woensdag 13 oktober 2021

Vervoer van verse zeevis naar Mechelen via de spoorlijn Terneuzen - Mechelen (1871)

Belgische spoorwegmaatschappijen namen het initiatief om Zeeuws-Vlaanderen aan te sluiten op het Belgische spoorwegnet. De Société Anonyme du Chemin de Fer de Gand à Terneuzen startte in 1869 de verbinding Gent-Terneuzen.  De Société Anonyme du Chemin de Fer International de Malines à Terneuzen opende in 1871 de lijn Mechelen-Hulst-Terneuzen. 

150 jaar geleden, op 26 augustus 1871, werd deze lijn in gebruik genomen.

Verse zeevis van de schepen van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal ging van oudsher naar de Brabantse steden Antwerpen, Mechelen, Leuven en Brussel. De vis werd over water via het Kreekrak vervoerd. Na de afdamming van het Kreekrak in 1867 ging de route via het Kanaal door Zuid-Beveland. In deze jaren werd ook veel vis afgezet in Nieuwediep en in Grimsby.

De nieuwe spoorlijn Terneuzen-Mechelen leek een aantrekkelijk alternatief voor de stuurlieden van de sloepen van Middelharnis.

De eerste sloep die Terneuzen aandeed was de Noord Over op 6 november 1871. Stuurman Laurens van der Put besomde hier 584 gulden.
Op 7 december 1871 kwamen de Middelharnis, stuurman Cornelis Smit en de Hendrika Adriana, stuurman Jeroen Langbroek, met verse vis in Terneuzen aan. Ze besomden resp. 290 gulden en 273 gulden (1).

Wie de vis kocht is niet bekend. Het bleef bij een eerste verkenning van de mogelijkheden. Meer vermeldingen van Middelharnisse sloepen in Terneuzen zijn tot dusver niet aangetroffen.




1. Archief voormalige gemeente Middelharnis, Staten Slis en Kolff.

donderdag 9 september 2021

De laatste plompreizen vanuit Middelharnis (1880)

Zie voor de plompvisserij het uitvoerige bericht van 7 januari 2020.

De sloepen van Middelharnis maakten tot ongeveer 1865 als regel één zoutreis in de zomer om begin september met de plompvisserij te beginnen. Naarmate de prijzen voor gezouten vis stegen werd vaker de voorkeur gegeven aan een tweede zoutreis, ten koste van de plompvisserij. 

In 1879 bleef de plompvisserij achterwege 'uit hoofde van de goede uitkomsten der zomervaart'.

In 1880 ging één sloep op plompvisserij 'omdat zij door het overlijden van een der matrozen de zomerbeugvaart moest afbreken'. Het ging om de 46-jarige Dirk Koster die overleed op 19 augustus 1880 op 55 graden 30 minuten noorderbreedte aan boord van de sloep MD 6 Titia Jacoba van rederij Slis, schipper Maarten van Delft.


Titia Jacoba, inv. nr. P2259, Maritiem Museum Rotterdam


De plompreizen van de Titia Jacoba in het najaar van 1880 haalden alledrie de krant.
De eerste reis, die op 6 oktober 1880 in Antwerpen eindigde, was bijzonder succesvol. Door gebrek aan concurrentie was de besomming zeer hoog. De Goessche Courant wist te melden dat er 3.000 gulden vrij geld besomd was. 
Slis noteerde 1.380 gulden in de boeken.



Goessche Courant, 12 oktober 1880

De tweede reis leidde ook naar Antwerpen. Nu besomde Maarten van Delft 850 gulden.  Slis noteerde eveneens 850 gulden op 19 oktober.


Nieuwsblad Hoeksche Waard e.o., 23 oktober 1880


De derde reis eindigde zeer onfortuinlijk. Op 31 oktober 1880 liep de sloep in Middelharnis binnen, zonder vangst en met aanzienlijke schade.


Vlaardingsche Courant, 10 november 1880



Met deze reis kwam voorgoed een einde aan de plompvisserij.

maandag 30 augustus 2021

Conflicten op de Noordzee. Sabotage, geweld, roof en drankmisbruik door vissers rond 1880

Het werd na 1860 steeds drukker op de Noordzee. De liberale handelsprincipes leidden tot afschaffing van vrijwel alle regelgeving voor de visserijsector. De  staatsinvloed in de Noordzeelanden was tot een minimum beperkt. Het afschaffen of drastisch verlagen van invoerrechten legde de markten zonder belemmeringen open. Spoorwegverbindingen en het gebruik van ijs zorgden ervoor dat meer gebieden bereikbaar waren als afzetmarkt voor verse vis. De bevolkingsgroei in West-Europa vergrootte de vraag naar allerlei visproducten. Ook waren er technische vernieuwingen in de eens zo traditionele Noordzeevisserij, vooral in de haringvisserij. De drijfnetten van hennep werden vervangen door lichte machinaal gebreide netten, waarmee meer vis kon worden gevangen. Het bijbehorende scheepstype, de logger, was sterk in opkomst.

De vleten en de lijnen van de drijfnetten werden steeds groter. Voor de schrobnetvissers was het soms lastig om de enorme drijfnetten te ontwijken. Maar vaak ging het om moedwillige vernieling. De meeste conflicten deden zich voor in de maanden september tot en met november als de haringschepen zich tussen de schrobnetvissers bevonden.

De klachten betroffen vooral de Britse vissers. Engeland Schotland en de Kanaaleilanden hadden in 1881 gezamenlijk een vloot van 25.300 schepen (zowel schrobnetvissers als drijfnetvissers). Ze waren alomtegenwoordig. Anderzijds klaagden de Engelse vissers over het gedrag van Franse, Nederlandse en Belgische vissers. Vooral de Oostendse vissers waren berucht. Zij bevestigden vaak op hun voorsteven een vlijmscherp werktuig (the Belgian devil), speciaal om de drijfnetten door te snijden.



The Belgian "devil". Uit: The Anglers' Journal, 20 februari 1886. p. 85

Drankmisbruik aan boord van vissersschepen droeg ertoe bij dat conflicten op de spits gedreven werden, Op de Noordzee deden verschillende drijvende drankwinkels goede zaken met de vissers. Acht van deze schepen hadden een Nederlandse thuishaven. Vijf schepen kwamen uit Schiedam. Zij deden ook aan ruilhandel waardoor ze veel verse vis meebrachten, Ook handelden ze in allerlei buitgemaakt vistuig dat in Nieuwediep volop verkocht werd.

In 1870 beschouwde de Nederlandse regering de misstanden op de Noordzee nog als incidenten. Het Engelse parlement nam het onderwerp serieus en liet een onderzoek instellen. In 1880 verscheen het rapport van W.H. Higgin op basis van 116 interviews met betrokkenen. Dit rapport leidde tot de internationale conferentie van Noordzeelanden (Groot-Britannië, Duitsland, Denemarken, Nederland, België en Frankrijk) in Den Haag op 8 oktober 1881, onder voorzitterschap van E.N. Rahusen (voorzitter van de College der Zeevisscherijen). Hieruit vloeide de Noordzee-conventie van 1882 voort, die in 1884 door Nederland werd geratificeerd.

De 39 artikelen handelden over de territoriale grenzen (3 zeemijlen), politiebepalingen, toezicht en handhaving. Alle schepen moesten voortaan een registratienummer voeren, voorafgegaan door de lettercode van de thuishaven. Schrobnetvissers moesten voorrang geven aan drijfnetvissers en aan beugers. En het in bezit hebben van werktuigen als de beruchte "devil' was strafbaar.

Nederland stelde twee marineschepen ter beschikking voor politietoezicht.

Alleen over de handel in sterke drank waren geen afspraken gemaakt. Het ging te zeer tegen het vrijhandelsprincipe in om de drankschepen aan banden te leggen. Maar in 1887 kwam er alsnog een tweede verdrag speciaal over dit onderwerp. De Schiedamse afgevaardigde in de Tweede Kamer was hier uiteraard zeer tegen gekant. Drank mocht niet langer geruild worden tegen verse vis of vistuig. 

De internationale overeenkomsten hadden effect.  De overheden van de landen rond de Noordzee wisten na 1884 de misstanden te beperken. Het gezag van het internationale politietoezicht groeide met de jaren.

