donderdag 31 mei 2018

Reder P.L.Slis en de komst van de telegraaf naar Middelharnis (1871)

Telegraafkantoor in Dirksland
In 1852 nam het Nederlandse parlement de 'Wet tot regeling der gemeenschappen door Electro-magnetische Telegrafen' aan. Deze wet bepaalde dat de Nederlandse staat het telegraafnet ging aanleggen en exploiteren. De telegraaf maakte een nieuwe vorm van communiceren mogelijk, niet langer beperkt door afstand of tijd. Het staatsbelang was gelegen in de militaire informatie van en naar alle vestingen en het gelijktijdig afkondigen van overheidsmaatregelen in alle landsdelen. Het aan te leggen telegraafnet volgde in eerste instantie het spoorwegnet: de steden in de latere Randstad en plaatsen op de route naar België en Duitsland. Daarnaast werd voorzien in een secundair net naar Middelburg/Vlissingen,  Den Helder en Harlingen. De telegraaflijnen waren indertijd van ijzerdraad en hingen 5-7 meter boven de grond. Een kabel door het water aanleggen was een kostbare aangelegenheid, bovendien raakten zeekabels met storm snel beschadigd.
Niet de overheid maar het bedrijfsleven werd de grootste gebruiker van de telegraaf. Handel en scheepvaart konden al snel niet meer zonder dit medium (1).
Spoedig waren alle geplande lijnen gereed, behalve die naar Brouwershaven, via Brielle en Hellevoetsluis. Deze lijn, met een kantoor in Dirksland, is aangelegd door de particuliere Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij in 1854 Op Overflakkee had vanaf 1854 alleen Dirksland een telegraafkantoor, dat voor alle gemeenten op Goeree-Overflakkee dienst deed. Het halen en brengen van telegrammen met een bode van en naar Dirksland was duur en tijdrovend.

Verzoekschriften voor meer telegraafkantoren
Op 27 november 1869 richtten de burgemeesters van het oostelijk deel van Flakkee zich middels een brief en een advertentie tot de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën met het verzoek om de postvoorziening te verbeteren. In de tekst wordt ook gepleit voor telegraafkantoren in Middelharnis en Oude-Tonge, 'de plaatsen waar de meeste handel en het grootste vertier is.' (2)
In de vergadering van de Tweede Kamer van 22 december 1869 pleitte de afgevaardigde Van Kerkwijk op basis van het verzoekschrift en van persoonlijke lobby van de gemeenten voor een rijkstelegraaflijn op Flakkee. 'Middelharnis heeft een grooten vischhandel en vormt met Sommelsdijk een bevolking van 5 à 6 duizen zielen. Te Oude Tonge wordt wekelijks een groote koornmarkt gehouden', aldus de argumentatie van Van Kerkwijk. Maar ook dit pleidooi was tevergeefs.



Zierikzeesche Nieuwsbode, 30 december 1869


Het ingediende verzoek vond geen gehoor bij de regering. Uit onvrede over het isolement van de regio is bij K.B. van 29 april 1870 nr. 11 de vereniging 'Levensquaestie' opgericht (Nederlandsche Staatcourant, 28 mei 1870) ook omschreven als de 'Vereeniging tot bevordering der verbetering der gemeenschapsmiddelen tusschen dit eiland en den vasten wal'. Op door deze vereniging ingediende verzoeken, die betrekking hadden op alle communicatiemiddelen (veerdiensten, post en telegraaf), kwam zelfs geen antwoord uit Den Haag.

Telegraafkantoor Middelharnis-Sommelsdijk
Begin januari 1871 kwam in Middelharnis-Sommelsdijk  de 'Commissie tot oprichting van een Telegraafkantoor'  tot stand. De commissie bestond uit Pieter Leendert Slis (scheepsreder), Willem Matthias van den Broek (rentmeester), beiden uit Middelharnis, David de Graaff en Arend Dingeman Mijs uit Sommelsdijk (landbouwers). Slis was de secretaris en drijvende kracht van de Commissie. Er was weliswaar een kantoor in Dirksland, schreef hij op 10 januari 1871 aan de gemeenteraad van Middelharnis, doch
het tijdverlies daarmede gepaard gaande verijdelt somwijlen het doel van de draadberichten
Ze verzamelden in korte tijd 200 handtekeningen van medestanders. Pogingen om financiële steun van de beide gemeenten te verkrijgen liepen, ondanks de welwillende toon van de correspondentie, niet uit op concrete toezeggingen. De commissie zette desondanks voortvarend door. Op 28 februari 1871 sloten de leden van de commissie een overeenkomst met de Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij. De verwachte omzet aan telegrammen was 1.200 gulden per jaar. De commissieleden stelden zich gezamenlijk garant voor een eventueel tekort en ze stelden een pandje ter beschikking als telegraafkantoor. Op 1 april 1871 is het Telegraafkantoor Middelharnis-Sommelsdijk geopend. Het was alle dagen open van 9-12 en van 2-7. Op zondag kon men ook terecht van 8-9 en van 2-5.  Na vijf jaar werd de overeenkomst door de beide gemeenten voortgezet.(2)

Vanaf  april 1871 konden de reders van Middelharnis dus eindelijk beschikken over een geregelde telegraafverbinding. Belangrijke havens in het handelsnetwerk van de rederijen als Nieuwediep (Den Helder), Vlaardingen, Antwerpen, Vlissingen hadden al veel langer een telegraafkantoor.

Gebruik van de telegraaf
Voor de vissersgezinnen betekende de komst van de telegraaf dat nieuws over het wel en wee van de sloepen hen sneller bereikte. Een voorbeeld van slecht nieuws via de telegraaf dateert uit 1876. Vanuit Hellevoetsluis bereikte Middelharnis een 'onrustbarend telegraphisch bericht'. Drie personen, waaronder stuurman Jan de Korte, waren overboord geslagen van de vissloep Onbestendigheid.





