zondag 30 augustus 2020

De traap (draap, droep), een vergeten vistuig

Van de oude vistechnieken met lijnen en haken zijn de beug en de kol het bekendste. Minder bekend zijn de plomp en de traap. Begin dit jaar hebben we het vistuig voor de plompvisserij besproken (zie bericht op dit weblog van 7 januari 2020). Nu volgt een korte uiteenzetting over de traap, ook wel draap of droep genoemd.

In het boek Vissers van de Noordzee vinden we de volgende uitleg:
Een andere vorm van hoekwantvisserij was het vissen met de traap of makreellijn, in Middelharnis weer 'droep' geheten. Aan een met lood verzwaarde lijn hingen een of meer stokjes met elk een zijlijn of stel, voorzien van een vishaak met aas. Met viste er niet mee op bodemvis, maar op hoger zwemmende vissen, zoals makreel. Men gebruikte de traap tijdens het naar huis zeilen. De vaarsnelheid mocht niet te hoog, maar ook niet te laag zijn. In het eerste geval zweefde de traap te dicht bij de oppervlakte, in het tweede geval zakte zij te diep in het water. (1)
De naam Trapegeer, een evenwijdig aan de kustlijn gelegen zandbank op nauwelijks anderhalve kilometer van de zeedijk van De Panne, is te herleiden tot de traapvisserij.

De traapvisserij is als vorm van hoekwantvisserij ongetwijfeld een zeer oude visserijmethode. Reeds in 1300 werden er te Kales (Calais) 55.000 stuks makreel ontscheept. Deze en andere vissoorten, werden gevangen met het hoekwant. De traapvisserij werd voornamelijk langs de kust bedreven. In volle diepe zee kon de methode niet worden toegepast en was men aangewezen op handlijnen, zoals de ‘kollijn’ die gehanteerd werd door de IJslandvaarders (2).

Het vissen met de traap was voor de vissers van Middelharnis geen hoofdzaak maar bijzaak. De traap werd gebruikt om op aas te vissen en om voor eigen gebruik een zoodje vis te vangen.


Afbeelding van de traap. Uit: J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars, p. 32


De draap is een henneplijn van 1 cm doorsnede en hoogstens 250m. lang. Aan het ondereinde hing een draaplood van 4 1/2 kg. Dicht bij het lood waren in de draaplijn 2 of meer traapstokjes (houtjes gesneden uit hoepels) bevestigd, waaraan vislijntjes van 3,5 tot 4 meter lengte vastgemaakt werden, die waren voorzien van een geaasde traaphaak. Het draapvistuig werd tijdens de (thuis)vaart overboord gehangen en zweefde dan op een zekere hoogte door het water. Men ving er de hoog zwemmende makreel, knorhaan, wijting of andere kleine rondvis mee, veelal met het doel om deze als aas te gebruiken.(3)
De gaffelschuit Twee Gebroeders uit Middelharnis werd in 1750 te koop aangeboden. Tot het inventaris behoorden twee draaploden, ongetwijfeld het duurste onderdeel van het vistuig.(4)

Hendrik de Korte vertelt hoe het vissen met de traap rond 1900 er in de praktijk aan toe ging:
De matrozen en de twee grote jongens gaan nu ook naar de kooi en de drie kleinsten krijgen nu de wacht. De ,,koffiekoker" moet nu de levers in de ton steken, en de ,,ketellapper" de ,,zwembalk" te drogen leggen waar daar maar plaats voor is. Ook moeten zij op den ,,droep" (vistuig om makreel te vangen) passen en die nu en dan eens ophalen (5).


