zondag 20 januari 2019

Cornelis Koster (1822-1888), Magdalena Zeeuw (1822-1849), Maria van den Berge (1831-1863) en Johanna Bolle (1821-1893)

Op het in november 2018 verschenen boek:
Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) 

is nog een aanvulling ontvangen voor pagina 280. Het betreft een visser die op een schip uit Maassluis is overleden in 1888.


1888: Cornelis Koster
was lid van de bemanning van de logger MA43 Secunda.  Deze houten zeillogger is 
rond 4 oktober 1888 bij de Doggersbank vergaan. Volgens een melding van 14 oktober was de logger ondersteboven drijvend gezien door een Scheveningse bomschuit. Waarschijnlijk is het schip door Noordwestelijke stormvlagen naar Texel afgedreven. Het wrak strandde bij de Koog op Texel en daarin trof men de stoffelijke overschotten aan van vijf bemanningsleden. Voorts spoelden de lichamen van zeven bemanningsleden aan op Texel. Goederen afkomstig van de Secunda spoelden aan op Texel en Ameland of werden uit zee gevist. Het wrak werd publiek verkocht voor 56 gulden. Het overlijden van Cornelis werd op 19 oktober aangegeven door Leendert Leverstein (zoon van de reder), boekhouder, 40 jaar en Arie Klinge, kuiper, 35 jaar, beiden wonende te Maassluis. Cornelis was 66 jaar oud. Hij werd geboren op 14 augustus 1822 in Middelharnis. Hij is een zoon van Pieter Koster en Maatje Viskil. Pieter Koster is in 1825 bij het vergaan van de gaffelvisschuit de Jonge Cornelis van stuurman Jacob Bree omgekomen. Cornelis is een broer van de in 1867 bij het vergaan van de Wisselvalligheid omgekomen Adrianus Viskil Koster. 
Cornelis trouwde op 18 april 1848 te Sommelsdijk met de op 12 mei 1822 aldaar geboren Magdalena Zeeuw, dochter van Johannes Zeeuw (1780-1829) en Arjaantje Groenendijk (1782-1843). Magdalena overleed op 22 juni 1849 te Middelharnis. Het huwelijk bleef kinderloos.
Op 22 februari 1856 hertrouwde hij te Brouwershaven met Maria van den Berge, geboren 4 maart 1831 te Bruinisse, dochter van Dingeman van den Berge (1801-1887) en Theuntje Jumelet (1804-1839). Zij kregen drie kinderen: Pieter (1857-1918), geboren in Zierikzee; Dingeman Leendert (1858-1936), geboren te Ouddorp en Teuntje (1861-1862), geboren te Brouwershaven. Een vierde kind kwam op 2 maart 1863 levenloos ter wereld. Twee dagen later overleed Maria in het kraambed.
Cornelis hertrouwde op 7 maart 1874 te Brouwershaven met Johanna Bolle, geboren 17 november 1821 te Bommenede, weduwe van Stoffel Duinhouwer (1823-1871) en dochter van Leendert Bolle en Lena Koreman. Ten tijde van de ramp woonden Cornelis en Johanna in Terneuzen. Johanna overleed op 20 maart 1893 te Zonnemaire, 71 jaar oud.


Middelburgsche Courant, 24 oktober 1888
In de Middelburgsche Courant stond vermeld dat Koster uit Vlissingen kwam. Hij was echter woonachtig in Terneuzen.




Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 

Genealogische gegevens van Pieter Koster

woensdag 9 januari 2019

Cornelis Gootjes (1838-1898) en Maria van Wijk (1834-1903)

Op het in november 2018 verschenen boek:
Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) 

is nog een aanvulling ontvangen voor pagina 281. Het betreft een visser die op een schip uit Maassluis is overleden in 1898.


1898: Cornelis Gootjes 
geboren op 5 april 1838 te Dirksland, zoon van Willem Gootjes (1809-1879) en Dina de Haan (1812-1884). Hij trouwde op 28 april 1866 in Middelharnis met Maria van Wijk, geboren te Middelharnis op 9 januari 1834, dochter van Cornelis van Wijk (1812-1910) en Helena Ditvosch (1810-1891). Cornelis en Maria kregen zes kinderen: Wilhelmina (1867-1898), de tweeling Cornelis (1870-1945) en Helena (1870-1935), Dina (1872-1876), Martina (1876- ) en Dina (1878- ), allen geboren te Middelharnis.
Cornelis voer op de haringlogger MA 67 Frans, schipper Arie Fillekers. Tijdens de haringvangst sneed hij zich in zijn vinger met als gevolg bloedvergiftiging, waaraan hij op 28 september 1898 aan boord overleed, 60 jaar oud. Hij werd begraven in Maassluis. Cornelia overleed op 29 november 1903 in Middelharnis, 69 jaar oud. 