In de literatuur over dit onderwerp komen de beugvissers niet aan de orde. Evenals het drijfnet was de beug een vistuig dat uitgestrekt en statisch was. De vissers konden er niet mee wegvaren als er gevaar dreigde. 

In het voorjaar van 1875 brachten Engelse vissers schade toe aan het vistuig van sloepen uit Middelharnis. "Onze visschers klagen echter zeer over den moedwil van sommige Engelsche visschers, die niet zelden groote schade aan hun vischtuig toebrengen. Wenschelijk ware het dat door onze Regeering daarover bij het Engelsche gouvernement worde geklaagd".


Nieuwe Vlaardingsche Courant, 1 mei 1875

De eerste rapportage van het marineschip Argus waarin Middelharnisse schepen met kenteken voorkomen dateert uit 1883. Uit het rapport van Luitenant ter zee der 1e klasse A. G. Ellis, commandant van Z.M. gaffelschoener Argusaan de Directeur en Commandant der Marine te Willemsoord blijkt dat twee sloepen schade hadden opgelopen aan hun viswant.

Willemsoord, 5 augustus 1883:

'Op den middag van 5 Juli loodde ik de Doggersbank aan op 3“ 24' WL. en bekruiste ik die bank, in verband met de uitkomsten, in het vorige jaar, omstreeks hetzelfde tijdstip, door de Argus verkregen. Ik had dan ook het geluk de vischsloepen 1 en 2 van Middelharnis en 9 en 10 van Zwartewaal aan te loopen, daar deze tot de laatst overgeblevenen hehoorende, binnen twee dagen huiswaarts zouden gaan, ten einde het vischwant te herstellen en nieuwen voorraad zomeraas te halen. Eene vischsloep, die eene verloren reis naar de Gronden had gemaakt, zou evenwel op het terrein blijven. Wat klachten betrof, deelde mij de schipper van M. D. 1 mede, dat op 22 Mei j.l. een Engelsche schrobnetvisscher zijn vischwant had stuk gemaakt en daarvan meegenomen 1 joon, 1 dreg, 1 lood, 1 bakenlijn en 1 lijnwant. Door den groten afstand was het hem niet mogelijk geweest het letterteeken van bedoelde visscher op te nemen, doch waarschijnlijk zou de schipper van de Onbestendigheid (M.D. 5) mij daaromtrent meer inlichtingen kunnen geven, daar ook van dit vaartuig, bij dezelfde gelegenheid, vischtuig was ontvreemd.' [...]
'Later met de Argus te Grimsby liggende, nam ik kennis van een schrijven van de firma P. L. Slis en Zoon te Middelharnis aan haren vertegenwoordiger aldaar, den heer Thomas C. Hill, inhoudende de klacht van schipper D. van Eck, voerende de Onbestendigheid. Volgens dien schipper moet zich de zaak hebben toegedragen aldus: Op 22 Mei j.l. op schot willende gaan, kwam de schrobnetvloot van Hull in zicht, en besloot de schipper, uit vrees voor schade, slechts de halve beug te schieten. Bij het ophalen bleek deze stuk te zijn, doch bracht de smack H 1343 eenig want terug, dat aan het schrobnet was vastgeraakt, en gaf op de vraag van schipper van Eck, waar het overige was, nl. joon, bakenlijn, dreg en de overige lijn, ten antwoord dat dit alles moest zijn aan boord van de Smack H 998 (Rainbow), eigenaar de Hr. J. Gillatt. Toen de Rainbow hierop werd aangepraaid, ontkende deze vischtuig van de Onbestendigheid aan boord te hebben en voegde aan die verklaring toe, dat hij wel de boei had gehad, doch deze weder over boord had gegooid. Deze toevoeging geschiedde eerst na de bedreiging van schipper van Eck, dat hij hem langs zijde zou komen' 
'Zoolang hetzelfde vischterrein wordt bewerkt door schrobnetvisschers en visschers met de beug en het drijfnet, zullen gevallen als hierboven aangegeven werden, trots de beste maatregelen van nationale en internationale politie, wel altijd blijven voorkomen. Waar dezelfde belangen spreken, en gelijkelijk wordt gewerkt, heerscht in den regel goede harmonie. Dit blijkt o. a. uit de weinig voorkomende geschillen tusschen de Hollandsche en Engelsche beugvisschers, die een gedeelte van het jaar gelijktijdig op de Doggersbank werken'. (1)

Gegevens over de betrokken sloepen, alledrie van rederij P.L. Slis en Zoon:

MD 1 Waakzaamheid, stuurman Jacob van den Hoek (11 juli teruggekeerd)
MD 2 Maria Cornelia, stuurman Izak van den Nieuwendijk (13 juli teruggekeerd)
MD 5 Onbestendigheid, stuurman Daniël van Eck (14 juli teruggekeerd)

Meer gevallen van schade aan Middelharnisse sloepen worden in de jaarboeken niet vermeld. In de loop van de jaren zien we steeds vaker de opmerking: 'overtredingen der conventie werden niet waargenomen'.



1. Jaarboek van de Koninklijke Nederlandsche zeemagt, 1882-1883, 340-341
2. Archief voormalige gemeente Middelharnis, Staten van Slis en Kolff.

Literatuur:

Bouwe Hijma, 'Roof, geweld en drankmisbruik onder de vissers op de Noordzee in de tweede helft van de 19e eeuw', Mededelingen van de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis (1981) 43, 15-34.

G. Teitler, 'Een mijlpaal voorbij. Nederland en de Noordzee-conventie, 1882-1910', Tijdschrift voor zeegeschiedenis, 11(1992)1, 59-71.

Anita van Dissel, 'Met Argusogen bekeken. Politietoezicht op de Noordzee-visserij (eind negentiende eeuw)', in: Leo Akveld e.a. (redactie), In het kielzog. Maritiem-historische studies aangeboden aan Jaap R. Bruijn bij zijn vertrek als hoogleraar zeegeschiedenis aan de Universiteit van Leiden (Amsterdam 2003) 258-269.

woensdag 18 augustus 2021

Visafslag en ventjagers van Middelharnis. Een overzicht

Middelharnis richtte in 1598 een visafslag op die voor het hele Zuidwesten van Nederland van groot belang zou worden worden voor de handel in verse zeevis.

De oprichting van de visafslag (link naar Streekarchief Goeree-Overflakkee)

Het dorp wist het monopolie te verwerven voor de afslag van alle vis die via het Goereese Gat aangevoerd werd. Zelfs in de negentiende eeuw bleef dit monopolie nog in stand. Het werd pas in 1846 losgelaten, waarna de afslag in 1856 opgeheven werd.  De ventjagers die op de visafslag kochten kwamen meest uit Brabant of uit Middelharnis zelf. De geschiedenis van de visafslag is uitputtend beschreven door burgemeester Ulbo J. Mijs in zijn boek: De vischafslag van Middelharnis, 1597-1856. Met de desbetreffende ordonnantiën, keuren, ampliatiën, octrooien, contracten, enz., verzameld uit het archief der gemeente (Sommelsdijk 1894)

Ventjagers uit Middelharnis waren in de achttiende eeuw ook actief in de tarbot- en palinghandel op Londen. Over deze handel is de laatste jaren iets meer bekend geworden.

Onderstaande links leiden naar berichten over het thema visafslag en ventjagerij.


Ventjager Stoffel Dirkse Visser bij Fort St. Philippe in 1723

Vismaat en hoeveelheden per vissoort 18e eeuw

Ventjagers uit Sommelsdijk 18e eeuw

De palingrederij van Middelharnis

De visafslag in 1798

Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal

Met verse kabeljauw en schelvis naar Zeeland (18e -19e eeuw)

Arnemuidse ventjagers in Middelharnis

De laatste ventjagers in de haven ca.1895

De laatste aanvoer van zoute vis 1913




 



woensdag 11 augustus 2021

Met verse kabeljauw en schelvis naar Zeeland (18e -19e eeuw)

De zeevisserij van Zeeland verloor gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) aan betekenis. Alleen Zierikzee en Brouwershaven bleven zich toeleggen op de kabeljauwvangst, de haringvisserij verdween helemaal (1). De kabeljauwvisserij ter zoute in de IJslandse wateren werd vanaf circa 1660 een specialiteit van Zierikzee. De schepen die hiervoor gebruikt werden waren koopvaardijhoekers. Voor de kabeljauwvisserij ter verse waren enkele bunhoekers in de vaart, maar dat werden er in de tweede helft van de achttiende eeuw steeds minder. De vissers van Veere en Vlissingen legden zich toe op de kustvisserij (schrobnet- of kordevisserij) op platvis.

