen was zelf visser geweest, dus een man van de praktijk. 
Uit het rapport van het onderzoek blijkt dat Antwerpen voor 1837 geen sloepen had en dat de eerste sloep hier door Van Baelen in 1838 is geïntroduceerd. In 1866 telde de vloot elf sloepen van zestig tot tachtig ton elk die aan de Jordaenskaai lagen. Een kleine vloot, vergeleken met Oostende waar wel 160 sloepen hun thuishaven hadden.


Zicht op de Scheldebocht vanaf de Rijnkaai te Antwerpen in 1880.
De vaartuigen vooraan zijn Antwerpse sloepen.
Schilder: R. Montgomerij
Afgebeeld in:
Desnerck, Vlaamse visserij en vissersvaartuigen, dl.1 1974.

De Antwerpse zeevisserij
Uit de beschrijving die in het rapport van de visserij in Antwerpen gegeven wordt blijkt dat er op dezelfde manier gewerkt werd als in Middelharnis. Er wordt gevist met haken, de bemanningsleden delen in de winst, de bemanning bestaat uit 11-12 man, men vist op de Doggersbank op 62 graden NB, op schelvis en kabeljauw (hier zijn twee Franse woorden voor: cabillaud voor verse kabeljauw en morue voor gezouten vis). Ook rog, tarbot en heilbot worden gevangen. De reizen duren 2-4 weken. De opbrengst wordt verdeeld in 16 delen: een deel per matroos, een driekwart voor de schipper en voor de jongens 1/3 tot 5/6 per persoon. De kosten van voeding waren ook voor gezamenlijke rekening.

Tussen 1842 en 1867 werden premies verstrekt aan Antwerpse reders voor de hoekwantvisserij, de grote haringvisserij en de zomer-kabeljauwvisserij. De belangrijkste verdediger van de Antwerpse belangen was Jacques van Baelen die zich rond 1865 verzette tegen het afschaffen van de premies.
Rond 1840 begon men met de beugvisserij, men viste op de Hollandse manier met lijnen tot 16 kilometer (2). In 1895 is men gestopt met de zomerkabeljauwvisserij en de visserij op verse vis. De winterkabeljauwvisserij is al in 1871 beëindigd. Op het hoogtepunt 1867/68 bood de Antwerpse vissersvloot werkgelegenheid aan 132 vissers op 13 sloepen.
De sloepen leken veel op de sloepen van Pernis (3). Zie ook de reactie onderaan dit bericht.


Foto van de Brouwersvliet in Antwerpen rond 1870
links twee Antwerpse sloepen
met dank aan Raymond Van Ael te Antwerpen


Middelharnis-Antwerpen
Er waren naast Willem Jongejan meer vissers uit Middelharnis die op een Antwerpse sloep voeren. De Middelharnisse vissers stonden bekend als uitstekende beugvissers. Ze werden aangetrokken door Antwerpse reders om Antwerpse vissers het vak bij te brengen. Hendrik de Korte (4) zegt hier het volgende over:

De Belgen wilden vanuit Antwerpen een beugvisserij oprichten, wat ook enige jaren is gelukt. Vele Middelharnisse vissers hebben van Antwerpen gevaren, omdat België geen geschoold volk had met de beug bekend. Ook in Oostende bedreef men de beugvisserij met hulp van Hollanders omdat men de techniek verleerd was (5).


De rampen met de Antwerpse sloepen Josephine in 1863 en De Hoop in 1865
Twee inwoners van Middelharnis zijn tijdens de hevige storm van 3 en 4 december 1863 als bemanningslid van de Antwerpse sloep Josephine verdronken. De stuurman van deze sloep heette volgens de Nederlandse huwelijksbijlagen Weerman (Weiremans, Weeremans). Het Handelsblad van Antwerpen vermeldt J. Francke als 'patron' op 29 december 1863 ; het was een sloep van de bovengenoemde reder J. van Baelen en Co. 
Van de sloep Van Baele konden alle bemanningsleden worden gered.
In deze storm vergingen ook de Eben Haëzer en de Vrouwe Aplonia uit Middelharnis met man en muis en vele sloepen uit andere vissersplaatsen. Zie de tekst van 7 november 2013.

De sloep De Hoop uit Antwerpen verging in januari 1865 met aan boord Willem Jongejan. (Bron: Handelsblad van Antwerpen, 29 en 30 januari 1865).

