woensdag 22 januari 2020

Job Langbroek (1876-1934)

Een nagekomen aanvulling op het boek De vergeten vissers van Middelharnis  p. 296. (zie voor de lijst met aanvullingen en correcties het bericht van 12 februari 2019 op dit weblog)


1934: Job Langbroek
werd op 13 januari 1876 geboren te Middelharnis als zoon van Maarten Cornelis Langbroek(1850-1914) en Jannetje Wielhouwer (1849-1887). Na het overlijden van zijn moeder en zijn broer en zus in december 1887 bleef hij alleen met zijn vader achter. 

Vader en zoon verhuisden naar Stellendam en waren daar werkzaam als visser, Job specifiek als botvisser. Job was ongehuwd en woonde in bij het echtpaar Marinus van Dam (1878-1940) en Petronella Maria Huijser (1881-1940). Marinus was ook visser van beroep.

Job was op 13 september 1934 op 150 meter uit de wal even buiten de haven van Stellendam met zijn roeiboot SL51 op bot aan het vissen. De motorkotter SL36, schipper H. Brinkman, kreeg kort na het uitvaren pech en keerde terug naar de haven. Kort daarop werd weer uitgevaren. De bemanning was bezig met de motor. Aan het roer stond een veertienjarige jongen, die de roeiboot niet opmerkte. De roeiboot met Job werd overvaren. Verschillende reddingspogingen mochten niet baten. Het stoffelijk overschot werd in de loop van de middag opgedregd en naar de familie Van Dam gebracht. Justitie heeft zich met het ongeval onderzocht en in het Van Weelziekenhuis te Dirksland werd sectie verricht.
Job Langbroek was 58 jaar oud.




Aanvulling met dank aan Jan van Welie. 


Genealogische gegevens van Pieter Koster

dinsdag 7 januari 2020

Plomptuig en plompvisserij. Schelvisvangst in de 19e eeuw (Middelharnis, Zierikzee, Antwerpen)

In 1821 schreef het Flakkeesch Maand-blad over de introductie van een nieuw soort vistuig op de schepen van Middelharnis:
Het was vanouds de gewoonte om in augustus, september en oktober stil te liggen. Dankzij de vrede die in Europa heerst heeft men, na een proef die vorige jaar genomen is, vier schuiten afgezonden ter visvangst op de kusten van Engeland, met het door de vissers aldaar gebruikelijke vistuig, in plaats van met de beuge. Onder die uitgeruste schepen bevinden zich twee sloepen, welke soort vaartuigen bijzonder voor deze visserij geschikt zijn. Door een van de schuiten is reeds een duizendtal schelvissen alhier aangebracht, een andere schuit bracht er nog meer aan op de markt in Antwerpen’.(1)
Deze nieuwe herfstteelt kreeg de naam plompvisserij.

De visafslag van Middelharnis keerde van 1812 tot 1845 jaarlijks een premie uit van twaalf gulden aan de stuurman die de eerste duizend schelvissen op de afslag bracht. Over de uitbetaling ontstond in december 1824 een verschil van mening. Twee stuurlieden maakten er aanspraak op. Jan Smit omdat hij de eerste duizend schelvissen ’met de zoogenaamde plomp’ had gevangen en Cornelis Sloot omdat hij de eerste duizend schelvissen aan de beug gevangen had. Ze kregen voor deze keer elk zes gulden, maar voortaan gold de regel dat het schip dat de eerste duizend schelvissen met de beug aanbracht recht had op de premie van twaalf gulden.(2) Jan Smit was stuurman van een nieuwe sloep; Cornelis Sloot voer op een gaffelschuit. Toch gingen er ook gaffelschuiten 'plompen'. De bemanning van de gaffelschuit van Jacob Bree was in 1825 bezig met de plompvisserij toen het door een storm werd overvallen. Volgens berichtgeving over de scheepsramp had de gaffelschuit zich ‘naar eene bijzondere visscherij begeven, welke voor de visschepen van het oude maaksel zeer gevaarlijk beschouwd wordt’. Niet de plompvisserij maar de storm was de oorzaak van de scheepsramp. (3).
Ds. B. Boers schreef in 1843 dat de plompteelt voor het eerst in 1818 ingevoerd werd, in navolging van de Engelsen. Hij situeerde de visgronden voor de plompvisserij ‘niet ver van de Engelse kust’. Hij typeerde de plompvisserij als de ‘gevaarlijkste en tevens minst voordelige voor de reders’. In zijn tijd bestond de vloot uit sloepen en waren de gaffelschuiten zoals die van Jacob Bree al verleden tijd.(4) In november 1872 was de sloep Middelharnis tegelijk met de Vijf Gebroeders uit Middelharnis naar de omgeving van Terschelling uitgevaren voor de plompvisserij op schelvis. De sloep is in de nacht overvaren door een groot koopvaardijschip en met man en muis vergaan.(3).