De Tijd, 18 november 1876

Hendrik de Korte beschreef de gang van zaken aan het begin van de 20e eeuw. Als een lid van de bemanning omgekomen was, werd de reder vanuit IJmuiden per telegram verwittigd. Hij gaf het bericht aan de predikant door die het droeve bericht op zijn beurt aan de familie overbracht (3).

De komst van de telegraaf moet van grote invloed geweest zijn op de gang van zaken in de rederijen. De reder kon over meer informatie beschikken over markten en prijzen dan vroeger. De telegraaf maakte het mogelijk om op afstand instructies te geven en zo meer invloed uit te oefenen op de vloot.  Een voorbeeld van telegrafische instructie stamt uit Vlissingen uit november 1887. Twee sloepen uit Middelharnis kwamen daar op een middag de haven binnen met elk ongeveer 3800 stuks schelvis. Ze kwamen niet naar Vlissingen om hun vangst te verkopen maar om orders te krijgen. Slechts enkele Vlissingers konden wat vis bemachtigen. De volgende morgen vertrokken de sloepen weer omdat ze orders gekregen hadden hun vangst elders op de markt te brengen.
De reders konden nu handelen op afstand. Dit betekende meer controle op de stuurlieden, die minder autonoom naar eigen inzicht konden handelen dan vroeger. Aan de andere kant kon de informatie waarover de reder beschikte tot een optimale besomming leiden. Daar kon de hele bemanning profijt van hebben.



Vlissingsche Courant, 10 november 1887


1. Woud, Auke van der. Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland (Amsterdam 2006) 342-354,  De Tijd, 2 juni 1883.

2. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 1702, Dossier inzake de oprichting van een post- en telegraafkantoor aan het Zandpad, 1870-1876.
3. Eilanden-Nieuws 20 augustus 1947, deel 9 van ''Iets over de visserij".




In 1883 kwam een einde aan de Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij. Het Rijk nam de lijn over. In 1886 werd een nieuw post- en telegraafkantoor in Middelharnis gebouwd (Algemeen Handelsblad, 18 december 1885, aanbesteding).



De Tijd, 2 juni 1883



I

zaterdag 19 mei 2018

De vissloep De Zeeuw van de "Vlissingsche Zeevisscherij" in de havenvan Middelharnis (1879-1880)

KOprichting van de Vlissingsche Zeevisscherij
In de Vlissingsche Courant van 7 februari 1876 werd ingegaan op de goede opbrengsten van de zeevisserij in Nieuwediep/ Den Helder. Met haar geschikte haven (gerealiseerd met de aanleg van kanaal en spoorweg) en de gunstige ligging ten opzichte van de buitenlandse markten zou Vlissingen toch ook succesvol kunnen zijn in de zeevisserij, aldus het betoog in de krant.
Al op 9 maart 1876 werd de oprichting van de naamloze vennootschap of rederij aangekondigd en kon men intekenen op aandelen van 250 gulden per stuk (totaal benodigd kapitaal 30.000 gulden volgens een beschouwing in de Vlissingsche Courant van 24 februari 1878 , de scheepswerf bedong een matige prijs). De Vlissingse koopman F. Wibaut* werd directeur van de rederij.



Vlissingsche courant, 9 maart 1876

Op 19 maart 1876 meldde de krant het besluit om met de grote visserij te beginnen.
Twee maanden later, op 18 mei 1876, werd op de werf van de Koninklijke Maatschappij De Schelde de kiel gelegd voor de vissloep De Zeeuw.
De N.V. Maatschappij De Schelde is op 8 oktober 1875 opgericht. De werf was gevestigd op het terrein van de voormalige Marinewerf van Vlissingen. Na de bouw van een ponton voor eigen gebruik was de vissloep het eerste vaartuig (Bouwnummer 1) dat op de werf werd gebouwd (1). De Zeeuw was een houten vissloep. Lengte 22,65 meter (80 Amsterdamse voet), breedte 5,80 meter, diepgang 2,92 meter (8).
Op 29 oktober 1876 werd de vissloep te water gelaten (2). 



Vissloep De Zeeuw (157 ton) aan de Dokkade in Vlissingen
bron: Beeldbank Gemeentearchief Vlissingen 56512
zie ook nr. 16434 en de tekeningen van de sloep in deze Beeldbank.

De visserij
Aan het eind van het jaar 1876 kon de visvangst beginnen. Schipper werd Dirk Meijboom, inwoner van Middelharnis en in 1841 in Pernis geboren, op 1 mei 1867 in Middelharnis getrouwd met Maatje van der Put. Hij verhuisde daartoe op 9 oktober 1876 met zijn gezin naar Vlissingen (7). Op 9 januari 1877 meldde de Middelburgsche Courant dat De Zeeuw in Nieuwediep was binnengelopen met een geringe vangst door het aanhoudende ruwe weer. Eind januari bracht de sloep voor het eerst levende vis aan in de thuishaven.


Vlissingsche Courant, 25 januari 1877

In het voorjaar van 1877 roofden Engelse vissers een deel van het viswant van De Zeeuw. Het want is door schipper C. Noordzij bij een Engelsman aan boord teruggevonden, meldt de Middelburgsche courant op 10 april 1877. In het najaar van 1877 heeft de sloep maanden stilgelegen door gebrek aan bemanning, aldus de Vlissingsche Courant van 18 november 1877.
Het was de Vlissingers, althans de redacteur van Vlissingsche Courant, een doorn in het oog dat de lading van de sloep in andere plaatsen werd verkocht. "Tot ons leedwezen moeten wij onze stadgenooten mededeelen, dat de vischsloep "de Zeeuw" [...] gisteren avond naar Antwerpen is vertrokken teneinde aldaar haren visch te verkoopen." (4 april 1878). Op 18 mei 1878 berichtte de Goessche Courant dat De Zeeuw wegens gebrek aan bemanning die zomer niet uit zou varen.