Latere contacten
In 1888 werden twee Antwerpse schepen aan de vloot van Middelharnis toegevoegd, de A11 Avenir en de A12 Pionier van de rederij weduwe Manroij voor rekening van K.J. Meijer uit Middelharnis.

Noot: zie ook de aanvullingen in de reactie van Raymond van Ael uit Antwerpen onderaan dit bericht.
1. Rapport de la commission chargée de faire une enquête sur la situation de la pêche maritime en Belgique. Chambre des Représentants, Séance de 17 mai 1866. p.5.26,
2. Gaston Desnerck en Roland Desnerck. Vlaamse visserij en vissersvaartuigen. 2 dln, 1974. deel 1 p. 221-226.. Op p. 224 een overzicht van de vlootgegevens (sloepen en bemanningsleden).
3. idem. deel 2, p. 193-200. Andere reders waren: J. van den Bemden, wed. H. van den Bemden. Er waren ook schipper-eigenaren.
4. H. de Korte Johsz. Iets over de visserij van Middelharnis. Eilanden-nieuws 1947, deel 5.
5, Desnerck, deel 1 , p. 18

donderdag 22 augustus 2013

De weersgesteldheid in Middelharnis 1861-1864 volgens het journaal van Arie van Trierum

Over Arij van Trierum (1826-1901) en zijn vrouw Petronella Moll staat al een bericht op dit weblog, zie de tekst van 3 maart 2012. Arij was een van mijn betovergrootvaders, herbergier van Hotel Bellevue aan het Zandpad in Middelharnis.

Hij was erg geïnteresseerd in het weer. Dagelijks noteerde hij de weersgesteldheid in een journaal en aan het eind van het jaar maakte hij er een statistiek van. De Zierikzeesche Nieuwsbode heeft zijn overzichten over de jaren 1861, 1862 en 1864  afgedrukt. Het gaat om zeer eenvoudige gegevens : windrichting, regen, onbewolkte lucht. Een deel van de gegevens is ook voor 1859 en 1860 vermeld. Het jaar 1859 was uitzonderlijk: 89 regendagen en 176 dagen met onbewolkte lucht. 


Zierikzeesche Nieuwsbode, 8 januari 1862


Zierikzeesche Nieuwsbode,14 januari 1863

Zierikzeesche Nieuwsbode, 15 februari 1865

Deze gegevens heb ik via de Krantenbank Zeeland gevonden. Waarschijnlijk heeft Van Trierum het journaal over een langere periode bijgehouden en mogelijk heeft hij zijn gegevens ook naar andere kranten opgestuurd. 

Ook toen het KNMI al opgericht was (in 1854 door Buys Ballot), was het verzamelen van gegevens over het weer nog veelal afhankelijk van liefhebbers zoals Van Trierum. Zie de website van het KNMI voor een overzicht van antieke waarnemingen.

Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen heet het standaardwerk van J. Buisman over het weer in vroeger tijden. Deel 1 verscheen in 1995, deel 5 is van 2006 en loopt van 1675-1750. In dit deel wordt Middelharnis genoemd in relatie tot de stormvloed van 1682:
Op de Zuid-Hollandse eiland stroomt een aantal polders op Goeree en Overflakkee vol. In Ooltgensplaat verdrinken 22 mensen en veel vee en in Middelharnis spoelen de hoofden en het vuurbaken weg. De twee bakenstokers verdrinken (1).
Het deel van dit werk over de negentiende eeuw is nog niet verschenen. Van Trierum en zijn waarnemingen uit Middelharnis krijgen hierin hoop ik een (bescheiden) vermelding.

1.  J. Buisman. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen, onder red. van A.F.V. van Engelen. dl.5. 1675-1750. Franeker, 2006. p. 93. Interessant is ook bijlage 22, p. 902 over vermeldingen van scheepsrampen in relatie tot weersgesteldheid.



vrijdag 9 augustus 2013

Matthijs Onderdelinden (1818-1896) en Aagje Korteweg (1819-1895)

De oudste kinderen van Matthijs Onderdelinden en Aagje Korteweg zijn in Middelharnis geboren en de jongere kinderen op Texel in De Cocksdorp. Reden om hun levensloop nader te bekijken. Ook bijzonder is dat ze ruim vijftig jaar bij elkaar geweest zijn, in de negentiende eeuw kwam dit weinig voor.