Hendrik de Korte heeft de techniek van het plompen in 1947 uitvoerig beschreven:

Bij de visserij met de plomp, gaan de vissers zoeken naar een plaats waar haringkuit op de zeebodem ligt. Dit doen zij, door telkens het dieplood uit te werpen. Van onderaan dit lood zit een stuk vet. Valt nu het lood op haringkuit, zo blijft er wat van aan dit vet hangen. Nu ging men aan het vissen. Ving men nu enige schelvissen, zo liet de schipper “Op hoop van zegen", het anker vallen. De meeste zeilen werden nu geborgen en de eigenlijke visserij nam een aanvang. Soms ving men weinig of niets, en moest het anker worden gelicht, er een betere plaats worden gezocht, en soms had men de vissen voor het ,,halen”. Het plompvistuig bestond uit een half ronde ijzeren beugel. In het midden zat een dieploodje en aan beide einden een z.g. stel, dat is een eind dun touw ongeveer 1 ½ m lang. Aan ieder stel bevond zich een vishaak voorzien van aas. Het aas bestond uit van de schelp ontdane mossels. Deze mossels werden levend in netten in het bun bewaard. Van voor tot achter nam nu de bemanning plaats en begon men te ,,plompen", door de plomp naar de zeebodem te laten zakken, hem een weinig op te halen, en dan zacht op en neer te bewegen. Men kon dus twee vissen tegelijk vangen. Het is wel gebeurd, dat men in één dag het bun vol schelvis had. Des nachts werd niet gevist. Had men goed weder bij het ,.thuiszeilen", zo kon het gebeuren, dat men met een bun levende schelvis voor het havenhoofd ten anker kwam, waar de vis dan verkocht en gelost werd’ (5).
Vanuit Middelharnis heeft de plompvisserij zich via stuurlieden uit Middelharnis naar de vloot van Zierikzee verspreid. De sloep de Hoop met schipper Jan van Dueren ging bijvoorbeeld in 1822 in oktober en november met de plomp vissen (6). Antwerpse vissers namen deze techniek over. Waarschijnlijk via de Middelharnisse en Zierikzeese vissers die op de sloepen van Antwerpen werkten vanaf 1839. De Vlaamse historicus Frans Bly vermeldt in 1931:
De plomplijnen bestaan uit lijnen, waaraan halfcirkelvormige ijzeren stangen (plompen of plompbogen genoemd) worden vastgemaakt, aan de hoeken waarvan dunnere lijntjes (sneuen of stelletjes) met geäasde hoeken worden geknoopt. Een stuk lood waar het plompijzer door vaart, bevordert het zinken van 't vangtuig. De plompvisscherij werd tot 1895 door Antwerpse visschers uitgeoefend. (7)
Gaston en Roland Desnerck schreven in 1974:
De laatste Vlaamse vissersvaartuigen die met de plomplijn visten waren de Antwerpse sloepen. Het vistuig bestond uit plomplijnen waaraan halfcirkelvormige ijzeren stangen, of plompen, waren vastgemaakt ; aan de hoeken daarvan waren haken geknoopt. Met deze plompen werd schelvis gevangen. De haken van de schelvislijn waren gewoonlijk op 1,60 m van elkaar. (8)
De catalogus van de tentoonstelling van visserijgereedschappen in 1861 vermeldt dat de firma P. van Dragt en Co. uit Amsterdam 'tien stuks plomp-vischhoeken' liet zien. Een Noors bedrijf stelde een haak en lijn voor de plompvisserij ten toon (9)
In de jaren 1869-1880 verschenen, vooral in de Vlaardingsche Courant, regelmatig berichten over de plompvisserij. Altijd in relatie tot sloepen uit Middelharnis.


Vlaardingsche Courant, 16 oktober 1869


Ook het jaarlijkse Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen maakte in deze jaren ook melding van de plompvisserij van Middelharnis. Een voorbeeld uit 1874:

De zestiende sloep, welke te laat van de zomer-beugvisscherij terugkwam om nog eene tweede reis te kunnen ondernemen, heeft daarna voor de plompvisscherij gediend, en van half September tot het einde van October met buitengewoon gunstig gevolg vier reizen op schelvisch gedaan. Zij besomde in dien tijd niet minder dan f 3,200. Bij deze visscherij, welke in den regel weinig oplevert, komt alles aan op goed weder. In het vorige jaar mislukte ze voor de drie sloepen, welke er zich mede bezig hielden, geheel en al. (10)
'Trawlvisserij werkt moordend'
De resultaten van de plompvisserij liepen terug. De laatste vermelding in de kranten is van 1880. In De Telegraaf van 28 juni 1936 gaf een onbekende auteur zijn visie op de ondergang van de plompvisserij. 
Onder de veelzeggende kop 'Trawlvisserij werkt moordend' gaf hij een beschrijving van de verdwenen plompvisserij. In oktober werd op de Welbank en de Doggersbank gevist. Waar zich haringkuit bevondt gingen de schepen voor anker. Ze haalden op zo'n teeltplaats 2.000 tot 3.000 schelvissen binnen. Het bedrijf werd voornamelijk door Hollandse maar ook wel door Belgische vissers uitgeoefend, aldus De Telegraaf in 1936.


De oorsprong van het negentiende eeuwse plomptuig

Op een tekening van Antoon van den Wijngaerde uit 1548, onderdeel van het Panorama van Walcheren, is vistuig te zien dat uit twee lijnen met haken bestaat, die door een staaf verbonden zijn. Aan de staaf is een stuk lood te zien. Volgens Jules van Beylen is dit een afbeelding van het plomptuig.(11)

Detail uit: Antoon van den Wijngaerde. Zelandiae descriptio, 1548 
Detail uit het Visboek van Adriaen Coenen 34/429.


Vergelijkbaar tuig is te zien in het visboek van Adriaan Coenen uit 1579 (12). Hier lijkt in het midden van de staaf geen lood te zien. De tekst erboven luitdt: 'dese stelt om de zood', dat wil zeggen dat er voor eigen gebruik een 'zoode visch' gevangen wordt.