Vanuit Middelharnis
Eind 1878 werd besloten om De Zeeuw bij de vloot van Middelharnis onder te brengen. De schipper verhuisde op 8 november 1878 terug naar Middelharnis. De eerste  aankomst van de Zeeuw in Middelharnis was op 18 december 1878 
In de winter 1878/79 maakte De Zeeuw tot 6 april tien reizen op verse vis met als stuurman/schipper Dirk Meijboom.( 6)
In 1879 lagen er in Middelharnis 19 sloepen met een bemanning van ruim 250 personen.
Een van deze sloepen is eigendom van de "Vlissingsche Zeevisscherij", maar deze vaart uit Middelharnis en gebruikt eene bemanning welke daar ter plaatse te huis behoort (3).
Sedert de sloep in Middelharnis was ondergebracht had men niet meer te maken met de "vroeger voorkomende desertiën, dronkenschap en vechterijen" en was er ook geen gebrek meer aan geschikt volk. "De verbetering in het gehalte der equipage was merkbaar van invloed op den gang van zaken." Desondanks werd opnieuw verlies geleden (4).

In 1880 maakte De Zeeuw één lange zomerreis ter zoute, terwijl de andere sloepen van Middelharnis er twee maakten. De Zeeuw kwam pas op 16 augustus binnen, toen de anderen al weken aan de tweede reis bezig waren. Aangezien er half augustus volop haring aangevoerd werd lag de prijs voor gezouten kabeljauw laag. De lading van De Zeeuw, 199 tonnen vis en 17 tonnen leng werd in overleg met de Vlissingse rederij tot in de tweede helft van september in Vlaardingen opgeslagen. De exploitatie was opnieuw verliesgevend en de aandeelhouders waren niet meer bereid om de uitrusting voor een nieuwe reis voor te schieten (5).

Verkoop van de vissloep
Het bestuur nam in het najaar van 1880 de stap om de vissloep te verkopen. Op de aandeelhoudersvergadering van 16 november 1880 werd de verkoop goedgekeurd.
De sloep kwam in handen van de firma Jos & L. Crabeels broeders te Antwerpen (9) voor 10.026 gulden, iets meer dan 2/5 van de kostprijs. De aandeelhouders kregen slechts 15% van hun inleg terug.


Vlissingsche Courant, 21 november 1880

In de Middelburgsche Courant van 10 februari 1881 verscheen een kritische beschouwing over de exploitatie van de vissloep.  De hoge afschrijvingslasten en de verzekeringspremie zijn mede oorzaak van het tekort. In Holland worden dergelijke sloepen niet verzekerd, aldus de krant.
De Zeeuw werd omgedoopt tot Leopold I. De Belgische sloep verging op 8 april 1882 op de Banjaard. De elf opvarenden konden worden gered.








Florentinus Wibaut, overleden 5 april 1881, vader van F.M. Wibaut, o.a. wethouder van Amsterdam.


1. Peter van Druenen, Vissers, kapers, arbeiders. Vlissingen 700 jaar stadsrechten (Vlissingen 2015), 712-715. 

2. Vlissingsche courant 29 oktober 1876.
3. Verslag van den staat, 1879, 79.
4. Vlissingsche courant, 5 augustus 1880 en 2 september 1880 (verslag over 1879).
5. Vlissingsche courant, 11 augustus 1880 (verslag over 1880).
6. Archief Gemeente Middelharnis, staten Slis en Kolff.
7. Bevolkingsregister Middelharnis 1861-1890, folio 594.
8. Henk Nagelhout, Koninklijke Maatschappij "De Schelde". De 400+ schepen die wij bouwden. 2017, 
9. Mededeling van Raymond van Ael inzake de firma Crabeels. Voor 1840: Jan Crabeels, vishandelaar (poissonier) , wonend op de Palingbrug sectie 1 nummer 293; de weduwe van Joseph Crabeels, vishandelaarster (poissonière) , wonende in de Kleine Burchtgracht sectie 1 nummer 213. Dit was de buurt waar ook vissers uit Middelharnis gewoond hebben. Voor 1870: wordt onder de reders, vishandelaars van droge en gezouten vis, een J. Crabeels vermeld, samen met Vandenbemden Frères, Van Baelen J&C°, Goosens B, Herkens J.J., Vandervoort J.B. Vanden Bemden en Van Baelen zijn ook reders van negen vissloepen, naast een visrokerij, verwerkingsfabriek, distributiecentrum. De verse vis werd echter verplicht in de vismijn van de vismarkt afgeslagen. Mogelijk kocht J(os?) Crabeels samen met zijn broer “L.” de sloep de Zeeuw aan en werd hun vishandel dan de onderneming “Jos & L. Crabeels frères." Een tweede sloep van deze onderneming heette de Rosalie  (tweemast schoener getuigd?).