De vraag is hoe de Zeeuwse steden Middelburg en Vlissingen in de achttiende eeuw van verse kabeljauw, schelvis en andere zeevis voorzien werden.

Enkele Arnemuidse vissers, die in de zomer en de herfst de schrobnetvisserij bedreven, fungeerden in de winter en in het voorjaar als ventjager. Ze vervoerden zeevis uit Holland naar Middelburg. Deze Arnemuidse kordevissers bezochten in de winter en in het voorjaar de visafslag van Middelharnis. De bronnen hebben betrekking op de jaren 1775 tot 1840 (zie blogtekst van 1 december 2018).

Van de visafslag van Vlissingen zijn lijsten van rond 1770 bewaard gebleven. Hier voerden de kordevissers voornamelijk platvis aan. Deze vis was niet alleen voor lokale consumptie bedoeld want ook Antwerpse vishandelaren (zoals Govaarts, Adriaansen en Van den Ende die ook de afslag van Middelharnis bezochten) deden Vlissingen aan.
In maart 1768 bezocht de Middelharnisse stuurman Klaas Spaan met zijn gaffelschuit de visafslag van Vlissingen en verkocht voor 124,40 gulden aan kabeljauw, schelvis, leng en rog.

De Vlissingse visser Jacob Naerebout kocht in december 1769 op de visafslag in Middelharnis voor 166 gulden aan vis: schelvis (80 snees van elk 20 stuks, samen 132 gulden), 12 stuks kabeljauw (van 2 gulden per stuk maakt 24 gulden), 8 vleten voor 4 gulden en 4 puntjes roggen (1,50 per stuk maakt 6 gulden).
Hij verkocht de vis in Vlissingen en moest nogmaals afslagrecht betalen. Een deel van de lading ging naar Middelburg.

De lading van Jacob Naerebout, aangekocht in 'Middelharnas'
Zeeuws Archief, archief Familie Mauritz, inv. nr. 5133, scan 4.


Regelmatig brachten Vlissingse vissers een partij vis op de afslag waarbij de aantekening 'Zoutelande' werd geplaatst. Aangezien Zoutelande geen vissershaven had gaat het hier mogelijk om vis die op zee gekocht werd van de stuurlieden van gaffelschuiten uit Middelharnis, Pernis of Zwartewaal.(2) Dit zou kunnen verklaren waarom de gaffelschuit van Jacob Bree zich in december 1808 voor de kust van Walcheren bevond (waar vrijwel de hele bemanning omkwam in een storm).

In 1789 kochten de Veerse reders Corin en Willem Neve twee gaffelschuiten uit Pernis. Ze trokken hiervoor stuurlieden en bemanningsleden uit Pernis aan.(3) In 1818 kocht een groep Middelburgse kooplieden twee gaffelschuiten uit Delfshaven. Ze stelden stuurlieden uit Middelharnis aan: Roeland Waterman en Johannis Bree (zie bericht van 10 juni 2019).
In beide gevallen was het achterliggende idee waarschijnlijk om zelf in de aanvoer van verse zeevis te voorzien.

Voor het antwoord op de vraag waar Middelburg en Vlissingen hun verse kabeljauw, schelvis en andere zeevis vandaan haalden beschikken we over enkele summiere aanwijzingen.
Die wijzen in de richting van de vissers van het Overmase (Middelharnis, Pernis en Zwartewaal) en de visafslag van Middelharnis (de grootste afslag voor verse zeevis in Zuidwest Nederland).


1. A.P. van Vliet, Vissers in oorlogstijd. De Zeeuwse zeevisserij in de jaren 1568-1648 (Middelburg 2003).
2. Zeeuws Archief, Familie Mauritz, inv. nr. 5133. Stukken betreffende de visserij en het viscomptoir, 1768-1771.
3. Kees Leeman. De geschiedenis van de Veerse visserij 1250 -1961 (Middelburg, 2e herziene en uitgebreide uitgave 1997), p. 29

zaterdag 7 augustus 2021

Ventjagers uit Sommelsdijk in de achttiende eeuw

In de achttiende eeuw waren ook enkele inwoners van het Zeeuwse Sommelsdijk actief in de handel in verse zeevis. Er is nog weinig bekend over deze Sommelsdijkse ventjagers.

Een brief van het dorpsbestuur van Middelharnis uit 1729 over de vrije doorvaart bij de Tol van Lillo maakt melding van Sommelsdijkse ventjagers. (1)

In het rechterlijk archief van Middelharnis vinden we een vermelding uit 1738 van Jacob Jansz van Swigt, ventjager te Sommelsdijk, gehuwd met Trijntje van der Mij.(2)

Een passage uit een brief van Pieter van Cuyck uit 1789 wijst op een vrij grootschalige handel in kabeljauw door 'lieden van Sommelsdyk' vanuit Nieuwediep. (3)


Het Nieuwediep was een vluchthaven aan de zuidkant van het Marsdiep.
Fragment uit: Kaartje van Noord Holland en ‘t grootste gedeelte van de Zuider Zee 
getekent naar de peil kaart der pilotagie, uitgave Elwe & Langeveld (1785).


Zij komen hier met grote bunschepen die wel vijfhonderd levende kabeljauwen kunnen bergen, schrijft hij. Dit moeten schepen ter grootte van een gaffelvisschuit zijn geweest (4) Om de markt niet te overvoeren werd dagelijks met kleine vaartuigen een gedeelte naar Amsterdam vervoerd.
Een kabeljauw kostte in Nieuwediep een rijksdaalder. De vis werd met een vork uit de bun gehaald.

Aan het nieuwe Diep koomen lieden van Sommelsdyk met levendige kabeljaauw, in zulke ruime vaartuigen, dat er wel vyf honderd levendige kabeljaauwen in kunnen zwemmen; zy koopen de kabeljaauw van de visschers, die dezelve uit zee brengen, en zenden er dagelyks met kleiner vaartuigen zoo veel naar Amsterdam, dat zy dezelve op prys kunnen houden; 
aldaar aan het nieuwe Diep kan men eene kabeljaauw voor een ryksdaalder koopen, het geen op deeze  wyze geschiedt;de visscher steekt met een vork in de bun naar een visch, en die hy gestoken heeft moet men nemen, het zy dezelve groot of klein is; zoo wel de kooper als verkooper moeten zich vergenoegen met het geene het geval geeft.

Ook Boers verwijst naar ventjagerij (en visserij) vanuit Sommelsdijk (5) 
Sommigen vonden hun bestaan in de zalm- en elftvangst op de rivier of door het vervoer van visch, welke zij van de visschers van het nabijgelegen Middelharnis kochten, naar Braband, Vlaanderen en zelfs wel naar Engeland. De gaffelschepen, hiertoe gebezigd, werden gebouwd op de hier toen bestaande scheepstimmerwerf

De ventjagerij, de bouw van visschuiten en de riviervisserij op zalm en elft  vragen om meer historisch onderzoek in samenhang met de visserijgeschiedenis van Middelharnis.