Maas- en Scheldebode, 25 augustus 1893
Ouders
Aagje Korteweg is een dochter van Cornelis Korteweg en Leentje Hollaar. Ze is geboren op 24 april 1819 in Sommelsdijk.
Matthijs Onderdelinden (ook wel geschreven als Onderdelinde, Onder de Linden en varianten) is een zoon van Gerrit Onderdelinden  en Neeltje Dominé, geboren op 6 oktober 1818.
Zie ook de tekst op "Arjaentje" van 7 augustus 2013.

Matthijs was negen jaar oud toen zijn vader op 5 maart 1828 verdronk.

Gerrit Onderdelinden (1798-1828) was een van de bemanningsleden van de sloep Catharina Elisabeth die met man en muis vergaan is. De moeder van Matthijs is in 1831 hertrouwd.

Huwelijk en kinderen van Matthijs Onderdelinden en Aagje Korteweg
Aagje Korteweg heeft op 6 december 1842 een zoon gekregen die Gerrit Korteweg heette. Matthijs Onderdelinden en Aagje Korteweg zijn op 20 augustus 1843 in Sommelsdijk getrouwd, allebei 24 jaar oud. Matthijs heeft het kind van Aagje toen erkend. Helaas is Gerrit een maand na het huwelijk op 18 september 1843 overleden.
Matthijs was visser toen hij trouwde en Aagje was arbeidster.
Op 4 januari 1845 werd Cornelis Leendert Onderdelinden geboren, dochter Neeltje uit 1847 leefde maar kort, in 1849 werd opnieuw een dochter Neeltje geboren, in 1851 kwam Leentje en in december 1852 Gerritje. Deze kinderen zijn in Middelharnis geboren. 
Pieter Onderdelinden werd op 25 maart 1854 op Texel - De Cocksdorp geboren, Wouterina in 1856 , Gerrit Onderdelinden in 1857. Ook werd op Texel twee keer een dochtertje Marina geboren in 1858 en 1859, zij hebben allebei maar kort geleefd.
Marinus Onderdelinden was de jongste zoon, geboren 28 april 1861 op Texel.

Schelpenvisser op Texel
Matthijs en Aagje zijn in 1853 naar Texel verhuisd. Het moment van verhuizen valt samen met het overlijden van Cornelis Vervaart, de stiefvader van Matthijs (zie bericht van 7 augustus 2013).
Matthijs vond werk als schelpenvisser in De Cocksdorp, een dorp dat in korte tijd uit de grond gestampt en bewoond geraakt was. In 1855 waren er 276 inwoners.
Texel kende, anders dan Middelharnis, verschillende maritieme bedrijfstakken. Naast de visserij waren ook de wiernijverheid en de schelpenvisserij van belang.  De schelpenvisserij won vanaf 1848 op Texel aan betekenis.  De schelpen, meestal van kokkels, werden met een soort hark binnenboord gehaald en vervolgens naar kalkbranderijen in Makkum of Harlingen vervoerd. Ook werden ze op andere plaatsen afgeleverd ten behoeve van aanleg en onderhoud van wegen. In de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw had Texel een aandeel van 85% in de schelpenvisserij in Noord-Holland terwijl dit eerst 25% was. Door de grote concurrentie raakten de schelpenbanken uitgeput. De neergang van deze sector zette rond 1870 in (1).
Matthijs Onderdelinden vond tijdens deze bloeiperiode werk als schelpenvisser op Texel. Toen het in Middelharnis weer beter ging met de visserij halverwege de jaren zestig keerde hij terug naar zijn geboortedorp.

Terug naar Middelharnis
Matthijs Onderdelinden en Aagje Korteweg zijn op 11 augustus 1865 met hun acht kinderen (vier zonen en vier dochters) teruggekomen naar Middelharnis waar Matthijs weer visser werd. De vier zonen Cornelis Leendert, Pieter, Gerrit en Marinus werden eveneens visser. De dochters werden dienstbode en trouwden met een visser of een arbeider.