Maas- en Scheldebode, 7 oktober 1898



Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 

Genealogische gegevens van Pieter Koster

dinsdag 8 januari 2019

Glijn Langbroek (1849-1913) en Maria de Korte (1845-1929)

Op het in november 2018 verschenen boek:
Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) 

is een aanvulling ontvangen voor pagina 282. Het betreft een visser die op een Vlaardings schip is overleden in 1913. 


1913: Glijn Langbroek 
was bemanningslid van de VL 157 Hekla. Op 1 november 1913 overleed hij tijdens de visvangst. De overlijdensakte meldt dat hij in de Noordzee is overleden op vijftig graden en veertien minuten Noorderbreedte. Hij was 64 jaar. Glijn Langbroek was een zoon van Gerrit Langbroek (1816-1896) en Magdalena Breeman (1818-1895) en een broer van de in 1863 bij het vergaan van de Vrouw Aplonia omgekomen Arend Langbroek. Glijn Langbroek werd geboren op 8 januari 1849. Hij trouwde op 18 april 1873 met Maria de Korte, geboren op 31 juli 1845 te Sommelsdijk, dochter van Dirk de Korte (1803-1873) en Martina Hagens (1802-1881). Zij kregen acht kinderen: Magdalena (1873-1949), Dirk (1874-1878), Dirk (1878-1962), Martina (1880-1959), Gerrit (1883-1888), Glijn (1885-1970), Beschier (1886-1973) en Arend (1888-1959), allen geboren te Middelharnis. In maart 1899 verhuisde het gezin naar Vlaardingen. In september 1924 (79) trok Maria de Korte in bij haar dochter Magdalena in Rotterdam, waar zij overleed op 13 februari 1929, 83 jaar oud. 


Algemeen Handelsblad, 4 november 1913





Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 

Genealogische gegevens van Pieter Koster

zondag 30 december 2018

Nieuwjaarswens van de Karreman van Middelharnis voor het jaar 1822




Het nieuwe jaar werd in vroeger tijden ingeluid door nachtwachten, straatvegers, lantaarnopstekers, torenwachters, turfdragers, karremannen en vele anders beroepsgroepen. Ze 
verkochten voor enkele centen hun gedrukte heilwensen.
Zo ook de man die in Middelharnis met een kar as en vuilnis aan de huizen ophaalde.

De karreman van Middelharnis kijkt met genoegen terug op het jaar 1821:

"Geen pest, geen hongersnood, of blakend oorlogsvuur
Beroerde ons in dit jaar, neen rust en kalme dagen
Bekroont met welvaard teelt der voedende natuur,
Deed ons gedurig van des Hemels gunst gewagen."

Ook voor de visserij was het een voorspoedig jaar:

"Geen toomeloos geweld der woedende orkaan,
Gaf ons de minste vrees tot nadeel onzer dijken
Geen Sloep of Gaffelaar mogt op de zee vergaan,
Maar 't smaaklijk zeebanket op onze tafel prijken."


Nadat hij alle geledingen van het dorp een gezegend nieuwjaar heeft gewenst, volgt aan het eind de wens voor alle inwoners:

"Voorts wensch ik elk wat rang of stand,
Of wat beroep hij heeft terhand,
't Zij rijkdom hem gezegend heeft,
Of hij in schaamle armoe leeft,

Des Heeren zegen in dit jaar. 
Dat God elk uwer steeds bewaar,
En welvaart 't blijde voorrecht zij,
Van Middelharnis Burgerij."