1. Marco Kuiper, Vissers en ventjagers, p. 30 verwijst naar SAGO, AGM, inv. 406, brief van 10 april 1729 (kladversie).
2. SAGO, Rechterlijk Archief Middelharnis, inv. nr.39, 4 december 1738 (procuratie).
3. Pieter van Cuyck, Brieven over Texel en de naby-gelegen eilanden (samengesteld door J.G. van Oldenbarnevelt), Delft, 1789. p. 41.  Met dank aan Nico de Vries voor de attendering op deze titel.
Ten oosten van Den Helder bevond zich het Nieuwediep, van oorsprong een kreek of slufter die als vluchthaven diende. Deze plek bood meer beschutting aan kleinere schepen dan de relatief open redes in het Marsdiep en achter Texel. Langs het Nieuwediep werden dammen aangelegd en het water werd uitgediept zodat zeeschepen er vanaf 1785 veilig binnen konden lopen. Deze werken waren er primair op gericht om het Nieuwediep geschikt te maken als oorlogshaven, maar ook koopvaardijschepen en vissersschepen gebruikten de haven als vluchthaven.
P.J. Sigmond, Nederlandse zeehavens tussen 1500 en 1800 (Amsterdam 1989)
4. Zowel sloepen als gaffelschuiten konden 500 tot 600 kabejauwen vervoeren. Streekarchief Voorne Putten, toegang 106, Gemeente Zwartewaal, inv. nr. 52, brievenboek, verweerschrift van 23 augustus 1823 van schout A. Kwak namens de reders van Zwartewaal. 
5. B. Boers. 'Beschrijving Van Het Eiland Goedereede En Overflakkee' . Sommelsdijk, J. Jongejan, 1843, p. 229.



donderdag 24 juni 2021

Visserij en vishandel van Middelharnis (1466-1923)

Het weblog Arjaentje bestaat sinds januari 2012 en bevat voornamelijk informatie over de visserijgeschiedenis van Middelharnis en de vissersfamilies.  Veel personen en instanties hebben bijgedragen aan het weblog door gegevens of foto's voor gebruik af te staan, waarvoor dank. 

Dit is het 500ste bericht (maar zeker niet het laatste). Een goed moment voor een overzicht van de geschiedenis van de visserij en de vishandel van Middelharnis.



Visserij en vishandel van Middelharnis (1466-1923)


De beugvisserij, de bunschepen en Brabant waren karakteristiek voor de visserij en de vishandel van Middelharnis. De beugvisserij was een vistechniek met een stelsel van lange lijnen en haken voor de visserij op kabeljauw, schelvis, heilbot, tarbot, vleet en rog. De vissers van Middelharnis werden ‘versvaarders’ genoemd omdat ze verse vis aanvoerden. 

De vangst werd levend gehouden in de bun, een ruimte onderin het schip met gaten waar water doorheen stroomde. Ook de ventjagers, die de vis op de visafslag overnamen, hadden bunschepen.

De belangrijkste afzetmarkt was het gewest Brabant met de steden Antwerpen, Mechelen, Brussel en Leuven. De route van de ventjagers liep via de getijderivieren naar het zuiden. In Mechelen leefde de vis nog steeds. In Brussel aangekomen was de vis niet meer in leven, maar nog wel vers.

De visserij ter verse in de herfst, in de winter en in het vroege voorjaar en de drie b’s, (beugvisserij, bunschepen en Brabant) bleven door de eeuwen heen constant.


Het koperen visschuitje op de toren van het raadhuis van Middelharnis uit 1639 was ook zo’n constante. Honderden jaren lang stond het symbool voor de thuishaven van de vissersschepen.



Visschuit op de toren van het raadhuis van Middelharnis.
Museumexemplaar (Streekmuseum Goeree-Overflakkee)





1466-1650: Opkomst van de visserij en de visafslag. Oorlog op zee

Het dorp Middelharnis is in 1466 gesticht. Bepalend voor het succes als vissersplaats en als centrum van de vishandel waren:

1. De gunstige ligging ten opzichte van de zee
2. De aanwezigheid van een goede haven. De haven was aangelegd als uitwatering voor de nieuwe polder, maar was ook geschikt als vissershaven
3. De gunstige ligging ten opzichte van de Brabantse afzetmarkt

In een octrooi van Philips II uit 1567 staat vermeld dat het dorp een zeer goede haven en kaai heeft “bequaem totte zeevaert tot boots ende bootschepen”, gunstig gelegen ten opzichte van Brabant, Holland en Zeeland.

De ventjagers gebruikten de route ten oosten van Overflakkee en Duiveland naar Antwerpen. De namen Ventjagersplaten en Ventjagersgaatje herinneren hier nog aan.


.Kaart van Zeeland in 1598 door Abraham Ortelius (1527-1598).



Sint Petrus, patroon van de vissers, kreeg een altaar in de nieuw gebouwde kerk. Dit is een teken dat zich in Middelharnis al gelijk vissers vestigden. De oudste vermelding van Brabantse ventjagers die vis opkochten bij het havenhoofd van Middelharnis dateert uit 1603.

De haven verzandde waardoor het dorp moeilijk bereikbaar was. Om de havenwerken te financieren kwam in 1598 de visafslag tot stand. De pachtopbrengst van de afslag leverde voldoende geld op om de haven goed toegankelijk te houden. De stuurmannen van de 16 visschuiten stemden ermee in om voortaan afslagrecht te betalen.

Duinkerker kapers brachten gedurende de hele Tachtigjarige oorlog (1568-1648) grote schade toe aan de visserij. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) leefde de visserij op. Daarna zijn verschillende vissersschepen uit Middelharnis in handen van kapers gevallen. Om losgelden voor de opvarenden in te zamelen werd op heel Flakkee een inzameling gehouden. Ook de diaconie van Middelharnis betaalde dikwijls losgeld om vissers uit te kopen die in Duinkerken gevangen zaten. In de periode 1626-1637 zijn 6 vissersschepen verloren gegaan of geplunderd. Minimaal vier vissers overleden aan hun verwondingen of aan ontberingen.


1650- 1711: Opbloei van de visserij. Opnieuw oorlog op zee


Tijdens de drie oorlogen tussen Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tussen 1652 en 1674 waren de Engelse kapers zeer actief op de Noordzee. Ze hadden het onder meer voorzien op vissersschepen. Ondanks deze onveilige situatie groeide de vissersvloot van Middelharnis zodanig dat de haven in 1675 vergroot moest worden. De vloot bestond uit allerlei kleine en grote schuiten voor de kustvisserij en de visserij op de rivier Flakkee en het Haringvliet.

De ambachtsheren van Middelharnis besloten in 1678 dat alle vis die door het Goereese Gat aangevoerd werd onder het afslagrecht van Middelharnis viel. Dat gold ook voor vis die men op het water verhandelde. Vanwege de toegenomen bedrijvigheid kwam er in 1682 een nieuw reglement (de keur) op de afslag. 20 stuurlieden van visschuiten ondertekenden de keur.

De voorspoedige ontwikkeling kwam door de Negenjarige Oorlog (1688-1697) tot stilstand. De Republiek streed deze keer aan de kant van de Engelsen. De vissers van Middelharnis ondervonden veel schade en overlast door de Duinkerker kapers. Meestal wisten ze aan de kapers te ontsnappen door snel het Goereese Gat in te varen met achterlating van hun viswant. De verzekeringspremies waren hoog. Een schuit uit Middelharnis werd gekaapt en na het betalen van losgeld vrijgekocht.


Gezicht op Duinkerken vanaf de zee, circa 1700


Na enkele jaren vrede barstte de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) los. Opnieuw vocht de Republiek aan de kant van de Engelsen. Oostendse en Duinkerker kapers bedreigden de vissers. Tenminste één stuurman uit Middelharnis werd door kapers gevangengenomen en na betaling van losgeld vrijgekocht. Het akkoord uit 1707 om verse visschepen van de strijdende partijen over en weer vrij door te laten kwam de visserij ten goede. In 1708 telde de vissersvloot van Middelharnis 21 schepen. Sinds 1682 was de omvang van de vissersvloot stabiel gebleven. Er waren intussen wel grotere schepen aangeschaft. De gaffelschuit was het meest gebruikte scheepstype geworden.



1711-1793: De gouden eeuw van Middelharnis

In de 18e eeuw bloeiden de vishandel en visserij. Er was veel bedrijvigheid in het dorp, ook voor ambachtslui en de neringdoenden. De welvaart was ongelijk verdeeld; niet alle inwoners verkeerden in goeden doen.

Engeland en de Republiek waren sinds 1688 bondgenoten. Dit was gunstig voor de handel tussen beide landen. In de bloeiende metropool Londen ontwikkelde zich een grote vraag naar de luxe vissoort tarbot. Een viskoper uit Londen kocht in 1711 een schuit uit Middelharnis. Hiermee begon de tarbothandel tussen Middelharnis en Engeland. De schuiten van Middelharnis visten van april tot en met september op tarbot. Een van de schuiten nam de levende vis over en bracht de lading in Londen op de markt. Ook tarbot van de kustvissers van Egmond, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen en Ter Heijde werd opgekocht.