In het scheepsjournaal van schout-bij-nacht  H. Brunsveldt uit 1667 wordt het  woord plompen voor het eerst vermeld. Het schip bevindt zich bij de noordhoek van de Faeröer eilanden, waar de bemanning bij rustig weer voor eigen gebruik kabeljauw en heilbot vangt.
Vrijdag 5 augustus/ 26 juli, 1667:

Snaghs al weederom met stilte en goed weeder / dan in de dagwacht mistigh, dogh omtrent vroeghcost begonde het weederom op te claeren, met slappe coelte en d' lucht westelijck, sackten al soo naar d' noordthoeck van Ferro maar mackten weynih schott, alsoo de gaeten omtrent het lant seer trocken, conden darom weijnigh vertijeren (vorderen), weynigh daar naa trock den mist weederom seer sterck, en geheel stil, soo dat ons volck aen het plompen tegen (togen), en vingen veel cabbliau oock heijlbott, dit duierde den geheelen dagh soo dat tegens den avont weederom eenige scheepen saagen l dan ('t) duierde, seer kleynen tijdt, en all weederom met mist betrocken, en stilte en (de lucht) geheel geel.(13) 

In de achttiende eeuw komen we het plompen als term niet tegen. J. Ploeg vermeldt in zijn boek over de achttiende eeuwse visschuiten van het Overmase wel de plomp, maar neemt daarbij de tekening uit 1548 op met verwijzing naar Van Beylen.(14) In de inventarislijsten van het op de schuiten aanwezige vistuig komt het plomptuig niet voor.

De vissers van Middelharnis hielden zich een deel van het jaar bezig met de tarbotvisserij en de handel in tarbot voor de Engelse markt. Ze hadden veel contact met Engelse vissers. Daaardoor kenden ze elkaars vistechnieken. Bij het overnemen van de techniek voor de commerciële visserij op schelvis namen ze niet de Engelse naam over. Ze gebruikten een reeds bestaande term (het plompen) van een vergelijkbare techniek, die tot dusver alleen gebruikt was voor het vissen voor eigen gebruik. 

De vermelding van het overnemen van deze techniek van Engelse vissers leidde naar een Engels handboek uit 1875 met een beschrijving van de 'sprool rig'. Deze beschrijving komt in alle opzichten overeen met het negentiende eeuwse plomptuig.

The Sprool Rig consists of a dip-lead of from two to five pounds' weight, of the shape of a ship's hand-lead, having a hole an inch or so below the hole in the top.Through the lower hole a bow of three-eighths galvanised iron is thrust, which measures from 20 inches to 2 feet across ; and loops being lashed on to the ends, the snood and hooks are fastened thereto.The bow of iron is considerably arched—almost, in fact, half a circle—and as it is not a fixture the ends turn upwards as the gear descends, and drop downwards when the lead reaches the bottom, maintaining the same position in ascending. The lead is prevented sliding beyond the centre of the bow by two leather washers of the size of a sixpence, which are them selves kept in their places on either side of the lead by collars of sail-twine, lashed tightly round the bow outside the lead sufficiently to allow room for it to work. It is much used in Cod, Haddock, and Whiting-fishing in the North Sea. A snood of from 4 to 6 feet is attached to either end of the bow, and the manner of using is to sound and then haul up just clear of the bottom. It should be fitted with swivels of brass. The Cod smacks are hove to, and, as they slowly drift along, 6 or 8 lines are worked from the weather side. For light fishing one and two pound sinkers are sufficiently heavy, and the bow may be used one foot across.(15)

Helaas bevat het boek geen tekening van dit tuig, wel een tekening van een vergelijkbaar tuig, de 'kentish rig'. Het plomptuig moet er ook zo uitgezien hebben, maar dan met een beugel in de vorm van een halve cirkel waaraan de lijnen zaten.



The Kentish Rig. Uit: J.S. Wilcocks, The sea-fisherman, 38


De vissers van de Faeröer gebruiken nog altijd handlijnen die ze 'balance' lijnen noemen. Als voordeel van deze lijnen wordt de veerkrachtige constructie genoemd waarmee plotselinge snokken, veroorzaakt door tegenspartelende vis, kunnen worden gedempt. Onderdeel van dit tuig is een halve cirkel van metaal.




Faroër balance fishing line.
Uit: Andreas von Brandt, 
Fish catching methods of the world',
Farnham, 1984. 80.
 


Conclusie
Vistuig voor de bodemvisserij met twee handlijnen en haken was in de Lage Landen al in de zestiende eeuw bekend en werd gebruikt om voor eigen consumptie een 'zoode visch' te vangen (te plompen).
In Engeland werd dergelijk vistuig verder ontwikkeld en ingezet voor de commerciële visserij op kabeljauw, schelvis en wijting. Dit tuig, 'sprool rig' genaamd, werd vanaf 1818 door de vissers van Middelharnis gebruikt voor de commerciële schelvisvisserij  (plompvisserij) in de maanden september - november. De vissers van Zierikzee en later van Antwerpen namen deze techniek over. Niet bekend is of het ook elders in Holland of Vlaanderen werd toegepast.


Marlies Jongejan, met medewerking van Raymond van Ael, Floris Bennema en Jan van de Voort.

