zondag 7 oktober 2018

De vissloep VL 54 Leo en Willy uit Vlaardingen in Middelharnis (1905-1910)

De Vlaardingse vissloep VL 54 Leo en Willy was tussen 1905 en 1910 te gast in de haven van Middelharnis. De sloep was eigendom van rederij G. Vriens uit Vlaardingen. De firma P.L Slis en Zoon uit Middelharnis fungeerde als boekhouder. Schipper en bemanning kwamen eveneens uit Middelharnis.
In 1904 nam de sloep met schipper J. van Vliet nog vanuit Vlaardingen aan de haringvisserij deel. Een eerdere vermelding, eveneens van deelname aan de haringvisserij, dateert uit de Maasbode van 25 juli 1899.


Maasbode, 29 november 1904

Arjanus herinnerde zich de sloep Leo en Willy (Zee en Eiland, p.50)


Aan de overzijde op de wurft van Peeman lag scheef de Leo en Willy, het kleinste schip van de vloot, met een plat gat, pardon achtersteven, om opgekalefaterd te worden

In november 1905 vertrok het schip voor het eerst vanuit Middelharnis met als stuurman Jan de Waard.


Maas- en Scheldebode, 4 november 1905


Uit: de sloepen van Middelharnis, 1907

Op 19 maart 1906 meldde het Rotterdamsch Nieuwsblad  onder het kopje "Slechte reizen" een lage besomming voor de Leo en Willy van 250 gulden. In 1906 had de sloep tijdens de zomerzoutreis een redelijke besomming in vergelijking met andere sloepen die in september terugkwamen (Maas- en Scheldebode, 22 september 1906).

In januari 1908 ontstonden er problemen. Vier matrozen weigerden om naar zee te gaan. Ze hadden de hele winter nog niets verdiend. 


Maas- en Scheldebode, 29 januari 1908


Begin februari werd  de sloep buiten vaart gesteld (Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 februari 1908) en van IJmuiden naar Middelharnis gevaren.
In september 1908 werd de sloep toch opnieuw in gereedheid gebracht voor de verse visvangst (Maas- en Scheldebode, 2 september 1908).

In april 1910 heeft Jan de Waard ontslag gevraagd na afloop van het winterseizoen. Na het vergaan van de Luctor et Emergo in januari 1910 besloten veel vissers te stoppen. Mogelijk was er een verband tussen het gebrek aan vissers en het ontslag van de schipper.



Maas- en Scheldebode, 9 april 1910


In 1911 heeft Vriens het schip onderhands verkocht aan de nieuw opgerichte Hansa  Visscherij-maatschappij, directeur C. van Wienen te Haarlem (Algemeen Handelsblad, 9 maart 1911).

Jan de Waard bleef de schipper, nu van de IJM 173 Hansa I



Maasbode, 4 april 1911


Jan de Waard (1866-1934) en Arendje van der Put (1865-1929)
Jan de Waard is op 16 april 1866 in Middelharnis geboren, zoon van Jan de Waard en Jannetje Koppelman.  De grootvader van Jan was Leendert de Waard, de stuurman van de Catharina Elizabeth, de sloep die in 1828 is vergaan (zie bericht van 9 december 2013). 
Jan de Waard trouwde (20 jaar) op 16 maart 1887 met Arendje van der Put (21 jaar), geboren 1 september 1865, dochter van Cornelis van der Put en Magdalena de Korte. Jan was visser en Arendje dienstbode ten tijde van het huwelijk.