De vismarkt van Billingsgate in Londen
Uit: Microcosmos of London, 1808.


Het viel in Londen steeds meer op dat de vissers uit Middelharnis tarbot tegen hoge prijzen op de markt brachten. Er ontstond een klimaat om de Hollandse vissers te weren en een eigen tarbotvisserij op te starten. Deze rivaliteit leidde in de jaren 1763-1765 en 1785-1786 tot een ‘tarbotcrisis’. De Engelse regering zette haar plannen om de Hollandse tarbotvissers te dwarsbomen niet door.

De tarbothandel werd vanaf 1779 uitgebreid met palinghandel. De Middelharnisse palingrederij gebruikte het bestaande handelsnetwerk in Londen. Tarbot was er niet het hele jaar. Door ook paling te vervoeren konden de schuiten alle maanden doorvaren. De paling werd opgekocht rondom de Zuiderzee.

In de vishandel met Brabant ontstonden strubbelingen door toedoen van jaloerse Zeeuwen die zagen dat Middelharnis floreerde terwijl hun eigen zeevisserij achteruitging. De Zeeuwse Admiraliteit heeft in 1724 en in 1732 geprobeerd om het de vishandel van Middelharnis moeilijk te maken door te eisen dat de lading van de ventjagers pas na inspectie de Tol van Zeeland bij Lillo mocht passeren. Normaal was een paspoort dat door het (Zeeuwse) Sommelsdijk verstrekt was voldoende. Het dorpsbestuur van Middelharnis wist de Staten-Generaal te overtuigen dat de handel in verse vis geen oponthoud duldde. In 1732 deed de stad Veere een weinig succesvolle poging om vissers en ventjagers uit Middelharnis over te halen om in Veere te gaan wonen.

Brabantse steden, ook in het huidige Noord-Brabant, wilden graag verzekerd zijn van een regelmatige aanvoer van verse vis in de winter en in de vastentijd. Breda (1747) en Oudenbosch (1779) correspondeerden hierover met het dorpsbestuur van Middelharnis. Mechelen klaagde in 1749 dat de stad te weinig verse vis aangevoerd kreeg in vergelijking met Brussel en Antwerpen.

Fragment van: Gezicht op de vismarkt van Antwerpen
Jean-François Daumont (uitgever),
(Museum aan de Stroom)




Een belangrijk moment voor Middelharnis als centrum van de vishandel was het ondertekenen van een contract door 55 ventjagers (uit Middelharnis zelf, uit Antwerpen en uit andere plaatsen) in 1734. Het monopolie van 1678 (alle vis die via door het Goereese Gat binnenkwam viel onder het afslagrecht van Middelharnis) werd nog eens bevestigd. Ventjagers die op het water lading overnamen van vissers van buiten Middelharnis, mochten niet meer direct afrekenen met deze vissers. Alle betalingen liepen via het viskantoor in Middelharnis. In de jaren 1780 verzetten stuurlieden van Pernis, Schiedam en Delfshaven zich zonder succes tegen dit monopolie en tegen de hoogte van het afslagrecht.

In de beugvisserij werd de rivierprik vaak als aas gebruikt. De prikken kochten de boekhouders meestal in Woudrichem. Net als Vlaardingen en Maassluis kreeg ook Middelharnis een prikgat. In dit reservoir onderaan de Oudelandse zeedijk werden de prikken bewaard tot ze voor de visserij nodig waren. In 1746 sloten eenentwintig stuurlieden een contract over het gebruik van het prikgat.

Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) vielen Franse troepen in april 1747 de Republiek binnen en bezetten onder meer Zeeuws-Vlaanderen. Allerlei schepen vormden een verdedigingslinie op de Westerschelde en de Oosterschelde. Elf visschuiten uit Middelharnis namen hieraan deel. De vishandel naar Brabant stagneerde maanden lang.

Een grotere impact had de Vierde Engelse oorlog (1780-1784). De visserij lag stil omdat Engelse kaperschepen de Noordzee onveilig maakte. Het dorp verviel in de loop van 1781 tot grote armoede. Om weer naar zee te kunnen zijn 30 schuiten van vissers en ventjagers in 1782 onder Oostenrijkse vlag gebracht (geneutraliseerd). Dat wil zeggen dat de schepen op papier verkocht werden aan inwoners van de Zuidelijke Nederlanden (door Oostenrijk bestuurd en in deze oorlog neutraal). De stuurlieden schreven zich in als inwoner van de stad Gent. De visschuiten behielden Middelharnis als thuishaven. In 1783 zijn de visschuiten door de oorspronkelijke eigenaren teruggekocht.

Na deze oorlogsperiode werd de visserij voortvarend voortgezet. In 1787 kreeg Middelharnis een scheepswerf voor gaffelschuiten aan de westkant van de haven. Tot en met 1794 zijn op deze werf jaarlijks een of meer gaffelschuiten gebouwd van 20 meter lengte.

Een visschuit zijnde een Zwartewaalse gaffelaar
uit: Verzameling van vier en tachtig stuks Hollandsche schepen, 
door G. Groenewegen. Rotterdam, 1789.



De haven van het dorp was door de voortdurende verzanding slecht toegankelijk. De inkomsten van de visafslag waren niet toereikend om de haven te verbeteren. In 1759 werd de havenmonding verlengd, dwars door de voorliggende zandplaat. De Staten van Holland betaalden mee.

Tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw heeft de visafslag van Middelharnis zich ontwikkeld tot de belangrijkste afslag voor verse vis in het Zuidwesten van de Republiek. Stuurlieden overal vandaan verkochten de vis op het water aan de ventjagers. Zij konden met de verse waar meteen doorvaren. De ventjagers rekenden af op het viskantoor in het dorp als ze een volgende keer weer vis kwamen kopen.

Tussen 1757 en 1791 zijn acht scheepsrampen voorgevallen. Begin januari 1764 vergingen twee gaffelschuiten met volledige bemanning. 
De eigen vissersvloot van Middelharnis bestond uit rond de 20 schepen en groeide in de eerste helft van de 18e eeuw nauwelijks. Vanaf ongeveer 1770 groeide de vloot. In 1794 waren er 32 gaffelvisschuiten met elk 12 bemanningsleden.

Het benodigde kapitaal om een nieuwe schuit in de vaart te brengen kon alleen bij elkaar gebracht worden als er genoeg participanten waren. De aankoop van ‘parten scheeps’ was een goede investeringsmogelijkheid voor de hogere standen, weduwen, neringdoenden en ambachtslieden. Stuurlieden waren voor 1/8 of 1/16 part mede-eigenaar van hun schuit.102 reders, de meesten uit Middelharnis, waren in 1783 gezamenlijk eigenaar van 25 visschuiten. Deze partenrederij heeft als ondernemingsvorm gedurende de hele achttiende eeuw bestaan.

Een dorp dat in florissante staat verkeert. Zo typeerde een officiële commissie Middelharnis in 1757. Het dorp had deze voorspoed te danken aan de vangst van verse vis, waarmee ‘importante commercie’ zowel met Engeland als met Brabant bedreven werd. In heel Holland ‘wordt geen zo vischrijke plaats gevonden’ luidde het in 1789. En in 1798 lezen we dat de visserij aan de bewoners een ‘byna ongeloovelyke drokte en bezigheden’ verschaft. Deze schrijver stelde dat Middelharnis ‘in florissantie menig een stad voorby streeft’.



1794-1813: Franse en Engelse kapers. Restricties. Frans bestuur

Het jaar 1794 was het begin van twee decennia waarin de visserij belemmerd werd door de oorlog op zee (gaffelschuiten en kaperschepen).

Frankrijk verklaarde in 1793 de oorlog aan de Republiek. De vissers hadden veel te duchten van Franse kapers. In 1794 werd een gaffelschuit uit Middelharnis ‘genoomen en in de grond gehakt’. Het Duinkerker kaperschip zette de bemanning in Noorwegen aan wal.

In januari 1795 raakten Engeland en Frankrijk in oorlog. De Bataafse Republiek werd als zusterrepubliek van Frankrijk meegezogen in de oorlog tegen Engeland.
De vissersvloot van Middelharnis ging in 1795 onder neutrale Deense vlag varen. De formaliteiten konden ter plaatse geregeld worden omdat de belangrijkste reder tot viceconsul van Denemarken gebombardeerd was. In 1798 kaapten de Engelsen desondanks een gaffelschuit uit Middelharnis met een kostbare lading van 514 stuks tarbot bestemd voor Londen.