1. Flakkee’s Maand-blad, 1(1821)9.
2. U.J. Mijs, De vischafslag van Middelharnis, 85; SAGO, AGM, 603, vergadering 8 december 1824.
3. Staatscourant, 6 december 1825. Zie ook: Pieter Koster, ‘In een treurig bezwaar gewikkeld’; Marlies Jongejan, 'De bemanning van de sloep Middelharnis', 
in: Van Dam, Jongejan, Koster, De vergeten vissers van Middelharnis, 117 en 213.
4. B. Boers, Beschrijving van het Eiland Goedereede en Overflakkee (Sommelsdijk 1843), 271-272.
5. Hendrik de Korte Johsz, ‘Iets over de visserij van Middelharnis’, Eilanden-nieuws, 26 juli 1947
6. Marlies Jongejan, ‘Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren’,in: Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland), 44(2019) 30.
7. Frans Bly, Verklarende vakwoordenlijst van de zee-visscherij. Leuven, 1931, 201-202. Alfabetisch onder ''schelvisvangst".
8.Gaston Desnerck en Roland Desnerck, Vlaamse visserij en vissersvaartuigen, 1974, deel 2, 477.
9. Catalogus van de tentoonstelling van visscherij-gereedschappen, gehoudern door het Collegie voor de zeevisscherijen... (Leiden 1861) 42 en 49.
10. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1874, 52.

11. Jules van Beylen. 'Zelandiae descriptio'. In: Mededelingen van de Marine academie van België, jaargang 1956/57, 81- 114. 
12. Visboek van Adriaen Coenen, 34/429 via galerij.kb.nl. Floris Bennema signaleerde de overeenkomst tussen de beide 16e eeuwse tekeningen.
13. S. Haagsma, ‘Scheepsjournaal van den schout-bij-nacht H. Brunsveldt, Ao. 1667. In. De Navorscher, 48 (1898) 232 . Gesignaleerd door Jan van de Voort. http://www.dbnl.org/arch/_nav001189801_01/pag/_nav001189801_01.pdf
14. J. Ploeg. Bezanen en gaffelaars. Schepen van ’t Overmaas, visschuiten van de Zuid-Hollandse eilanden uit de jaren 1600-1850. Emmen, 2008. 32
15. J.C. Wilcocks. The sea-fisherman, comprising the chief methods of hook and line fishing in the british and other seas, and remarks on nets, boats and boating. 3e editie. Londen, 1875. 37-38.

16. Mededeling van Raymond van Ael, gebaseerd op het boek van Andreas von Brandt, Fish catching methods of the world', Farnham, (Surrey) Fishing News Books Ltd, England, 1984. 80.

N.B. Zowel in de tekst uit de Telegraaf van 1936 als in de tekst van Hendrik de Korte wordt vermeld dat de schepen voor anker gingen bij het plompvissen.  Raymond van Ael reageert als volgt: een schip dat gaat plompen (of kollen) gaat niet voor anker, maar laat zich stilletjes verlijeren om te voorkomen dat de langs loefzijde uitgeworpen lijnen onder het schip terechtkomen komen, eventueel kan een waterzeil worden uitgezet maar zeker geen anker.

zaterdag 21 december 2019

De palingrederij van Middelharnis (1779-1807). Vervoer van paling naar Londen

De palinghandel op Londen is een tot nu toe onbekende episode uit de visserijgeschiedenis van Middelharnis. Op het eerste gezicht geen voor de hand liggende nering omdat de vissers van Middelharnis niet op paling visten. 
In het decembernummer 2019 van De Ouwe Waerelt een artikel waarin wordt beschreven dat enkele ventjagers en reders uit Middelharnis zich in het laatste kwart van de achttiende eeuw, naast de tarbothandel, ook op de palinghandel toelegden. Aan de orde komt de vraag wat de reden was om zich hiermee bezig te gaan houden, wie de sleutelfiguren in de palingnegotie waren, hoe de palingrederij functioneerde en welke schepen voor het vervoer ingezet werden. Aan de palinghandel kwam halverwege de Bataafs Franse periode (1795-1813) door oorlogsomstandigheden een eind. 
De laatste jaren stonden in het teken van een slepende rechtszaak van schipper Maarten Vermaas tegen boekhouder Leendert van den Tol van de ‘Paling-Rheederij van Middelharnis’.

Na een uiteenzetting over de Hollandse en Friese palinghandel op Londen in de zeventiende en achttiende eeuw volgt een beschrijving van de schepen die hiervoor gebruikt werden. Het blijkt dat de ventjagersschuiten die in Zuidwest Nederland voor handen waren door het gebruik van palingkaren ook geschikt waren om paling mee te vervoeren.


Schilderij met zes palingaken, afgemeerd aan een steiger (Dutch Mooring) in de Theems in Londen. Olieverf op doek door een anonieme kunstenaar, 19e eeuw (Fries Scheepvaartmuseum, Sneek, inv. nr. FSM G-020).


De Middelharnisse ventjagers die zich met de palinghandel bezighielden maakten gebruik van het handelsnetwerk dat ze in Londen hadden. Ze brachten namelijk ook al decennialang tarbot op de vismarkt van Billingsgate. Ze kenden de vaarroute naar Londen en waren goed geïnformeerd over de opbrengsten en over het functioneren van de Friese palinghandel. Tarbot was er niet het hele jaar. Door ook paling te vervoeren konden de schuiten alle maanden doorvaren.
De uitvalsbasis voor de palinghandel door Middelharnisse ventjagers was de vestingstad Muiden aan de Zuiderzee bij Amsterdam. Cornelis Vermaas, afkomstig uit Middelharnis, vestigde zich hier in 1784 als tussenpersoon voor de inkoop van paling en tarbot.