Op 21 mei 1887 werd zoon Jan geboren. Daarna Magdalena (1888), Jannetje (1891, na een maand overleden), Jannetje (1893), Martijntje (1895), Jacoba (1898), Cornelis (1900), Hendrik (1903) en Leendert (1906).
Jan de Waard en Arendje van der Put bleven in Middelharnis wonen, hoewel Jan schipper werd in IJmuiden.
Jan, Magdalena, Jannetje en Martijntje zijn tussen 1907 en 1913 uit Middelharnis vertrokken naar Den Haag.  Martijntje is gehuwd met Nicolaas Baak, zoon van een loggerschipper uit Scheveningen. Het jonge stel vertrok in 1919 naar Nederlands-Indië waar op 11 september 1920 dochter Martina Baak is geboren. Nicolaas Baak is in 1921 of 1922 in Indië overleden. Martijntje is op 25 juni 1926 in Middelharnis met Paulus de Blok hertrouwd.
Jacoba trouwde op 6 december 1918 in Middelharnis met Aren Faasse die politieagent was in Utrecht. Cornelis trouwde op 25 april 1929 met Wilhelmina van Boekhoven. Hendrik trouwde op 11 juni 1926 in Middelharnis met Maartje van der Slik.

Arendje van der Put is op 19 maart 1929 overleden in Middelharnis; Jan de Waard is op 12 november 1934 in Middelharnis overleden. 

*bevolkingsregister Middelharnis 1890-1920

Genealogische gegevens van Pieter Koster te Haarlem, bewerkt voor Arjaentje. 
Mededeling over Martijntje de Waard via e-mail van een kleinzoon


maandag 24 september 2018

Franse kapers brengen een Engels schip in de haven van Middelharnis (1757)

Tijdens de Zevenjarige oorlog (1756-1763), waarin Groot-Brittannië en Pruisen enerzijds en Frankrijk en Oostenrijk anderzijds elkaar bestreden, bleef de Republiek neutraal. Aanleiding voor de oorlog was de onenigheid over de grenzen van de Franse en Britse bezittingen in Noord-Amerika. De Franse invloedssfeer reikte nu tot aan de grenzen van de Republiek, aangezien de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bestuur vielen.
Op 19 juli 1757 werd Oostende ingenomen door de Fransen.  Oostendse vissers kozen voor Veere om onder de neutrale vlag van de Republiek de visserij voort te kunnen zetten. Tussen 1752 en 1765 werden 46 Zuid-Nederlanders als poorter in Veere ingeschreven, waarvan 38 uit Oostende (4).
Ondanks de neutraliteit van de Republiek had de scheepvaart wel last van deze oorlog. Engelse oorlogsschepen hielden Hollandse koopvaardijschepen, die op weg waren naar Franse havens, aan om de lading te inspecteren. En ze brachten neutrale koopvaardijschepen op die handel dreven met Franse koloniën. Deze gang van zaken leidde in de Republiek tot een anti-Engelse stemming.
De Republiek rustte twintig oorlogsschepen uit om koopvaardijschepen te konvooieren. De konvooien leidden tot diverse confrontaties met de Engelsen.(1) 

Buitenlandse kaperschepen (commissievaarders) hadden de vrijheid om, al dan niet met buitgemaakte goederen, gebruik te maken van Nederlandse havens. Aan dit recht was een aantal voorwaarden verbonden. Ze moesten hun eigen vlag voeren en mochten  niet verder de rivieren op zeilen dan nodig was om zich voor slecht weer in veiligheid te stellen. De commissievaarder was verplicht zich te melden bij 's lands officieren en hen alle informatie verschaffen. In afwachting van een beschikking door de Raden van het College der Admiraliteit moest de kaper toelaten dat er bewakers op het buitgemaakte schip werden geplaatst, om te voorkomen dat "prijzen" (buitgemaakte schepen en goederen) zouden worden vervreemd. De bevolking werd gewaarschuwd om niet behulpzaam te zijn met het vervreemden, verkopen, vervoeren van goederen op straffe van een boete van 1000 gulden.(2)

De Zevenjarige oorlog is in Middelharnis niet helemaal ongemerkt voorbij gegaan.