Dit is de opregte en wel meenende wensch van
C. van Geen
Karreman te Middelharnis



Cornelis van Geen, echtgenoot van Neeltje Pas, overleed op 24 april 1828 in Middelharnis, 62 jaar, beroep: nachtwaker. 


brochure Karremans wensch en bede [...] bij den aanvang van het jaar 1822, via Google Books, ex libris P.A. Pijnappel

zaterdag 1 december 2018

Arnemuidse ventjagers in Middelharnis rond 1800. Enkele notities

In de Tegenwoordige Staat van Zeeland uit 1753 treffen we de volgende typering van de visserij en vishandel van Arnemuiden aan: 

“Die van Arnemuiden trekken ook goede winst van verscheidene soorten van visch als Molenaar[1], Bot, Mosselen, Garnaat, enz. die zy binnen Middelburg by de straaten uitventen.”[2] 

Uit het ontbreken van kabeljauw, schelvis en andere zeevis in deze opsomming mogen we afleiden dat “die van Arnemuiden” zich op de Zeeuwse stromen ophielden en niet op de Noordzee. 
De Vierde Engelse oorlog (1780-1784) tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland werd vooral op zee uitgevochten. De Engelse kapers maakten de Noordzee onveilig. Om de koopvaardij en de visserij weer op gang te krijgen gingen Nederlandse schepen vanaf het najaar van 1781 massaal onder de vlag van een neutraal land varen. Dat kon Pruisen zijn of – dichter bij huis - de Zuidelijke Nederlanden. Het huidige grondgebied van België viel in die tijd onder het bestuur van de Keizer van Oostenrijk. Door de schepen op papier te verkopen aan een Vlaamse koopman of reder verkregen ze de Oostenrijkse vlag. Talloze Hollandse vissersschepen werden naar Oostende verkocht, terwijl de vissers en stuurlieden zich als inwoner van Gent lieten registreren. Het bezoek aan Vlaanderen was eenmalig, ze veranderden niet van thuishaven. De hele vloot van Middelharnis werd in februari 1782 Oostenrijks.[3] Ook vier vissersschepen uit Arnemuiden voerden de Oostenrijkse vlag. De schepen werden door de Arnemuidse reders op papier verkocht aan een Duinkerkse jeneverstoker met de naam Joseph Louis Stival. Hij had zich in 1781 aangesloten bij de Oostendse ‘Caemer der Vrije Visscherije’, een samenwerkingsverband van reders. Het ging om drie sloepen en een dogger die vrijwel nooit in de Oostendse haven kwamen. Vanaf september 1783 voerden ze de Zeeuwse vlag weer.[4] 
Deze vier schepen moeten ingezet zijn voor de zeevisserij, want bij de visserij op de Zeeuwse stromen was de dreiging van Engelse kapers afwezig. De sloepen waren waarschijnlijk van hetzelfde type als de Oostendse vaartuigen. Ze waren stuk groter dan de hoogaarzen waarmee op de Zeeuwse stromen werd gevist. De zeevisserij vanuit Arnemuiden is dus in het laatste kwart van de achttiende eeuw ontstaan. 

In het archief van Middelharnis komen Arnemuidenaars voor het eerst in 1786 voor. Ze kwamen met tweeën, Blaas Lievensz de Ridder en Jan Grootjans, en kochten, mede namens Job Lievensz de Ridder en Daniël Lievensz de Ridder, elk voor een vierde, een schuit die geschikt was om grote partijen vis te vervoeren. Een schuit voor de handel dus, niet om mee te vissen. De visafslag van Middelharnis was voor de handel in verse zeevis een centrale plek. Er ontwikkelde zich niet alleen een levendige handel in vis maar ook een handel in schuiten om de vis levend te vervoeren. Het waren bezaanschuiten met een bun, een ruimte onderin het schip met gaten waar het zeewater doorheen stroomde. De vis kon levend vervoerd worden zolang de schuit in zout water bleef. Voor de vishandel vanuit Middelharnis werden dergelijke schuiten gebruikt. De vishandelaren en visvervoerders werden als ventjager aangeduid. Hun schepen heetten ventjagersbezaanbunschuiten. 