Pruisische scheepsbrief voor de gaffelschuit Jonge Maria, Mattheus Smit.
Uit: NA, HCA,  32, 1513, 3136 32


Tijdens een korte periode van vrede in 1802-03 kon de visserij weer op de oude voet voortgezet worden. Maar in juni 1803 brak de zeeoorlog opnieuw uit. De schepen en de bemanningen zijn onder de Pruisische vlag gebracht. Dit voorkwam niet dat tussen 1804 en 1806 12 gaffelschuiten uit Middelharnis gekaapt zijn, waarvan er 7 terugkeerden. De stuurlieden hadden ten overstaan van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat ze Pruisisch waren.  5 schuiten zijn op een publieke veiling in Engeland verkocht. In april 1810 zijn voor de monding van de Maas 2 gaffelschuiten uit Middelharnis door Engelse schepen genomen. Ook deze schepen zijn verloren gegaan. Een in 1813 gekaapte gaffelschuit is behouden teruggekeerd nadat de bemanning maandenlang in Engelse gevangenschap doorbracht.


Een rechtbank in Londen in het begin van de 19e  eeuw
Uit: Microcosmos of London, 1808.




De visafslag bleef op een laag pitje in bedrijf. De ventjagers uit Zuid-Nederland, vooral Antwerpenaren, kochten 85% van de vis die op de afslag van Middelharnis kwam (Brabantse ventjagers en de beugvissers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal). In 1802, een jaar waarin het vrede was, passeerden 672 scheepsladingen met verse vis de Tol bij Bath. Driekwart kwam van de afslag van Middelharnis.

Een klein lichtpuntje was dat de tarbothandel niet helemaal stil kwam te liggen. Napoleon besloot in 1806 om Engeland af te snijden van alle afzetmarkten op het vasteland van Europa (continentaal stelsel). Zelf de vis in Londen op de markt brengen behoorde niet meer tot de mogelijkheden. De tarbot verkochten de vissers nu op zee aan Engelse vissers, die het vervolgens als eigen vangst op de markt brachten. In Engeland wist men van het bestaan van Middelharnis af. De Engelsman John Brown noemde het in 1805 ‘a great fishing village’.

Het risico om gekaapt te worden was groot. Ook kreeg de visserij restricties opgelegd, zoals het verbod om langer dan een dag uit te varen of om buiten de zeegaten te komen. In 1809 moesten vissersschepen uit Middelharnis vierhonderd Franse militairen vanuit Stellendam overvaren. Een groep van zestig soldaten diende zich aan om de vissers te dwingen mee te werken. De vissers weigerden te gehoorzamen. Tijdens dit oproer van 1809 ontstonden gevechten tussen de militairen en een menigte van voornamelijk vrouwen en kinderen. De militairen trokken zich terug.

Na de inlijving van ons land bij Frankrijk in 1810 voerden alle vissersschepen verplicht de Franse vlag. De schepen stonden rechtstreeks onder militair gezag. Ze werden regelmatig gevorderd voor transporten van militaire goederen. Voor de Franse marine was veel mankracht nodig, waardoor vissers dienstplicht opgelegd kregen.

Er heerste grote armoede in het dorp. In de winter van 1803-04 was de nood zo hoog dat overal in het land opgeroepen werd om Middelharnis en andere vissersdorpen te ondersteunen. Niet alleen de vissers verarmden. De neringdoenden en ambachtslieden zagen het kapitaal dat ze in de schepen gestoken hadden verdampen. De eenzijdig op de visserij gerichte dorpseconomie viel in duigen. Aan het eind van de oorlog was nog maar de helft van de 32 gaffelschuiten over. De Bataafs Franse tijd (1794-1813) was een periode van ‘algeheele kwijning’ voor de visserij.



1813-1830: Moeizaam herstel en modernisering.

In 1814 ontstond Koninkrijk der Nederlanden waarin ook de Zuidelijke Nederlanden opgenomen waren. Koning Willem I stimuleerde de zeevisserij in het koninkrijk met premies. Voor de winterbeugvisserij van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal werd 250 gulden per jaar per schip uitgekeerd. Voor de haringvisserij, de visserij nabij IJsland en de zoute visserij in de winter kregen de reders zelfs 500 gulden per jaar. De eenwording van Noord en Zuid nam belemmeringen voor de vishandel weg. Helaas waren de kabeljauwprijzen jarenlang erg laag.

Na het vertrek van de Fransen in december 1813 ging de visserij in Middelharnis met de overgebleven gaffelschuiten verder. Vanaf 1818 zijn ze een voor en verkocht of vergaan. De laatste gaffelschuit is in 1831 verkocht.

In 1817 werd een nieuw scheepstype geïntroduceerd, de bunvissloep. De sloep was sneller, veiliger en goedkoper dan de gaffelschuit. De lengte was met 19 tot 20 meter hetzelfde. Een sloep had 13 bemanningsleden

Scheepsmodel van de eerste sloep Vrouw Aplonia 
door Rens Langbroek (Streekmuseum Goeree-Overflakkee)




De sloepen gingen ook op zoutreis. Lange verre reizen in de zomer waarbij de vis ingezouten werd. De vernieuwing van de vloot kwam heel moeizaam op gang. De eigen bevolking was verarmd. Voor kapitaal moest een beroep gedaan worden op partenreders uit Dordrecht en Rotterdam. In 1825 waren naast vijf oude gaffelschuiten nog maar vijf nieuwe sloepen in bedrijf. Tussen 1817 en 1832 zijn 13 nieuwe sloepen aan de vloot van Middelharnis toegevoegd, waarvan er een binnen een jaar verging. Zeven van deze sloepen werden vanaf 1826 in Middelharnis zelf gebouwd.

Na 1813 was er in Middelharnis onvoldoende werk voor vissers. Een aantal is vanaf 1818 op de vloot van Zierikzee gaan werken waar in korte tijd tien sloepen gereedkwamen. Vissers uit Vlaardingen, Maassluis, Pernis en Middelharnis kwamen de nieuwe sloepen bemannen. Minimaal 26 vissers uit Middelharnis hebben korte of langere tijd in Zierikzee gewerkt.

Tijdens de zoutreizen in de zomer werd met de kol gevist. Zoutreizen leverden meestal weinig op door het grote aanbod aan gezouten kabeljauw. Ook tijdens de IJslandvaart visten ze met de kol. De kabeljauwvisserij rond IJsland was voor Middelharnis van weinig belang. Vijf keer is een schip naar IJsland geweest in de jaren 1829 tot en met 1833. 
De tarbotvisserij in de zomer ging nog door. In 1818 kwam de plompvisserij voor de schelvisvangst van september tot november in zwang. Deze vistechniek werd overgenomen van Engelse vissers, met wie de vissers uit Middelharnis veel contact hadden.


1830-1863: Onzekere tijden. Aanhoudende stagnatie

In 1830 begon de Belgische Opstand die tot de Afscheiding van België zou leiden. In Middelharnis, dat grotendeels afhankelijk was van de Brabantse steden, kwam de klap hard aan
Terwijl Nederland en België nog in staat van oorlog verkeerden kwam de vishandel met Brabant in 1832 weer op gang. Belgische vissers (eigenlijk waren het ventjagers) kochten een deel van de vangst en voerden het als eigen vis in.

Na de officiële Afscheiding van België in 1839 is met grote voortvarendheid en met financiële steun van de Belgische regering een eigen Antwerpse beugvisserij opgericht. De Antwerpse reders trokken onder meer vissers uit Middelharnis aan. 14 vissers uit Middelharnis trokken met hun gezin naar Antwerpen (betrekkingen tussen Antwerpen en Middelharnis).

In februari 1842 voerde de nieuwe staat België hoge invoerrechten in op verse vis uit Nederland. Dit was een grote tegenslag voor visserij van Middelharnis. Een nieuw verdrag tussen Nederland en België in 1851 leidde niet tot afschaffing of verlaging van de heffing. De Nederlandse regering schafte inmiddels de premies op de winterbeugvaart geleidelijk af. De reders moesten hun jaarlijkse tegemoetkoming missen. Belanghebbenden uit Middelharnis, 42 in getal, uitten hun teleurstelling in een gezamenlijke brief aan de Eerste Kamer. Middelharnis voelde zich miskocht omdat de premies afgeschaft werden en de invoerrechten niet. De schrijvers van de brief voorspelden de volledige ondergang van de visserij in Middelharnis.

