maandag 10 juni 2019

Reederij ter versche en zoute visch-vangst te Middelburg (1818-1819)

In februari 1818 nam een aantal ingezetenen van Middelburg het initiatief tot het oprichten van de Reederij ter Versche en Zoute Visch-vangst. De rederij stond onder directie van de heren Van der Leyé, Van der Meer en Van Beest. Geïnteresseerden konden inschrijven voor een aandeel in de rederij. Vijf commissarissen vertegenwoordigden de belangen van de deelnemers.
Deze handel zal, zoo wij wenschen, eens als in vroegere dagen voor een aantal ons nog overgebleven trafieken ten steun strekken, en alzoo beantwoorden aan het verlangen onzer stadgenooten [...] de gelegenheid tot deelneming ten kantore van bovengemelde heeren, dagelijks, behalve des zondags, blijft opengesteld.
Middelburgsche Courant, 5 februari 1818
Een opmerkelijk initiatief, aangezien er vanuit Middelburg al sinds mensenheugenis geen zeevisserij meer werd bedreven. Het was dan ook vooral te doen om de werkgelegenheid in trafieken als scheepswerven en zeilmakerijen te bevorderen. De ondernemers zullen zich hebben laten inspireren door het voorbeeld van Zierikzee, waar in de eerste maanden van 1818 de voorbereidingen werden getroffen voor de bouw van nieuwe vissloepen. De vloot van Zierikzee zou uitgroeien tot elf schepen voor de zeevisserij.

De Middelburgse rederij koos niet voor nieuwe sloepen maar voor tweedehands gaffelschuiten, in Middelburg ook aangeduid met de naam blokschuiten. Ze kochten er twee, waarvan er een nagenoeg geheel vertimmerd moest worden. Voor een gaffelschuit was een bemanning van twaalf man nodig. Zowel de schuiten als de bemanningen moest men van de Zuidhollandse eilanden betrekken.

De Middelburgsche Courant van 28 mei 1818 meldde dat twee gaffelaars of blokschuiten in Middelburg zijn gearriveerd,  komende van Delfshaven. Waarschijnlijk zijn de schepen op een werf in Delfshaven gereed gemaakt.
Het waren de Adriana Johanna met stuurman Roeland Waterman, geladen met ballast en de Johannes en Maria met stuurman Johannis Bree met ledig vaatwerk en ballast aan boord. Onmiskenbaar stuurlieden uit Middelharnis.


Middelburgsche Courant, 28 mei 1818


Een maand later 25 juni 1818 werd het vertrek naar zee vanuit Middelburg van beide stuurlieden aangekondigd in de Middelburgsche Courant. Hun schepen waren door de nieuwe reders tot Middelburgs Hoop en de Nieuwe Visscherij omgedoopt.

Beide schepen kwamen in september 1818 terug van een zoutreis. Roeland Waterman kwam op 12 september binnen met de Middelburgs Hoop. Johannis Bree arriveerde met de Nieuwe Visscherij op 17 september.  De lading zoute vis van Bree werd op 23 september 1818 aan de Oostpunt afgeslagen (1).

Op 1 september 1818 kregen de aandeelhouders en andere belangstellenden informatie over de eerste resultaten:


Middelburgsche Courant, 29 augustus 1818

Op een publieke veiling op 25 november 1818 werd een van de aandelen te koop aangeboden. Dit aandeel was groot 300 gulden (2).

De Middelburgse rederij heeft het niet lang volgehouden. In november 1819 stonden beide schuiten te koop inclusief want, inventaris, zeilen, kabels, beugwant en tarbotboten.



Middelburgsche Courant, 4 november 1819.


Het wilde met de verkoop niet gelijk vlotten. Op 23 februari 1820 werd een openbare verkoping gehouden (3). Daarna is niets meer van de schepen of van de rederij vernomen.

De 24 bemanningsleden, ongetwijfeld voornamelijk vissers uit Middelharnis, moesten omzien naar ander werk. En de stuurlieden ? Roeland Waterman (1770-1832) ging in Zierikzee aan de slag. Zie bericht van 1 juni 2015. Johannis Bree  (1775-1825)  ging terug naar Middelharnis waar hij bij zijn broer Jacob Bree op de gaffelschuit Jonge Cornelis werkte. De Jonge Cornelis verging in 1825 met man en muis. Zie bericht 22 februari 2013.