De kinderen
- Cornelis Leendert Onderdelinden werd visser en hij trouwde met Jannetje van Antwerpen. Zij zijn in 1871 kort na de geboorte van hun dochter Aagje naar Noord-Amerika verhuisd, in 1874 teruggekomen en in februari 1882 voorgoed met hun twee kinderen naar Noord-Amerika (Paterson) geëmigreerd. 
Neeltje Onderdelinden trouwde in 1873 met Johannis Springvloet Dubbeld die arbeider was. Dit gezin is al vroeg naar Rotterdam vertrokken waar Johannis in 1884 overleden is. Neeltje heeft nog twee jaar in Middelharnis gewoond met haar vijf kinderen en is in 1886 weer naar Rotterdam verhuisd. Ze is hertrouwd en in 1925 overleden.
- Leentje Onderdelinden trouwde in 1878 met Machiel Dubbeld, die visser was. Een zoon van Hendrik Dubbeld en Woutrina van den Bos. Leentje is in 1908 overleden.
- Gerritje Onderdelinden was dienstbode en is in 1876 getrouwd met Jan Breeman, visser, zoon van Job Breeman (visser) en Neeltje van den Broeke. Jan Breeman is al in 1886 overleden. Gerritje had een winkeltje om in haar levensonderhoud te voorzien. Ze is hertrouwd en in 1936 in Oegstgeest overleden.
- Pieter Onderdelinden werd visser, Hij trouwde in 1881 met Huibertje Dubbeld, een zus van bovengenoemde Machiel. Zij kregen zes kinderen.
- Wouterina Onderdelinden is in 1880 met Daniël Adrianus de Graaf een arbeider uit Den Bommel getrouwd.
- Gerrit  Onderdelinden werd ook visser en trouwde met Gijsje Klaasje Koper,een dienstbode uit Sommelsdijk. Ze kregen zeven kinderen.
- Marinus werd visser en trouwde in 1884 met Geertje Vroegindeweij. Zij kregen zeven kinderen waarvan er een jong overleden is.

Drie van de zonen van Matthijs en Aagje bleven visser in Middelharnis. Een beroep met een hoog risico en veel slachtoffers, ook in de familie Onderdelinden.

Op zee gebleven
Zoals we zagen was de vader van Matthijs in 1828 verdronken de ramp met de Catharina Elisabeth.
De jongste zoon van Matthijs en Aagje, Marinus Onderdelinden (1861-1895),  is omgekomen bij de ramp met sloep Zeemanshoop in de nacht van 6 op 7 december 1895.  Geertje Vroegindeweij bleef met zeven jonge kinderen achter, de jongste was begin 1895 geboren en de oudste in januari 1885.
Moeder Aagje Korteweg is drie weken na deze ramp overleden, 76 jaar oud en vader Matthijs Onderdelinden enkele maanden later op 77-jarige leeftijd.

De volgende generatie telde twee heel jonge slachtoffers, allebei aan boord van Luctor et Emergo die op 24 januari 1910 met de volledige bemanning is vergaan. Marinus Onderdelinden (1898-1910) was elf jaar, bijna twaalf en zijn neef Machiel Onderdelinden (1891-1910) was achttien jaar oud. Marinus was koffiekoker en Machiel was bovenman.
Arjanus Faasse heeft vanaf april 1909 als elfjarige als kofjekokertje gevaren op de Luctor et Emergo. In het najaar van 1909 kwam Marinus Onderdelinden in zijn plaats. Arjanus schrijft (2):
In de winter volgende op het jaar waarin ik mijn eerste zomerreis maakte, is deze sloep gebleven op het zeemanskerkhof. Waarom moest Marinus Onderdelinden, die in mijn plaats in het najaar aan boord stapte van de Luctor Et Emergo met twaalf mensen verdrinken ? Waarschijnlijk onder een hoop water bedolven tijdens een vliegende storm. Noch van het schip, noch van de bemanning, noch van de tuigage of enig ander onderdeel van het schip heeft men ooit iets teruggezien. Men wachtte maar en men wachtte, maar men wachtte tevergeefs 
Marinus  was een zoon van Gerrit Onderdelinden en Gijsje Klaasje Koper, hij werd op 16 februari 1898 geboren (3).
Machiel was een zoon van Pieter Onderdelinde en Huibertje Dubbeld, geboren op 26 november 1891. Zie voor de familie Dubbeld de tekst van 12 juli 1913.


1.Rob van Ginkel. Tussen Scylla en Charybdis, een etnohistorie van Texels vissersvolk (1813-1932). p.51, 121-124.
2. Arjanus Faasse, Zee en eiland, Middelharnis, ca. 1962, p. 49 en 84

Genealogische gegevens Onderdelinden zijn ontleend aan Genealogie Onderdelinden op de website Rijerkerk.net. zie de nrs. 121,174,245,382-390.
3. Over hun zoon Matthijs geb 1902 staat onder nummer 543 vermeld dat hij in 1923 als verstekeling probeerde naar Paterson te komen. Hij is teruggestuurd naar Nederland.