Een tweede initiatief werd gemeld in de Vlissingsche Courant van 9 en 12 maart 1876. J.J.P. Hector, Jonkheer M.J. de Marees van Swinderen en A. Meijers vatten het plan op om een sloep uit te rusten voor de zeevisserij. De bestelden daartoe een sloep van 44 ton in Oostende waarvan de kiel in maart 1876 is gelegd en die de naam Vooruitgang kreeg. Op 27 juli 1876 meldde de Zierikzeesche Nieuwsbode de binnenkomst van de sloep in Vlissingen met een lading verse vis die naar Engeland werd verscheept, nadat deze krant op 1 juli 1876 het vertrek van de sloep meldde. De sloep werd gevoerd door schipper Borgers. Op 19 mei 1879 berichtte de Middelburgsche Courant dat deze sloep aan Oostende verkocht was omdat het vaartuig geen gunstige financiële resultaten opleverde.
Vijf eerdere pogingen in de achttiende en negentiende eeuw om de zeevisserij vanuit Vlissingen te bedrijven :In 1845 werd de Vlissingsche Visch-Reederij opgericht. De vischsloep Prins Hendrik van deze rederij kwam op 23 juli 1845 voor het eerst in Vlissingen binnen, schipper H. Meuldijk, met 172 tonnen gezouten vis en enkele tonnen levertraan (Vlissingsche Courant, 28 juli 1845; Leydsche courant, 30 juli 1845). De lading werd in Vlissingen zelf afgeslagen. Op 14 oktober  kwam de sloep van een tweede reis binnen (Vlissingsche courant, 17 oktober 1845). De laatste vermelding van deze sloep dateert uit de zomer van 1846.(Algemeen Handelsblad, 29 juli 1846). H.P. Winkelman schrijft in 1873 in zijn Geschiedkundige plaatsbeschrijving van Vlissingen uit 1873 dat de onderneming uit 1845 in 1847 ontbonden is. "Later nog hebben eenige ingezetenen, tot twee malen toe beproefd, eene vischsloep van Vlissingen te doen varen, maar eveneens zonder goed gevolg." (p. 160).
In de jaren 1717-1720 werd de kabeljauwvisserij bedreven op initiatief van het stadsbestuur en in tussen 1751 en 1757 waren particuliere reders actief in de kabeljauwvisserij en de haringvisserij . (Van Druenen, 567-570 en handschrift Jasper Jaspersen Brasser, 91-92, 624-628, 713-717).



Meer Zeeuwse initiatieven op het terrein van de zeevisserij:

Zierikzee 1856, zie de tekst van 12 mei 2018
Te Veere is opgericht een N.V. tot uitoefening der zeevisscherij onder de naam van "kustvisscherij de Eendracht". Kapitaal f 6.000 in 24 aandelen van f 250, directeur is de heer de Bruyne (Het Zuiden, 9 augustus 1877).

In Terneuzen is in 1887 het initiatief genomen om de uitmuntende haven van Terneuzen en de goede spoorwegverbindingen met Gent, Brussel en Mechelen dienstbaar te maken aan de zeevisserij. Enkele energieke mannen kochten een in Terneuzen gebouwde hoogaars en wierven equipage aan. Bij een gunstige uitslag is men van plan meer en grotere vaartuigen in te zetten. Algemeen Handelsblad, 13 mei 1887. De Middelburgsche Courant vermeldt in dit verband de namen van L. Schalk en R. Walraven als leden van het bestuur (12 mei 1887). De vangst moet in Terneuzen worden aangebracht (Vlissingsche Courant, 19 mei 1887).


zaterdag 12 mei 2018

Kortstondige herleving van de zeevisserij vanuit Zierikzee (1858-1863)

In de zeventiende en achttiende eeuw bedreven tientallen hoekers uit Zierikzee in de zomer de IJslandvisserij. De zeevisserij is in het laatste kwart van de achttiende eeuw beëindigd.
De onderneming "De Nieuwe Visscherij"  was een initiatief in 1817 om de zeevisserij vanuit Zierikzee nieuw leven in te blazen. Tien nieuwe schepen werden gebouwd die werkgelegenheid boden aan circa 130 vissers. Een deel van de vissers en de stuurlieden kwam uit Vlaardingen, Maassluis en Middelharnis, omdat er onvoldoende ervaren beugvissers in Zierikzee zelf te vinden waren. Zie het bericht van 16 juni 2014 over vissers uit Middelharnis die op de Zierikzeese vloot gingen werken."De Nieuwe Visscherij" werd in 1835 beëindigd, bijna het gehele startkapitaal ging verloren.

Deze ervaring weerhield enkele ingezetenen van Zierikzee er niet van om, door een toevallige aanleiding, in 1858 opnieuw met de zeevisserij te starten. 
In november 1857 strandde de Oostendse vissloep Diana, stuurman H. Loures, op de Banjaard. De bemanning kon met een boot de vuurtoren van Westenschouwen bereiken.
Op 30 maart 1858 werd de vissloep geveild. De hoogste bieder was handelaar Hendrik Albert van IJselsteijn jr., die voor 850 gulden eigenaar werd (1).
Met een aantal anderen, die niet met name worden genoemd, richtte Van IJsselsteijn een vereeniging/ rederij op, hij vervulde de functie van boekhouder. De Diana, een kleine sloep met een bemanning van acht koppen, werd uitgerust voor de kordevisserij (visserij met sleepnet) in de winter en de kolvisserij in de zomer (en na verloop van tijd ook voor de beugvisserij). De sloep kreeg de naam Hubert Johan naar de op 17 april 1856 geboren zoon van Van IJsselsteijn. Schipper van de Hubert Johan werd L. Verschoor en "de Vereeniging verschafte zich in Pernis een geschikte equipage." (2).

Bij de eerste binnenkomst van de sloep met 75 ton zoute vis op 23 juli 1858 werd de hoop uitgesproken dat dit het begin was een nieuwe periode waarin de visserij opnieuw een rijke bron van welvaart zou zijn. De vangst werd, na een advertentie in landelijke bladen, in Zierikzee bij publieke afslag verkocht. Op 27 september kwam de sloep terug van een tweede reis met 33 ton zoute vis.(3)



Zierikzeesche Courant, 24 juli 1858
In het Verslag over de staat der zeevisscherijen over 1859 werd opgemerkt dat, in afwijking van wat elders gebruikelijk is, alle gevangen vis in Zierikzee zelf werd afgeslagen.Men vroeg zich af of Zierikzee op den duur een geschikte markt voor zoute vis zou blijken te zijn. Zoute vis werd altijd in Vlaardingen afgeslagen en verse vis in Hellevoetsluis (4).