1. J.P. van de Voort. Vissers van de Noordzee. Het Nederlandse visserijbedrijf in geschiedenis en volksleven. 's-Gravenhage, 1975. p. 14.
2. De Grote Rede: Nieuws over onze Kust en Zee, 14 (2005).Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ): Oostende. 17-19 (via vliz.be)
3. J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars. Emmen, 2008, p. 31-32.
4. idem, p. 177
5. Hendrik de Korte, Iets over de visserij van Middelharnis, aflevering 20, Eilanden-nieuws, 29 oktober 1947.

zaterdag 4 juli 2020

Het linieschip de Waterloo en de hulpverlening door vissers (1827)

OIn 1826 besloot Koning Willem I tot het oprichten van een Expeditionaire afdeling Infanterie om  de strijdkrachten in Oost-Indië te versterken. De troepen bestonden uit ca. 2.800 man, die deels met marineschepen en deels met ingehuurde schepen naar Java werden gebracht. 
De marineschepen de Wassenaar en de Waterloo vertrokken van Nieuwediep met elk 667 man aan boord. West-Europa werd tussen eind december 1826 en eind januari 1827 door noodweer getroffen. Het linieschip de Wassenaar verliet op 12 januari 1827 de haven van Nieuwediep, kwam in noodweer terecht, verloor de grote mast en liep anderhalf uur benoorden Egmond op een zandbank. Zeven marine-opvarenden en ongeveer honderd soldaten kwamen om.

De Waterloo, kapitein A. van Daalen, vertrok op 29 december 1826, kwam in noodweer terecht, verloor alle tuigage en dreef af naar het Duitse eiland Borkum, vijf mijl van Delfzijl.
Via de visschuit van de loods W.C. Staghouwer stuurde Van Daalen een bericht aan de burgemeester van Delfzijl met het verzoek aan de autoriteiten van Ameland, Schiermonnikoog, Vlieland, Terschelling en Texel te vragen om alle geschikte schepen de zee op te sturen om assistentie te verlenen.(1) Uit Zoutkamp vertrokken bijvoorbeeld 21 visschuiten, die op 21 januari vanwege slecht weer en ijsgang weer terugkeerden. De Waterloo lag voor anker, maar kon door drijfijs en slecht weer niet bereikt worden door de schepen die te hulp schoten. De bemanning wist de Waterloo te voorzien van noodtuig. Op 25 januari 1827 vond de Waterloo een veilige ligplaats onder Helgoland. 

De heer F. Varkevisser, reder in Scheveningen, stelde zich aan het hoofd van een expeditie van zes pinken die zich in Nieuwediep gereed hielden om de Waterloo te hulp te komen. Texelse loodsen weigerden in zee te gaan. Op 29 januari  gingen zes pinken, twee Texelse loodsschuiten en een vissloep naar zee. Deze vissloep was de Vrede uit Zierikzee, schipper Maarten Abeele (afkomstig uit Middelharnis). De pinken en de loodsschuiten gingen binnendoor, de Zierikzeese sloep door het Muidergat buitenom. Bij Borkum aangekomen kwamen ze erachter dat de Waterloo hier niet meer was. Ze waren Helgoland tot op 6 mijl genaderd toen ze door hevige storm, hoge zee en jachtsneeuw teruggedreven werden. Ze zwalkten voor Texel in zee en kwamen 5 februari weer in Nieuwediep aan. Alleen de vissloep de Vrede wist de Waterloo te bereiken. Kapitein Van Daalen stuurde de sloep naar Cuxhaven om te verkennen of de Elbe ijsvrij was.



Middelburgsche Courant, 27 februari 1827

De pinken gingen terug naar Scheveningen maar hielden zich gereed om eventueel troepen van de Waterloo te vervoeren als dat nodig mocht zijn. Inmiddels had de Minister van Marine en Koloniën op 28 januari een verzoek aan de Vlaardingse reders gericht om schepen te sturen. Zeven Vlaardingse vishoekers en een sloep uit Pernis voeren op 2 en 4 februari uit. Het ging om de hoekers Stede Vlaardingen, Catharina en Adriana, 4 Gezusters, Vrouw Neeltje, Lijnbaan, Jonge Francois en Zeelust en om de sloep Hoop op Beter uit Pernis (2).
Ze wisten de Waterloo te vinden en brachten het schip op 18 februari naar Texel. Door de aanhoudende vorst waren de Nederlandse zeegaten onbereikbaar, vandaar dat ze naar Engeland uitweken.




De schepen van Oorlog "Wassenaar" en "Waterloo", bestemd met troepen naar Oost-Indien,
door een storm overvallen op de Noordzee, 12 en 13 January 1827. Tekening van P.J.L. Haars,
Maritiem Museum Rotterdam, P 406.