Een Frans kaperschip werd op 15 december 1757 met een Engels tweemastschip als prijs de haven van Middelharnis binnengeloodst. Kapitein Francois Polé, kwartiermeester Christoffel Monsum en matroos Jan Noijo legden een verklaring af voor schepenen en leenmannen op verzoek van baljuw Willem van der Geer.
De Fransen verklaarden op 7 januari 1758 dat de commandeur van 's Lands uijtlegger voor Hellevoetsluis (wachtschip van de Admiraliteit op de Maze) op 17 december met zes manschappen aan boord van het prijsschip in Middelharnis wilde komen. Ze troffen twee à drie ingezetenen en enkele jongens die aan boord waren om het schip te bekijken. Ze hebben geen enkele weerstand aan de commandeur en zijn manschappen geboden en zijn op bevel van de commandeur van het schip afgegaan. De Fransen benadrukten dat er geen geweld of tegenstand is gepleegd. Ze hebben wel gehoord dat de manschappen die aan boord gingen, om sabels vroegen.
De Franse matroos verklaarde dat de manschappen van de commandeur tegen het op de kant staande volk 'wakker aan het vloeken' gingen en bedreigingen uitten dat als iemand het waagde aan boord te komen zij hem de kop of armen af zouden hakken, en dergelijke meer. De kapitein voegde eraan toe dat spelende kinderen enkele steentjes op het dak van het prijsschip hebben geworpen, maar niet om de commandeur of zijn volk te raken of te kwetsen. Het kan niet zo zijn geweest dat de commandeur en zijn volk zich tot laat in de avond in het schip moesten verbergen om de stenen te vermijden.
De plaatselijke commis ter recherche, Jacobus van der Mij, verklaarde dat hij met de commandeur naar het huis van de baljuw is gegaan en dat ze toen gevolgd werden door 'een groote partij volks bestaande uit Ingeseetenen deeser plaats, soo groot als kleijn, onder welker loop wel veel gevloek op de Helvoeters omging.' Hij heeft geen dreigementen om geweld te plegen gehoord. Alleen de commandeur heeft verteld dat er dreigementen geuit zijn.(3)

De reden om deze verklaring af te leggen was waarschijnlijk dat men zich in wilde dekken tegen een mogelijke aanklacht door de commandeur van het wachtschip tegen ingezetenen van Middelharnis. De bevolking stond niet vijandig ten opzichte van de Franse kaper. Mogelijk gunden ze de kaper zijn Engelse buit. 





1. J.R. Bruijn. Varend verleden.De Nederlandse oorlogsvloot in de 17e en 18e eeuw (Amsterdam 1998), 196. J.C. de Jonge, Het Nederlandsche zeewezen. Vierde deel (Haarlem, 1861) 316 317 332

2. Placaat van de Staaten Generaal, houdende verscheide ordres met opzigt tot de vreemde Commissievaarders. Den 3 November 1756. Groot Placaatboeck VIII (1795) 219-220


3..Rechterlijk archief Middelharnis, inv. nr. 41, volgnummer 43, 7 januari 1758.

4. Parmentier, Vissen in het verleden, 40-41

zaterdag 22 september 2018

Het vergaan van de gaffelvisschuit Vrouw Elizabeth uit Zwartewaal (1810)

Op 11 januari 1811 verscheen Barend Kortenbout, boekhouder en mede-reder van de gaffelvisschuit Vrouw Elizabeth, voor schout en schepenen van Zwartewaal.

Hij verklaarde dat de Vrouw Elizabeth op 6 december 1810 "uit de Goeree ter visscherij is in zee geloopen" en op 16 december op het strand van Ameland "ontramponeerd" is komen aandrijven. In het wrak werden twee lichamen aangetroffen. Uit de geborgen goederen en uit de namen op de kleren van de mannen bleek duidelijk dat het om de Vrouw Elizabeth ging.
De stuurman van de gaffelvisschuit was Johannis Kortenbout. Alleen de naam van de stuurman is bekend. Een gaffelvisschuit had meestal twaalf bemanningsleden.

Als bijzonderheid wordt vermeld dat de schuit in Delfshaven gebouwd werd en in november 1807 nieuw "uijtgehaald" was. Het moet een van de laatste nieuw gebouwde gaffelschuiten zijn geweest. De maten: lang over steven 68 voeten, wijd op de uitwatering 22 voeten en diep onder dek 9 voeten en 6 duimen*


Barend Kortenbout machtigde Andries Pieter Koen, woonachtig op Ameland, om de goederen te bergen en om alles te doen wat verder nodig is.