Tekening van een bezaanschuit. Uit: J. Ploeg, Bezanen en gaffelaars.
Schepen van ’t Overmaas. Visschuiten van de Zuid-Hollandse
eilanden uit de jaren 1600 – 1850 (Emmen 2008) 
Op 19 mei 1786 werd de ventjagersbezaanbunschuit Jonge Maria met ankers, kabels, zeilen, touwen en verder toebehoren publiek geveild. De schuit ging naar de vier genoemde Arnemuidenaars voor 855 gulden. De overdracht vond nog dezelfde dag plaats. Blaas Lievensz de Ridder en Jan Grootjans voldeden de koopsom ter plaatse.[5] De Jonge Maria had een voorgeschiedenis. De schuit, met als schipper Hendrik Arijsz Matse, was in 1782 in Pruisische handen overgegaan. Voor vissersschepen was neutralisatie de enige manier om de visserij voort te kunnen zetten. Maar voor ventjagersschuiten die vis vervoerden naar bestemmingen landinwaarts was dit niet nodig. Dat de Jonge Maria en nog drie andere ventjagersschuiten geneutraliseerd werden wijst erop dat deze schuiten ingezet werden voor de tarbothandel op Londen, een tak van de ventjagerij waar Middelharnis in gespecialiseerd was. De Jonge Maria moet dus een grote, zeewaardige, ventjagersschuit geweest zijn. De bouw van zo’n ventjagersschuit, ruim dertien meter lang en bijna vijf meter wijd, vereiste een investering in de orde van 1.500 – 2.000 gulden. Hendrik Matse was in 1786 46 jaar oud en al vele jaren schipper. Zijn afscheid was wellicht aanleiding voor de reders om de schuit te verkopen. Hendrik ging aan de slag als kantoormeester van de visafslag, schepen, horlogemaker en chirurgijn.
De vraag is waar de gebroeders De Ridder en Jan Grootjans met de Jonge Maria zoal kwamen. Het is goed denkbaar dat ze de schuit gebruikten om langs de Hollandse kust vis te kopen bij de vissers van Scheveningen, Katwijk en andere plaatsen langs de ‘zijkant’. Deze schuiten hadden altijd drie bemanningsleden.


Veiling Jonge Maria. Streekarchief Goeree-Overflakkee (SGO),
Rechterlijk Archief Middelharnis (RAM) inv. nr. 53.
Condities verkopingen schuiten 1781-1811, 19 mei 1786. 
Na de Vierde Engelse oorlog volgde een vredesperiode die tien jaar duurde. Daarna volgde de Bataafs Franse tijd (1795-1813), een tijdperk waarin de visserij in Nederland bijna ten onder ging. Engelse kapers hebben tientallen vissersschepen opgebracht en de Bataafse en later Franse overheid legden de visserij gedurende sommige perioden helemaal plat. Ook werden vissersschepen gevorderd als wachtschepen of voor transport van oorlogsmaterieel en troepen. Van de vissersvloot van Middelharnis, die in 1794 nog uit 32 gaffelschuiten bestond, was in 1813 nog maar de helft over. En zo ging het in veel vissersplaatsen. De vloot verouderde omdat de tijd er niet naar was om te investeren in nieuwe schepen.
In 1795 ging een groot deel van de vissersvloot opnieuw onder neutrale vlag varen, waarbij in de eerste jaren de Deense vlag favoriet was.[6] Bij de verkoop van de Jonge Maria in 1786 had schipper Matse de Pruisische papieren uit 1782 niet aan de Arnemuidenaars meegegeven, maar zelf bewaard. Hij verkocht deze documenten in 1795 door aan de reders van de ventjagersbezaanbunschuit Jonge Johanna. Zo kwam deze schuit aan Pruisische papieren op naam van de Jonge Maria.[7]

Over de doorvoer van verse zeevis naar Antwerpen en andere steden in het gewest Brabant zijn voor de achttiende eeuw geen gedetailleerde gegevens beschikbaar. Pas vanaf 18 maart 1798 noteerden de beambten bij de Tol van Bath meer gegevens, waaronder de herkomst van de scheepsladingen verse vis op weg naar Brabant. Vanwege de oorlogsomstandigheden schommelde het jaarlijkse aantal schepen dat passeerde enorm. Het jaar 1799 was een dieptepunt met slechts 172 passages; in het jaar 1802, een jaar waarin het vrede was, tellen we 672 passages van ventjagers met verse vis. Tussen 1798 en 1805, het laatste jaar dat de tol in bedrijf was, kwam 60% tot 76,2% van de scheepsladingen van de visafslag van Middelharnis. Het aandeel van Zeeland in de export nam af van 22,6% naar 7,6% tussen 1798 en 1805. Van de 62 scheepsladingen verse vis uit Zeeland in 1798 kwamen er 18 uit Arnemuiden, 13 uit Brouwershaven, 3 uit Vlissingen en 28 uit Zierikzee. In 1800 kwamen 49 vrachten verse vis uit Arnemuiden langs op een totaal van 81 ladingen uit Zeeland. Van 1801 tot en met 1805 is er geen visvervoer vanuit Arnemuiden meer geregistreerd. Het waren overigens geen Arnemuidse vishandelaren die de vis naar Brabant verhandelden. Het vervoer van Arnemuiden naar Antwerpen en verderop gelegen steden was in handen van Antwerpse ventjagers met de namen Corbet, Kool en Sibick.[8]