Na 42 dagen in de Noordzee rondgezwalkt te hebben liep de Waterloo de Theems binnen tot voor Sheerness, vergezeld van de zeven hoekers en de sloep. Het schip is in Chatham hersteld en een aantal opvarenden is daar verpleegd. Tenminste vier opvarenden overleden. De Waterloo is rond 9 mei 1827 uit Engeland vertrokken en arriveerde 1 september 1827 op de rede van Semarang. Aan boord van het schip overleden 32 opvarenden. Twee opvarenden zijn tijdens de barre tocht over de Noordzee overboord geslagen en verdronken.


1. Bredasche Courant, 27 januari 1827
2. Nationaal Archief, 3.11.05, Gecommitteerden IJslandsche kabeljauwvisserij, inv. nr. 1, p. 249.

Tenzij anders vermeld is de tekst gebaseerd op:
G.A. Geerts, De lotgevallen van Zijner Majesteits linieschip "De Waterloo". 1991

zondag 31 mei 2020

Redding van de 40-koppige bemanning van het stoomschip Pylades door een sloep uit Middelharnis (1835)

In 1835 figureerden vissers uit Middelharnis in de zeer geruchtmakende zaak van de ondergang van het stoomschip Pylades.

De bouw van het stoomschip Pylades (1826-1834)
Tijdens de regering van Koning Willem I werd de toepassing van de stoomtechniek meer en meer verbreid. Engeland vervulde een voorbeeldfunctie. De koning zelf was bijzonder geïnteresseerd en vroeg zich af of de stoommachine ook bij de Nederlandse marine toegepast kon worden. Hij stuurde Gerhard Moritz Roentgen naar Engeland om zich te oriënteren. Roentgen raakte enthousiast. In 1824 werd aan Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (N.S.M.) de opdracht tot de bouw van een stoomschip gegeven. Dit schip kreeg de naam Atlas. Het bleek tijdens de eerste proefvaart niet te voldoen. In 1832 gaf de koning bevel tot de sloop van het vaartuig. Het avontuur kostte de staat 750.000 gulden. De ontwikkeling van de Nederlandse stoomvaart stond niet stil. In 1827 werd de eerste transatlantische reis gemaakt met de Zr. Ms. Stoompakket Curaçao. Het stoomschip werd in Engeland aangekocht. De Curaçao onderhield een geregelde postverbinding tussen Nederland en de koloniën om Amerika.





Stoomoorlogsschip Zr.Ms.Curacao (1826-1846)
Nederlands Instituut voor Militaire Historie (00612)


Gouverneur-generaal G.A.G.P. van der Capellen van Nederlands-Indië adviseerde (in 1823) in de wateren rond Java een stoomboot in te zetten om de zeeroverij te bestrijden en vroeg voor dit doel twee stoomvaartuigen aan. In 1826 kreeg de N.S.M. de opdracht tot de bouw van twee stoomschepen, bestemd voor de dienst in Indische wateren. De wens van de gouverneur-generaal zou in vervulling gaan. De schepen zouden de namen Orestes en Pylades dragen, de namen van twee onafscheidelijke vrienden uit de Griekse mythologie. De schepen zouden worden uitgerust met twee machines van elk tachtig pk, maar ook met drie masten met schoenertuig. De schepen konden dus zowel van stoom als van windkracht gebruik maken. De Zuidnederlandse firma Cockerill zou de machines leveren, waarvan de ketels moesten bestaan uit koper, een zeewaterbestendig materiaal.
De tegenslagen stapelden zich tijdens de bouw van deze schepen op. De aanneemsom was 700.000 gulden voor de beide schepen samen, de kosten bedroegen uiteindelijk 1,2 miljoen gulden. In afwachting van een nader technisch en financiëel onderzoek werd de afbouw van de schepen opgeschort. Dit onderzoek was in 1831 gereed. Inmiddels had de nieuwe gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, J. van den Bosch, laten weten dat de beide stoomvaartuigen niet meer nodig waren omdat de zeeroverij verminderd was. De koning gaf op 8 augustus 1831 bevel tot het slopen van de beide casco's en tot verkoop van de machines. De rompen van de schepen werden onderhands aan de N.S.M. verkocht en de machines werden geveild. Totaal schoot de staat er 700.000 gulden bij in. De N.S.M. liet de Orestes slopen. Op 10 november 1832 bood de N.S.M. de staat aan om binnen vier maanden een oorlogsschip te leveren. Dit aanbod kwam op het moment dat Engeland en Frankrijk overgingen tot een blokkade van de Nederlandse kust om de overgave van de citadel van Antwerpen af te dwingen. In juni 1833 accepteerde de staat het aanbod onder voorwaarde dat de machines van de gesloopte Atlas gebruikt zouden worden. De Pylades verkeerde in deerniswekkende toestand. De machines waren verwijderd, het schip had jaren met opengebroken dek voor de kade gelegen, de gehele romp bleek verrot te zijn. Het gevolg was dat een vrijwel totale herbouw van het schip nodig was. De opvolger van Van den Bosch als gouverneur-generaal Nederlands-Indië was J.C. Baud. Hij liet weten behoefte te hebben aan een stoomschip voor troepentransport. Het departement van Koloniën kocht de Pylades op 10 december 1834 voor 350.000 gulden, op voorwaarde dat de koop pas definitief was als het schip in Indië aankwam. Een proefvaart op 17 december van de werf Feyenoord naar Den Briel en terug in december 1834 verliep naar wens.