Mogelijk was Teunis Joosten Abeele uit Middelharnis aan boord van deze schuit (zie blogtekst van 3 januari 2014).


Bron:
050 Archief ambacht Zwartewaal, inv. nr. 451, schade aan vissersschepen, 1770-1810

* Amsterdamse voeten van 0,2831 cm. Dus 19 meter 25 lang, 6,23 breed en 2,60 diep.

donderdag 13 september 2018

Quade seijlen, deel 2. De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713)

In het septembernummer  2018 van De Ouwe Waerelt is het tweede deel van een artikel over het wel en wee van de vissersvloot van Middelharnis rond 1700 verschenen. 
Dit deel gaat over de Spaanse Successieoorlog (1702-1713).

De vrede na de Negenjarige oorlog duurde maar vierenhalf jaar; in mei 1702 brak de Spaanse Successieoorlog uit.
In 1703 werd de schuit van stuurman Pieter Bastiaansz Brij  genomen. De stuurman belandde in Duinkerken in de gevangenis. 


Gezicht op Duinkerken vanaf de zee.



Er kwamen als gevolg van de oorlog diverse vreemde schepen in de haven van Middelharnis terecht. Op 1 mei 1703 is een Oostendse kaper door Middelharnisse vissers overmeesterd. Het buitgemaakte schip werd in triomf de haven binnengebracht, de bemanning is naar Rotterdam overgebracht. Eind 1703 of begin 1704 trof stuurman Pieter Pietersz de Kin uit Middelharnis een zwaar gehavend Rotterdams schip met de naam Rachel aan, dat onbemand op zee dreef. Hij bracht het in de haven van Middelharnis. Het schip was “ontramponeert”, had geen masten ankers, zeilen en touwen meer. Eind december 1705 kwam een Engels schip geladen met vaatwerk de haven van Middelharnis binnen. Het schip was door een Franse kaper opgebracht en op 21 december 1705 door een Vlissings kaperschip, de Prins van Vrieslant, hernomen.
Op 25 september 1707 sloten acht stuurlieden van visschuiten een contract. Zij waren met elkaar overeengekomen om ‘in eene bende’ te varen om te vissen ' tot 24 december 1707. De inleg bedroeg tussen de tweehonderd en driehonderd gulden per schuit voor een totaal van 2.150 gulden. Als een schuit door een kaper genomen zou worden zou de stuurman als vergoeding voor het losgeld drie maal het ingelegde bedrag krijgen. Maar het contract was niet meer nodig, want in september 1707 hebben de Staten-Generaal en de Franse regering afgesproken om verse visschepen van weerskanten vrij en ongemolesteerd door te laten. Hierdoor ondervond de visserij van Middelharnis na 1707 weinig problemen meer; er is ondanks de oorlog zelfs een stijgende lijn te bespeuren.

De  Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) gingen aan Middelharnis niet ongemerkt voorbij. De oorlog was voor de vissers nooit ver weg en de dreiging van de Franse kapers was onderdeel van de dagelijkse realiteit.
De opgaande lijn van voor 1688 werd door de oorlogen onderbroken; gedurende een kwart eeuw stagneerde de groei van de vloot. Maar toch kan niet gesproken worden van volledige stilstand. Er vond een geleidelijke structuurverandering plaats door de aanschaf van grotere schepen, specialisatie in de kustvisserij en de opkomst van de tarbotvisserij en tarbothandel in voorjaar en zomer. De basis voor de achttiende-eeuwse bloei van de visserij van Middelharnis was gelegd.