De schuit Jonge Johanna, omschreven als bezaanpalingschuit, is in 1779 gebouwd en heeft 27 jaar dienst gedaan voor een groep  van acht reders die gezamenlijk de ‘Paling-Rheederij van Middelharnis’ vormden.  Boekhouder was Leendert van den Tol.
Naast deze palingrederij hield ook Joost Boeter zich bezig met vervoer van paling naar Londen met een schip waar Leendert van den Tol eveneens boekhouder van was. Mogelijk was er nog een derde schuit voor dit doel in bedrijf.





Model van de Pernisse bezaanschuit Johannes Cornelis, 1804. (Maritiem Museum, Rotterdam inv. nr. M 64).

Cornelis Vermaas (1745-1807), diens broer Maarten Vermaas (1746-1826), Joost Boeter (1746-1807) en boekhouder Leendert van den Tol (1752-1808) waren de sleutelfiguren van de palinghandel op Londen. 

In het artikel wordt de loopbaan van schipper Maarten Vermaas gevolgd vanaf 1782. Hij kwam in 1803 in conflict met boekhouder Leendert van den Tol, de rijkste en machtigste man van het dorp. Het conflict leidde tot een rechtszaak, eerst voor de schepenrechtbank van Middelharnis en vervolgens voor het Hof van Holland. Met uitzondering van Maarten Vermaas overleden alle hoofdpersonen nog voor het Hof een uitspraak kon doen. Tot oktober 1809 zijn stukken in deze zaak geproduceerd. Tot een uitspraak is het nooit gekomen. Waarschijnlijk heeft de inlijving van ons land bij het Franse Keizerrijk in 1810 ervoor gezorgd dat het recht niet zijn normale loop kon nemen.

Van deze slepende rechtszaak zijn veel processtukken in de archieven bewaard gebleven. Dankzij het feit dat Maarten Vermaas zich tegen Leendert van den Tol keerde kon de geschiedenis van de palingrederij  aan de hand van deze stukken gereconstrueerd worden.

Publicatie:

Marlies Jongejan, 'De palingrederij van Middelharnis (1779-1807). Vervoer van paling naar Londen'. In: De Ouwe Waerelt, 19(2019)58, 24-31.

De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nlLosse nummers: € 8,95, te koop bij Van der Boom - Boeken en Muziek, Voorstraat 41, 3245 BG Middelharnis

zondag 15 december 2019

Een arm Zeedorpken. Het verhaal van het vissersdorp Zwartewaal

Op zaterdag 14 december 2019 is in de Martinuskerk van Zwartewaal het boek van Nico de Vries over de geschiedenis van Zwartewaal vanaf het jaar 1000 tot 1945 gepresenteerd. Het Streekarchief Voorne-Putten en de Vrienden van het Streekarchief Voorne-Putten hebben de uitgave tot stand gebracht.

Nico de Vries, tijdens zijn werkzame leven journalist van beroep, begon zijn onderzoek in 2004 met een expositie in het Historisch Museum Den Briel over de visserij van Zwartewaal. Hij raadpleegde sindsdien niet alleen het Streekarchief Voorne-Putten maar ook archieven van andere voormalige vissersplaatsen in het Maasgebied (Maassluis, Middelharnis, Schiedam). In het Nationaal Archief vond hij in de archieven van de drie Visserijcolleges veel informatie over de visserij in de negentiende eeuw. Aanvullende bronnen op internet maakten het beeld completer.

Vanuit Zwartewaal  werd de beug- en kolvisserij bedreven, evenals vanuit Middelharnis en Pernis. De visserij van de drie plaatsen vertoont vele overeenkomsten maar er waren toch ook enkele verschillen. Zwartewaal is de oudste van de drie, de naam bestond al in de dertiende eeuw, terwijl het gebied rond Middelharnis pas in 1465 bedijkt werd. In het midden van de zestiende eeuw verdienden de meeste inwoners van Zwartewaal hun brood met rivier- en kustvisserij. Er waren - anders dan in Middelharnis- in de zestiende en zeventiende eeuw ook dorpelingen actief in de haringvisserij, de IJslandvaart (1676) en de koopvaardij. 
De gaffelschuit wordt voor het eerst vermeld in 1674 (blokschuit) en voor de visserij op IJsland werden hoekers gebruikt. In 1697 hadden zestien grote schepen Zwartewaal als thuishaven.

Ook in de tweede helft van de achttiende eeuw voeren gedurende enkele jaren hoekers uit Zwartewaal uit naar IJsland. In de zomermaanden voeren deze hoekers mee in de haringvloot. De belangrijkste nering in de achttiende eeuw was de verse vis, vooral tarbot, kabeljauw en schelvis. Voor de vissers van Zwartewaal was de visafslag van Middelharnis cruciaal als afzetkanaal.



Zwartewaalse gaffelaar die zijn beug uitzeilt. 
uit: Verzameling van vier en tachtig stuks Hollandsche schepen, 
door G. Groenewegen. Rotterdam, 1789.



Tijdens de negentiende eeuw domineerde de redersfamilie Kwak de visserij van het dorp. De Vries noemt deze periode daarom de 'Eeuw van Kwak'. In 1898 havenden in Zwartewaal nog acht sloepen en drie botters. De bemanning bestond uit ongeveer honderd man. In de winter van 1901-02  werden de laatste twee sloepen, verkocht met IJmuiden als nieuwe thuishaven. Zwartewaal was vissersplaats af.