De resultaten van het eerste jaar stemden kennelijk tot tevredenheid. De rederij kocht in het voorjaar van 1859 een tweedehands sloep uit Middelharnis, de naam van deze sloep is niet bekend. Beide sloepen bedreven in de zomer de kolvaart, in de winter ging de kleine sloep met de korde vissen en de grote sloep met de beug. De grote sloep had een bemanning van dertien koppen en kreeg de naam Cornelis Anthonij.



Zierikzeesche Courant, 11 juli 1860

Schipper van de Cornelis Anthonij (of Anthonie) was S. Verschoor, zeer waarschijnlijk ook uit Pernis (6). Het jaar 1860 gaf slechte uitkomsten te zien, met name voor de Hubert JohanDeze kleine sloep werd in de zomer van 1861 buiten dienst gesteld en voor de winter 1861-62 niet uitgerust. In de winter van 1862 op 1863 was alleen de Cornelis Anthonij nog in de vaart, die eveneens slechte resultaten gaf. De opbrengst van de aanvoer van zoute vis (inmiddels in Vlaardingen afgeslagen) in de zomer viel eveneens tegen. De eerste reis was goed, maar de tweede reis leverde weinig op. De Zierikzeese rederij is na de zomer van 1863 ontbonden. De sloepen zijn in Vlaardingen openbaar verkocht aan rederijen uit Pernis en Vlaardingen (5).



Zierikzeesche Courant, 5 oktober 1864

Het mislukken van de proef werd voornamelijk toegeschreven aan het gemis van geschikt scheepsvolk.


1. Zierikzeesche Courant, 28 november 1857 en Zierikzeesche Courant, 31 maart 1858. Hendrik Albert van IJsselsteijn werd lid van het College van de Nederlandse Zeevisserijen. Zijn jongste zoon, ook Hendrik Albert, werd minister van Landbouw, Handel en Nijverheid, 1918-1922 (P.D. de Vos, Vroedschap van Zierikzee, 713).
2. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1859, 83 en 84
Zierikzeesche Courant, 25 september 1861, 3 september 1862 en 5 oktober 1864. In de Zierikzeesche Courant van 23 juli 1859 staat J. de Winter vermeld als schipper van de Hubert Johan. In dezelfde krant van 25 september 1861 staat het aantal bemanningsleden van beide sloepen.
3. Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad, 26 juli 1858; Middelburgsche Courant, 30 september 1858.
4. Verslag idem 1859, 84
5. Verslag idem 1863, 63-64
6. Vermelding in Algemeen Handelsblad van 17 juli 1861.


woensdag 9 mei 2018

Gezinnen verhuisd uit Middelharnis naar Hellevoetsluis (1850-1860)

Middelharnis had omstreeks 1843 te kampen met een aangroeiende zandplaat, waardoor de haven alleen nog via een omweg te bereiken was. De vishandel verplaatste zich naar Hellevoetsluis, aan de overkant van het Haringvliet gelegen. De visafslag van Middelharnis, sinds 1598 een belangrijke schakel in de handel in verse vis met de Zuidelijke Nederlanden, verloor in deze jaren snel aan betekenis en werd tenslotte 1856 opgeheven (1).
In 1830 is het Voorns kanaal, 11,6 kilometer lang, tussen Hellevoetsluis en het in de jaren 1960 verdwenen dorp Nieuwesluis, gereedgekomen. Door het Voorns kanaal werd de verbinding van Rotterdam met de zee aanzienlijk verkort. Dit kanaal ontwikkelde zich tot een zeer belangrijke verbindingsschakel. De vishandel van Hellevoetsluis profiteerde van de gunstige ligging ten opzichte van het snel groeiende Rotterdam.


Kaart van het Voorns kanaal, ca. 1850
website www.geschiedenisvanzuidholland.nl

Reder J. Ruiseveld uit Pernis getuigde in 1854 dat de door de vloot van Pernis (schokkers, sloepen en bezanen) gevangen vis naar Hellevoetsluis verzonden werd en van daar met bunschepen naar Rotterdam en elders werd vervoerd. De export naar België was sinds 1843 door de hoge invoerrechten verminderd. De verminderde vraag uit België betekende dat de concurrentie wegviel en de prijs van vis daalde (2). 

De gebruikelijke gang van zaken was dat de zoute vis inde zomer altijd naar Vlaardingen werd gebracht en de verse vis naar Hellevoetsluis (7).
In 1863 werden de Belgische invoerrechten verlaagd wat een gunstig effect had op de visserij van de Maasdorpen Middelharnis, Pernis en Zwartewaal (4).
De botters en hoogaarzen uit Zierikzee werden in de winter ingezet voor de ventjagerij van Hellevoetsluis naar België (5). Arnemuidse vissers brachten ook hun vangst voor de Belgische markt in Hellevoetsluis aan, voor zover de vis niet in Middelburg en Vlissingen werd rondgevent (3). In 1869 waren Nieuwediep en Hellevoetsluis de belangrijkste visafslagen voor de vloot van Middelharnis (6).

De economische malaise in Middelharnis in de jaren circa 1843- circa 1863 door de genoemde oorzaken (verplaatsing visafslag, Belgische invoerrechten) betekende dat een aantal vissers en vishandelaren verhuisde. Zestien vissers vertrokken naar Antwerpen, meest met hun gezin. Anderen bleven in Middelharnis wonen maar werkten op de Antwerpse vloot (zie bericht van 5 juni 2014). Naast Antwerpen bood ook Hellevoetsluis betere arbeidsmogelijkheden dan Middelharnis.

In het bevolkingsregister van Middelharnis 1850-1860 staan gezinnen en personen vermeld die naar Hellevoetsluis vertrokken. Het betreft zes vissers, vier schippers, een arbeider en drie alleenstaande vrouwen zonder beroep. Verondersteld mag worden dat ze vooral door de bedrijvigheid in de vishandel en het visvervoer aangetrokken werden; Hellevoetsluis had geen eigen visserij. Hoe dan ook floreerde Hellevoetsluis meer dan Middelharnis.
De naam De Ruiter (ook wel Ruijter) komt veel voor onder de "emigranten". Twee personen, Jacob Krijger en Abraham Waterman, kwamen in december 1855 op het Haringvliet om het leven. Zie bericht van 6 mei 2018 op dit weblog.