In 1834 is Middelharnis met de haringvisserij begonnen. In Duitsland was veel vraag naar Hollandse haring, zodat de visserij minder van België afhankelijk was. Op het dorp ontbrak het aan vakkennis op het terrein van de haringvisserij. In het begin voeren stuurlieden uit Vlaardingen en Pernis als schipper op de schepen van Middelharnis. De bemanning van de haringschepen bestond voor twee-derde uit Duitse seizoenarbeiders.


Het gezigt van de Haringvissery en jagery door A. Stolk
(Museum Vlaardingen)




De tarbotvangsten liepen steeds verder terug. Rond 1845 stopte de tarbotvisserij helemaal.

Uit Zierikzee, Pernis en Zwartewaal werden tweedehands schepen aangekocht. Bouw van nieuwe sloepen zat er niet meer in door de onzekere tijden. Het werd op den duur een houtje-touwtje vloot met opgelapte schepen en tweedehands aankopen. De vissersvloot bestond in 1843 uit 19 schepen, waarvan 16 bunvissloepen en 3 schepen zonder bun voor de haringvisserij. Na de invoering van de Zeevisserijwet van 1857 mochten ook sloepen aan de haringvisserij deelnemen. In 1857 en 1859 zijn twee nieuwe sloepen gebouwd die zowel voor de haringvisserij als voor de kabeljauwvisserij geschikt waren.


De visafslag bloeide tussen 1836 en 1842 door de export van vis naar het vijandelijke Zuiden. De oude tijden van de visafslag leken te herleven. Het bleken de laatste stuiptrekkingen te zijn. Door de vele ondiepten voor de haven van Middelharnis verplaatste de vishandel zich naar Hellevoetsluis. Opkopers uit Hellevoetsluis kochten de vis die ze naar Rotterdam vervoerden. Ook de Belgische ventjagers bezochten de haven van Hellevoetsluis.
Het viel niet meer vol te houden dat vissers uit andere plaatsen aan Middelharnis afslagrecht moesten betalen, ook voor vis die in Hellevoetsluis afgeslagen werd. Voor ‘vreemde’ vissers is het afslagrecht in 1845 afgeschaft, alleen nog niet voor de schepen uit Middelharnis. Hiermee kwam een eind aan de betekenis van Middelharnis voor de vishandel. De visafslag is formeel in 1857 opgeheven. De afslag bracht in de loop van de tijd 900.000 gulden (vergelijkbaar met ongeveer 12 miljoen Euro) voor het dorp op.

Een van de Middelharnisse reders liet de vishandel niet meer alleen aan de ventjagers over. Hij vervoerde vanaf ongeveer 1850 verse vis naar Antwerpen met zijn eigen bunbotter. De invoerrechten kon hij zo niet omzeilen, maar hij schakelde wel de tussenhandel uit. In 1855 opende de spoorlijn van Antwerpen over Roosendaal naar de haven van Moerdijk. In Moerdijk vestigden zich Belgische vishandelaren. Ook de sloepen van Middelharnis brachten hun vangst soms naar Moerdijk.
Engeland schafte in 1851 de invoerrechten af. Middelharnisse sloepen waren in de loop van de jaren 1850 steeds vaker in Engelse havens als Gravesend en Lowestoft te vinden.

De haven van Middelharnis was rond 1850 alleen nog via een omweg te bereiken. Het eeuwige probleem van de bereikbaarheid was opnieuw erg nijpend geworden. In 1854-1855 werd de haven verlengd, dwars door een zandplaat. Het geld kwam van het Rijk, de Provincie Zuid-Holland en de gemeente. De vreugde was van korte duur. In 1856 was de haven alweer aan het verzanden. Vanaf 1860 konden de vissersschepen de haven alleen nog onbeladen binnenvaren. Om de toegankelijkheid van Middelharnis voor visserij en handel veilig te stellen is een ingrijpend plan uitgevoerd voor de bouw van een spui- en schutsluis. Hiervoor verleenden rijk en provincie in 1862 opnieuw financiële steun. De nieuwe buitenhaven werd in augustus 1865 in gebruik genomen.


Haven met spui- en schutsluis, gereedgekomen in 1865.
 Ansichtkaart uit circa 1925 (Streekarchief Goeree-Overflakkee)




De verse zeevis was, als altijd, de belangrijkste inkomstenbron. De gevolgen van de Belgische invoerheffing vanaf 1842 waren dramatisch. Het vissen op deel maakte dat de vissers bij een slechte besomming nauwelijks iets verdienden. De armoede in het dorp nam tussen 1845 en 1855 grote vormen aan.

De vloten van Pernis en Zwartewaal krompen, terwijl Middelharnis na 1835 altijd minimaal 15 schepen in de vaart hield. Er bleef altijd werk in de visserij. De haringvisserij, de eigen vishandel, de oude schepen en de premies maakten de rederijen nog net rendabel. De vissers daarentegen leefden jarenlang onder het bestaansminimum. Tot 1863 zouden de hoge invoerrechten de vishandel met België blijven frustreren. Daarna was de malaise als bij toverslag voorbij.

Helaas overschaduwden de noodlottige gevolgen van de decemberstormen de positieve stemming. In december 1863 vergingen 2 sloepen met volledige bemanning, de grootste scheepsramp uit de visserijgeschiedenis van Middelharnis.



1863-1888: De tweede bloeitijd.

Op 12 mei 1863 trad eindelijk een nieuw verdrag met België inwerking. België verlaagde de invoerrechten drastisch. De Zeevisserijwet van 1857 bood alle vrijheid aan de vissers. Artikel 1 van luidde: ‘Er wordt aan elk een volkomen vrijheid gelaten de verschillende takken van zeevisscherij naar eigen goedvinden uit te oefenen.’ Het was de eerste periode in de geschiedenis van de visserij van Middelharnis zonder oorlogen en handelspolitieke belemmeringen.

De reders durfden het na 1863 weer aan om nieuwe sloepen te bestellen. Ze moesten wel want de vloot was compleet verouderd. 4 van de oude sloepen vergingen in 1863, 1865 en 1867. Tussen 1865 en 1871 zijn 15 sloepen nieuw gebouwd. De vloot werd in korte tijd volledig vernieuwd. Een van de nieuw gebouwde sloepen ging in 1872 ten onder. De meeste sloepen werden in Vlaardingen gebouwd. Op de scheepswerf in Middelharnis bouwde men tussen 1867 en 1876 6 sloepen. De maximale omvang van de vloot was 22 sloepen in de jaren 1888-1889. In 1887 was de Noordzeevloot van Middelharnis in tonnenmaat de vijfde van Nederland, op enige afstand van Vlaardingen, Maassluis, Scheveningen en Katwijk.

Tussen 1863 en 1872 zijn 63 vissers bij scheepsrampen omgekomen. Nieuwe sloepen konden soms niet uitvaren door gebrek aan bemanning. Er zijn in deze jaren enkele vissers uit Pernis naar Middelharnis gekomen. Zonen van landarbeiders uit Middelharnis, Sommelsdijk en Dirksland vonden ook werk op de sloepen.

Het systeem van vissen op deel maakte dat de vissers gelijk van de bloei van de visserij profiteerden. Al in de loop van 1863 verdienden ze het dubbele van de voorgaande jaren door de hoge prijzen die de Belgen voor de vis betaalden.

Om de vissersbevolking te huisvesten zijn in 1873 in op dracht van rederij Kolff 56 huisjes aan de Vissersstraat gebouwd, gevolgd door 10 huisjes aan de Verlengde Vissersstraat door rederij Slis rond 1880. In 1882 richtten de reders het Vissersfonds op om nabestaanden van vissers die op zee omkwamen te ondersteunen en om oud-vissers die niet meer konden werken hulp te bieden. Vissers en reders droegen bij aan het fonds.