Marlies Jongejan, Quade seijlen (deel 2) De visserij van Middelharnis en de Duinkerker kapers tijdens de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog  In: De Ouwe Waerelt, 18(2018)53, 5-11


De Ouwe Waerelt verschijnt 3x per jaar en is een uitgave van de Historische Vereniging voor Goeree-Overflakkee "De Motte". zie:  www.demotte.nl. Losse nummers € 9,95.

zondag 19 augustus 2018

De visafslag van Middelharnis (18e eeuw). Vismaat en hoeveelheden per vissoort

In 1753 stelde het dorpsbestuur van Middelharnis standaardmaten vast voor een aantal vissoorten. Het doel was om duidelijkheid te scheppen vanwege de aanhoudende meningsverschillen tussen stuurlieden en ventjagers. Een hele kabeljauw moest 30 Rijnlandse duim (van 2,61 centimeter) groot zijn, een vis van 26 ½ duim werd als een halve kabeljauw gerekend. Een tarbot moest minimaal 16 duim groot zijn, een hele rog 18 ½ duim en een halve rog 16 duim. Deze lijst der vismaat werd mooi uitgevoerd voor iedereen zichtbaar op het raadhuis aangebracht, aangevuld met maten die op de visafslag van Texel gehanteerd werden voor kabeljauw en tarbot.(1) De stuurlieden waren verplicht om een door de plaatselijke ijkmeester geijkte vismaat aan boord te hebben.


Lijst der vismaat van Middelharnis, 1753
Streekarchief Goeree-Overflakkee Middelharnis, 
Archief voormalige gemeente Middelharnis, inv. nr. 443.


De vis die het meest aangevoerd was de schelvis. De eenheid waarin men voor schelvis rekende werd 'snees' genoemd. Een snees stond voor 21 schelvissen. Vleet en rog werden per mand verhandeld. Deze manden heetten 'pensbennen en roche-stukjes'. Naar aanleiding van klachten van ventjagers heeft het dorpsbestuur in 1792 bepaald dat het mandwerk voor vleten en roggen door de plaatselijke mandenmakers gemaakt moest worden. Zij moesten zich voor de maatvoering richten naar de voorschriften van de lokale ijkmeester. De manden moesten de afmetingen hebben van de 'dorpsijzere kruijsbeugels, onder den gezwooren ijkmeester alhier berustende'. Elke mandenmaker moest een geijkte kruisbeugel bezitten. 
In een ben gingen ongeveer tien vleten. Hoeveel roggen erin een stukje gingen is onduidelijk. Eind negentiende eeuw waren manden voor ongeveer veertien stuks rog in gebruik die 'puntjes' genoemd werden. Het is niet zeker of deze manden vergelijkbaar waren met de stukjes uit Middelharnis in de achttiende eeuw. De afslag van schol ging per hele of halve tob(be). Ook deze tobben behoorden geijkt te worden. Volgens een bron uit 1857 gingen er 45 schollen in een tobbe.(2)




1. SGO, AGM, inv. nr. 5, Resolutieboek, 22 september 1753
2. Mijs, De vischafslag, 43, bijlage P, 193, Bijlage Z, 227-228, Bijlage DD, 254-258; 
Verslag omtrent den staat der zeevisscherijen in 1857 (’s-Gravenhage 1858) 61; 
Hoogendijk, De Grootvisscherij op de Noordzee, 244.






woensdag 8 augustus 2018

Valerius Thophusius, uit Middelharnis verdreven door 'onstuymige visschers' (1583)

We spreken over 1583. Het dorp Middelharnis, gesticht in 1466, is nog jong. De Reformatie is net achter de rug. In 1574 is het dorp geruisloos, want zonder beeldenstorm, overgegaan naar de nieuwe leer. Dat de laatste pastoor vermoedelijk tevens de eerste predikant was zal bijgedragen hebben aan de rustige overgang. Er waren in 1593 81 huizen*. Gerekend met vier tot vijf bewoners per huis betekent dit dat er nog geen vierhonderd mensen in het dorp woonden.  Hiervan zullen er zestig tot tachtig in de visserij gewerkt hebben. Dit leidden we af uit het gegeven dat er in 1598 zestien stuurlieden van visschuiten waren. Op elke schuit zullen mogelijk vier of vijf bemanningsleden gevaren hebben. De eerste bron die melding maakt van vissers is, voor zover nu bekend, uit 1583.