Over de perioden dat er oorlog op zee was valt in het boek veel te lezen. De kapingen van schepen tijdens de tachtigjarige oorlog, taan het eind van de zeventiende eeuw en tijdens de periode 1795-1813 komen aan bod, evenals de omvlagging van schepen in 1782 en tijdens de Bataafs Franse periode. Zelfs de strijd tussen Patriotten en Prinsgezinden had in Zwartewaal zijn weerslag op de visserij. Reder Pieter Kruijf, aanhanger van de pattriotten, werd uit Zwartewaal verjaagd. Met zijn drie vishoekers en een gaffelschuit vestigde hij zich in Delfshaven.

'Een arm Zeedorpken' vertelt het verhaal van 
de geschiedenis van het dorp Zwartewaal. Naast de visserij komen het dorpsbestuur, het kerkbestuur, de ambachtsheerlijkeid, de armenzorg, de landbouw  en de koopvaardij ruim aan bod. Zo komen we te weten dat er in het dorp in de jaren 1560 opmerkelijk veel wederdopers woonden en dat de zoutwinning lange tijd een belangrijk bestaansmiddel was.  De Vries verbindt de kleine, lokale geschiedenis met de grote landelijke en internationale gebeurtenissen. De vissersgemeenschap was weerbaar en toonde telkens weer de veerkracht om de draad opnieuw op te pakken.

Het boek is opgezet als een doorlopend chronologisch verhaal en voorzien van een notenapparaat. Als bijlage is een overzicht van het aantal inwoners door de jaren heen opgenomen, evenals een lijst met scheepsnamen en een overzicht van de scheepsrampen

Het boek is lokaal van belang maar levert ook een bijdrage aan de geschiedschrijving van de zeevisserij vanuit de dorpen op de Zuid-Hollandse eilanden (Middelharnis, Pernis en Zwartewaal). 'Een arm Zeedorpken' is goed gedocumenteerd en verzorgd uitgegeven.







Publicatie:
Nico de Vries, Een arm Zeedorpken. Het verhaal van het vissersdorp Zwartewaal, (Brielle, 2019), 160 p.
Uitgave: Streekarchief Voorne-Putten en Vrienden van het Streekarchief Voorne-Putten 
ISBN 9789090326092
Prijs: € 14,95
Te bestellen bij het Streekarchief Voorne-Putten via E-mail  info@streekarchiefvp.nl

dinsdag 3 december 2019

Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren

Op vrijdag 29 november 2019 werd in Zierikzee de editie 2019 van de Kroniek van het Land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland ) gepresenteerd. Vanwege het tachtigjarig bestaan van de vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland is de kroniek deze keer in een speciale gebonden uitgave uitgebracht, waarin een uitgebreid artikel met de titel:
 'Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren’.

Jan van Dueren uit Middelharnis
Jan Franse van Dueren (1788-1850) is op 15 juni 1788 in Middelharnis gedoopt. De moeder van Jan overleed enkele weken na de bevalling. Zijn vader, Frans Janse van Dueren, was visser van beroep. Eind november 1791 is hij, met drie andere vissers, omgekomen bij de stranding van de gaffelvisschuit Jonge Laurens. Jan Franse van Dueren is op driejarige leeftijd wees geworden (zie ook het bericht op dit weblog van 9 januari 2014)
Dat zijn vader op zee omgekomen was weerhield Jan er niet van om ook visser te worden. Zijn naam staat op een lijst uit 1811, uit de tijd van de inlijving van ons land bij Frankrijk, te midden van 232 ‘pêcheurs’. Op 9 maart 1818 was Jan een van de twaalf bemanningsleden van de gaffelschuit de Eersteling. Hij zag aankomen dat deze schuit uit 1787 niet lang meer in de vaart zou blijven en keek uit naar iets anders. In Zierikzee werd tussen 1818 en 1820 een vloot van elf schepen voor de zeevisserij opgebouwd. Er was behoefte aan ervaren beugvissers die men uit Holland aantrok.

Marinus van den Nieuwendijk uit Middelharnis, een oom van Jan van Dueren, werd begin 1820 aangesteld als schipper voor de in aanbouw zijnde sloep de Vreede. Jan van Dueren is in het voorjaar van 1820 aangesteld als schipper op de nieuw te bouwen sloep de Hoop. Zijn oom zal hem van harte aanbevolen hebben. Het transport van schipper Van Dueren en ‘desselfs huishouden’ van Middelharnis naar Zierikzee had plaats op 4 september 1820. 