Rotterdamsche Courant, 18 december 1834.



De ondergang van de Pylades
Op 29 december 1834 vertrok de Pylades uit Rotterdam. De kapitein was J. Bunnemeijer. Het zou de eerste keer zijn dat de reis tussen Nederland en Nederlands-Indië met een stoomschip ondernomen werd. De reis ging via de Oude Maas en het Haringvliet naar Hellevoetsluis, waar de Pylades op 2 januari 1835 arriveerde. Hier werd een loods aan boord genomen. Het schip was om twee uur in de middag buitengaats. De loods zou hier normaal gesproken het schip verlaten, maar de kapitein vond het verstandig om hem nog langer aan boord te houden. De loodsboot ging terug. Aan de stuurman van de vissloep de Hoop uit Middelharnis werd gevraagd om in de buurt van de Pylades te blijven en de loods later die middag over te nemen (1). Na een voorzichtige navigatie door het ondiepe Slijkgat, verliet de loods het schip bij de laatste ton. Dat gebeurde om vier uur in de middag. Na een half uur rapporteerde de machinist dat de machinekamer snel water maakte. Ondanks alle pogingen om een ramp te voorkomen bleef het water stijgen. Korte tijd later werd de aandacht van de loods getrokken door het luiden van de noodklok en het branden van vuren op de Pylades. Met behulp van de sloep de Hoop werd nog geprobeerd om het schip naar ondieper water te slepen. Voordat dit bereikt kon worden zonk de Pylades kort na middernacht. Een van de stokers verdronk. Hij was afkomstig uit Dordrecht en liet een vrouw en twee kinderen na (2).
De veertigkoppige bemanning werd door de vissloep aan boord genomen en in de morgen in Hellevoetsluis aan wal gezet. De bemanning van een sloep bestond uit dertien personen, er moeten dus 53 man aan boord geweest zijn. Aren Janse de Waard was de stuurman van de Hoop. Toevallig lag het stoomschip Curaçao in Hellevoetsluis. Dit schip voer uit om de juiste positie en ligging van het wrak te bepalen. De Pylades bleek tegen de steile kant van de Ooster, een zandbank ten westzuidwesten van Goeree, te liggen op een diepte van 12 vadem. De schoorsteen was nog zichtbaar. De N.S.M. huurde zes tot acht vissloepen uit Middelharnis in om te proberen, samen met enkele stoomboten, het schip te lichten.
Dagblad van 's Gravenhage, 9 januari 1835.