Dezelfde Antwerpse ventjagers en nog vele anderen deden zaken op de visafslag van Middelharnis. In het seizoen 1803-04 verkochten de stuurlieden (schippers) van zo’n zestig visschuiten uit Middelharnis, Pernis en Zwartewaal hier hun vangst aan 62 verschillende ventjagers. De vangst ging voor 85 procent naar de Zuidelijke Nederlanden. De beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal brachten voornamelijk schelvis en kabeljauw aan. Rog, vleet, heilbot en tarbot waren vissoorten die in kleinere hoeveelheden op de afslag kwamen, maar waar wel een goede prijs voor gemaakt werd. Bij de Zuiderburen waren deze soorten erg in trek. [9]
Vier Arnemuidenaars waren in 1803-04 vaste klant op deze visafslag. Deze vier Arnemuidse viskopers heetten Daniël van Belsen, Joost van Belsen, Boudewijn Grootjans en Jacob de Ridder. Ze kochten samen voor 4.945 gulden, tegenwoordig vergelijkbaar met 38.237 euro. De vier waren goed voor 3% procent van de aankopen op de visafslag. Het gegeven dat Arnemuidse ventjagers hier vis in kwamen kopen is opmerkelijk. Het aanbod aan zeevis moet in Zeeland zelf onvoldoende geweest zijn om de Walcherse steden van verse vis te voorzien.
Elke ventjager had een eigen pagina in de schuldboeken van het viskantoor. Als voorbeeld de aankopen van Daniël van Belsen (gespeld als van Belsum) op 14 december 1803. Hij kocht van Oos Koppenool, een visser uit Pernis, 47 snees[10] schelvis van 7 gulden (987 schelvissen), 56 kabeljauwen van 2 gulden per stuk, 4 manden met roggen van 1,50 gulden per mand en 14 vleten van 30 cent per stuk. De ventjagers kochten op krediet. Het bedrag van 451,20 gulden dat Daniël van Belsen moest betalen werd op 24 december 1803 voldaan, waarschijnlijk door Joost van Belsen die op 24 december schelvis en kabeljauw kocht. Jacob de Ridder kwam alleen op 7 april 1804 op de afslag. Boudewijn Grootjans verscheen in de periode van 19 maart tot 2 mei 1804 vier keer en kocht voor 1.800 gulden. Door de schaarste aan vis vanwege de oorlog op zee, liep de prijs per kabeljauw op van 2 gulden naar 3,60 gulden.[11]


Pagina uit het ventjagersboek 1803-1804
betreffende de aankopen door Daniël van Belsen. 

In het voorjaar en in de zomer van 1804 was de Engelse marine zeer actief met het opbrengen van vissersschepen naar Engelse havens. De neutrale vlaggen werden niet meer gerespecteerd. Acht gaffelschuiten uit Middelharnis werden opgebracht, waarvan er maar drie terugkeerden. Vijf schuiten werden in Yarmouth geveild.[12]
In Zeeland is weinig bekend over het omvlaggen van vissersschepen. In 1796 had Zierikzee nog zeven vishoekers. De kosten van het onder neutrale vlag brengen van de schepen werden te hoog geacht. In 1799, 1800 en 1802 voeren er om die reden nog maar een of twee schepen uit.[13] Arnemuidse vissers voeren wel onder de Pruisische vlag. In de loop van het jaar 1804 zijn twee schepen uit Arnemuiden naar Yarmouth opgebracht. De ene was de visschuit van Joris Vogel die op de Hollandse wal viste en door een Engels oorlogsschip werd genomen. De andere was de schuit van Blaas de Nooijer.[14] 