De eerste sloep (chaloup), tekening van Hendrik de Korte Johsz

Schipper in Zierikzee
De Hoop is gebouwd in Zierikzee door scheepstimmerman Wouter van Vliet. Het was een vissloep met één mast met als afmetingen: ruim 19 meter lang, 5,5 meter breed met een holte van 2,5 meter. In de boeken van de Nieuwe Visscherij staat de Hoop voor 18.021,71 gulden. Het was de duurste van de tien sloepen. Het schip liep in december 1820 van stapel.
Gedurende zijn loopbaan in Zierikzee verleende Van Dueren een aantal keren assistentie aan andere schepen. Dit waren riskante, maar soms goed betaalde klussen. In 1822 bracht hij een scheepje binnen. Aan deze klus hield de bemanning 30,05 gulden aan over. Op 21 november 1824 verleende de Hoop, ‘met gevaar van schip en leven’, assistentie aan een Engels brikschip dat in de stukken aangeduid wordt als de ‘3 Zusters van Shields’. Hiervoor werd 900 gulden aan loodsgeld uitbetaald. In dezelfde maand loodste de Hoop de Aurora II binnen, een smak (kustvaarder) onder Pruisische vlag. Hiermee werd 50 gulden aan loodsgeld verdiend. De bedragen die werden binnengehaald met hulp aan andere schepen kwamen deels ten goede aan de bemanning.
In 1821 en 1822 werd de sloep de Hoop uitgekozen om als haringjager te fungeren. Dit hield in dat de sloep in juni een jaagreis naar de Shetlandeilanden ondernam om de eerste haring van de Zierikzeese haringschepen over te nemen en zo snel mogelijk naar Zierikzee te brengen. Van Dueren was kennelijk een ondernemend man, die er niet voor terug schrok om een dergelijke klus op zich te nemen. Van Dueren betrok zijn bemanningsleden uit Middelharnis, Pernis, Vlaardingen, Zierikzee en Zwartewaal. Voor meer namen zie het bericht van 16 juni 2014.
De onderneming Nieuwe Visscherij werd geen succes. De schepen werden vanaf 1829 stuk voor stuk verkocht. De laatste reis van de Hoop eindigde op 16 november 1829. Het schip heeft daarna enkele jaren werkeloos in de haven van Zierikzee gelegen en is in 1835 voor 3.600 gulden verkocht aan reder Jacob Slis uit Middelharnis, evenals de Pieter Mogge die voor 3.000 gulden van de hand ging. De Hoop werd omgedoopt in Wisselvalligheid (in 1867 vergaan). Jan van Dueren keerde terug naar Middelharnis waar hij weer werk vond als visser en soms als schipper (in Middelharnis als stuurman aangeduid).

De visserij van de Hoop in 1821/22
In het artikel wordt de visserij van de sloep van december 1821 tot december 1822 uitgebreid beschreven. De vistechnieken (beug-, kol- en plompvisserij) komen aan de orde evenals de besomming op de visafslag tijdens de verschillende seizoenen, de meegenomen etenswaren en de beloning van de bemanning, het gebruik van aas etcetera. Het is duidelijk dat de schipper in Middelharnis opgeleid is. Hij brengt de vangst soms op de visafslag van Middelharnis en komt met de sloep naar het Haringvliet om op aas te vissen.

Het scheepsjournaal van de Hoop
In het archief van de Nieuwe Visscherij is een scheepsjournaal van de Hoop uit 1822 bewaard gebleven. Het journaal is geschreven door Jan van Dueren en beschrijft in 44 pagina’s een reis van elf weken en vier dagen, van donderdag 2 mei tot en met zondag 14 juli. 



Omslag van het ‘Journaal van de reis van de vischchaloup De Hoop’, 1822.

De reis in de zomer van 1822 had een tweeledig doel namelijk de visserij ter zoute en de haringjagerij. Het journaal is een interessante bron voor historisch onderzoek naar zowel de kabeljauwvisserij ter zoute als de haringvisserij met de bijbehorende haringjagerij. 

Een deel van de tekst gaat over windrichting, windkracht, koers en zeilvoering. En elke dag werd de hoeveelheid gevangen vis vermeld. De vis moest niet alleen gevangen worden maar ook gespoeld, gesneden en gezouten.

Praaien
Het aanroepen van een ander schip op zee heet praaien. Het is het belangrijkste communicatiemiddel tussen de schepen. De eerste dag van de reis, vrijdag 3 mei, praait Van Dueren al een bekende uit Middelharnis, Maarten Buurveld, stuurman van de gaffelvisschuit Jonge Arentje :

Sijlden noord noord oost tot savonds ten 4 ueren. Wende suijd over, sijlden zuijd oost ten suijden tot savonds ten 8 uuren. Zagen de Goere[e] wal.suijd suijd oost van ons. Praijden Maerten Buurveld.

Hitlandse vissers in nood

Een bijzondere gebeurtenis die in het scheepsjournaal beschreven wordt is de redding van enkele vissers van Shetland, door de vissers als 'Hitland' aangeduid. De bemanning ziet op 27 juni in de ochtend twee jollen, kleine open vissersboten. Het begint zo hard te stormen dat deze boten niet aan land kunnen komen. De bemanning van de Hoop ziet kans om enkele vissers van de omgeslagen boot af te halen en aan land te brengen. Dat de sloep Hitlandse vissers heeft gered ontging de plaatselijke (Schotse) autoriteiten niet. Enkele dagen later ontving de schipper aan boord een bedankbrief. Koning Willem I kende op 12 oktober 1822 aan Jan van Dueren een koninklijke onderscheiding toe in de vorm van een medaille van de derde grootte ter waarde van dertien gulden. 


Pagina uit het scheepsjournaal van 27 juni 1822.

De route
De sloep met twaalf bemanningsleden ging vanaf Zierikzee via Texel naar de visgronden ten noorden en ten noordoosten van de Doggersbank. Aansluitend stak de sloep over naar de Schotse oostkust en viste daar eveneens op kabeljauw om aansluitend naar Shetland te zeilen. Hier zocht schipper Jan van Dueren de haringvloot op om de eerste vangst van de twee Zierikzeese haringschepen over te nemen en als haringjager zo snel mogelijk naar Zierikzee te brengen.



De route van de Hoop. 

Ingetekend op een kaart uit :O.T. Olsen, The piscatorial atlas of the 
North Sea, English and St. George’s Channels (London 1883)



Publicatie:

Marlies Jongejan, ‘Een visreis in 1822. De Nieuwe Visscherij van Zierikzee, vissloep de Hoop en schipper Jan van Dueren’,in: Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland), 44(2019) 20-50. 