Kinderen in de Vissersstraat ca. 1900



De spoorwegen namen het vervoer van vis geleidelijk van de bunschepen over. De haven van Nieuwediep was al sinds de jaren 1850 een belangrijke marktplaats voor de Middelharnisse vloot. Door de spoorlijn Den Helder-Alkmaar-Amsterdam nam de handel in Nieuwediep toe. Een dam voor de Zeeuwse spoorlijn sloot in 1867 het Kreekrak af. Daarmee verviel de eeuwenoude route van het Haringvliet naar Antwerpen. Als alternatief is het Kanaal door Zuid-Beveland geopend. Sloepen uit Middelharnis brachten hun lading vanaf het winterseizoen 1870-1871 ook naar Terneuzen, dat spoorverbindingen met Gent en Mechelen had.

De haven van IJmuiden kwam in 1876 tegelijk met het Noordzeekanaal tot stand. IJmuiden groeide uit tot de belangrijkste marktplaats voor Hollandse vissers. De in 1883 aangelegde spoorlijn kwam tot vlakbij de plaats waar de vis aan land kwam. De vissloepen van Middelharnis, Zwartewaal en Pernis hadden het grootste aandeel in de aanvoer. Via het spoor kwam het Duitse Rijk als afzetmarkt voor verse vis onder handbereik.

Middelharnis stopte in 1872 met de haringvisserij. De logger maakte sinds 1866 een razendsnelle opkomst door. Dit scheepstype was veel geschikter voor de haringvisserij dan de sloep. De aanschaf van loggers was voor de reders van Middelharnis een te grote investering. Ze hadden net alle sloepen door nieuwe vervangen. Bovendien waren ze altijd afhankelijk van Vlaardingen voor de aanschaf van kostbare netten. De zoutreizen in de zomermaanden brachten meer op dan de haringvisserij en de vissers zelf visten liever met de beug.  
Na de kolvisserij in 1862 stopte in 1880 ook de plompvisserij. Er werd uitsluitend met de beug gevist.


1889-1923: Overbevissing. Opkomst van IJmuiden. Neergang van de beugvisserij.

De vrijheid van ondernemen had ook een keerzijde. Nederlandse en de Engelse vissersvloten op de Noordzee groeiden enorm. De eerste klachten over verminderde vangsten als gevolg van het doodvissen van de Noordzee dateren uit 1878. De grootschalige schrobnetvisserij bracht schade toe aan de visstand. Aan de beug kwamen grote en halfvolwassen vissen, de trawlnetten schepten alles mee. Met de komst van stoomtrawlers vanaf 1895 nam de overbevissing verder toe.

Om de tonnetjes vol te krijgen moesten de vissers in de zomer steeds langer van huis. In 1893 duurde een zoutreis wel dertien tot veertien weken. Men maakte nu maar één lange reis in plaats van twee. De opbrengsten van de zomervaart liepen sterk terug. Dit was de reden om vanaf 1902 weer met de haringvisserij te beginnen. De haringvisserij werd door maximaal 4 sloepen per jaar uitgeoefend en was rendabeler dan de zoutreizen. Zonder deze inkomsten zouden de reders waarschijnlijk eerder met de visserij gestopt zijn. Nog een poging om het over een andere boeg te gooien was de visserij onder IJsland. In 1903 zijn eenmalig 2  sloepen voor een zoutreis naar IJsland gestuurd. Beide reizen waren niet winstgevend. Ook in deze laatste periode bracht de verse vis nog het meeste geld in het laatje.

In 1896 kwam de nieuwe vissershaven van IJmuiden gereed. In 1899 is de spoorlijn tot aan deze nieuwe haven doorgetrokken. IJmuiden werd de onbetwiste koploper onder de marktplaatsen. Door:

1. De gunstige ligging ten opzichte van de visgronden
2. De grote, goed bereikbare vissershaven
3. De voorzieningen: spoorweg, ijsfabrieken, vismijn en visserijschool


IJmuiden en omgeving 1933
Detail van kaart behorend bij
proefschrift van L.M. van den Bergh van  Eysinga




De aanvoer van verse zeevis in Middelharnis stopte in 1897. De sloepen kwamen in de winter niet meer in de haven, behalve voor reparaties. De bemanning kwam om de drie reizen per spoor van IJmuiden naar huis. De tonnetjes zoute vis losten de sloepen nog tot 1913 in Middelharnis om naar de afslag in Vlaardingen te vervoeren.


MD 4 Volharding laadt de vangst over in de haven van Middelharnis
circa 1890 (Streekarchief Goeree-Overdlakkee)



De reders van Middelharnis, de families Slis en Kolff, investeerden vanaf 1900 ook in stoomtrawlers voor IJmuiden. Door een faillissement hebben ze hier veel kapitaal verloren. Vanaf 1908 kwam er een vrijwillige inspectie voor de vissersschepen. In het register van de Inspecteur voor de Scheepvaart stonden in 1908 13 sloepen uit Middelharnis vermeld. De schepen waren niet voor inspectie aangemeld. De reders gaven in de nadagen van de visserij (te) weinig aan onderhoud uit.

Door het vissen op deel hadden de teruglopende opbrengsten grote gevolgen voor de vissers. De vissersgezinnen verarmden vanaf 1890 geleidelijk. Vissers vertrokken naar de Rotterdamse haven, naar IJmuiden en andere vissersplaatsen. In 1890 stonden nog 392 vissers ingeschreven in het bevolkingsregister. Hiervan zijn er 162 vertrokken. Degenen die in Middelharnis bleven werkten vaak voor reders uit Vlaardingen en Maassluis. Daar verdienden ze meestal meer.

Na de scheepsramp met een oude houten sloep in 1910 hebben veel vissers de visserij van Middelharnis vaarwel gezegd uit angst om op niet-zeewaardige sloepen te moeten werken. De slechte staat van sommige schepen was voor de bemanning overduidelijk. Na de scheepsramp in 1912 met een relatief nieuwe stalen sloep nam de angst verder toe. Twee sloepen moesten bij gebrek aan bemanning verkocht worden.

De laatste vissloep liep in 1911 van stapel. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bestond de vloot nog uit 6 sloepen. De visserij werd door de oorlogsomstandigheden belemmerd. De prijzen van vis waren hoog door het geringe aanbod. 4 sloepen werden als vrachtschepen verkocht. Rederij Slis stopte in 1919. In 1923 voer de MD 11 Oranje Nassau van Kolff voor het laatst uit.


Het einde

De zeevisserij van Middelharnis heeft zich in de loop van de eeuwen bewogen tussen de uitersten van ‘groote florissantie’ en ‘algeheele kwijning’ . Altijd was er hoop op betere tijden. Zelfs als oorlogen en handelsbelemmeringen de visnering jarenlang frustreerden. Steeds bracht men de veerkracht op om opnieuw te beginnen en de bakens te verzetten.

Het einde van de beugvisserij naderde onontkoombaar. De visgronden raakten door de trawlvisserij uitgeput. Met de beug viel nauwelijks meer iets te vangen. Ook de opkomst van de spoorwegen en van IJmuiden waren onontkoombaar.

De ligging van Middelharnis aan de vaarroute naar de Belgische afzetmarkt bepaalde door de eeuwen heen het succes van de vishandel en de visserij. Het vervoer over water was anno 1900 niet meer de snelste en goedkoopste manier van transport. De spoorwegen namen het over. De wereld was veranderd en het dorp lag nu in een uithoek. Dit betekende het einde van Middelharnis als vissersplaats.



Auteur: Marlies Jongejan




Verantwoording:

Een deel van de gebruikte literatuur is via hyperlinks in de tekst aangegeven.
Daarnaast is gebruik gemaakt van:
-Rinus van Dam, Marlies Jongejan, Pieter Koster. De vergeten vissers van Middelharnis. Scheepsrampen en ongevallen (1717-1938) Amsterdam 2018.
- M. Smit, ‘Het raadsel van de haringvisserij van Middelharnis’, Eilanden-Nieuws, 9 december 1994.
- Dean van der Wekken.De ondergang van de (beug)visserij van Middelharnis, een poging tot verklaring van de ondergang van de (beug)visserij in Middelharnis in de periode 1889-1923. (Rotterdam 1989). Doctoraalscriptie Maatschappijgeschiedenis. 
Ook zijn nog niet gepubliceerde onderzoeksgegevens van de auteur gebruikt.