De laatste vermelding van Arnemuidse ventjagers in Middelharnis is van 1810. Op de 10 februari 1810 legden Daniël van Belsen en Joost van Belsen hier de eed af op het zout. Deze eed was een uitvloeisel van een nieuwe belasting op het zout die sinds februari 1809 bestond. Vissers en handelaren in vis waren vrijgesteld van deze impost. Ze moesten dan wel beloven dat ze het ruwe zout niet voor andere doeleinden zouden gebruiken.[15] De ventjagers vervoerden levende vis, maar ze hadden wel wat zout nodig om vissen die het transport niet overleefden te conserveren. Boudewijn Grootjans en Jacob de Ridder waren in 1810 niet meer actief op de visafslag van Middelharnis, waar de aanvoer terugliep naarmate de vissersvloot verder inkromp.

auteur: Marlies Jongejan


[1] Molenaar was de naam voor een kleine schelvisachtige vis, Gadus minutus (dwergbolk).
[2] Tegenwoordige Staat van Zeeland, deel 2 (Amsterdam 1753)210.
[3] Marlies Jongejan, ‘Vissen onder Oostenrijkse vlag. Middelharnis tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784)’, Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 34(2015)2 77-95.
[4] Jan Parmentier, ’In de wereld is niets volmaekt’. De evolutie van de Zuid-Nederlandse visserij in relatie tot de Zeeuwse en Hollandse invoer tijdens de achttiende eeuw’, Archief, mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (2003) 31-62, aldaar 51.
[5] SGO, RAM,, inv. nr. 18, Transportakten van schepen en schuiten, 19 mei 1786.
[6] Marlies Jongejan, ‘Gaffelschuiten en kaperschepen (1794-1813). De vissersvloot van Middelharnis in oorlogstijd’ De Ouwe Waerelt 49(2017)17, 2-17.
[7] Marlies Jongejan, ‘De palingrederij van Middelharnis’ (ongepubliceerd)
[8] http://www.archieven.nl. Gids 103 Tol van Zeeland 1584-1805 (Zeeuws Archief). Rekeningen van de Tol te Lillo, voortgezet te Bath. 2.06.09 Hendrik Willem Laurentius 1798-1801 en 2.06.10 Cornelis van Klemmen, 1801-1805
[9] Marlies Jongejan, ‘Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. Export van verse zeevis rond 1800’ Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 37(2018)2, 59-82.
[10] Er gingen 21 stuks in een snees.
[11] SGO, Archief voormalige gemeente Middelharnis (AGM), inv. nrs. 412, 413, 414, Schuldboeken wegens de verkoop van vis (ventjagersboeken), 1803-1804. Database visafslag 1803-1804 van de auteur.
[12] Marlies Jongejan, ‘Gaffelschuiten en kaperschepen (1794-1813). De vissersvloot van Middelharnis in oorlogstijd’, De Ouwe Waerelt, 17(2017)49, 2-17.
[13] O. Groeneijk, Kronijk van Zierikzee (Zierikzee 1821) 19.
[14] J. Adriaanse, Kroniek van Arnemuiden 1795 t/m 1869 (Goes 1994) 75-76. Zie www.kroniek.arnehistorie.com.
[15] SGO, AGM, inv.nr. 14, Resolutieboek 1809-1810.

vrijdag 9 november 2018

Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. Export van verse zeevis rond 1800

In het najaarsnummer van het Tijdschrift voor Zeegechiedenis verscheen een artikel over de ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. Het artikel gaat over de periode rond 1800. De tijd van de Bataafse Republiek.


Samenvatting
Voor de consumptie van verse zeevis waren de steden in het Hertogdom Brabant in de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende en de achttiende eeuw afhankelijk van de Noordelijke Nederlanden. De meeste vis die naar het zuiden ging werd gevangen door de beugvissers uit dorpen op de Zuid-Hollandse eilanden. Dit onderzoek heeft betrekking op de export van verse zeevis in de tijd van de Bataafse Republiek (1795-1806). Als bronnen zijn gebruikt: de administratie van de visafslag van Middelharnis uit 1803-04 met 1.970 transacties tussen stuurlieden en ventjagers, de reeks pachtopbrengsten van deze afslag en de registers van de passages van schepen bij de Tol van Zeeland bij Bath aan de Westerschelde.
A.Q. Kolff was rond 1800 de pachter van de visafslag.