Hieronder de namen in volgorde van vertrek:

19 november 1850, Jacob Viskil (schipper) geboren 30 november 1808. Zijn vrouw Hendrika Hotting volgde hem op 17 november 1854 (folio 714)


21 mei 1851, Abraham Waterman (visser) geboren 27 juni 1814 en Trijntje de Ruiter met 3 dochters (folio 541). Zie bericht van 6 mei 2018 op dit weblog. Een broer van Trijntje (Jillis) volgde op 31 december 1851. De ouders van Trijntje volgden op 15 oktober 1856.

31 december 1851, Jillis de Ruiter (visser), geboren 6 oktober 1827 (folio 391).


31 december 1851, Leendert de Bruin (schippersknecht), geboren 17 oktober 1806, gehuwd met Aagje de Bloeme, 3 zoons en 2 dochters (folio 327).


15 april 1852, Jacob Krijger (schipper), geboren 22 maart 1822 in Middelharnis en Adriaantje Zoon met twee dochters (folio 146). Zie bericht van 6 mei 2018 op dit weblog, 


28 januari 1853, Angenietje de Ruiter, geboren 9 april 1829, dochter van Willem de Ruiter, (visser geb. 1802) (folio 608) en Maatje Razenberg.


9 mei 1853, Gerrit de Ruiter (visser), geboren 19 december 1815 en Teuntje Breur met vijf kinderen. Teruggekomen in Middelharnis op 9 september 1858 (folio 181).


4 mei 1854, Johannes Zoon (schipper), geboren 16 november 1803 (folio 210 en 719).


15 oktober 1856, Jillis de Ruiter (visser), 2 mei 1792 en Geertje Heijnsberg met drie dochters (folio 391). Dochter Trijntje en zoon Jillis waren hen voorgegaan in 1851. Jillis stond bij het huwelijk van Trijntje met Abraham Waterman in 1841 als visverkoper geregistreerd

18 mei 1857, Grietje de Ruiter zonder beroep, geboren 26 juli 1830 volgens bevolkingsregister (moet waarschijnlijk zijn 11 januari 1829 moeder Jacomina Fabrij, zij is 1842 overleden), vader Willem de Ruiter (geb. 1797) was visser en is april 1857 overleden (folio 601).


10 juni 1857, Machiel Dubbeld (visser), geboren 25 januari 1815 en Cornelia van den Nieuwendijk, met 2 zoons en 3 dochters (folio 524).


4 maart 1858, Machiel de Ruiter, geboren 19 maart 1822 (arbeider, geboren Sommelsdijk), weduwnaar (folio 538).


?  Laurens van der Put (visser) geboren 23 juli 1816 en Maartje van Malsum met drie dochters (folio 235). Hij was in 1852 als schipper al woonachtig in Hellevoetsluis, zo blijkt uit de geboorteaangifte van zoon Simon, geboren 4 december 1852 (overleden 1 november 1856). Laurens en Maartje zijn op 8 april 1836 in Oude Tonge getrouwd. Laurens is op 9 februari 1859 in Leeuwarden (tuchthuis) overleden. Woonplaats Hellevoetsluis.

18 november 1861 Grietje de Ruiter, geboren in 1807, weduwe van Johannes Doorn, hij is overleden 17 mei 1852 (folio 617).



1. Ulbo J. Mijs, De vischafslag van Middelharnis, 1597-1856. Met de desbetreffende ordonnantiën, keuren, ampliatiën, octrooien, contracten, enz., verzameld uit het archief der gemeente (Sommelsdijk 1894) 34-39.
2. Verslag over de zeevisscherijen, uitgebragt door de commissie benoemd bij Koninklijk besluit van 9 februari 1854, no. 47 (‘s-Gravenhage 1854) 93-94.
3. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1857, 13Verslag idem over 1858, 61 en 1868, 86.
4. Verslag idem over 1863, 48.
5. Verslag idem over 1867, 58 en 1868, 86.
6. Verslag idem over 1869, 48.
7. Verslag idem over 1859, 84.

zondag 6 mei 2018

Ongeval met een boot uit Hellevoetsluis in december 1855, vier personen omgekomen

Op 20 december 1855 liep het schip Ocean Home uit New Orleans op weg naar Rotterdam vast. De lading bestond uit balen katoen.


Rotterdamsche Courant, 22 december 1855

Enkele dagen later stond in de krant dat men 120 balen katoen over boord gezet had


Rotterdamsche Courant , 25 december 1855

Op 27 december is het schip losgekomen.


Rotterdamsche courant, 28 december 1855


Abraham Waterman, Jacob Krijger, Cornelis de Wijs, Jan Lucas en een vijfde persoon vertrokken op 27 december 1855 uit de haven van Hellevoetsluis om op het Haringvliet balen katoen te vissen. De mannen wilden met het opvissen van de balen iets voor hun gezin verdienen. De boot sloeg om en de vier genoemde mannen vonden op 28 december hun graf in de golven. De vijfde werd gered door een schipper uit Middelharnis die met W. wordt aangeduid. Door dit ongeval werden vier vrouwen weduwe en verloren tien kinderen hun vader. Een van de weduwen was zwanger ten tijde van het ongeval. Twee van de omgekomen mannen, Abraham Waterman en Jacob Krijger, waren in Middelharnis geboren. 



Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30 december 1855


Op 11 januari 1856 ontvingen burgemeester en wethouders van Middelharnis een verzoekschrift gedateerd 8 januari namens de vier weduwen om huis aan huis een collecte te mogen houden voor het onderhoud van de gezinnen (1). Of er toestemming gegeven is om te collecteren en hoe hoog de opbrengst was is niet bekend.