De eerste predikant van Middelharnis, van 1574 tot 1583, was Aico (of Ajax) Westerwold. Als laatste pastoor zou hij met zijn parochie tot de hervorming zijn overgegaan. Hij had daar veel moeite mee en de jonge gereformeerde kerk kreeg slechts moeizaam gestalte. Er werd geen heilig avondmaal gehouden en er werd geen kerkenraad ingesteld. De classis Brielle verzocht Ds. Westerwold om kleur te bekennen. Hij kwam verschillende malen niet opdagen in de vergadering van de classis. Na zeven jaar besloot de classis in Middelharnis te vergaderen op 22 mei 1581. Westerwold weigerde echter nog steeds aan het avondmaal deel te nemen. In augustus 1582 werd hij bovendien beticht van 'ergerlijck en onstichtelijck leven'. Hij had kritiek geleverd op de kerkelijke verordeningen en was nog steeds niet wettelijk getrouwd. Het gevolg was dat de classis hem uit zijn ambt schorste totdat hij zich aan de voorschriften zou houden.
Ds. Westerwold tekende beroep aan bij de synode, waar zijn antecedenten uitvoerig besproken werden. Behalve de genoemde punten werd hem ook aangerekend dat hij familiair en luidruchtig omging met bepaalde dorspgenoten. Hij was vaak in de herbergen te vinden en kwam meermalen met een stuk in zijn kraag thuis. Hij had geen bewijs van de wettigheid van zijn huwelijk en een classicaal examen had hij nooit afgelegd omdat hij al door 'Rome' was geëxamineerd.
Op 11 juli 1583 bood hij excuses aan in de Brielse classis. Men stelde een akte op die hij zou moeten ondertekenen. Nog voordat de akte voorgelezen was barstte Westerwold in woede uit, waarbij hij het classicaal bestuur beledigde en lasterlijke taal bezigde. Ondanks dit kreeg hij nog een kans indien hij zijn beschuldigingen zou herroepen. Dit deed hij niet, hij verliet de vergadering 'met een tornich gelaat ende met quade woorden'. In hetzelfde jaar verliet hij Middelharnis. (1)



De kerk van Middelharnis in 1689
fragment. Meindert Hobbema.
Laantje van Middelharnis


De classis stuurde de Rottterdamse predikant Valerius Thophusius naar Middelharnis. Hij was afkomstig uit Antwerpen en werkte sinds 1575 in Rotterdam. Hij had in 1571 de synode in Emden bijgewoond en arbeidde in de geest van die synode, dat wil zeggen in de strenge geest van Calvijn. Thophusius werd een aantal keren gevraagd om zaken te onderzoeken van predikanten die zich teveel vrijheden in de leer permitteerden

Het handhaven van het recht der kerk bracht Thophusius eenmaal in groot gevaar. In 1583 was Aico Westerwold, die op zeer onregelmatige wijze predikant was geworden en op gelijke wijze zijn ambt bediende, tijdelijk geschorst. Toen Thophusius in zijn plaats optrad te Middelharnis, werd hij door „de onstuymige visschers" van die plaats schandelijk mishandeld.

Na terugkeer in Rotterdam werd Thophusius door een ernstige ziekte aangetast. Hij overleed in december 1585 (2). Of er een verband is tussen de mishandeling in Middelharnis en het overlijden van de predikant vermeldt de literatuur niet.

De opvolger van Westerwold was Franciscus Borluyt, aanvankelijk pastoor in Sint Winoksbergen en later predikant in Lissewege. Hij moest in 1586 het veld ruimen omdat hij niet zuiver genoeg in de leer was (1).


* Rs. Bakker. De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver. p. 7.
1..J.L. Braber. Historie Nederlands Hervormde Kerk Middelharnis, 62-64.
2. J.R. Callenbach. De Nederduitsch hervormde kerk. In: Rotterdam in den loop der eeuwen, 2e gedeelte, 3e stuk, p. 15-16.
Ook vermeld in: A. Th. J. van Deursen. Bavianen en slijkgeuzen. Franeker 2010,  99
Volgens Boers (p.283) is Borluyt in 1585 aangesteld (Braber vermeldt 1583). 