Portret van Adrianus Quirinus Kolff (1745-1826), 
toegeschreven aan Taco Scheltema, gedateerd 1798.
RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, 
Den Haag, Particuliere collectie



De levende vis werd door ventjagers met bunschepen vervoerd vanaf het Goereese Gat naar Brabantse steden als Antwerpen, Mechelen en Brussel, een afstand van meer dan honderd kilometer. Snelheid was geboden om de vis levend of tenminste vers op de plaats van bestemming te krijgen. Het overnemen van vis op het water, het krediet dat ventjagers bij de visafslag van Middelharnis genoten en documenten die zorgden voor een snelle passage bij de Tol van Zeeland laten zien dat het hele systeem gericht was op snelheid. In 1802 passeerden 672 scheepsladingen verse vis de Tol van Bath. Van de schepen kwam 76,2% van de visafslag van Middelharnis. Deze cijfers illustreren het belang van deze visafslag en tonen aan dat de Zuidelijke Nederlanden wat betreft de verse vis bepaald niet zelfvoorzienend waren.

Tachtig stuurlieden (schippers) voornamelijk uit Middelharnis, Pernis en Zwartewaal brachten hun vis op de visafslag, waar ze 62 verschillende kopers troffen. De 27 ventjagers uit Zuid-Nederland, voornamelijk Antwerpenaren, kochten 85% van de aangevoerde vis. Kabeljauw en schelvis vonden ook bij Noord-Nederlandse kopers aftrek. De vangst van de duurdere vissoorten heilbot, rog, vleet en tarbot ging in zijn geheel naar het zuiden.



Op de rechterhelft van deze kaart is het zuidelijke deel van de route van de ventjagers te zien van Bergen op Zoom naar Antwerpen. Nieuwe Kaart van het oostelijkste gedeelte van Staats-Vlaanderen. Uitgave van Isaak Tirion, Amsterdam 1747.
Museum Het Bolwerk/Kenniscentrum Staats-Spaanse Linies, IJzendijke


In de Nederlandse visserijgeschiedenis staat de Bataafs Franse tijd (1795-1813) bekend als een periode waarin de visserij door de oorlog op zee tussen Frankrijk en Engeland in verval raakte. De uitgangspositie van de haringvisserij en de was in 1795 bijzonder slecht. Beide sectoren waren al jaren noodlijdend en konden zich slechts met overheidssubsidie handhaven. De beugvisserij vanuit het zuiden van Holland functioneerde zonder overheidssubsidie en de sector vertoonde aan de vooravond van de Bataafs Franse tijd nog geen tekenen van verval.

De sector van de versvaarders kon flexibeler op de omstandigheden reageren dan de haringsector, die aan de collectieve besluitvorming door het “Committé tot de Zaaken van de Groote Visscherije” gebonden was. De beugvissers en de ventjagers deden er alles aan om, zodra het maar enigszins mogelijk was, het normale patroon van voor 1795 te herstellen. De mogelijkheden die beproefd werden om ondanks de gevaren op zee door te kunnen vissen waren: kortere reizen maken, kleinere schepen voor de visserij op de stroom of in het Goereese Gat aanschaffen en onder neutrale vlag varen. De wetenschap dat de vissers hun vangst altijd voor een goede prijs aan een Brabantse ventjager kwijt konden, was een belangrijke drijfveer om de visvangst niet te staken. De gunstige uitgangspositie in 1795 en de grote mate van veerkracht gedurende de eerste tien oorlogsjaren waren de factoren die ervoor zorgden dat de visserij ter verse op de Zuid-Hollandse eilanden minder snel achteruit ging dan de haringvisserij. 



Marlies Jongejan, ‘Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. Export van verse zeevis rond 1800’  , Tijdschrift voor Zeegeschiedenis, 37(2018)2, 59-82. 

Voor bestellingen van losse nummers zie de website:

woensdag 31 oktober 2018

De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938)

Op 3 november 2018 is het boek over de scheepsrampen en ongevallen op de vissersvloot van Middelharnis verschenen. Het resultaat van jaren onderzoek, waarvan op dit weblog arjaentje.blogspot.nl steeds verslag is gedaan.

Het boek is uitgegeven door uitgeverij De Bataafsche Leeuw in Amsterdam, onder auspiciën van het Streekmuseum Goeree-Overflakkee. 