ISBN 978-90-821374-7-7
prijs: € 7,50. Via Boekhandel de Vries in Zierikzee of uw plaatselijke boekhandel.



______________________________________________________________________________

Voor deze publicatie is onder andere gebruik gemaakt van de volgende bron:

Journaal van de jaagreis van de vischchaloup de Hoop van ’t jaer 1822 […] in eigendom toebehoord aan de Commissie van Toezigt over de Nieuwe Visserij van Zierikzee door schipper Jan van Dueren . Ten geleide, transcriptie en annotaties door Marlies Jongejan (2019)

Zeeuws Archief, toegang 5518, Commissie van Toezicht van de Nieuwe Visscherij te Zierikzee 
(1817)1818-1835, inv. nr. 294.

Te downloaden via deze link:

https://www.academia.edu/41155061/Journaal_van_de_jaagreis_van_de_vischchaloup_de_Hoop_van_t_jaer_1822_in_eigendom_toebehoord_aan_de_Commissie_van_Toezigt_over_de_Nieuwe_Visserij_van_Zierikzee_door_schipper_Jan_van_Dueren

zondag 3 november 2019

Een Katwijkse bomschuit met een Zeeuwse bemanning (1908)

De Katwijkse vloot groeide in het begin van de twintigste eeuw hard. Het dorp had te weinig vissers om de schepen voor de haringvisserij te bevolken.  Naast het eigen volk werden daarom vissers van buiten aangetrokken.
De KW 23, schipper C. van den Oever uit Katwijk aan Zee, werd bemand met Vlissingse, Middelburgse en Terneuzense bemanningsleden. 



De bomschuit KW 23, KATWIJK IV, bouwjaar 1897
foto afkomstig van Jan van Welie





Onderstaande monsterrol, opgemaakt door J.C. Fanoy, de waterschout van Vlissingen, is gedateerd 23 mei 1908 en bevat de namen van 13 Zeeuwen met hun leeftijd en het aandeel dat ze genoten in de besomming







Een supplement van de monssterrol is opgemaakt op 21, 29 en 30 juni 1908. Hier staan vier Middelburgers en een Vlissinger op.





Gegevens van Jan van Welie, Katwijk.

De Katwijkse monsterrollen worden bewaard in het archief van Leiden (Erfgoed Leiden en omstreken).

zaterdag 31 augustus 2019

Een zeekijker als beloning voor schipper Jan van den Hoek uit Middelharnis (1884)

De MD 8 Willem de Zwijger werd in de winter van 1875-76 aan de vloot van Middelharnis toegevoegd. De schipper was J. Langbroek Mzn. In de winter van 1878-79 werd Jan van den Hoek schipper. Op 24 januari 1880 meldde de Vlaardingsche courant dat Willem de Zwijger, samen met Tweelingen en Twee Cornelissen, in Hellevoetsluis binnengelopen was met schelvis, rog, vleet en kabeljauw.
De volgende reis verliep minder fortuinlijk. De sloep keerde niet op tijd terug en men was bezorgd over het uitblijven. Op 23 februari 1880 liep de sloep met schipper Jan van den Hoek alsnog met een gebroken mast in Hellevoetsluis binnen.

Dinsdag 29 januari 1884  kwam het Engelse smakschip Joseph & Sara in volle zee in moeilijkheden. Het vaartuig was mastloos en zwaar lek. Jan van den Hoek redde de bemanning met de Willem de Zwijger. Zondag 3 februari kwamen ze met de vijf Engelsen, schipper en vier matrozen, in Middelharnis aan.

Provinciale Drentsche en Asser courant, 6 februari 1884

De redding bleef niet onopgemerkt. De Britse regering waardeerde het heldhaftige gedrag van de schipper met een zeekijker.

De Tijd, 17 juli 1884

Een zeekijker was in die tijd een kostbaar bezit. De Britse regering maakte er een gewoonte van om redders van schipbreukelingen met een zeekijker te belonen. Een zeekijker, ook aangeduid als 'binocular glass'  of dubbele zeekijker, behoorde nog niet tot de standaard uitrusting van een vissersschip.  Mogelijk was Jan van den Hoek de eerste schipper van de vissersvloot van Middelharnis die een kijker tot zijn beschikking kreeg.

De houten sloep Willem de Zwijger van rederij Slis werd in 1899 verkocht.(1) De laatste schipper was Abraham Langbroek. Jan van den Hoek (1856-1929) was van 1894 tot 1899 schipper van MD 7 Toekomst. Van 1905 tot en met 1912 was hij schipper van MD 4 Theodora Emmerentia. In het boek  'Zee en eiland' beschrijft Arjanus Faasse het leven aan boord van deze sloep rond 1910.  De verrekijker van Jan van den Hoek wordt een aantal keren vermeld (2). Faasse duidt de kijker aan met de merkwaardige naam 'globe'.

Zie ook het bericht van 21 mei 2013 op dit weblog. 'Van den Hoek, schippers op de sloepen van Middelharnis 1866-1912'.

1. De sloepen van Middelharnis, 1834-1923. Handgeschreven overzicht, auteur onbekend. Aanwezig in Maritiem Museum Rotterdam.
2. Arjanus Faasse, Zee en eiland, Middelharnis, ca. 1962, Hoofdstuk 6,7 en 8 over zijn werk op de MD 4 Theodora Emmerentia bij  Jan van den Hoek, op p.140 en p.153 vermelding van de 'globe', verrekijker.