Treurzang bij het te gronde gaan der
stoomboot Pylades op den 2 januarij 1835
Het Scheepvaartmuseum Mm-2638 


De ramp met de Pylades riep vele vragen op. Ingezonden brieven in het Algemeen Handelsblad suggereerden dat er opzet in het spel was. Ook werden mogelijke constructiefouten als oorzaak aangewezen (3). Het schip was in Engeland voor 326.000 gulden verzekerd en in Amsterdam en Rotterdam voor 100.000 gulden. De Britse verzekeraars en de N.S.M. hebben verschillende pogingen in het werk gesteld het wrak te lichten, zonder resultaat. De assuradeuren betwistten de zeewaardigheid van het schip en weigerden tot uitkering over te gaan. Ze werden door het Hof in Londen in het ongelijk gesteld (4).

De vissloep de Hoop en stuurman Aren Janse de Waard
De sloep de Hoop is in 1821 gebouwd in opdracht van de boekhouder Lambertus Kolff van Oosterwijk. De Hoop was na Vrouw Aplonia en Jonge Jacomina de derde sloep die in Middelharnis in gebruik kwam. Het schip had in 1831 twaalf eigenaren(5).
Aren Janse de Waard (1784-1864) was de eerste stuurman van de Hoop. Hij had veel ervaring. Voor 1821 was hij stuurman op de gaffelschuit Willem Hendrik. In december 1814 heeft de bemanning van deze gaffelschuit het smakschip Jonge Pieter, geladen met rogge en gerst met als bestemming Schiedam, binnengebracht in de buitenhaven van Den Briel. De beloning voor de verleende diensten bedroeg driehonderd gulden (6). Van 14 tot en met 17 januari 1815 redden de gaffelschuiten Paulina Helena, stuurman Simon Stapel, en Willem Hendrik, stuurman Aren Janse de Waard, een kofschip. Het was een moeizame redding. (zie blogtekst van 5 december 2016). Het seizoen 1834-1835 was de laatste winter dat Aren Janse de Waard stuurman was van de Hoop. Hij werd in 1835-1836 opgevolgd door Willem de Bloeme (7).
Hoeveel de reders en de bemanning van de Hoop hebben ontvangen voor de hulp aan de Pylades is niet bekend.


1. Javasche Courant, 13 juni 1835.
2. Bredasche Courant, 7 januari 1835 en Utrechtse Courant 9 januari 1835.
3. Algemeen Handelsblad, januari 1835.
4. Rotterdamsche Courant, 12 juli 1836.
5. Streekarchief Goeree-Overflakkee, Archief gemeente Middelharnis, inv. nr. 657, ingekomen stukken januari 1831
6. Streekarchief Voorne Putten, toegang 110, inventarisnummer 1214, 26 december 1814, akte 344. 
7. Nationaal Archief, toegang 3.11.04, archief Kleine Visserij, inv. nr. 66.

Gebaseerd op (tenzij anders vermeld):
D. van der Vlis, 'Het Stoomschip "Pylades", 1828-1835'. In: Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis (1970)21, 17-22. Noten op p. 59.










 

donderdag 19 maart 2020

Redding van de 16-koppige bemanning van het fluitschip Bosschen Hoven uit Hindeloopen door een gaffelvisschuit (Middelharnis 1817)

Op 20 december 1817 werd in Middelharnis een scheepsverklaring opgemaakt door schout Lambertus Kolff. Aldert Jan Engels, oud 60 jaar, wonende te Hindeloopen, schipper van het fluitschip Bosschen Hoven, deed zijn verhaal.
Met zijn schip was hij 7 augustus 1817 het Vlie uitgezeild met als bestemming de Oostzee. Op 29 oktober zeilde hij van Nerva* weer naar de Nederlanden terug met een lading balken. Op 17 december om elf uur 's morgens  ontdekte hij op de hoogte van Egmond aan Zee dat het schip zeer lek was en vol water liep, als gevolg van het stoten op de Engelsche banken. Hij had het roer verloren. Met zijn volk is hij in die hachelijke toestand aan boord gebleven tot vier uur 's avonds en is toen gered door en overgegaan op een gaffelvisschuit varende van Middelharnis, genaamd de Jonge Jannetje en gevoerd door stuurman Joost Abeele.