Omgekomen zijn:


Abraham Waterman (1814-1855), zoon van Cornelis Waterman (visser) en Lena van Oostvoorn, geboren 27 juni 1814 in Middelharnis. Op 4 april 1841 in Middelharnis getrouwd met Trijntje de Ruijter, allebei 26 jaar oud. Op 21 mei 1851 zijn ze met drie dochters naar Hellevoetsluis verhuisd. 
Abraham was 41 jaar oud op de datum van het ongeval.Zijn lichaam is op het strand van Goudswaard gevonden. Zijn overlijden is in Hellevoetsluis geregistreerd op 5 mei 1856.
Abraham Waterman was visser ten tijde van zijn huwelijk en van zijn verhuizing naar Hellevoetsluis. De vader van Trijntje,Jillis de Ruijter, was visverkoper. Haar moeder heette Geertje Heinberg.

Jacob Krijger (1822-1855), geboren 22 maart 1822 in Middelharnis, zoon van Jan Krijger (winkelier) en Helena Elisabeth de Wilde. Hij is op 27 februari 1847 in Middelharnis getrouwd met Adriaantje Zoon. Jacob was schippersknecht. Ze waren 24 en 22 jaar oud. Adriaantje was een dochter van Johannes Zoon en Adriana Born. Johannes Zoon was schipper. 
Op 15 april 1852 zijn Jacob en Adriaantje met hun twee dochters naar Hellevoetsluis verhuisd. Beroep van Jacob: schipper. Jacob was 33 jaar oud op de datum van het ongeval. Een dag later, op 29 december 1855, is zoon Jacob Krijger geboren.
5 februari 1860 is Joost Krijger geboren, die op 28 februari 1860 erkend is als zoon van Adriaantje Zoon en Cornelis Kardux. Cornelis Kardux was afkomstig uit Geervliet. Cornelis en Adriaantje trouwden op 18 april 1860, 39 en 35 jaar oud.

Cornelis de Wijs (1826-1855),  geboren 23 november 1826 in Stad aan 't Haringvlietzoon van Simon de Wijs en Lena van Berge. Op 19 maart 1851 in Zwartewaal gehuwd met Maartje 't Hart uit Pernis, ze waren 24 en 23 jaar oud. Cornelis was in 1851 visser, evenals zijn vader. Beiden woonden in Zwartewaal. De vader van Maartje was visser in Pernis.
Hij was 29 jaar ten tijde van het ongeval. Hij is op 12 april 1856 teruggevonden op het strand bij Goudswaard. Zijn overlijden is op 15 mei 1856 aangegeven in Hellevoetsluis onder de naam Cornelis de Nijs, varensgezel. Maartje is op 23 maart 1859 in Rotterdam hertrouwd met Arnoldus de Bij.

Jan Lucas (1828 -1855), geboren op 1 februari 1828 in Hooge en Lage Zwaluwe, zoon van Jan Lucas en Johanna den Engelsen. Vader en zoon Lucas waren in 1852 zalmvisser van beroep. Jan trouwde op 31 december 1852 in Geervliet met Neeltje Touw, ze waren 24 en 22 jaar. Neeltje Touw is op 15 april 1858 in Geervliet hertrouwd met Cornelis de Wilde.






1. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr 1857. Verzoekschrift van de weduwen van wie de mannen van een Hellevoetsluis afkomstige boot overboord zijn geslagen en verdronken, om te Middelharnis een collecte te houden, 1856.        

donderdag 3 mei 2018

De ondergang van de vissloep Zeemanshoop uit Hellevoetsluis (1882)

Rond 1845 verplaatste de vishandel zich van Middelharnis naar Hellevoetsluis. De visafslag van Hellevoetsluis bloeide gedurende enkele decennia. In 1883 was er weinig meer van over. De zeevissers brachten hun vangst zelf rechtstreeks naar Engeland en België (1).
Hellevoetsluis was ook een vissersplaats: in 1879 waren er drie sloepen met dertien bemanningsleden voor de zeevisserij op onder andere kabeljauw en schelvis en 64 kleine vissersboten met twee, drie of vier bemanningsleden voor de garnalenvisserij. Dit waren waarschijnlijk garnalenvissers uit Ouddorp, Pernis en Tholen die in Hellevoetsluis havenden(10).
De zeevisserij is in 1876 begonnen. Er werd een rederij opgericht voor de zeevisserij door de heren Van der Hoeven, Van den Ban en Klop onder de naam "Maatschappij ter oefening der zeevisscherij De Onderneming" (8). Zij liet in 1876 een sloep met de naam Eersteling bouwen door de werf van J. Korver in Vlaardingen (5)(6). Schipper werd J. van der Hoeven (7). In 1877 volgde een tweede sloep (2) die de naam Willem Schoon droeg en gevoerd werd door schipper P. van der Hoeven (8). In de Brielsche Courant van 10 mei 1877 werd opgeroepen om geld bijeen te brengen om nog een sloep te laten bouwen (6). In dit artikel wordt ingegaan op de treurige staat van Hellevoetsluis, veroorzaakt door de aanleg in 1872 van de Nieuwe Waterweg (die het Voorns kanaal als vaarroute naar Rotterdam overbodig maakte) en door de veroudering en dreigende sluiting van de Marinewerf (reparatiewerf, uiteindelijk pas in 1933 opgeheven). Deze werf was de grootste werkgever van Hellevoetsluis.

De beugvisserij is een vak apart. De sloepen van Hellevoetsluis haalden hun bemanning uit plaatsen waar de vissers ervaring hadden met de beugvisserij: Zwartewaal, Pernis, Middelharnis.
De derde Hellevoetse sloep droeg de naam Zeemanshoop, niet te verwarren met de Middelharnisse sloep met dezelfde naam. Deze sloep was afkomstig uit Zwartewaal en is op 30 mei 1879 op publieke veiling afgeslagen voor 2.289 gulden. De koper was P. van der Hoeven uit Hellevoetsluis (9).