donderdag 31 mei 2018

Reder P.L.Slis en de komst van de telegraaf naar Middelharnis (1871)

Telegraafkantoor in Dirksland
In 1852 nam het Nederlandse parlement de 'Wet tot regeling der gemeenschappen door Electro-magnetische Telegrafen' aan. Deze wet bepaalde dat de Nederlandse staat het telegraafnet ging aanleggen en exploiteren. De telegraaf maakte een nieuwe vorm van communiceren mogelijk, niet langer beperkt door afstand of tijd. Het staatsbelang was gelegen in de militaire informatie van en naar alle vestingen en het gelijktijdig afkondigen van overheidsmaatregelen in alle landsdelen. Het aan te leggen telegraafnet volgde in eerste instantie het spoorwegnet: de steden in de latere Randstad en plaatsen op de route naar België en Duitsland. Daarnaast werd voorzien in een secundair net naar Middelburg/Vlissingen,  Den Helder en Harlingen. De telegraaflijnen waren indertijd van ijzerdraad en hingen 5-7 meter boven de grond. Een kabel door het water aanleggen was een kostbare aangelegenheid, bovendien raakten zeekabels met storm snel beschadigd.
Niet de overheid maar het bedrijfsleven werd de grootste gebruiker van de telegraaf. Handel en scheepvaart konden al snel niet meer zonder dit medium (1).
Spoedig waren alle geplande lijnen gereed, behalve die naar Brouwershaven, via Brielle en Hellevoetsluis. Deze lijn, met een kantoor in Dirksland, is aangelegd door de particuliere Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij in 1854 Op Overflakkee had vanaf 1854 alleen Dirksland een telegraafkantoor, dat voor alle gemeenten op Goeree-Overflakkee dienst deed. Het halen en brengen van telegrammen met een bode van en naar Dirksland was duur en tijdrovend.

Verzoekschriften voor meer telegraafkantoren
Op 27 november 1869 richtten de burgemeesters van het oostelijk deel van Flakkee zich middels een brief en een advertentie tot de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën met het verzoek om de postvoorziening te verbeteren. In de tekst wordt ook gepleit voor telegraafkantoren in Middelharnis en Oude-Tonge, 'de plaatsen waar de meeste handel en het grootste vertier is.' (2)
In de vergadering van de Tweede Kamer van 22 december 1869 pleitte de afgevaardigde Van Kerkwijk op basis van het verzoekschrift en van persoonlijke lobby van de gemeenten voor een rijkstelegraaflijn op Flakkee. 'Middelharnis heeft een grooten vischhandel en vormt met Sommelsdijk een bevolking van 5 à 6 duizen zielen. Te Oude Tonge wordt wekelijks een groote koornmarkt gehouden', aldus de argumentatie van Van Kerkwijk. Maar ook dit pleidooi was tevergeefs.



Zierikzeesche Nieuwsbode, 30 december 1869


Het ingediende verzoek vond geen gehoor bij de regering. Uit onvrede over het isolement van de regio is bij K.B. van 29 april 1870 nr. 11 de vereniging 'Levensquaestie' opgericht (Nederlandsche Staatcourant, 28 mei 1870) ook omschreven als de 'Vereeniging tot bevordering der verbetering der gemeenschapsmiddelen tusschen dit eiland en den vasten wal'. Op door deze vereniging ingediende verzoeken, die betrekking hadden op alle communicatiemiddelen (veerdiensten, post en telegraaf), kwam zelfs geen antwoord uit Den Haag.