Voor Kolff verschenen tevens de stuurman van de gaffelschuit Joost Abeele, oud 42 jaar, en de matrozen Mattheus Smit, 60 jaar, Jan Wittekoek, 36 jaar, Jan Fredrik Klaassen, 34 jaar, Jan Smit, 22 jaar, Marinus Trommel, 44 jaar, Teunis de Bloeme, 36 jaar en Arend Witvliet, 26 jaar.  Ze verklaarden dat ze op 17 december om elf uur op de hoogte van Egmond aan Zee het bovengenoemde fluitschip hebben ontmoet. Het schip was al vol water en roerloos. Ze zijn er de hele dag bij gebleven. Om vier uur 's middags hebben ze de schipper en zijn volk ,16 man, aan boord overgenomen 'ten einde dezelve van een anders gewillige dood te bevrijden'. Ze hebben deze personen naar de haven van Middelharnis gebracht, waar ze vandaag om vier uur in de middag aangekomen zijn

Ondertekend door alle comparanten. Marinus Trommel en Arend Witvliet verklaarden niet te kunnen schrijven.



De fluitschepen 't Geele Fortuijn' en De Liefde, tekenaar Reinier Nooms, ca. 1650
Op deze prent staan twee schepen afgebeeld. Het linker schip, het 'Geele Fortuijn', wordt een Ooster-vaerder genoemd. Dat was een schip dat naar de Oostzee voer. De 'Liefde', het rechter schip, was een Noorts-vaerder, een schip gespecialiseerd in de houthandel met Noorwegen. Beide schepen waren fluitschepen, schepen die ontwikkeld waren voor het goedkoop vervoeren van bulkgoederen. Deze schepen werden in de 17e eeuw massaal ingezet in de Oostzeevaart. Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam. 
bron: www.geheugen.delpher.nl 


* Nerva, gelegen aan de Oostzee, tegenwoordig in Estland, was van 1721 tot 1920 een Russische stad


Aanvankelijk nam men aan dat de bemanning verdronken was, aangezien er lichamen op Texel waren aangespoelld.


Rotterdamsche Courant, 23 december 1817.

Bericht over de redding van de bemanning. De vissers 'hebbende in deze dezelfde ijver betoond als steeds door de visschers van Middelharnas, bij dergelijke gevallen, wordt aan den dag gelegd'.


Rotterdamsche courant, 27 december 1817.



Bron:
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 628 Publicatieregister 1817 - 1824, 20 december 1817, volgnummer 36.

zie ook: www.marhisdata.nl  BOSCH EN HOVEN - ID 8406

maandag 9 maart 2020

Rijksambtenaren klagen over onwillige vissers (Middelharnis 1818)

In februari 1818 kreeg het gemeentebestuur van Middelharnis een klacht van de directeur van de dienst Convoijen en Licenten uit Rotterdam. Deze dienst had tot taak om de in- en uitvoerrechten en de accijnzen te controleren. Kennelijk kregen de rijksambtenaren niet altijd genoeg medewerking van de vissers als  ze de schepen kwamen controleren.

Waarschouwing
Bij Schout en Gemeenteraad van Middelharnis door den missive van den heer Directeur der Convoijen en Licenten te Rotterdam van den 25 dezer maand no. 46, klagten ingekomen zijnde over de onwilligheid van sommige visschers dezer gemeente om zich met hunne vaartuigen aan eene pligtmatige recherche te onderwerpen.
Zoo brengen schout en gemeenteraad voornoemd het zelve ter kennisse van de belanghebbenden met ernstige aanmaning tevens aan alle visschers in deze gemeente om zich voortaan bij het doen van visitiatie door de lands ambtenaren op een bescheiden wijze te gedragen en zich aan de zoo min mogelijk vertragende visitatien te onderwerpen.
Daar integendeel door zich hier aan opzettelijk te onttreken, 's Rijks ambtenaren in de uitoefening hunner functie werden verhindert en zijlieden zich daar door schuldig maken aan de straf, zoo wel bij de algemeene wet op de invordering der indirecte belastingen van 15 september 1816 als bij art. 25 der wet op de heffing der regten van in en uitvoer van den 3e oktober 1816 bepaald.
Schout en Gemeenteraad vertrouwen dat alle belanghebbenden in deze hunne verpligting zullen kennen en gevoelen de nadeelige gevolgen die uit eene eigendunkelijke overtuiging deze, voor het vervolg zoo voor de overtreders zelf als voor de geheele visscherij zouden kunnen voortvloeijen, zich mitsdien voortaan van de bij de wet bepaalde visitatien van 's rijksambtenaren, in geene deele zullen onttrekken.
Middelharnis den 28 februarij 1818 en tenzelven dage gepubliceerd en geaffigeerd.
was getekend, 
A. van Weel Az
L. Kolff