1. Middelburgsche Courant, 15 september 1818, 19 september 1818 en 22 september 1818.
2. Middelburgsche Courant, 12 november 1818.
3. Middelburgsche Courant, 29 januari 1820 en 10 februari 1820

Zie ook: Marinus Stuart, Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden. 1818 2e stuk (Amsterdam 1823) 64.



Hoe keek men in Arnemuiden tegen dit initiatief aan ? Uit een brief van het gemeentebestuur van Arnemuiden aan de President van den Commissie van Landbouw in Zeeland blijkt dat Arnemuiden, waarvan de inwoners grotendeels van de visserij afhankelijk waren, grote bezwaren had tegen de oprichting van een visserij in Middelburg:



Den 10 Decb. 1817

Aan de Heer Mr. G.D. Steengracht

Te Middelburg


Wel Edel Gestrenge Heer !


In voldoening aan mijne gedane toezegging, diend tot antwoord, op de vraag door UwEdGestrenge: mij gedaan, of de oprigting eener visserij te Middelburg in nadeel van Arnemuiden zijn zoude, in den volsten zin, ja, het is de laatste doodslag die men aan deze gemeente doen kan, en daar van zal ik reden geven.

Indien men te Middelburg 2 hoeken, gaffels of Blokschuiten aankoopt, om ter visvangst zo in de zomer als winter zeewaarts te zenden ( dat ik voor mij zelve niet geloof stand zal houden) is het eene onbetwistbare waarheid, dat men die zal protegeren en bevorderen, maar ook alles zal weren, wat aan dezelve eenigsints nadeel kan toebrengen, Ergo zal men die wel is waar, de vis die van Arnemuiden te Middelburg, op de vismarkt word gebragt, niet beletten, doch zeer zeker het uitleuren strengelijk tegengaan, dat men nu van tijd tot tijd maar al te veel doet, dewijl men geen vis genoegzaam bekomt dan van Arnemuiden, en door dat visleuren bestaan honderde ja wat zeg ik, het grootste gedeelte van de Inwoonderen dezer Stede, en waar zouden de Visschuiten met hun pas afgestorven vis blijven, die men op de vismarkt niet brengen kan, welke nu de leursters uitdragen, en voor den gemeenen Burger nog eene smakelijke spijze is, zo wel als dat die nog goed en zo gezond zij als die welke springend leven is.

Intusschen zegt men, de Vissers van Arnemuiden zoude de vis van de Middelb. Vissers kunnen koopen, zo wel als zij nu inde Goeree dien, maar laat ik daar op antwoorden met de vragen 1e Waar zullen zij die dan gaan uitventen, daar zij de vis in de Goeree of elders koopende het meest in Middelburg brengen, en bij overvloed ook te Vlissingen en te Goes, en bij overvloed zeg ik, dewijl de transportkosten naar die plaatsen door haren meerderen afstand ook meerder zijn. en 2e zal men te Middelburg toestaan, dat de Arnemuidenaars hun gevangenen vis koopende, aldaar aan de Huizen uitleuren, Neen, daar al spoedig het nadeel zoude ontwaren, dat zulks aan de Middelb. Visschers zoude toebrengen, dewijl men goedkooper vis van de Leursters kan koopen , dan van de Vismarkt, daar drie bediende zijn, welke moeten beloond worden, als Een die aankomt zegge, welke vis er op de vismarkt is.- Een die ze koopt en schoonmaakt en Een die ze thuisbrengt- terwijl een Arnemuidsche Leurster die drie bedieningen alleen waarneemt, zonder belooning.

Wil men nu te Middelburg altijd van vis voorzien zijn, wel laat men dan, met een paar visschuiten van Arnemuiden accoord maken om gedurende het wintersaisoen, vis in de Goeree en elders te gaan koopen en te Middelb: bepaald te brengen, onder belofte dat men hun bij voorkomende schade, door tegenwind zoomede ? als anders hun te gemoet komt, daar de vis onderweg ,door evengemelde gevallen stervende , hun van groot nadeel is, en dan zal men altijd in de winter vis hebben, en minder in de waagschaal stellen.