Telegraafkantoor Middelharnis-Sommelsdijk
Begin januari 1871 kwam in Middelharnis-Sommelsdijk  de 'Commissie tot oprichting van een Telegraafkantoor'  tot stand. De commissie bestond uit Pieter Leendert Slis (scheepsreder), Willem Matthias van den Broek (rentmeester), beiden uit Middelharnis, David de Graaff en Arend Dingeman Mijs uit Sommelsdijk (landbouwers). Slis was de secretaris en drijvende kracht van de Commissie. Er was weliswaar een kantoor in Dirksland, schreef hij op 10 januari 1871 aan de gemeenteraad van Middelharnis, doch
het tijdverlies daarmede gepaard gaande verijdelt somwijlen het doel van de draadberichten
Ze verzamelden in korte tijd 200 handtekeningen van medestanders. Pogingen om financiële steun van de beide gemeenten te verkrijgen liepen, ondanks de welwillende toon van de correspondentie, niet uit op concrete toezeggingen. De commissie zette desondanks voortvarend door. Op 28 februari 1871 sloten de leden van de commissie een overeenkomst met de Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij. De verwachte omzet aan telegrammen was 1.200 gulden per jaar. De commissieleden stelden zich gezamenlijk garant voor een eventueel tekort en ze stelden een pandje ter beschikking als telegraafkantoor. Op 1 april 1871 is het Telegraafkantoor Middelharnis-Sommelsdijk geopend. Het was alle dagen open van 9-12 en van 2-7. Op zondag kon men ook terecht van 8-9 en van 2-5.  Na vijf jaar werd de overeenkomst door de beide gemeenten voortgezet.(2)

Vanaf  april 1871 konden de reders van Middelharnis dus eindelijk beschikken over een geregelde telegraafverbinding. Belangrijke havens in het handelsnetwerk van de rederijen als Nieuwediep (Den Helder), Vlaardingen, Antwerpen, Vlissingen hadden al veel langer een telegraafkantoor.

Gebruik van de telegraaf
Voor de vissersgezinnen betekende de komst van de telegraaf dat nieuws over het wel en wee van de sloepen hen sneller bereikte. Een voorbeeld van slecht nieuws via de telegraaf dateert uit 1876. Vanuit Hellevoetsluis bereikte Middelharnis een 'onrustbarend telegraphisch bericht'. Drie personen, waaronder stuurman Jan de Korte, waren overboord geslagen van de vissloep Onbestendigheid.





De Tijd, 18 november 1876

Hendrik de Korte beschreef de gang van zaken aan het begin van de 20e eeuw. Als een lid van de bemanning omgekomen was, werd de reder vanuit IJmuiden per telegram verwittigd. Hij gaf het bericht aan de predikant door die het droeve bericht op zijn beurt aan de familie overbracht (3).

De komst van de telegraaf moet van grote invloed geweest zijn op de gang van zaken in de rederijen. De reder kon over meer informatie beschikken over markten en prijzen dan vroeger. De telegraaf maakte het mogelijk om op afstand instructies te geven en zo meer invloed uit te oefenen op de vloot.  Een voorbeeld van telegrafische instructie stamt uit Vlissingen uit november 1887. Twee sloepen uit Middelharnis kwamen daar op een middag de haven binnen met elk ongeveer 3800 stuks schelvis. Ze kwamen niet naar Vlissingen om hun vangst te verkopen maar om orders te krijgen. Slechts enkele Vlissingers konden wat vis bemachtigen. De volgende morgen vertrokken de sloepen weer omdat ze orders gekregen hadden hun vangst elders op de markt te brengen.
De reders konden nu handelen op afstand. Dit betekende meer controle op de stuurlieden, die minder autonoom naar eigen inzicht konden handelen dan vroeger. Aan de andere kant kon de informatie waarover de reder beschikte tot een optimale besomming leiden. Daar kon de hele bemanning profijt van hebben.



Vlissingsche Courant, 10 november 1887


1. Woud, Auke van der. Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland (Amsterdam 2006) 342-354,  De Tijd, 2 juni 1883.

2. Archief Gemeente Middelharnis, inv. nr. 1702, Dossier inzake de oprichting van een post- en telegraafkantoor aan het Zandpad, 1870-1876.
3. Eilanden-Nieuws 20 augustus 1947, deel 9 van ''Iets over de visserij".




In 1883 kwam een einde aan de Rotterdamsche Telegraaf-Maatschappij. Het Rijk nam de lijn over. In 1886 werd een nieuw post- en telegraafkantoor in Middelharnis gebouwd (Algemeen Handelsblad, 18 december 1885, aanbesteding).



De Tijd, 2 juni 1883



I