Algemeen Handelsblad 15 december 1880

Schipper was in 1880 A. 't Hart, waarschijnlijk uit Pernis afkomstig.
De Zeemanshoop havende sinds november 1881 in Middelharnis en had op dat moment een volledig uit Middelharnis afkomstige bemanning (3).

Op 5 januari 1882 is de Zeemanshoop overzeild door de vissloep Willem de Zwijger uit Middelharnis en gezonken. De gehele bemanning werd gered en in Nieuwediep aangebracht.



Algemeen Handelsblad 7 januari 1882
Meer bijzonderheden vermeldde het Nieuws van de dag. Het ongeval vond plaats aan de zeekant van de Noorderhaaks op 14 vadem. Schipper van de Zeemanshoop was de 35 -jarige Cornelis Vogelaar (1846-1902), zoon van Cornelis Vogelaar en Rachel van Eck (zie bericht van 3 maart 2013).



Nieuws van de dag, 7 januari 1881

In een tweede berichtje in Nieuws van de dag wordt de toedracht nog nader beschreven. Schipper van de Willem de Zwijger was Jan van den Hoek. Hij bracht de schipbreukelingen behouden aan wal.


Nieuws van de dag, 7 januari 1881
Vliegend blaadje; nieuws- en advertentiebode
voor Den Helder, 6 januari 1881

De plaatselijke krant van Den Helder voegde er nog aan toe dat "de oorzaak moet zijn dat de sloep "Zeemanshoop" niet wilde wenden."


Enkele dagen later spoelde het wrakhout aan, alsmede stearinekaarsen en "een arm van een beeld."


Algemeen Handelsblad, 9 januari 1882

Van de drie sloepen van Hellevoetsluis waren er nu nog twee over, waarvan er een verkocht werd. In 1883 had Hellevoetsluis nog één sloep (4).



1. Verslag van den staat der Nederlandsche zeevisscherijen over 1883, 98.
2. Verslag idem, 1876, 1877, 1879.
3. Verslag idem, 1882, 81.
4. Verslag idem, 1883
5. Nieuwe Brielsche Courant, 9 april 1876.
6. Nieuwe Brielsche Courant, 10 mei 1877. Ingezonden brief van "Iemand die veel belang stelt in Hellevoetsluis". Zonder nieuwe initiatieven als de zeevisserij zal Hellevoetsluis verloren gaan. "en na korten tijd zal het gelijk staan met het armste gehucht op de Drentsche heide". 
7. Nieuwe Brielsche Courant, 16 maart 1879.
8. Nieuwe Brielsche Courant, 22 april 1880.
9. Nieuwe Brielsche Courant, 1 juni 1879
10. Vermelding op 27 april 1899, Nieuwe Brielsche Courant.

dinsdag 24 april 2018

Quade seijlen. De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697)

In het aprilnummer 2018 van De Ouwe Waerelt is het eerste deel van een artikel over het wel en wee van de vissersvloot van Middelharnis rond 1700 verschenen. 
Dit deel gaat over de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en begint met de oversteek van stadhouder Willem III naar Engeland, het begin van de Glorious Revolution

Op de Middelharnisse dichteres Tannetje Blok (1660-1690) maakte de oversteek van het invasieleger vanuit Hellevoetsluis grote indruk. Zij schreef “Een Nieuw Lied, gemaakt over het gaan van onze Hollandsche Vloot na Engeland”, met daarin de passage:

 “Zegent den Edelen Vorst Nassou 
Met al de Officiers getrou, En de Soldaten, 
Die ’t onzer baten, 
Wagen haar Lyf en Leven nou.”


Vloot van Willem III te Hellevoetsluis, 28 oktober 1688.
Ets door Daniël Marot. Collectie Rijksmuseum


Totdat de oorlog zich in 1688 aandiende ontwikkelden de visserij en de vishandel van Middelharnis zich voorspoedig. Dit blijkt uit de uitbreiding van de haven met meer ligplaatsen, de aanleg van een nieuwe scheepswerf en een nieuw reglement op de visafslag vanwege de groeiende nering.

De visserij van het dorp werd vanaf 1691 negatief beïnvloed door de oorlogsomstandigheden. In 1692 nam de activiteit van de Franse kapers, vooral van de Duinkerkers, toe. De vissers van Middelharnis werden in dat jaar volop met de kapers geconfronteerd. 

Als voorbeeld: Op 4 mei 1692 achtervolgden zes kapers de visschuiten de Oliphant, stuurman Floris Dircxs van Eck, en de Doornekroon, stuurman Michiel van Kakum. Enkele maanden later was het Pieter Gerritsz Kas met de Orangienboom. Om aan de vijand te kunnen ontsnappen moesten de schuiten snel het Goereese Gat in varen. Ze hadden geen tijd om hun viswant binnen te halen en zagen zich genoodzaakt het viswant in zee te laten staan.
Dergelijke incidenten met schade aan viswant deden zich van 1692-1694 veertien keer voor. Vanaf 1695 kon de visserij zich wat herstellen. In mei 1697 werd de visschuit de Pampiere Mole gekaapt. De stuurman was Jan Arensz Koninck. Er is losgeld aan de Duinkerkers betaald om de schuit vrij te kopen.  Desondanks nam de vijand allerlei goederen mee van het schip.

De visserij van Middelharnis ging niet ten gronde door deze oorlog, maar de voorspoedige ontwikkeling van voor de oorlog stagneerde.
In het septembernummer van De Ouwe Waerelt verschijnt het tweede deel van dit artikel, dan komt de Spaanse Successieoorlog aan de orde.


Marlies Jongejan, Quade seijlen (deel 1) De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog  In: De Ouwe Waerelt, 18(2018)52, 22-29




De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 8,95.