En dat men voor de Zomer 2 à 3 vissers verbind, om de door hun gevangen wordende vis, te Middelb: te brengen, zoals de brabanders doen, met betrekking tot de Roggen en flooten, en Middelburg zal naar wensch altijd vis hebben, terwijl Arnemuiden op den ouden voet kan voortgaan en blijven bestaan--

Bron:
http://www.arnehistorie.com/Artikelen-Brievenboeken/brievenboek-1817-1818.html









woensdag 29 mei 2019

Tarieven voor het havengeld en vuurgeld van Midddelharnis (1814)

Na de Bataafs Franse tijd (1795-1813) stond het voorlopige bestuur van Middelharnis voor de taak om inkomsten voor de gemeente te genereren. De eerste prioriteit was de visafslag. Al op 24 december 1813 kwam de herziening van de keur op de visafslag ter sprake in de vergadering van het  Provisioneel Bestuur. 
Op 15 maart 1814 werd het havengeld vastgesteld, aangeduid als 'Kaaigeld'. Het besluit geeft een goed beeld van de schepen die in de haven van Middelharnis hun ligplaats hadden. En van de schepen die de haven bezochten.



Een Poon. Uit: Gerrit Groenewegen. Verzameling van vier en tachtig stuks
Hollandsche schepen, getekend en in koper gebragt door G. Groenewegen. Rotterdam, 1789.


Per jaar (voor de schepen die in deze gemeente thuis horen):

6 gulden voor een gaffelvisschuit
3 gulden voor een schokker
10 gulden voor een marktpoon
4 gulden voor een aardappelpoon of damschuit
3 gulden voor een grote hengst of kleine damschuit
1 gulden en 10 stuivers (1,50) voor ieder klein vaartuig voorzien van een plecht of een mast.

Per keer (te betalen telkens wanneer deze in de haven of op de kaai komen):

1 gulden per keer voor iedere vreemde gaffelschuit of sloep*
12 stuivers (0,60 gulden) per keer voor elke vreemde bezaan en bunschuit of ventjager tot een maximum van 4 gulden per jaar
1 gulden voor iedere vreemde tjalk, spriet of gaffelschip
16 stuivers (0,90 gulden) voor iedere vreemde poon of paviljoenschuit
12 stuivers (0.60 gulden) voor iedere vreemde aardappelpoon, damschuit, turfijker etc.
6 stuivers voor elke vreemde gedekte hengst of ander gedekt vaartuig
4 stuivers voor ieder vreemd vaartuig slechts een gedekte plecht hebbende

Bovendien 6 stuivers voor elk vaartuig, zowel vreemde als hier thuis horende, te betalen een keer per jaar voor het branden van het vuur op het hoofd alhier.


Kwitantie  van 5,20 gulden voor het kaai- en vuurgeld
over 1821 en 1822 voor de Zierikzeese sloep De Hoop,
stuurman Jan Franse van Dueren. Ondertekend door
havenmeester H. Smit..
Archief Nieuwe Visscherij Zierikzee, inv. nr. 327.




Bron: Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr.  602 Notulen van de openbare vergaderingen van de 1813 december - 1817 maart, 15 maart 1814. Extra-ordinaire vergadering van het plaatselijk bestuur van Middelharnis

* een vroege vermelding van de sloep.
Bij de heffing van havengeld in Pernis werd in 1808 de 'chaloupe' vermeld. Uit Vlaardingen is de vermelding van een 'sloepschip bekend', eveneens uit 1808. De vloot van Vlaardingen in 1814 had 3 'chaloupen'. Zie:
Johannes Ploeg, Sloepen en loggers. Nieuwe scheepstypen voor de aloude Noordzeevisserij, 1800-1875. (1990) 11,12

woensdag 17 april 2019

Schip Nieuw-Holland uit Middelharnis gezonken in de haven van Hansweert (1875)

Een merkwaardig bericht in de kranten van april 1875. De visserssloep Nieuw-Holland uit Middelharnis is op de terugweg naar Middelharnis op de westberm van het kanaal door Zuid-Beveland gestoten. Het schip is naar de haven van Hansweert gesleept en daar gezonken. De bemanning is gered en liefderijk verpleegd aan boord van het 'recherchevaartuig nr. 3, kapitein L.J. 't Hart'.  De kapitein van het vissersvaartuig was D. Witvliet.

Middelburgsche Courant, 6 april 1875


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 7 april 1875

Het merkwaardige aan dit bericht is dat er geen vissloep met de naam Nieuw-Holland was en ook geen stuurman met de naam Dirk Witvliet.
Aangezien het om visvervoer naar Antwerpen ging moeten we eerder denken aan een ventjagersschuit, een botter met een bun of een dergelijk vaartuig. Dirk Witvliet was wel schipper van beroep. Dat zal dus op een schip geweest zijn dat vis vervoerde.