De auteurs zijn Rinus van Dam, Marlies Jongejan en Pieter Koster.














Korte inhoud

De rode draad wordt gevormd door gegevens over 287 vissers uit Middelharnis, die zijn omgekomen bij scheepsrampen met vijftien gaffelschuiten en dertien sloepen en bij ongevallen aan boord tussen 1717-1938. 
Het leven van de vissers is beschreven in de vorm van korte familiegeschiedenissen, waarin ook hun ouders, echtgenotes en kinderen worden genoemd. De toedracht van de rampen en ongevallen is zo gedetailleerd mogelijk weergegeven. 
Behalve een tijdlijn met de belangrijkste gebeurtenissen in de visserijgeschiedenis van Middelharnis, wordt in het rijk geïllustreerde boek ook aandacht besteed aan de lotgevallen van vissers uit Middelharnis die in de behandelde periode om het leven kwamen op vissersschepen uit andere plaatsen.



Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 2018.
328 pagina's, gebonden, geïllustreerd. Prijs € 22,50.

ISBN 978 90 6707 720 0

te koop bij het Streekmuseum Goeree-Overflakkee (alleen afhalen) en te bestellen bij elke boekhandel in Nederland.
Ook te bestellen via de website van uitgeverij De Bataafsche Leeuw. Porto binnen Nederland wordt niet in rekening gebracht.





Verslag van de presentatie in: Groot Goeree-Overflakkee, week 45, 6 november 2018

Door Sam Fish

287 vergeten vissers krijgen naam en gezicht






In een overvolle Rabobankzaal van het Diekhuus werd op zaterdagmiddag 3 november een nieuw boek gepresenteerd onder toeziend ook van zo'n 130 nabestaanden en andere genodigden. De vergeten vissers van Middelharnis is nu dan echt voor het grote publiek.

Schrijvers Rinus van Dam (oud-voorzitter van het Streekmuseum), Marlies Jongejan en Pieter Koster (nazaat) hebben gezamenlijk ziel en zaligheid in het boek gestopt. Alle drie hebben al eerder werken gepubliceerd over het scheepsrampen en ongevallen van de vloot van Middelharnis en dus was het een bijna logische stap om de krachten te bundelen en elkaar aan te vullen daar waar het kon. Door het werk van de auteurs hebben de vergeten vissers niet alleen een naam gekregen, maar ook een gezicht.

Eerste exemplaar
Een bijzonder moment bij elke boekpresentatie is natuurlijk het overhandigen van het eerste exemplaar. Het was de eer aan auteur Marlies Jongejan om de eerste twee exemplaren te overhandigen; "Het eerste exemplaar van ons boek overhandigen wij graag aan burgemeester Ada Grootenboer-Dubbelman. Een burgemeester vertegenwoordigt de gemeente en dus ook de gene die op zee zijn omgekomen."
De burgemeester bedankt op haar beurt de auteurs voor de tijd en energie die zij in het boek hebben gestoken. "Het is een prachtig monument voor de vergeten vissers en hun achter gebleven families," aldus de burgemeester. En daarop inhakend wordt ook het tweede boek uitgereikt en wel aan een achterneef van vergeten visser Krijn van Gelder, die de voorkant van het boek siert.


Vergeten vissers
De vergeten vissers, zijn de vissers die op zee zijn omgekomen. Hun dood is niet aangetekend in de begraafboeken en (meestal) niet in de burgerlijke stand vermeld. Deze vissers zijn dus wel geboren, maar niet overleden. De auteurs willen recht doen aan de omgekomen vissers van Middelharnis en hen een plek in de geschiedenis geven door hun namen en levensverhalen vast te leggen.

Vanaf nu verkrijgbaar. Het boek bestaat uit 328 bladzijden aan historische informatie over de zeevaart, de scheepsrampen en de vergeten vissers uit Middelharnis. De 287 geïdentificeerde vissers die tussen 1717 en 1938 zijn omgekomen op zee hebben in dit boek een naam en gezicht gekregen doordat hun achtergronden en nabestaanden uitgebreid aan bod komen. De vergeten vissers van Middelharnis is in beperkte oplage verkrijgbaar bij het Streekmuseum in Sommelsdijk, maar ook via de boekhandel. 
Het kost € 22,50.