Bron:
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 628 Publicatieregister 1817 - 1824, 28 februari 1818.

zondag 16 februari 2020

Reprimande voor stuurman Willem Missel wegens onmenslievend gedrag (Middelharnis 1814)

In mei 1814 ontving de gemeenteraad van Middelharnis een schrijven van de gouverneur van Zuid-Holland. De gouverneur had een klacht ontvangen van de secretaris van staat tot de zaken van de Marine. 
Het betrof het onmenslievend gedrag van schipper Willem Missel die op 3 mei 1814 geweigerd had bijstand te verlenen aan de loodsboot Rotterdam. De loodsboot had het ongeluk een gat in de boeg te stoten, even boven water. De gouverneur verzocht het gemeentebestuur om de schipper te 'reprimandeeren'  vanwege deze weigering en hem erop te wijzen dat
hij als Mensch en als Christen verpligt is alle vaartuigen, wanneer die in gevaar zijn bij stand te geven, welke verpligting hem als lid der Maatschappij nog zwaarder opligt  wanneer die hulp ten behoeve van een van 's Lands vaartuigen wordt ingeroepen
De gemeenteraad behandelde het verzoek in de raadsvergadering van 27 mei 1814. Het besluit was om de visser-stuurman op het matje te roepen zodra hij terugkwam van de visserij voor een reprimande ten overstaan van drie leden van het gemeentebestuur. Aldus geschiedde op 1 juni 1814 in aanwezigheid van de leden Schenk, Nijgh, Van der Vlugt en Van Gent. De stuurman antwoordde dat hij niet de mogelijkheid had gehad om hulp te bieden en gaf daarvoor voldoende redenen (die niet nader omschreven zijn).  Hij beloofde in de toekomst alle hulp te zullen bieden aan wie daaraan behoefte had. De gouverneur ontving als antwoord op zijn brief een verslag van het gemeentebestuur met een 'favorabel' rapport over stuurman Missel.


Streekarchief Goeree-Overflakkee,  Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 602 (Notulen van de openbare vergaderingen van de raad, 1 juni 1814) en nr. 640 (Ingekomen stukken 1814).

woensdag 22 januari 2020

Job Langbroek (1876-1934)

Een nagekomen aanvulling op het boek De vergeten vissers van Middelharnis  p. 296. (zie voor de lijst met aanvullingen en correcties het bericht van 12 februari 2019 op dit weblog)


1934: Job Langbroek
werd op 13 januari 1876 geboren te Middelharnis als zoon van Maarten Cornelis Langbroek(1850-1914) en Jannetje Wielhouwer (1849-1887). Na het overlijden van zijn moeder en zijn broer en zus in december 1887 bleef hij alleen met zijn vader achter. 

Vader en zoon verhuisden naar Stellendam en waren daar werkzaam als visser, Job specifiek als botvisser. Job was ongehuwd en woonde in bij het echtpaar Marinus van Dam (1878-1940) en Petronella Maria Huijser (1881-1940). Marinus was ook visser van beroep.

Job was op 13 september 1934 op 150 meter uit de wal even buiten de haven van Stellendam met zijn roeiboot SL51 op bot aan het vissen. De motorkotter SL36, schipper H. Brinkman, kreeg kort na het uitvaren pech en keerde terug naar de haven. Kort daarop werd weer uitgevaren. De bemanning was bezig met de motor. Aan het roer stond een veertienjarige jongen, die de roeiboot niet opmerkte. De roeiboot met Job werd overvaren. Verschillende reddingspogingen mochten niet baten. Het stoffelijk overschot werd in de loop van de middag opgedregd en naar de familie Van Dam gebracht. Justitie heeft zich met het ongeval onderzocht en in het Van Weelziekenhuis te Dirksland werd sectie verricht.
Job Langbroek was 58 jaar oud.




Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 


Genealogische gegevens van Pieter Koster