* Dirk Witvliet, gehuwd met Willemina Johanna Moll, was schipper.
Huwelijksakte 1880/14, huwelijk van Leendert Koster met Hendrika Witvliet

zondag 24 maart 2019

Een brief van schipper Jan van Dueren (Zierikzee 1827)

Jan Franse van Dueren (1788-1850) is eerder genoemd op dit weblog, zie bericht van 9 januari 2014. Hij is in 1821 schipper geworden bij de Nieuwe Visscherij in Zierikzee op de nieuw gebouwde sloep De Hoop.
Op 18 april 1827 schreef Van Dueren vanuit Den Helder een brief aan de boekhouder van De Hoop, J.S. Steinbuch 'Koninglijk Postmeester' te Zierikzee. Ze waren met de sloep naar Texel gereisd om aas in te kopen. Zaterdag voor Pasen hadden ze  gevist en wel wat gevangen, maar in verhouding tot de elf bakken want die ze uitgezet hadden was de vangst heel mager.
In het voorjaar werd vooral haring als aas in de beugvisserij gebruikt. Maar er werd onvoldoende haring gevangen zodat De Hoop geen aas had en niet verder kon vissen. 

Mijn Heer de Heer J.S. Stijnbuch, ik laat u weten
Als dat wij op Zondag paassen in Tessel ben gekomen
Want wij hebbe een Zaturdag voor paase nog
11 bak geschoote voor 4 kabbeljauwen en 15 schelvissen
en de Haring vissters zijn een dingsdag gaan vissen
maar niet gevangen, een woensdag zijn zijn ze weer
gaan vissen, maar hebbe maar net voor de klijne
schokkers wat gevange, dus ik weet niet hoe dat
ik aan haring zal koome, ik hoop het beste daar
van. Daar is mijn een bot aan geboode dat ik
geld kan krijge om een schuijt vis te koopen,
maar ik weet niet wat ik doen zal.
Ik zal zien hoe dat het verder af loop.
Verder blijf ik u Edele dienswillege dienaar
JvDueren
Helder den 18 april






Van Dueren is op het aanbod om een schuit vis te kopen ingegaan en met de vis 'op negotie' naar Antwerpen gevaren.
Steinbuch hoorde van iemand uit Middelharnis, die in Zierikzee was, dat Van Dueren Zierikzee voorbij gevaren was met een schuit vis om in Antwerpen te verkopen. De boekhouder had de  brief toen nog niet ontvangen en was onaangenaam verrast. Ook de Commissie van Toezicht was ontstemd dat Van Dueren niet als visser, maar als koopman had gehandeld en dat hij tegen de regels in niet in Zierikzee was binnen gelopen. De kwestie had geen gevolgen voor de schipper.




Zeeuws Archief (ZA), toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee (1817)1818-1835, inv. nr. 7 notulen en inv. nr. 155 bijlagen, vergadering 27 april 1827.



vrijdag 22 maart 2019

Een brief van schipper Maarten Abeele (Zierikzee 1824)

We schreven al eerder over Maarten Abeele (1767-1841), zie bericht van 26 mei 2014. Hij is in 1822 met zijn gezin naar Zierikzee verhuisd en werd schipper op de nieuw gebouwde sloep De Vreede van de onderneming De Nieuwe Visscherij.
Op 26 november 1824 zat bij de ingekomen stukken van de vergadering van de Commissie van Toezicht een schrijven van Maarten Abeele.

Mijne Heeren van toezigt over De Nieuwe Visscherij van Zierikzee.
het doet mij zeer en ben gevoelig aangedaan
over het ongeluk dat Mattijs Verschoor
treft om tot heden niet weer met een schip
te worden begunstigd. Hij heeft voor twee jaar
geleden bij mijn als stuurman gevaren en
daar ik wegens zijn bekwaamheid indien het
in mijn magt stond hem wel een oorlogschip
zou durven toe vertrouwen, daar ik heden weer
een proef van geve, want zoo hij mij in alles niet
voldaan had zoude ik hem terstond niet
weder bij mijn aan boort nemen en hem alles aan
bevele. Voor zoo ver mijn bekend is zijn er wel
aandere schip[p]ers die aan meer mis bruik schuldig
staan als Mattijs Verschoor. Ik verklaar andermaal
een ...kundig ze[e]man te zijn
En geensints een misbruik maak van sterken 
drank, want terwijl ik een mensch ben die zeer
weijnig sterken drank gebruik[t], zoude het ...
ontdekken van iemand die te veel gebruikte.
Als ik magt over de visscherij hadde was het





eerste schip dat uit de haven voer voor hem,
hij is het waardig in alle betrekking want
hij is een visscher in zijn hart. Zie daar mijne
heeren mijn gevoelen over Mattijs Verschoor.
Hij gaat met mij als visscher weer naar zee,
Maar ik wenschte wel dat hij het geluk had om
van de winter nog eens met mijn op zijn eigen
schip zame uijt de haven te varen. Hij heeft
nu veel ondervonden en heeft ... sedert
een en geruime tijd mijn ra[a]d gevolgt,
waarvan hij wel blijk zal geven. Ik [h]oop
dat ulieden mijn dat sult verschoonen daar
ik als mensch het belang van een ander
behartigd. En noem mijn met ware achting

ued dienaar
M. Abeele




Zeeuws Archief (ZA), toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee (1817)1818-1835inv. nr. 112, vergadering 26 november 1824

dinsdag 12 februari 2019

De vergeten vissers van Middelharnis. Aanvullingen en correcties op hetboek

Sinds het verschijnen in november 2018 van het boek:
Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) 

zijn de volgende aanvullingen en correcties ontvangen.

p. 22. IJslandvaart. Het gaat om vier reizen in de jaren 1830-1833 met de hoekerbuis Waakzaamheid en om een reis in 1829 met een onbekend schip, boekhouder L. Kolff van Oosterwijk.


p. 84
De Antwerpse rederij van de Pionier en de Avenir was weduwe Mauroy, geen Manroy.
(met dank aan Raymond van Ael)

p. 122
De maten van de eerste sloep Vrouw Aplonia. De maat van de holte is per abuis als wijdte weergegeven.
In het bestek van staat: 62 Rijnlandse voet lang over de stevens (19,47 meter), wijd op zijn uitwatering 17 voet (5,34 meter). De maat van de holte is niet vermeld "en hol bij de mast onder het dek na proportie".

p. 132 
De 700 gulden uit Batavia waren onder meer afkomstig van een veiling van goederen in februari 1819. Naast kopergeld werden ook een slavin, Alima, en haar kind , Biedja, verkocht.


Javasche Courant, 17 februari 1829



p. 133
1828. De naam van de sloep van Jan van de Roovaard was Jonge Anthony

p. 146
De Zierikzeese sloep de Hoop, gebouwd in 1820, is in het winterseizoen 1836-37 toegevoegd aan de vloot van Middelharnis onder de naam Wisselvalligheid .  
Jacob Slis kocht in 1835 twee sloepen uit Zierikzee: de Hoop en de Pieter Mogge.
De Wisselvalligheid was 46 jaar oud bij het vergaan in januari 1867.


p.178
Luctor et Emergo
Bij onderhoud op de werf van Peeman is de sloep een keer omgevallen.
Wordt:  
In juni 1907 is de sloep op de scheepswerf van Peeman van de goot gegleden en op haar kant op de werf gevallen. Het eerste bericht in de Vlaardingsche Courant is van 16 juni 1906. De krant berichtte op 27 juni dat het scheepsbouwmeester Fiegee uit Vlaardingen gelukt was om het schip weer recht en in het water te krijgen.




Vlaardingsche Courant, 27 juni 1906

p. 181 
Foto Luctor et Emergo.
Onderschrift moet zijn: de MD 1 Luctor et Emergo in juni 1907 omgevallen op de werf van Peeman



p. 198
De sloep Eben Haëzer is halverwege de winter van 1842-43 naar Middelharnis gekomen. Gekocht door Jacob Slis. De oorspronkelijke naam was de Eersteling van Pernis van reder D. Pons. In deze winter was Arend Verschoor de stuurman, in 1843-44 Jan de Korte en in 1844-45 Gleijn Langbroek.

p. 232 
Aquarel is gemaakt door A. Stolk

p. 276
1828: Jacob van Eck. Overleed op 28 juni 1828 om drie uur in de middag op de vissloep Willem den Eersten uit Zierikzee, schipper Dirk van Zwieten.
Er waren nog twee Menheersenaars aan boord, te weten Leendert Sprong en Pieter Abeele. Jacob had voor het vertrek van de sloep uit Zierikzee op 10 mei 1828 nog een handgeld van 13 gulden als voorschot ontvangen.

p.280
1884: Jacob van der Sluis. Het ongeval vond plaats op een visloggerschip uit Schiedam, de SDM 3 Excelsior.

1885: Cornelis Oosterling (zie tekst op dit weblog van 4 februari 2019)

1887: Pieter Koudijzer. Het ongeval vond plaats op de houten zeillogger HD 30 Pollux. Dit was een schip met een registratienummer van Den Helder maar met een bemanning uit Pernis.

1888: Cornelis Koster (zie tekst op dit weblog van 20 januari 2019)

1896: Gerrit Langbroek. Hij was aan boord van de zeilsloep VL 172 Jeannette, schipper J. Visser.

1898: Cornelis Gootjes (zie tekst op dit weblogvan 9 januari 2019)

p. 282
1913: Glijn Langbroek  (zie tekst op dit weblog van 8 januari 2019)

p.284
IJM 312 Helene is op 9 juni beschoten, niet op 12 juni

p.293
1920: Jan Krijger
IJM 69 Bruinvisch, niet IJM 89

p.293
1921: Johannis Aupperlee

MA 56 Letty , niet MA 55


Aanvullingen en correcties pagina's 280-293 met dank aan Jan van Welie.

maandag 4 februari 2019

Cornelis Oosterling (1860-1885) en Apolonia 't Hart (1861-1933)

Op het in november 2018 verschenen boek:
Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) 

is een aanvulling ontvangen voor pagina 280. Het betreft een visser die omkwam bij een scheepsramp met een Pernisser vissloep.


1885: Cornelis Oosterling

was opvarende van de Pernisser sloep PR1 Lichtstraal, schipper Johannes van der Steen, rederij J.C. Speelman. Het schip voer op oudejaarsdag 1884 uit van Pernis ter visvangst en bevond zich rond 15 januari 1885 nabij Vlieland en Terschelling. Het schip verging tijdens een zware sneeuwstorm. Alle twaalf bemanningsleden kwamen om.
Cornelis Oosterling werd geboren op 25 februari 1860 in Middelharnis, zoon van Arend Oosterling (1821-1895) en Neeltje Nuij (1831-1864). Hij verhuisde al jong naar Pernis en trouwde daar op 3 oktober 1884 met Apolonia ’t Hart. Cornelis werd 24 jaar oud, het huwelijk duurde slechts drie en een halve maand. 

Apolonia is op 12 mei 1861 te Zierikzee geboren. Haar ouders, Lourens ’t Hart (1833-1870), visser van beroep, en Dirkje ’t Hart (1835-1906) waren geboren te Pernis. Ten tijde van de scheepsramp was Apolonia zwanger. Ze beviel op 29 september 1885 van een zoon: Cornelis Lourens Martinus. Cornelis woonde in Maassluis, was in 1916 los werkman van beroep en in 1937 metaalbrander. Hij overleed op 29 december 1937 te Schiedam, 52 jaar oud.
In 1889 kreeg Apolonia van de rechtbank toestemming tot het aangaan van een nieuw huwelijk. Ze trouwde opnieuw met een visser en wel op 9 december 1893. Het was Cornelis Nieuwpoort uit Pernis. Hij is geboren op 27 augustus 1853 en overleden op 10 april 1943, 89 jaar oud. Hij was weduwnaar van Maria Verschoor (1856-1892). Cornelis en Maria hadden zes kinderen van wie er ten tijde van de bruiloft met Apolonia nog vier in leven waren. 
Cornelis Nieuwpoort en Apolonia kregen samen vier kinderen: Bastiana, geboren op 8 februari 1895 werd slechts 10 maanden, Lourens (1897- ), Korstiaan (1899- ) en Dirkje Bastiaantje (1902- ). Het gezin vertrok begin twintigste eeuw naar Maassluis, waar Cornelis werkte als zeevisser en later als fabrieksarbeider. Apolonia overleed in Den Haag op 23 oktober 1933, 72 jaar oud.





Vlaardingsche Courant, 21 januari 1885





Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 

Genealogische gegevens van Pieter Koster